Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Eerste deel

Part 4

Chapter 44,147 wordsPublic domain

Ik zal dan, hernam de grijsaard, u mijn verhaal voordragen, verleen mij daartoe, als ik u verzoeken mag, uwe onverdeelde aandacht. De hinde, welke gij hier ziet, is mijne nicht en bovendien mijne vrouw. Zij had, toen ik haar huwde, eerst haar twaalfde jaar bereikt, zoodat ik met regt kan zeggen, dat zij mij evenzeer als vader, bloedverwant en echtgenoot kon beschouwen.

Dertig jaren leefden wij met elkander zonder dat onze echt met kinderen werd gezegend; dit belette mij echter niet met haar in liefde en vriendschap te leven. De zucht naar een' erfgenaam, aan wien ik mijn niet onaanzienlijk vermogen zou kunnen nalaten, bewoog mij eene slavin te koopen, bij wie ik eenen zoon kreeg, die van zijne prille jeugd af aan een' veel belovenden aanleg had. Mijne vrouw, door jaloezij gedreven, vatte een' grooten haat op tegen moeder en kind, doch wist dezen onedelen hartstogt zoo goed te verbergen, dat ik daarvan niets ontdekte, dan toen het reeds te laat was.

Intusschen groeide mijn zoon zeer voorspoedig op en reeds had hij zijn tiende jaar bereikt, toen ik in de noodzakelijkheid kwam eene verre reis te maken. Vóór mijn vertrek beval ik moeder en zoon bij mijne vrouw aan, en verzocht haar voor beiden, gedurende mijne afwezigheid, zorg te dragen, daar ik een geheel jaar van huis zou moeten zijn. Zij beloofde mij zulks en ik vertrouwde er op. Doch naauwelijks was ik vertrokken of de ontrouwe peinsde op middelen om haren haat te bevredigen. Zij legde zich toe op de tooverij, en zoodra zij in deze duivelkunst genoegzaam ervaren was, om het helsche plan, dat zij ontworpen had, ten uitvoer te kunnen brengen, lokte de verraderes mijn' zoon op eene eenzame plaats. Daar herschiep zij hem, door hare tooverijen, in een kalf, en bragt hem onder die gestalte bij mijnen pachter, om als een kalf, dat zij voorgaf gekocht te hebben om vet te mesten, te worden opgekweekt. Hiermede nog niet voldaan, handelde zij op gelijke wijze met de slavin, en herschiep haar in eene koe, die zij mede bij den pachter bragt. Bij mijne tehuiskomst, kwam mijne vrouw mij onder vele teekenen van geveinsde vreugde te gemoet loopen. Ik omhelsde haar, en mijne eerste vraag was naar de moeder en het kind, die ik aan hare zorgen had toevertrouwd. „Uwe slavin,” zeide zij, „is gestorven, en wat uw zoon aangaat, het is reeds twee maanden geleden dat ik hem voor het laatst gezien heb, zonder dat ik weet waarheen hij zich begeven heeft en wat er van hem geworden is.” De dood van mijne slavin trof mij, doch daar mijn' zoon zich slechts verwijderd had, vleide ik mij met de hoop, dat hij, zoodra hij mijne terugkomst vernam, spoedig terug zou keeren. Inmiddels verliepen er acht volle maanden zonder dat hij terugkwam of iets van zich liet hooren; toch vleide ik mij dat hij, met het ophanden zijnde Baïramsfeest, zich niet te vergeefs zou laten wachten. Om dit feest en, zoo ik bleef hopen, de terugkomst van mijnen geliefden zoon op waardige wijze te vieren, beval ik den pachter mij daartoe een der vetste beesten van zijn' stal te brengen. Hij bleef niet in gebreke, maar, wat ik niet kon vermoeden, de koe welke hij mij bragt, was mijne slavin, de ongelukkige moeder van mijn' zoon! Ik bond haar vast, doch op het oogenblik, dat ik het offermes ophief om haar te slagten, begon zij zeer droevig te bulken, en ik bemerkte dat de tranen bij stroomen uit hare oogen liepen. Dit kwam mij zeer vreemd voor, en mijns ondanks door een gevoel van mededoogen aangegrepen, kon ik niet besluiten haar te dooden. Ik beval dus aan den pachter mij een ander offerdier te brengen.

Mijne vrouw, die hierbij tegenwoordig was, beefde, toen zij mijn mededoogen zag, van verontwaardiging, en verzette zich tegen een bevel, waardoor haar boosaardig plan dreigde verijdeld te zullen worden. „Wat wilt gij aanvangen, mijn vriend!” riep zij, „wees geen kind, slagt deze koe, ik verzeker u dat onze pachter er geene op zijn' stal heeft, die vetter en beter geschikt is tot het gebruik dat wij er van willen maken.” Uit toegevendheid voor mijne vrouw naderde ik de koe, en het medelijden onderdrukkende, dat mij weêrhouden had het offer te volbrengen, wilde ik haar den doodelijken slag toebrengen, toen het slagtoffer, hare tranen verdubbelende, zoo hartverscheurend begon te loeijen, dat ik mij daardoor andermaal ontwapend zag. Ik gaf toen het slagtmes aan den pachter, tot hem zeggende: „neem en slagt gij de koe, haar droevig bulken en hare tranen maken mijn hart week en mijn' arm krachteloos.”

De pachter, minder teêrgevoelig dan ik, bragt haar zonder verwijl den doodsteek toe. Maar de huid afstroopende, bleek het, dat de koe, hoe vet zij ons ook ware voorgekomen, dood mager en enkel vel en been was. Ik had er nu een dubbel verdriet van. „Neem,” zeide ik tot den pachter, „de koe voor u, ik schenk ze u geheel; onthaal er uw gezin op, deel, zoo gij wilt, de overige stukken aan de armen uit, en zoodra gij een vet kalf op stal hebt, brengt het mij in hare plaats, opdat ik het offere.”

Ik deed er volstrekt geen onderzoek naar hoe de pachter met de koe handelde, maar kort daarop bragt hij mij een zeer vet kalf. Hoewel ik niet wist, dat dit kalf mijn' zoon was, voelde ik echter reeds op het eerste gezigt eene gemoedsaandoening, die mij zelven onverklaarbaar was. Van zijn' kant, deed hij, zoodra hij mij zag, eene zoo geweldige poging om bij mij te komen, dat hij zijn touw stuk brak. Hij wierp zich voor mijne voeten, den kop ter aarde gebogen, als wilde hij daardoor mijn mededoogen opwekken en mij bezweren hem het leven niet te benemen. Hij trachtte zoo veel hem doenlijk was mij te kennen te geven, dat hij mijn' zoon was.

Ik was hierover nog meer verwonderd en getroffen, dan door de tranen van de koe. Ik gevoelde een diep medelijden met het beest, of beter gezegd, het bloed deed in mijn hart zijne regten gelden. „Ga,” zeide ik tot den pachter, „neem dit kalf weder met u, draag er de meeste zorg voor, en breng mij dadelijk een ander in zijne plaats.”

Naauwelijks had ik dit gezegd, of mijne vrouw begon op nieuw te roepen: „Wat wilt gij doen, lieve man! geloof mij, offer geen ander kalf dan dit.” „Vrouw,” antwoordde ik geheel ontroerd, „bespaar mij dit verdriet, en vergun mij, dat ik dit kalf laat leven en een ander in zijne plaats neem; ik smeek u om u daar niet tegen te verzetten.” Doch ook mijn dringend verzoek bleef zonder invloed. Zij haatte mijn' zoon te veel om er in te bewilligen, dat ik hem sparen en aan hare wraak onttrekken zou. Zij drong zoo sterk aan, dat ik eindelijk de zwakheid had, aan hare begeerte toe te geven. Ik greep met afgewend gelaat het kalf aan, bond het de pooten stevig vast, en het noodlottige mes in de hand nemende.........

Hier brak Scheherazade af, ziende dat de dag zich vertoonde. „Zuster,” zeide Dinarzade, „ik ben opgetogen over dit verhaal, waardoor mijne aandacht zoo zeer geboeid wordt.” „Indien de sultan mij heden nog laat leven,” hernam Scheherazade, „zoo zult gij zien, dat hetgeen ik u morgen te verhalen heb, u nog tot meerder vermaak zal zijn.” Schahriar benieuwd wat er worden zou van den zoon des grijsaards met de hinde, zeide tot de sultane, dat hij zich gelukkig zou achten, den volgenden nacht den afloop van dit zonderlinge verhaal te vernemen.

VIJFDE NACHT.[A]

[A] Wij zullen in het vervolg de verdeeling in nachten achterwege laten, als zijnde het voor den lezer minder aangenaam hierdoor telkens het verhaal te zien afbreken. Genoeg zij het, hier mede te deelen, dat Scheherazade den sultan van Indië door de navolgende verhalen zoodanig wist te boeijen, dat hij haar telken male één dag uitstel verleende.

„Sire,” vervolgde Scheherazade, „de grijsaard, steeds tot den geest sprekende, ging aldus voort, zijne geschiedenis te vertellen. „Ik nam dan,” zeide hij, „het mes, en was gereed dit in de keel van mijnen zoon te stooten, toen hij mij met zijne met tranen gevulde oogen eenen zoo smeekenden blik toewierp, dat ik geheel ontroerde en mij de kracht ontbrak voort te gaan. Het mes ontglipte aan mijne bevende hand en ik zeide tot mijne vrouw, vast besloten te zijn een ander kalf in zijne plaats te slagten. Zij liet niet na om te trachten mij door gebeden en bedreigingen van meening te doen veranderen. Ik bleef ditmaal standvastig, en beloofde, alleen om haar wat neder te zetten, dat ik dit kalf, haar ten genoegen, een jaar later op het eerstvolgende Baïramsfeest, zou offeren.

Den volgenden morgen kwam de pachter, en vroeg mij in persoon te mogen spreken. „Ik kom,” zeide hij, „u een nieuws mededeelen, waarvoor gij mij, gelijk ik mij durf vlijen, dank zult weten. Ik heb eene dochter, welke eenige kennis van de tooverij bezit. Toen ik nu gisteren het kalf, dat gij niet hadt willen offeren, weder op den stal bragt, bemerkte ik dat zij eerst lachte, en een oogenblik daarna begon te weenen. Dit kwam mij zoo vreemd voor, dat ik haar naar de reden vroeg van twee zoo met elkander strijdige aandoeningen. „Vader,” gaf zij ten antwoord, dit kalf is de zoon van onzen meester. Ik verblijdde mij het levend terug te zien, en weende bij de herinnering aan het treurige lot van zijne moeder, welke in eene koe was veranderd. Deze twee herscheppingen zijn te weeg gebragt door de betoovering van de vrouw van onzen meester, welke de moeder en het kind haatte, en er zich van wenschte te ontslaan door hen aan eenen wreeden dood prijs te geven.”

Gij kunt, o geest!” vervolgde de grijsaard, „oordeelen over mijn' schrik en mijne verbazing bij het hooren dezer woorden, waardoor mij plotseling alles werd opgehelderd, wat vroeger in het duistere lag. Ik vertrok op het eigen oogenblik met den pachter, om in persoon met zijne dochter te spreken. Op de pachthoeve gekomen, was mijn eerste werk naar den stal te gaan, waar zich mijn ongelukkige zoon bevond, dien ik op het punt had gestaan met eigen hand te dooden. Ik omhelsde en kuste hem. De spraak ontbrak hem om de teedere namen, die ik hem gaf, te kunnen beantwoorden, maar hij ontving mijne liefkozingen op zulk eene wijze, dat mij geen' twijfel meer overbleef of hij was mijn geliefde en als vermist betreurde zoon.

Op dit oogenblik kwam de dochter van den pachter in den stal. Ik ging dadelijk tot haar, en vroeg of zij de magt bezat aan mijnen zoon zijne vorige gestalte te hergeven. „Ja, die magt heb ik,” luidde het voor mij verblijdende antwoord. „O!” hernam ik in mijne vreugde, „zoo gij dit wilt doen en er in slaagt, zal ik u tot meesteres over al mijne goederen maken.” „Gij zijt,” sprak zij, „mijn meester en ik weet zeer goed wat ik u verschuldigd ben, maar ik moet u vooraf mededeelen, dat ik aan uwen zoon zijne vorige gestalte niet kan terug geven, dan op twee voorwaarden: ten eerste dat gij hem mij tot echtgenoot geeft, en ten tweede dat het mij geoorloofd zij de persoon, die hem in een kalf heeft veranderd, naar mijn welbehagen te straffen.” „Wat de eerste voorwaarde betreft,” hernam ik, „daar neem ik van ganscher harte genoegen in, en zal u eene rijke huwelijksgift geven, waarover gij geheel vrij, als over uw bijzonder eigendom, zult kunnen beschikken. In één woord, gij zult ondervinden, dat ik de groote dienst, welke ik van u verlang, naar waarde zal weten te schatten. Wat uwe tweede voorwaarde, mijne vrouw betreffende, aangaat, ook daar heb ik vrede meê; iemand, tot zulk eene afschuwelijke misdaad in staat, verdient deswegens gestraft te worden. Ik geef haar in uwe handen over, handel met haar naar uw welgevallen, alleen bid ik u haar het leven niet te benemen, opdat zij den tijd moge hebben, zich door een opregt berouw met den hemel te verzoenen.” „Ik zal dan,” sprak zij, „met haar handelen, zoo als zij met uwen zoon gehandeld heeft.” „Doe dit,” gaf ik ten antwoord, „maar geef mij eerst mijnen zoon terug.”

Hierop nam zij een' nap met water, prevelde daarover eenige voor mij onverstaanbare woorden, en zich daarop tot het kalf rigtende, zeide zij overluid: „O kalf! indien gij door den Almagtigen Beheerscher van hemel en aarde geschapen zijt, gelijk gij u op dit oogenblik vertoont, zoo behoud deze gestalte; maar zoo gij een mensch waart en door tooverij in een kalf herschapen zijt, zoo herneem, met goedvinden van den Schepper des heelals, uwe natuurlijke gedaante.” Bij het uitspreken dezer woorden besprengde zij het kalf met water, en terstond herkreeg mijn zoon zijne vorige gedaante.

„Mijn zoon! mijn lieve zoon!” riep ik, hem omhelzende, uit, in eene vervoering, waarvan ik geen meester was, „het is de hemel, die ons dit meisje heeft toegezonden, om de afschuwelijke betoovering, waarvan gij het slagtoffer waart, te doen eindigen, en u wraak te verschaffen over het kwaad, dat u en uwe moeder werd aangedaan. Ik twijfel dus niet, of gij zult uit dank en erkentenis haar wel tot uwe vrouw willen nemen, waartoe ik mij reeds verbonden en mijne bewilliging gegeven heb.” Mijn zoon gaf met vreugde zijne toestemming. Alvorens zij echter in het huwelijk traden, veranderde de dochter van den pachter mijne vrouw in eene hinde, en zij is het, welke gij hier bij mij ziet. Het was op mijn verlangen, dat zij deze en niet eene nog minder aangename gedaante bekwam, opdat wij haar zonder tegenzin in onzen familiekring zouden kunnen dulden. Eenigen tijd daarna werd mijn zoon weduwnaar en ging, om zijn verdriet te verzetten, op reis. Vele jaren zijn er thans verloopen, zonder dat ik iets van hem vernam; ik heb mij op weg begeven, ten einde zoo mogelijk, indien hij nog in leven is, zijn tegenwoordig verblijf op te sporen. Gedurende mijne afwezigheid de zorg over mijne vrouw aan geen ander willende toevertrouwen, wist ik er niets beters op dan haar overal met mij te nemen. Ziedaar nu mijne geschiedenis en die van deze hinde. Is zij niet zeer verrassend en vreemd?” „Dat stem ik u toe,” sprak de geest, „en uit dien hoofde scheld ik den koopman het derde deel zijner schuld kwijt.””

„Toen de eerste grijsaard zijne geschiedenis geëindigd had, sire!” vervolgde de sultane, „rigtte de tweede, met de twee zwarte honden, het woord tot den geest en zeide: „Ik zal u verhalen wat mij en de twee zwarte honden, die gij bij mij ziet, is bejegend, en ik ben overtuigd, dat gij mijne geschiedenis nog vreemder zult vinden dan die welke gij thans hebt aangehoord. Maar indien ik ze verhaal, scheldt gij dan het tweede derde deel der schuld aan dezen koopman kwijt?” „Ja,” sprak de geest, „doch alleen onder voorwaarde, dat uwe geschiedenis werkelijk nog wonderbaarlijker is dan die van de hinde.” Op deze toestemming ving de tweede grijsaard aldus aan.

GESCHIEDENIS VAN DEN TWEEDEN GRIJSAARD EN VAN DE TWEE ZWARTE HONDEN.

„Gebieder der geesten,” zoo, sire, ving de tweede grijsaard aan. „Vooraf moet gij weten, dat wij, deze zwarte honden en ik, drie broeders zijn. Onze vader had bij zijn overlijden aan ieder van ons duizend sequinen nagelaten. Wij bepaalden ons allen tot hetzelfde vak en werden kooplieden. Niet lang echter nadat wij onzen bazar geopend hadden, kreeg mijn oudste broeder, een van deze twee honden, lust om te reizen; hij maakte dus zijne waren tot geld en kocht daarvoor andere handelsartikelen, die hem tot het bereiken van zijn doel het geschiktste voorkwamen.

Hij vertrok en bleef een geheel jaar afwezig. Na verloop van dien tijd kwam er een in lompen gekleede man in mijn' winkel. Ik wierp, daar ik het zeer druk had, slechts een' vlugtigen blik op hem, denkende dat hij eene aalmoes kwam vragen. „God zegene u!” zeide ik, en wilde hem een klein geldstuk geven. Maar hij trok zijne hand terug, zag mij strak aan en zeide: „God zegene u insgelijks, doch hoe is het mogelijk, dat gij mij niet herkent!” Toen bezag ik hem oplettender en riep, hem omhelzende, uit: „Broeder! hoe zou ik u in dit kleed en in zulk eenen staat dadelijk herkennen?” Ik nam hem in mijn huis, en vroeg naar zijne gezondheid en hoe hij het op zijne reis gemaakt had. „Doe mij zulke vragen niet,” sprak hij, „gij hebt mij slechts aan te zien, om alles te weten. Door u al de ongelukken mede te deelen, die mij op mijne reis getroffen en in dezen ellendigen toestand gebragt hebben, zou ik slechts mijne smart vermeerderen.”

Ik liet dadelijk mijnen winkel sluiten, en alle overige zorgen ter zijde stellende, geleidde ik mijnen broeder naar het bad en gaf hem het beste kleed, dat ik bezat. Ik zag vervolgens mijne boeken na, maakte mijne balans op, en bevond dat mijn kapitaal verdubbeld was, zoo dat ik twee duizend sequinen bezat; ik schonk daarvan de helft aan mijnen broeder. „Hiermede broeder,” zeide ik, „kunt gij uw verlies herstellen.” Hij nam de duizend sequinen met blijdschap aan, begon op nieuw zijne zaken en wij leefden weder met elkander als vóór zijn vertrek.

Eenigen tijd daarna kreeg mijn tweede broeder, de andere van deze twee honden, ook lust zijne zaken tot geld te maken. Wij, zijn oudste broeder en ik, deden ons best om hem dit uit het hoofd te zetten, maar er was geen praten tegen. Hij verkocht zijne zaken, en voor het geld, dat hij daarvan maakte, sloeg hij allerlei koopwaren in, waarmede hij in den vreemde groote winst dacht te doen. Hij voegde zich bij eene karavaan en vertrok. Een jaar daarna kwam hij terug in denzelfden jammervollen toestand als zijn oudste broeder. Ik kleedde hem en gaf ook hem duizend sequinen, die ik inmiddels weder had overgewonnen. Hij zette een' winkel op, en begon als vroeger handel te drijven.

Op zekeren dag kwamen mijne beide broeders mij opzoeken, en sloegen mij voor om gezamentlijk eene handelsreis te ondernemen. Ik wees in het eerst hun voorstel van de hand. „Gij hebt gereisd,” zeide ik, „en wat hebt gij daarbij gewonnen? Wie verzekert mij dat ik gelukkiger zijn zal, dan gij geweest zijt?” Te vergeefs trachtten zij mij door allerlei fraaije berekeningen te verblinden en aan te moedigen om met hen mijn geluk te beproeven; ik had er geen ooren naar. Doch zij kwamen zoo dikwijls op dat punt terug, dat ik, na vijf jaren lang weêrstand te hebben geboden, mij eindelijk liet overhalen. Maar toen wij nu de toebereidselen voor de reis moesten maken, en er sprake was om de ons benoodigde koopwaren aan te schaffen, bleek het mij dat zij alles verbrasd en verteerd hadden zoodat hun van de duizend sequinen, die ik aan elk hunner gegeven had, niets overgebleven was. Ik deed hun deswegens niet het geringste verwijt. Integendeel, daar mijn kapitaal tot zes duizend sequinen was aangegroeid, maakte ik daarvan op nieuw eene gelijke deeling. „Broeders,” zeide ik, „drie duizend sequinen zullen wij in onzen handel steken, en de anderen op eene veilige plaats verbergen, opdat, mogt onze reis niet gelukkiger zijn dan zulks vroeger met u het geval is geweest wij iets mogen hebben, om ons daarover te troosten en onze oude zaken weder te kunnen opvatten.” Ik stelde dus aan ieder duizend sequinen ter hand, behield er even zoo veel voor mij, en de overige drie duizend begroef ik in den kelder van mijn huis. Wij kochten nu de benoodigde koopwaren, scheepten ons in op een schip, dat wij voor gezamentlijke rekening hadden uitgerust, en verlieten met den eersten gunstigen wind onze geboorteplaats. Na eene reis van zestig dagen liepen wij de haven van eene groote koopstad binnen, waar wij een aanzienlijk deel van onze waren afzetten. Ik vooral verkocht de mijnen zoo voordeelig, dat ik tien voor één daarop won. Wij kochten vervolgens weder nieuwe artikelen in, om die op eene andere markt te verkoopen.

Op het oogenblik, dat wij scheep wilden gaan, ontmoette ik aan de haven eene jonge vrouw, schoon van gelaat, doch zeer armoedig gekleed. Zij trad op mij toe, kuste mij de hand, en bad mij met grooten aandrang, haar tot mijne vrouw en mede aan boord te nemen. Ik maakte zwarigheid haar zulk een vreemd verzoek toe te staan, maar zij bragt zoo vele redenen bij, onder anderen dat ik op hare armoede geen acht moest slaan en dat ik reden zou hebben over haar gedrag tevreden te zijn, dat ik mij liet overhalen. Ik liet haar andere kleederen maken, en na met haar gehuwd te zijn, begaven wij ons aan boord en gingen onder zeil.

Gedurende onze zeereis bespeurde ik zoo vele goede hoedanigheden in mijne vrouw, dat ik volstrekt geen berouw van mijn overhaast en zonderling huwelijk had, maar haar dagelijks liever kreeg. Intusschen zagen mijn beide broeders, die minder goede zaken gemaakt hadden dan ik, met leede oogen dat het geluk mij zoo begunstigde. Zij hielden allerlei booze beraadslagingen, en op zekeren nacht, dat ik met mijne vrouw gerust te bed lag, en wij in eenen vasten slaap gedompeld waren, grepen zij haar en mij, en wierpen ons over boord.

Mijne vrouw was eene toovergodin en dus een geest. Gij kunt daarom wel denken, dat zij niet verdronk. Wat mij betreft, ik zou zeker den dood in de golven gevonden hebben, had zij mij niet in hare armen opgenomen en op een eiland gebragt. Toen nu de dag aanbrak, zeide zij tot mij: „gij ziet, mijn echtgenoot, dat ik de weldaad, die gij mij bewezen hebt door mij te huwen, toen gij dacht dat ik behoeftig was, niet kwalijk heb vergolden, door u het leven te redden. Weet dan, dat ik eene toovergodin ben en dat ik mij juist aan het strand der zee bevond, ter plaatse waar gij u inscheeptet, en toen eene groote genegenheid voor u opvatte. Dat ik mij in een zoo slecht gewaad aan u vertoonde, was alleen om uwe goedhartigheid en onbaatzuchtigheid te beproeven. Gij hebt edelmoedig met mij gehandeld. Het verheugt mij eene gelegenheid te hebben gevonden, om u mijne dankbaarheid te betoonen. Maar ik ben ten hoogste vertoornd op uwe broeders en zal niet tevreden zijn, vóór dat ik hen het leven heb benomen.”

Ik hoorde dit gesprek van de toovergodin met verwondering aan, en bedankte haar zoo veel mogelijk voor de verpligting, die ik aan haar had. „Intusschen,” vervolgde ik, „wat mijne broeders aangaat, zoo smeek ik u hun hunne misdaad te vergeven. Hoeveel reden ik ook heb mij over hunne handelwijze te beklagen, wil ik toch hun verderf niet.” Hierop zeide ik haar, hoe lief ik hen had en wat ik, door broederliefde gedreven, voor hen gedaan had. Doch dit deed hare verontwaardiging slechts hooger klimmen. „Ha!” riep zij uit, „niets zal mij beletten dadelijk naar deze verraders en ondankbaren heen te vliegen, en mij aan hen te wreken. Ik zal het schip doen vergaan, en hen op den bodem der zee werpen.” „Neen, mijne lieve vrouw,” hernam ik, „bij den hemel bezweer ik u, doe niets van dit alles, matig uwe gramschap, bedenk dat het mijne broeders zijn, en dat men geen kwaad met kwaad vergelden, maar goed voor kwaad terug moet geven.”

Deze woorden bragten de toovergodin tot bedaren, en zoodra ik ze uitgesproken had, bragt zij mij in een' oogwenk van het eiland, waar wij ons bevonden, op het platte dak van mijn huis. Een oogenblik daarna was zij verdwenen. Ik klom den trap af, die van het terras naar het binnenste mijner woning leidde, opende de deuren en ging naar den kelder om de drie duizend sequinen, welke ik daar had verborgen, op te graven. Vervolgens begaf ik mij naar mijn' winkel, opende deze, en ontving de kooplieden, mijne buren, die mij geluk kwamen wenschen met mijne behouden terugkomst. Toen ik naar mijne woning terugkeerde, zag ik deze twee honden, die mij met ter neêr gebogen koppen naderden. Ik wist niet wat dit te beteekenen had, en was er ten hoogste verwonderd over, doch de toovergodin, die weldra verscheen, helderde mij deze zaak op. „Man,” zeide zij, „wees niet verwonderd deze twee honden hier bij u te zien, het zijn uwe broeders.” Eene rilling voer mij bij deze woorden door de leden en ik vroeg haar, door wien zij in dezen toestand gebragt waren. „Door mij,” sprak zij, „of liever door eene mijner zusters, welke ik daartoe last gegeven heb, zij heeft uwe broeders in honden herschapen en hun schip doen vergaan. De handelswaren, die gij daarbij verliest, zal ik u langs eenen anderen weg vergoeden. Wat uwe broeders betreft, ik heb hen gedoemd om gedurende tien jaren in deze gestalte te blijven, waarlijk eene nog te zachte straf voor hunne verraderlijke handelwijze.” Na mij nog de plaats te hebben opgegeven, waar ik haar alsdan zou kunnen vinden, verdween zij.