Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Eerste deel

Part 2

Chapter 24,112 wordsPublic domain

Intusschen scheen de geest hen niet bemerkt te hebben, en zich hij de kist nederzettende kreeg hij van zijn' gordelriem vier groote sleutels allen van een bijzonder maaksel. Hier mede ontsloot hij de kist, waaruit eene rijk gekleede dame, van eene vorstelijke gestalte en groote schoonheid te voorschijn kwam. Het monster deed de schoone dame aan zijne zijde nederzitten en eenen verliefden blik op haar vestigende, zeide hij: „O schoonste der jonkvrouwen, bekoorlijkste van uw geslacht, die ik op den bruiloftsdag ontvoerd en sedert met standvastigheid en onveranderlijke liefde bemind heb, gij zult mij wel willen veroorloven eenige oogenblikken in uwe mij zoo waarde nabijheid te slapen. De slaap, die mij kwelt, heeft mij dit oord doen verkiezen, om er een weinig rust te nemen.” Dit gezegd hebbende liet hij zijn plomp hoofd op de knieën der dame vallen, en zijne voeten uitstrekkende zoo dat zij tot aan de zee reikten, sliep hij weldra in, en deed door zijn geweldig ronken de lucht daveren.

De dame bij toeval naar boven ziende en de beide prinsen bespeurende, wenkte hen met een vrolijk gelaat om bij haar te komen. Hoog klom, nu zij zich in hunne schuilplaats ontdekt zagen, de angst van Schahriar en Schahzenan, zij baden de dame door teekenen hen te verschoonen en niet te verraden; maar zij het hoofd van den geest van haren schoot zacht op den grond latende glijden, stond op, en verzocht met eene fluisterende stem dat zij zouden afkomen. Schahriar en Schahzenan gaven andermaal door teekenen te kennen, dat zij uit vrees voor den geest weêrhouden werden aan haar verzoek te voldoen. Doch de dame nam hier geen genoegen in, maar zeide, steeds zacht sprekende opdat de geest niet mogt ontwaken, „indien gij u niet haast mij te gehoorzamen, zoo zal ik hem wekken en verzoeken dat hij u doode.”

Deze bedreiging bragt de vorsten zoo zeer in het naauw, dat zij van twee gevaren het minste kiezende met voorzigtigheid begonnen af te klimmen, steeds in angst zijnde dat de geest door het geritsel der takken mogt ontwaken.

Hij sliep echter door, en de dame de prinsen bij de hand nemende geleidde hen op eenigen afstand van daar en vroeg aan ieder hunner, als een blijk van liefde en genegenheid, de ringen, welke zij zag dat de vorsten aan den vinger droegen. Schahriar en Schahzenan, hoewel in den beginne weigerachtig, zagen zich wel gedwongen, op de bedreiging der dame van den geest te zullen roepen, om toe te geven. Toen aan haar verzoek voldaan was, kreeg de dame uit de kist haar juweelkoffertje, en daaruit eenen draad nemende, waaraan eene menigte ringen van onderscheiden vorm geregen waren, zeide zij met een schalksch lachje: „weet gij wel welke beteekenis aan deze kleinodiën verbonden is?” „Neen,” luidde het antwoord der prinsen, „maar het hangt slechts van u af er ons mede bekend te maken.” „Deze ringen,” hernam zij, „zijn allen van mannen van wie ik ze op dezelfde wijze als van u verkreeg. Er zijn er goed geteld acht en negentig, die ik tot eene gedachtenis aan hen bewaar. Ik heb u om de uwen gevraagd, ten einde het honderdtal vol te maken, zoo dat ik thans juist honderd minnaars gehad heb, niet tegenstaande de waakzaamheid en de voorzorgen van dezen ondeugenden geest, die nimmer van mij wijkt. Al sluit hij mij ook in eene glazen kist, die hij op den bodem der zee bewaart, ik zal hem toch weten te misleiden. Hieruit moogt gij leeren, dat, indien eene vrouw zich iets heeft voorgenomen, er noch man, noch geest is, die haar weêrhouden kan haar doel te bereiken. De mannen zouden beter doen de vrouwen niet aan banden te leggen en meer vrijheid te laten, want dat is de weg om haar liefde tot de deugd in te boezemen.” De dame, hen dus toegesproken hebbende, reeg de beide ringen bij de anderen aan, zette zich vervolgens weder op hare vorige plaats neder, tilde het hoofd van den geest, zonder dat hij daardoor ontwaakte, op hare knieën, en gaf den prinsen een teeken dat zij thans konden vertrekken.

Zij draalden niet van de hun verleende vrijheid gebruik te maken, verwijderden zich zoo spoedig mogelijk van deze gevaarvolle plaats en eerst toen zij ver genoeg buiten het gezigt van de dame en van den geest waren, zeide Schahriar tot Schahzenan: „Wel nu broeder! wat dunkt u van hetgeen ons is bejegend? Heeft die geest niet eene zeer getrouwe minnares?” „Ja broeder,” antwoordde de koning van Tartarije, „en gij zult mij tevens toestemmen, dat de geest in dit opzigt nog meer te beklagen en ongelukkiger is dan wij.” „Daarom,” hernam de sultan, „zullen wij, als gevonden hebbende wat wij zochten, ook dadelijk, volgens de aan u gedane belofte, onzen zwerftogt staken en terugkeeren, zonder dat dit alles mij zal beletten op nieuw te huwen. Ik voor mij heb een middel bedacht, dat mij in het vervolg tegen de ontrouw mijner gade, al ware zij ook aan deze dame in list gelijk, zeker zal vrijwaren. Ik wil mij daarover nu niet verder uitlaten, maar gij zult weldra van mij hooren spreken, en ik houd mij verzekerd, dat gij mijn voorbeeld, als geheel onfeilbaar, zult navolgen.”

De beide vorsten keerden nu naar het kamp terug, waar zij met groote vreugde ontvangen werden. De sultan toonde zich zeer goed gestemd, beschonk zijne hovelingen rijkelijk, en keerde, de jagtpartij uitstellende, naar de stad terug. Nauwelijks in zijn paleis aangekomen, begaf hij zich, vergezeld door den groot-vizier, naar de vertrekken van de sultane, en zonder de koningin, die hem met gemaakte vreugde ontving, een enkel woord toe te spreken, leverde hij de ontrouwe aan zijnen vizier over, met bevel haar te doen verwurgen.—Dit bevel werd terstond ten uitvoer gebragt, zonder dat aan dezen eersten staats-minister iets bekend was van den aard der misdaad, welke de vorstin begaan had. Schahriar liet het echter hierbij niet blijven, maar slechts aan zijnen toorn gehoor gevende, hieuw hij met eigen hand al de slavinnen der sultane het hoofd af. Na dit gestrenge strafgerigt, bij zich zelven overtuigd zijnde, dat het vergeefsche moeite zou zijn eene werkelijk deugdzame vrouw te vinden, kwam hij tot het wreede besluit, elken dag eene andere gemalin te huwen, en deze den volgenden morgen ter dood te laten brengen, waardoor hij tegen hare ontrouw beveiligd zou zijn. Hij stelde dezen maatregel echter uit tot na de afreis van zijnen broeder, beducht zijnde dat deze welligt tegenwerpingen zou maken, die hem minder welgevallig mogten zijn.

Toen Schahzenan vertrokken was, draalde Schahriar niet aan zijn besluit gevolg te geven, en beval zijnen groot-vizier hem de dochter van een' zijner generaals te brengen, welke hij tot gemalin begeerde. Den volgenden morgen stelde hij haar weder in handen van den groot-vizier om haar te doen dooden, en gaf te gelijk last hem voor dien dag weder eene andere gemalin te bezorgen. Met hoe grooten tegenzin dit wreede bevel ook door den groot-vizier werd uitgevoerd, hij was naar Oostersch gebruik aan den sultan eene blinde gehoorzaamheid verschuldigd, waaraan hij zich niet kon onttrekken, zonder zijn eigen hoofd te verliezen. Hij bragt hem dit maal de dochter van een' officier van ondergeschikten rang tot echtgenoote, die even als hare voorgangster den volgenden morgen ter dood werd gebragt. Daarna gold het de schoonste dochters der inwoners uit de hoofdstad, om kort te gaan, elken dag trouwde eene maagd en werd er eene vrouw ter dood gebragt.

Het gerucht van deze voorbeeldelooze onmenschelijkheid verwekte door de geheele stad eene groote ontsteltenis. Overal hoorde men zuchten en angstkreten. Hier beweende een vader het verlies van zijne geliefde op zoo wreede wijze omgebragte dochter, daar hoorde men de klagten eener teedere moeder, die voor hare kinderen een' gelijk lot vreesde. In plaats van dus, gelijk vroeger, door zijne onderdanen geprezen en gezegend te worden, werd de koning van Indië thans als een wreede tyran door allen verwenscht.

De groot-vizier die, zoo als gezegd is, tegen zijnen wil en zin tot deze vreeselijke onregtvaardigheid de hand moest leenen, had zelf ook twee dochters, Scheherazade en Dinarzade. Beide waren schoon en deugdzaam, doch Scheherazade bezat bovendien een' meer dan vrouwelijken moed, een helder verstand en een' schranderen geest. Zij had veel gelezen en een zoo sterk geheugen, dat niets van het eens gelezene haar ontging. Zij had zich met vrucht toegelegd op de wijsbegeerte, de geneeskunde, de geschiedenis en de schoone kunsten, en maakte beter verzen dan de meest beroemde dichters van haren tijd. Daarbij was zij van eene uitstekende schoonheid en onwankelbare deugd, zoodat zij met regt het wonder van hare eeuw mogt heeten.

De vizier droeg deze zijne dochter, hem zoo waardig door hare uitmuntende eigenschappen, de teederste liefde toe. „Vader,” zeide zij eens tot hem, „ik heb u eene gunst te vragen, en verzoek u bij de liefde, die gij mij toedraagt, dat gij mij deze niet weigert.” „Ik zal u geen verzoek afslaan,” antwoordde hij, „mits dat het, zoo als ik van u kan verwachten, redelijk en regtvaardig is.” „Wat het laatste aangaat,” hernam Scheherazade, „gij zult daarover het best kunnen oordeelen naar de beweegreden, die mij aanspoort u deze gunst te vragen. Het is mijn plan om de wreedheden, welke de sultan tegen zoo vele gezinnen dezer stad bedrijft, in haren zoo verderfelijken loop te stuiten. Ik wil aan de regtmatige vrees van zoo vele moeders om hare dochters op zulk eene beklagenswaardige wijze te verliezen, voor altijd een einde maken.” „Uw voornemen is hoogst loffelijk, mijn kind,” sprak de vizier, „maar voor het kwaad, dat gij van uwe stadgenooten wenscht af te wenden, zie ik geen hulpmiddel. Hoe toch zoudt gij dat willen aanleggen?” „Vader,” hernam Scheherazade, „dit middel is gemakkelijk gevonden. Daar het u is opgedragen voor den sultan zijne vrouwen te kiezen, zoo bezweer ik u bij de teedere liefde, die gij mij toedraagt, mij deze eer te verschaffen.” „Zijt gij van uw verstand beroofd mijn kind!” riep de vizier door zulk een voorstel van schrik verbleekende. „Vordert gij van uwen vader, die u lief heeft als de appels zijner oogen, dat hij uw' beul zal worden! Hoe kunt gij mij een verzoek van dien aard doen! Gij weet immers, dat de sultan bij zijn hoofd heeft gezworen zijne vrouw slechts éénen nacht te laten leven, en dat hij haar den volgenden morgen aan mij overgeeft om haar te laten verwurgen. Hebt gij wel bedacht, waaraan uw onvoorzigtige ijver u blootstelt?”

„Ja vader,” antwoordde dit deugdzame meisje, „ik ken al het gevaar dat ik zal loopen, maar dit kan mij niet afschrikken. Indien ik omkom, mijn dood zal roemrijk zijn, en bij aldien ik in mijne onderneming slaag, zoo zal ik het geluk en de eer genieten aan mijn vaderland eene gewigtige dienst te hebben bewezen.”—„Neen, neen,” sprak de vizier, „wat gij ook moogt inbrengen om mij over te halen u in een zoo vreesselijk gevaar te brengen, ik zal daarin niet toestemmen. Indien de sultan mij beval u den dolk in het hart te stooten of den strik om den hals te slaan, ik zou moeten gehoorzamen. Welk eene vreesselijke taak voor een' vader! Ach, bijaldien _gij_ den dood niet vreest, vreest althans _mij_ de doodelijke smart te berokkenen van mijne hand in uw bloed te moeten doopen.”—„Ik kan niet anders vader!” zeide Scheherazade, „en smeek u nogmaals eerbiedig mijn verzoek te willen toestaan.” „Uwe stijfhoofdigheid,” hernam de vizier, „verwekt mijnen toorn. Waarom wilt gij u zelve in het verderf storten? Wie het einde van eene gevaarlijke onderneming niet heeft berekend, zal zich daaruit nimmer gelukkig redden. Ik ben beducht, dat u zou overkomen, wat den ezel gebeurde, die het goed had, maar die zich daarmede niet te vreden stelde.” „En welk ongeluk overkwam dien ezel?” vroeg Scheherazade. „Dit zal ik u zeggen,” antwoordde de vizier, „luister!”

DE EZEL, DE OS EN DE KOOPMAN.

Een rijk koopman bezat vele landgoederen, waarop hij eene groote menigte van allerlei soort van vee hield. Zijn' handel nedergelegd hebbende, besloot hij zich met vrouw en kinderen op een zijner buitengoederen te vestigen en daar een afgezonderd, doch tevens, door zich met het opzigt over zijne landerijen te belasten, werkzaam leven te leiden. Hij wist zeer goed, dat ledigheid verveling baart en tot ondeugd aanleiding geeft. Hij had de bijzondere gave ontvangen de taal der dieren te verstaan, onder voorwaarde echter dat hij dezelve, op straffe van het leven te verliezen, aan niemand mogt leeren. Dit weêrhield hem tevens hetgeen hij op die wijze te weten kwam aan anderen mede te deelen, ten einde van nieuwsgierige vragen, die hij niet zou mogen beantwoorden, verschoond te blijven.

Deze man had op zijnen stal een' Os en een' Ezel aan dezelfde kribbe staan. Eens, dat hij zich daar in de nabijheid had nedergezet en zich vermaakte met het spel zijner kinderen aan te zien, welke den stal tot speelplaats hadden gekozen, hoorde hij den os tegen den ezel zeggen. „Graauwtje, wat zijt gij toch gelukkig, indien ik mijn lot bij het uwe vergelijk! Gij hebt een knecht voor u, die u roskamt, wascht, versch stroo tot ligging, goed uitgeslagen haver tot voedsel en frisch water te drinken geeft, en voor dat alles hebt gij niets te doen dan onzen Meester te dragen, indien hij een ridje in den omtrek doet of een reisje maakt; voor het overige kunt gij uw leven in eene zoete ledigheid doorbrengen. De wijze waarop men mij behandelt verschilt daar veel van, en mijn lot is even onaangenaam, als het uwe gelukkig is. Naauwelijks breekt de dag aan of men spant mij voor den ploeg, en tot aan het ondergaan der zon moet ik de zware aarde omwerken, hetgeen mij dikwijls zoo vermoeit, dat mij de krachten ten laatste ontbreken. Bovendien, de landbouwer, die steeds achter mij gaat, houdt niet op mij met slagen voort te drijven. Door het zware trekken en het harde juk mij opgelegd is mijn hals geheel ontveld. Eindelijk kom ik, na van den morgen tot den avond gewerkt te hebben, op stal, en krijg tot voedsel wat hard gedroogde boonen, welke men zich niet eens de moeite heeft gegeven schoon te maken, of ander voeder, dat in zijne soort niet beter is. Tot overmaat van ellende, ontbreekt mij versch stroo om mijne vermoeide leden op uit te strekken, zoodat ik wel reden heb uw lot te benijden.”

De ezel viel den os niet in de rede, hij liet hem alles zeggen wat hij wilde, doch toen hij had uitgesproken, nam graauwtje het woord en zeide: „gij verdient ten volle den naam van dom, dien men u gegeven heeft; gij zijt al te onnoozel, laat met u doen al wat men wil, en komt er niet toe een goed en moedig besluit te nemen. Intusschen, wat voordeel hebt gij van deze uwe inschikkelijkheid? Gij martelt u zelven af, tot genoegen van hen, die er u niet eens dank voor weten. Hadt gij zoo veel moed als gij krachten bezit, men zou u op zulk eene onwaardige wijze niet behandelen. Waarom biedt gij, als men u voor den ploeg of wagen wil spannen, geen tegenstand? Waarom maakt gij geen gebruik van uwe horens? Eindelijk waarom jaagt gij hen, die u komen kwellen, geen schrik aan door uw loeijen? De natuur heeft u de middelen geschonken om u te doen ontzien en gij bedient er u niet van. Men geeft u bedorven boonen en duf stroo tot voedsel; beruik het alleen, vertrap het, en laat het als eene voor u te slechte spijs liggen. Volgt gij dezen raad, zoo zult gij weldra eene verandering zien, waarvoor gij mij dank zult zeggen.”

De os nam deze raadgevingen van den ezel zeer goed op, en bedankte hem daarvoor reeds in voorbaat. „Waarde graauw!” voegde hij er bij, „ik zal niet in gebreke blijven alles op te volgen, wat gij mij gezegd hebt, en gij zult zien op welk eene wijze ik er mij van zal kwijten.” Na dit onderhoud, waarvan den koopman geen enkel woord ontgaan was, zwegen beide. Den volgenden morgen kwam de landman om als naar gewoonte den os voor den ploeg te spannen, en bragt hem naar het land. Doch de os, den raad van den ezel niet vergeten hebbende, gedroeg zich dien dag zoo weêrspannig, dat er niets met hem was uit te rigten. Toen men hem eindelijk weder op stal wilde zetten en vast maken, hield hij als vroeger den kop niet toe, maar gebruikte zijne horens om naar zijnen meester te stooten, in een woord hij handelde in alles naar hetgeen hem door den ezel gezegd was. Als men hem den volgenden dag weder wilde inspannen, vond men de boonen en het stroo, hem tot voedsel gegeven, onaangeroerd en den os zelven naar adem hijgende met de pooten uitgestrekt in den stal liggen. Men meende dat hij ziek was, de arbeider had medelijden met het dier, en oordeelende, dat hij tot het werk niet in staat zou zijn, ging hij er zijnen meester berigt van geven.

De koopman zag wel in, dat de kwade raad van graauwtje door den os maar al te getrouw was opgevolgd, en om den eerste te straffen, gelijk hij het verdiende, zeide hij tot zijn' landbouwer: „ga, neem den ezel in plaats van den os, en spaar hem in het werk niet.” De landbouwer deed zoo als hem gezegd was. De ezel moest den ganschen dag voor den ploeg loopen, waarbij hij den rug vol slagen kreeg. Dit ongewone werk en deze harde behandeling matten hem zoo zeer af, dat hij op stal komende naauwelijks staan of eten kon.

Intusschen was de os zeer wel te vreden, hij had alles opgegeten wat hij in zijn' bak vond, en den geheelen dag zijn gemak gehouden. Hij verheugde zich dus zeer den raad van den ezel te hebben opgevolgd, en gaf hem duizend zegenwenschen voor de goede dienst, welke hij hem bewezen had. Hij herhaalde deze, zoodra hij zijn makker op stal zag komen. De ezel, verbitterd wegens de ondergane mishandeling, verwaardigde zich niet den os te antwoorden. Het is door mijne eigene onvoorzigtigheid, gromde hij in zich zelven, dat ik mij dit ongeluk op den hals gehaald heb. Ik leefde gelukkig, alles lachte mij toe, ik had alles wat ik kon wenschen, het is door eigen schuld dat ik mij in ellende heb gebragt, en indien ik geene list weet te bedenken om er mij weder uit te redden, dan is mijn ondergang zeker. Dit gezegd hebbende, begaven hem zijne krachten en hij viel half dood bij zijne krib neder.

Hier brak de groot-vizier zijn verhaal af, en het woord tot Scheherazade rigtende, zeide hij, „lieve dochter, gij handelt als deze ezel, en zult u door uwe bemoeizucht in het verderf storten. Geloof mij, houdt uwe rust, en zoek niet den dood in den geopenden muil te loopen.” „Vader,” antwoordde Scheherazade, „de parabel, welke gij mij hebt voorgedragen, is niet in staat mij van besluit te doen veranderen, en ik zal niet ophouden u lastig te vallen, tot dat ik van u de gunst zal hebben verworven, dat gij mij bij den sultan brengt om zijne gemalin te zijn.” De vizier ziende, dat zij in hare begeerte bleef volharden, voerde haar in toorn te gemoet: „welnu, daar gij halstarrig blijft, zoo zal ik mij verpligt zien met u te handelen, gelijk de koopman, waarvan ik u heb gesproken, eenigen tijd daarna met zijne vrouw deed; hoor hier de toedragt der zaak.”

De koopman, vernomen hebbende in welk eenen beklagenswaardigen toestand de ezel verkeerde, was nieuwsgierig te vernemen, wat er nu tusschen hem en den os zou worden verhandeld. Te dien einde begaf hij zich na het avondmaal bij helderen maneschijn naar den stal, waarheen hij door zijne vrouw werd gevolgd. Bij zijne komst hoorde hij den ezel tegen den os zeggen. „Kameraad, heb de goedheid en zeg mij wat gij denkt aan te vangen, wanneer morgen de landbouwer komt om u voeder te brengen?” „Wat ik dan doen zal,” antwoordde de os; „ik zal mij aanstellen gelijk gij gezegd hebt, mij achter in den stal terugtrekken, hem als gisteren mijne horens toonen, mij ziek houden en veinzen geheel onmagtig tot werken te zijn.”

„Wacht u daar wel voor,” hernam de ezel, „want gij zoudt u in het verderf storten. Ik heb den koopman onzen meester eene zaak hooren zeggen, die mij voor u deed beven.” „En wat hebt gij dan gehoord?” sprak de os, „ik bid u, verberg mij niets, mijn beste vriend!” „Onze meester,” hernam de ezel, „heeft tegen den landbouwer deze voor u treurige woorden gesproken: daar de os niet wil eten en zoo ziek en krachteloos is, wil ik dat hij morgen geslagt zal worden. Zijn vleesch zullen wij aan de armen uitdeelen, zijne huid kan ons van voordeel zijn en moet gij bij den leerlooijer brengen; verzuim dus niet den slager tijdig te bestellen. Zie daar,” vervolgde de ezel, „wat ik u kan mededeelen, het belang dat ik in uw behoud stel en de vriendschap, welke ik u toedraag, maken het mij tot pligt u daarvan te verwittigen en u andermaal eenen goeden raad te geven. Zoodra men u uwe boonen en gehakt stroo brengt, moet gij opstaan en er met gretigheid op aanvallen. De meester zal dan daaruit opmaken, dat gij weder hersteld en gezond zijt, en ongetwijfeld het doodvonnis herroepen, terwijl gij, anders handelende, zeker gedood zult worden.”

Dit gesprek had het door den ezel verwachte gevolg. De hevig ontstelde os stond van schrik op zijne pooten te beven, en bedankte den listigen ezel hartelijk voor zijne waarschuwing en zijn nieuwen raad. De koopman, van beider gesprek geen woord verloren hebbende, berstte in een schaterend gelach uit, zoodat dit de verwondering van zijne vrouw opwekte. „Zeg mij,” sprak zij, „wat reden gij hebt om zoo hartelijk te lagchen, opdat ik in uwe vrolijkheid zal kunnen deelen.” „Vrouw,” antwoordde de koopman, „lach zoo gij wilt mede, maar vraag mij niet verder.” „Neen,” hernam zij, „ik wil weten wat u stof tot lagchen gaf.” „Ik kan u,” zeide de koopman, „hieromtrent geen genoegen geven, weet alleen dat ik zoo moest lagchen om hetgeen onze ezel aan den os vertelde; het overige is mij niet geoorloofd voor u op te helderen.” „En wat kan u beletten mij uw geheim mede te deelen,” hernam zij. „Indien dit ik deed,” antwoordde hij, „zoo weet, dat mij zulks het leven zou kosten.” „Nu steekt gij den gek met mij!” riep zijne vrouw, „hetgeen gij daar zegt kan niet waar zijn. Bijaldien gij mij niet oogenblikkelijk vertelt, waarover gij gelagchen hebt, en mij weigert mede te deelen, wat de ezel en de os te zamen gesproken hebben, zoo zweer ik voortaan niet meer met u als met mijnen man te willen leven.”

Dit gezegd hebbende, ging zij in huis, sloot zich in een afgezonderd vertrek op, en bragt den nacht schreijende door. De man dacht eerst, dat zij wel spoedig zou hebben uitgepruild, maar toen zij ook den volgenden morgen voortging met klagen en schreijen ging hij tot haar en zeide: „gij handelt niet verstandig door u dus te bedroeven wegens eene zaak van zoo weinig belang; er is u veel minder aan gelegen dit geheim te kennen, dan mij om het voor u te verbergen, ik bid u dus er niet meer aan te denken.” „Ik denk er nog zoo veel aan,” hernam de vrouw, „dat ik niet zal ophouden met weenen, vóór dat gij mijne nieuwsgierigheid, die billijk is, zult hebben bevredigd.” „Maar ik zeg u in vollen ernst,” zeide hij, „dat mijn leven er mede gemoeid is, indien ik zwak genoeg ben, aan uwen aandrang toe te geven.” „Laat er van komen wat wil,” hernam zij, „ik wil het weten of sterven.” „Ik zie,” hernam de koopman, „dat gij geene rede verstaan wilt, en daar ik vrees, dat gij door uwe stijfhoofdigheid u den dood zult berokkenen, zoo zal ik onze kinderen hier laten komen, opdat zij den troost mogen hebben u voor uwen dood nog éénmaal te zien.”

De koopman riep niet alleen zijne kinderen, maar deed ook den vader, de moeder en de verdere bloedverwanten van zijne vrouw overkomen. Toen nu allen bijeen waren en hij hen met de oorzaak der ontstane huisselijke twist had bekend gemaakt, wendden zij allen hunne welsprekendheid aan om de vrouw van hare stijfhoofdigheid af te brengen. Maar alles was vruchteloos, zij zwoer liever te willen sterven dan haren man in dit geval toe te geven. De koopman wist nu zelf niet meer, hoe hij er mede handelen zou. Hij zette zich geheel alleen voor de deur van zijn huis neder, en stond in beraad of hij zijn leven voor zijne vrouw, welke hij hartelijk lief had, niet maar ten offer zoude brengen.