Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Eerste deel

Part 3

Chapter 34,074 wordsPublic domain

Deze koopman nu, vervolgde de groot-vizier, steeds tot Scheherazade sprekende, had vijftig kippen met een' haan, en een' hond tot bewaking van huis en hof. Terwijl hij nu, zoo als gezegd is, in diep gepeins voor zijne woning zat, zag hij den hond naar den haan gaan, die zich met zijne kippen vermaakte. „O haan!” hoorde hij den hond bestraffend zeggen, „gij zijt het leven niet langer waardig, schaamt gij u niet in dezen tijd nog op uw vermaak bedacht te zijn?” De haan draaide zich fier om, en keerde zich tot den hond. „Waarom,” vroeg hij op stouten toon, „zou dit mij heden minder geoorloofd zijn, dan op andere dagen?” „Daar gij zulks niet schijnt te weten,” hernam de hond, „zoo verneem van mij, dat onze meester zich heden in diepe droefheid bevindt. Zijne vrouw wil, dat hij haar een geheim zal openbaren, van zulk eenen aard, dat hij, dit mededeelende, het leven moet verliezen. Zoo staan de zaken, en het is te vreezen, dat hij niet genoeg zielskracht zal bezitten om aan de stijfhoofdigheid van zijne vrouw weêrstand te bieden, want hij bemint haar, en is met diep medelijden bewogen door de tranen, die zij zonder ophouden stort. Hij zal dus waarschijnlijk besluiten zich voor haar op te offeren; wij allen verkeeren deswegens in de grootste ontsteltenis. Gij alleen, spottende met onze droefheid, hebt de onbeschaamdheid u met uwe kippen te vermaken.”

De haan antwoordde op deze bestraffing van den hond volgender wijze: „wat is onze meester toch een groote dwaas! Hij heeft slechts ééne vrouw en weet haar niet in toom te houden, terwijl ik er vijftig heb die niet anders dan mijnen wil doen. Dat hij zijn verstand raadplege, en weldra zal hij het middel hebben gevonden om uit zijne verlegenheid te geraken.” „Zoo, is dat uwe meening, en wat zoudt gij dan willen dat hij deed,” vroeg de hond. „Laat hij;” gaf de haan ten antwoord, „een' goeden stok nemen, naar de kamer van zijne vrouw gaan, zich met haar opsluiten en haar een duizendtal stokslagen toetellen; ik maak mij sterk, dat zij daarna verstandiger zijn, en er niet meer op aandringen zal van hem te weten te komen, wat hij haar niet zeggen mag.”

De koopman, den haan aldus hoorende spreken, draalde niet lang, stond op, voorzag zich van eenen goeden knuppel, ging naar de kamer, waar hij zijne vrouw nog altijd bitter schreijende aantrof, sloot zich met haar op, en sloeg er, zonder veel omhaal te maken, zoo flink op, toe dat zij weldra begon te roepen: „man, och man! het is genoeg, laat van mij af en ik zal u naar niets meer vragen.” Op deze woorden ziende dat zij berouw had over hare misplaatste nieuwsgierigheid, hield hij op met haar te slaan. Hij opende daarop de deur en riep zijne kinderen en bloedverwanten binnen, die zich zeer verblijdden de vrouw van hare stijfhoofdigheid genezen te zien, en den man gelukwenschten, dat hij eindelijk het regte middel had gevonden om haar tot plicht en rede terug te brengen. „Dochter,” voegde de groot-vizier hier met een ernstig gelaat bij, „gij verdiendet op dezelfde wijze behandeld te worden als de vrouw van dezen koopman.”

„Waarde vader!” hernam Scheherazade, „vergeef mij en verstoor er u niet over, dat ik bij mijn plan blijf volharden. De geschiedenis van deze vrouw kan mij daarin niet doen wankelen. Ik zou er u vele anderen kunnen verhalen, die u overtuigen zouden, dat gij u niet tegen mijn voornemen aankanten moet. Overigens, met allen u verschuldigden eerbied, moet ik u zeggen dat gij u te vergeefs daartegen zult verzetten. Indien vaderlijke teederheid u weêrhoudt aan mijne bede toe te geven, zoo zal ik mij zelve bij den sultan aandienen.”

De vizier, door de vastberadenheid van zijne dochter tot het uiterste gedreven, voegde zich eindelijk naar haren wensch, en ofschoon zeer bedroefd haar daarvan niet terug te hebben kunnen brengen, ging hij nog op hetzelfde oogenblik naar Schahriar, om hem aan te zeggen, dat hij voor den eerstvolgenden nacht Scheherazade zou brengen.

De sultan was ten hoogste verwonderd over het offer, dat zijn groot-vizier bereid was hem te doen. „Hoe,” zeide hij, „hebt gij kunnen besluiten mij uwe eigen dochter tot gemalin te geven?” „Sire,” antwoordde de vizier, „zij zelve heeft zich daartoe aangeboden. Het treurige lot dat haar te wachten staat kon haar niet afschrikken, en zij stelt de eer, om slechts eenen enkelen nacht de gade van uwe majesteit te zijn, hooger dan het leven.”

„Maar bedrieg u niet door eene ijdele hoop, vizier,” hernam de sultan, „morgen Scheherazade weder in uwe handen overgevende, verlang ik dat gij haar van het leven zult berooven. Zoo gij in gebreke mogt blijven, ik zweer, dat u zulks uw eigen hoofd zal kosten.” „Sire,” antwoordde de vizier, „mijn hart zal bloeden, en de natuur moge er zich tegen verzetten, hoewel vader, ik sta u borg dat mijn arm zijn' pligt zal doen.” Schahriar nam nu het offer van zijnen eersten staats-minister aan en zeide, dat hij hem zijne dochter kon brengen, wanneer hem zulks zou goedvinden.

[Illustratie: De Koopman en de Geest.

Dl. I, pag. 29.]

De groot-vizier ging heen, om dit aan zijne dochter mede te deelen, en Scheherazade legde deswegens eene zoo groote vreugde aan den dag, als of hij haar het aangenaamste nieuws ter wereld had gebragt. Zij bedankte haren vader van haar dus verpligt te hebben, en zijne smart ziende, zeide zij, om hem te troosten, dat zij de hoop koesterde, dat het hem niet zou berouwen, haar aan den sultan te hebben uitgehuwelijkt, maar dat hij integendeel reden zou hebben zich deswegens zijn leven lang te verblijden.

Zij was er nu slechts op bedacht haar toilet te maken, en koos daartoe de kleeding, die haar het bevalligst stond, opdat hare schoonheid, als zij voor den sultan verscheen, op het voordeeligst mogt uitkomen. Vóór haar vertrek nam zij echter hare zuster Dinarzade alleen en zeide tot haar: „lieve zuster, ik heb in eene belangrijke zaak uwe hulp noodig, en bid u mij die niet te weigeren. Mijn vader zal mij tot den sultan brengen om zijne gade te zijn. Laat u dit nieuws echter niet verschrikken, maar hoor mij geduldig aan. Zoodra ik voor den sultan verschijn, zal ik hem verzoeken te veroorloven, dat gij den nacht in de bruidskamer moogt doorbrengen, opdat ik uwe mij zoo waarde tegenwoordigheid dien nacht nog zou kunnen smaken. Indien mij deze gunst, gelijk ik hoop, wordt toegestaan, wees er dan op bedacht mij morgen een uur voor dat de dag aanbreekt te wekken, en mij aldus toe te spreken: zuster, indien gij niet slaapt, zoo bid ik u, onder afwachting van den dag, die weldra zal aanbreken, mij eene van die schoone vertellingen te verhalen, waarvan gij er zoo velen weet. Dan zal ik dadelijk aan den sultan daartoe verlof vragen en er u eene zeer fraaije vertellen. Door dit middel vlei ik mij de nieuwsgierigheid des sultans zoodanig gaande te maken, dat hij, het einde willende weten, mij niet zal doen dooden. Zoodoende wil ik trachten het geheele volk te bevrijden van de ontsteltenis en schrik waarin het verkeert.” Dinarzade zeide met genoegen te zullen doen wat hare zuster verlangde.

Toen het uur naderde, dat de sultan gewoon was zich ter rust te begeven, bragt de groot-vizier Scheherazade naar het paleis, en keerde terug na haar tot aan het vertrek van zijn' heer begeleid te hebben. Zoodra de vorst haar zag binnenkomen, beval hij haar zich te ontsluijeren en hem haar aangezigt te laten zien. Hij vond haar zoo schoon, dat hij er verrukt van was, en ziende dat zij weende, vroeg hij naar de oorzaak daarvan. „Sire,” antwoordde Scheherazade, „ik heb eene zuster, die ik eene teedere genegenheid toedraag en die mij zeer lief heeft, ik zou wenschen, dat zij den nacht in deze kamer doorbragt, om haar tot het laatste oogenblik bij mij te zien en dan nog eenmaal vaarwel te kunnen zeggen. Wilt gij toestaan, dat ik de voldoening smaak haar dit laatste bewijs mijner toegenegenheid te kunnen geven?” Schahriar gaf zijne toestemming en Dinarzade werd daarvan terstond verwittigd, die niet toefde spoedig te komen. Het praalbed van den sultan en Scheherazade was op eene estrade of verhevenheid geplaatst, zooals dit bij de Oostersche vorsten gebruikelijk is. Daaronder had men voor Dinarzade een bed gespreid.

Dinarzade, een uur vóór het aanbreken van den dag ontwakende, verzuimde niet, te doen zoo als hare zuster haar had aanbevolen, „Lieve zuster,” riep zij, „indien gij wakker zijt, zoo bid ik u dat gij mij, onder afwachting van den dag, welke dra zal aanbreken, eene van die aangename en verwonderlijke vertellingen verhaalt, waarvan gij er zoovelen weet.” „Helaas, het zal misschien voor de laatste maal zijn, dat ik dit genoegen smaken kan.” Scheherazade, in plaats van hare zuster te antwoorden, wendde zich tot den sultan. „Sire,” zeide zij, „behaagt het uwer majesteit mij te veroorloven, dat genoegen aan mijne zuster te geven?” „Van ganscher harte,” antwoordde de sultan. „Luister dan,” zeide Scheherazade aan hare zuster, en vervolgens het woord tot Schahriar rigtende, ving zij aan als volgt:

EERSTE NACHT.

DE KOOPMAN EN DE GEEST.

Sire, in vroegeren tijd was er een koopman die groote goederen bezat, zoowel in landerijen als in handelswaren en klinkende munt. Hij had vele kantoorbedienden en slaven. Zijne zaak vorderde, dat hij van tijd tot tijd reizen deed, om mondeling met zijne correspondenten te spreken en te handelen. Eens, dat eene belangrijke zaak hem noodzaakte eene verre reis te doen, steeg hij te paard en vertrok. Daar hij eene woestijn moest doortrekken, had hij achter op zijn paard een valies met een' kleinen voorraad beschuit en dadels geplaatst. Van genoegzamen levensvoorraad voorzien, kwam hij, zonder bijzondere ontmoetingen, gezond en wel op de plaats zijner bestemming aan. Nadat hij de zaken, die hem derwaarts hadden geroepen, naar zijn genoegen afgedaan had, nam hij zonder dralen de terugreis aan.

Op den vierden dag van zijne reis was de hitte zoo bovenmate groot, stak de zon zoodanig, en was de zandige grond zoo heet, dat hij van den weg afweek om onder eene groep boomen, die zich op eenigen afstand vertoonde, eene schuil- en rustplaats te zoeken. Toen hij die plek bereikt had, ontdekte hij tot zijne groote vreugde een bron met helder water, door eenen kokosboom van reusachtige grootte overschaduwd. Terstond steeg hij af, bond zijn paard met den teugel aan een' boomtak vast, en zette zich, nadat hij uit zijn valies een paar beschuiten en dadels gekregen had, bij de bron neder. Zijne dadels etende, wierp hij de basten, als tot niets dienstig, links en regts van zich. Toen dit sobere maal was afgeloopen, ging hij als een goed muzelman naar de bron, wiesch zijne handen, voeten en aangezigt, en bad. Naauwelijks had hij zijn gebed geeindigd, en lag nog op de knieën met het gelaat naar het Oosten gekeerd, toen hij plotseling een' geest zag verschijnen, grijs van ouderdom en van ontzettende grootte, die met een ontbloot zwaard in de hand op hem afkwam, en met eene verschrikkelijke stem riep: „sta op, dat ik u met dezen sabel doode, gelijk gij mijn' zoon gedood hebt!” Dit zeggende, slaakte hij een' kreet van woede. De koopman, evenzeer verschrikt door de afzigtelijke gestalte van het monster als over de dreigende taal hem toegevoegd, antwoordde al bevende: „ach mijn goede heer, wat heb ik tegen u misdaan, dat ik daardoor den dood van uwe hand verdiend heb?” „Ik wil u dooden,” hernam de geest, „gelijk gij mijn' zoon gedood hebt” „Maar goede hemel!” riep de koopman, „hoe kan ik uwen zoon gedood hebben? Ik ken hem niet, en heb hem van mijn leven niet gezien.” „Wat,” hernam de geest, „hebt gij u niet hier nedergezet, hebt gij geene dadels uit uw valies genomen, en terwijl gij daarvan aat de doppen links en regts van u geworpen?” „Ik heb alles gedaan wat gij daar zegt,” sprak de koopman, „dat kan ik niet loochenen.” „Dit zoo zijnde,” hernam de geest, „zeg ik u nogmaals dat gij mijn' zoon gedood hebt, en ik zal u zeggen op welke wijze. Toen gij de doppen van uwe dadels wegwierpt, ging mijn zoon deze plaats voorbij, gij troft hem in het oog, en hij is er aan gestorven. Het is daarom dat ik u wil dooden.” „Vergeef het mij heer,” smeekte de koopman. „Neen, geene vergiffenis voor den moordenaar van mijn' zoon,” antwoordde de geest, „geen medelijden! Is het niet regt, dat wie gedood heeft, wederom gedood zal worden.” „Dat stem ik toe,” zeide de koopman, „maar ik kan niet gelooven uw' zoon gedood te hebben, en al ware dit de waarheid, dan moet ik het geheel onwetend gedaan hebben; daarom smeek ik u nogmaals mij vergiffenis te schenken en te laten leven.” „Neen, neen,” hernam de geest, bij zijn besluit volhardende, „ik moet u dooden, gelijk gij mijn' zoon gedood hebt.” Bij dit laatste woord greep hij den koopman bij den arm, wierp hem met het aangezigt plat ter aarde en hief zijn' sabel op om hem het hoofd af te slaan.

Inmiddels bad en smeekte de koopman, gedachtig aan zijne vrouw en kinderen, op het aandoenlijkst en met tranen in de oogen hem, al ware het slechts ter wille van deze geheel onschuldigen, in het leven te laten. De geest, altoos zijn zwaard opgeheven houdende, was geduldig genoeg om zijne klagten aan te hooren, maar werd er niet door bewogen. „Al dat klagen kan u niet baten,” riep hij, „al weendet gij bloedige tranen, het zou mij niet weêrhouden u te dooden, gelijk gij mijn' zoon gedood hebt.” „Hoe,” bragt de koopman in, „kan dan niets u bewegen! Wilt gij volstrekt aan een' onschuldige het leven benemen?” „Ja,” hernam de geest, „het is mijn vast besluit.” Dit gezegd hebbende.......

Scheherazade, tot dusverre in haar verhaal gevorderd, bemerkte dat de dag aanbrak, en wetende dat de sultan alsdan gewoon was op te staan om zijn gebed te doen en den raad bij te wonen, hield zij eensklaps op met spreken. „Wel lieve zuster!” zeide Dinarzade, „welk eene fraaije vertelling!” „Het vervolg is nog veel fraaijer,” antwoordde Scheherazade, „en gij zoudt mij zulks toestemmen, indien de sultan mij heden nog wil laten leven en toestaan, dat ik het u morgen vroeg verder vertel.” Schahriar, die Scheherazade met vermaak had aangehoord, zeide tot zich zelven, ik zal tot morgen wachten. Het staat immers altoos aan mij haar te doen sterven, nadat ik het einde van dit verhaal, dat mijne nieuwsgierigheid opwekt, zal hebben aangehoord. Aldus bij zich zelven besloten zijnde, om Scheherazade dien dag nog niet te dooden, stond hij op om zijn gebed te doen en zich naar den raad te begeven.

Intusschen verkeerde de groot-vizier in de vreesselijkste ongerustheid. In plaats van te slapen, had hij den nacht zuchtende en weenende doorgebragt, het ongelukkige lot van zijne dochter, wier beul hij zou moeten zijn, beklagende. Maar als hij in deze treurige verwachting bijna vreesde voor den sultan te verschijnen, vond hij zich te aangenamer verrast, toen hij den vorst in den raad zag komen, zonder het wreede bevel te geven, dat hij wachtende was.

De sultan besteedde volgens zijne gewoonte dien dag om zich met zijne rijkszaken bezig te houden, en toen het nacht werd bragt hij dezen andermaal met Scheherazade door. Dinarzade verzuimde niet hare zuster den volgenden morgen op het bepaalde uur te wekken en haar aan hare belofte te herinneren. De sultan wachtte ditmaal niet tot dat zijne gemalin hem daartoe verlof vroeg, maar kwam haar voor. „Vervolg,” zeide hij, „uwe vertelling van den koopman en den geest, ik ben nieuwsgierig om het einde te hooren.” Scheherazade nam daarop het woord, en ging aldus in haar verhaal voort:

TWEEDE NACHT.

Sire, als de koopman zag, dat de geest op het punt stond hem het hoofd af te slaan, gaf hij een' vreesselijken schreeuw en riep: „om Gods wil, nog een enkel woord! Geeft mij een uitstel, laat mij den tijd om van mijne vrouw en kinderen afscheid te nemen, mijne zaken te regelen en mijn testament te maken, opdat zij na mijnen dood verzorgd mogen zijn. Dit in orde zijnde, zal ik zonder verzuim naar deze plaats terugkeeren en mij in uwe handen stellen.” „Maar,” hernam de geest, „indien ik u het uitstel verleen dat gij mij vraagt, zoo ben ik beducht dat gij niet zult wederkeeren.” „Vertrouw u dan op mijn' eed,” antwoordde de koopman, „ik zweer u bij den Heer van hemel en aarde, dat ik zekerlijk zal terugkomen.” „En hoeveel tijd begeert gij?” „Een jaar is niet te lang,” zeide de koopman, „om mijne zaken in orde te brengen en mij er op voor te bereiden om aan het leven en zijne vermaken vaarwel te zeggen. Ik beloof u dus morgen over een' jaar weder op deze plaats te zullen zijn.” „En gij neemt daarbij God tot getuige?” sprak de geest. „Ja,” antwoordde de koopman, „de Almagtige getuige tusschen u en mij, indien ik mijn woord niet houd.” Op deze woorden liet de geest den koopman met vrede en verdween.

Toen de koopman zich een weinig van den schrik hersteld had, steeg hij te paard en vervolgde zijnen weg. Maar, was hij verblijd zich uit een zoo dreigend gevaar voor het oogenblik gered te hebben, als hij aan den eed dacht, die hem verpligtte over een jaar terug te keeren, dan werd hij door eene doodelijke droefheid aangegrepen. Toen hij te huis kwam, werd hij door zijne vrouw en kinderen met de grootste blijdschap ontvangen, doch in plaats van hunne liefkozingen te beantwoorden, onttrok hij zich daaraan en berstte in tranen los. Zij konden hieruit ligtelijk besluiten, dat er iets buitengewoons met hem moest hebben plaats gehad, en zijne vrouw vroeg hem daarom naar de oorzaak van zijne droefheid. „Wij allen verheugen ons in uwe terugkomst,” zeide zij, „en gij ontstelt ons door uw geween en de diepe smart, welke gij laat blijken. Ik bid u zeg ons de reden van uwe droefheid.” De koopman verhaalde hun nu zijne ontmoeting met den geest en den eed, dien hij gedaan had.

Dit treurige nieuws bragt allen tot wanhoop. De vrouw gilde het uit van smart en trok zich de haren uit het hoofd, de kinderen berstten in tranen los, in een woord het was een zoo treurig en aandoenlijk schouwspel, dat niemand, zelfs de hardvochtigste, zulks met drooge oogen zou hebben kunnen aanzien.

Intusschen maakte de koopman reeds den volgenden dag een begin om zijne zaken in orde te brengen. Hij droeg ten eerste zorg zijne loopende schulden af te betalen. Aan zijne vrienden gaf hij geschenken en groote aalmoezen aan de armen. Het overige van zijn vermogen verdeelde hij onder zijne kinderen, na aftrek van hetgeen aan zijne vrouw bij huwelijkscontrakt daarvan toekwam.

Intusschen verliep het jaar, en de tijd dat hij vertrekken moest brak aan. Hij pakte zijn valies en daarin ook het laken, waarin zijn lijk moest gewikkeld worden, doch toen hij nu van zijne vrouw en kinderen afscheid zou nemen, smolten allen in tranen en wilden hem vergezellen om met hem te sterven. Hij moest zich met geweld van hunne omhelzingen los maken. Met een bloedend hart sprak hij ten laatste, zich vermannende: „Kinderen! ik moet mij aan de beschikking Gods onderwerpen en zal dit, hoeveel zulks ook aan mijn vaderhart kost, gewillig doen. Volgt mijn voorbeeld, vat moed en voegt u naar de noodzakelijkheid; bedenk dat het des menschen lot is éénmaal te sterven, en wel op het tijdstip, dat het den Heer over leven en dood behagen zal.” Dit gezegd hebbende, sprong hij te paard en was weldra uit het gezigt zijner dierbare betrekkingen verdwenen, die hem met betraande oogen nastaarden en de lucht van hunne jammerkreten deden weêrgalmen.

De koopman, zijnen eed gedachtig, droeg inmiddels zorg op den bepaalden dag bij de bron te zijn; waar hij zich in eene zeer neêrslagtige stemming nederzette, om de komst van den geest af te wachten. Uit dit zijn treurig gepeins werd hij gewekt door een' grijsaard van een eerwaardig en goedig uitzigt, die eene hinde aan een touw met zich voerde. Nadat zij elkanderen op de gebruikelijke wijze gegroet hadden, nam de grijsaard het woord: „Broeder!” zeide hij, „vergeef mij eene vraag, die u welligt zal toeschijnen onbeleefd te zijn; wat voert u in dit eenzame en woeste oord, dat alleen door booze geesten bewoond wordt, en dat voor een lang vertoeven zeer onveilig is?”

De koopman bevredigde de nieuwsgierigheid van den grijsaard, en verhaalde hem, door welk noodlottig voorval hij zich op dit tijdstip daar bevond, en wat hem welligt binnen weinige oogenblikken te wachten stond. De grijsaard hoorde hem met belangstellende verwondering aan. „Voorwaar!” riep hij uit, „eene zeer vreemde gebeurtenis, en daar gij door eenen eed verbonden zijt, is er niets aan te veranderen. Echter,” vervolgde hij, zich naast den koopman in het gras nederzettende, „wil ik, met uw verlof, getuige zijn van uwe ontmoeting met den geest.”

„Maar ik zie den dag aanbreken,” zeide Scheherazade, „en dat dwingt mij mijn verhaal op de belangrijkste plaats af te breken.” De sultan, die besloten had deze vertelling ten einde toe aan te hooren, liet zijne gemalin dien dag nog leven.

DERDE NACHT.

Den volgenden nacht verzuimde Dinarzade niet hare zuster te wekken. „Lieve zuster,” zeide zij, „verhaal mij, zoo gij wilt, eene dier schoone verhalen, zooals gij er velen weet.” Maar de sultan gaf zijn verlangen te kennen om het vervolg van de vertelling van den koopman en den geest te hooren, weshalve Scheherazade haar verhaal aldus voortzette:

Sire! Terwijl de koopman en de grijsaard met de hinde nog met elkander in gesprek waren, verscheen een andere grijsaard, door twee zwarte honden gevolgd. Hij trad nader, groette de beide anderen en vroeg hun wat zij in deze woeste streek te verrigten hadden? „Dat zal ik u zeggen,” antwoordde de grijsaard met de hinde, en maakte hem bekend met het treurige lot, dat den koopman te wachten stond.

„Dit is,” zeide de grijsaard met de zwarte honden, „werkelijk een zeer zonderling geval en wel waardig, dat ik mij bij u nederzette en er mede getuige van ben.” Terwijl hij dus sprak, naderde een derde grijsaard, die dezelfde vraag deed, en die, als voren beantwoord zijnde, almede zijn verlangen te kennen gaf, om den afloop van deze vreemde en ongelukkige gebeurtenis bij te wonen. Nauwelijks had hij zich bij de anderen nedergezet, toen zich over het veld een digte damp vertoonde, die even als eene door den wind voortgedreven stofwolk met snelheid naderde en zich eensklaps verdeelde, waarop een reusachtige geest, met een ontbloot en opgeheven zwaard in de regterhand, te voorschijn kwam. Zonder het gezelschap met een' groet te verwaardigen, trad hij op den koopman toe, greep hem bij den arm en sprak op bulderenden toon: „Sta op, opdat ik u doode, gelijk gij mijn' zoon gedood hebt.” De koopman en de drie grijsaards werden, ofschoon zij daarop verdacht konden zijn, zoo verschrikt door deze plotselinge en dreigende verschijning van den geest, dat zij het van angst uitschreeuwden.

Het aanbreken van den dag noopte Scheherazade hier op te houden, doch de nieuwsgierigheid van den sultan, die volstrekt wilde weten hoe het met den koopman zou afloopen, was zoozeer gaande gemaakt, dat hij zich voornam ook nog dien dag het doodvonnis te verschuiven.

Het is ligt te denken hoe verblijd de groot-vizier was, toen hij zag dat de sultan hem geen last gaf om Scheherazade te doen sterven. Zijne familie, het hof en het geheele volk was er verwonderd en verheugd over.

VIERDE NACHT.

Den volgenden nacht zette Scheherazade met vergunning des sultans haar verhaal aldus voort.

Sire, als de grijsaard met de hinde zag, dat de geest den koopman had gegrepen en hem zonder mededoogen wilde dooden, wierp hij zich aan de voeten van het monster, kuste die met eerbied en zeide: „Vorst van het geestenrijk, ik bid u demoedig uwen toorn op te schorten en mij goedgunstig aan te hooren. Ik zal u mijne geschiedenis en die van de hinde, welke gij bij mij ziet, verhalen, doch indien gij dezelve wonderbaarlijker vindt dan de lotgevallen van dezen koopman, dien gij wilt dooden, mag ik dan hopen dat gij aan dezen ongelukkigen het derde deel van zijne schuld zult kwijtschelden?” De geest was eenige oogenblikken met zich zelven in tweestrijd of hij het aanbod zou aannemen of afwijzen, maar het slotwoord was: „Welnu! laat hooren, ik sta het toe.”

GESCHIEDENIS VAN DEN EERSTEN GRIJSAARD EN VAN DE HINDE.