Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Eerste deel
Part 18
Zoodra de derde calender zijne geschiedenis aldus had geëindigd, nam Zobeïde het woord, en zich tot hem en zijne beide makkers keerende, zeide zij: „Gij drieën zijt vrij, gaat heen, werwaarts u zal goeddunken.” Doch een van hen antwoordde hierop: „Mejufvrouw! wij bidden u, ons onze nieuwsgierigheid te vergeven en toe te staan de geschiedenis van deze heeren, die nog niet hebben gesproken, te mogen aanhooren, gelijk ook zij de onze hebben aangehoord.” Zobeïde, zich hierop tot den kalif, tot den vizier Giafar en tot Masrour wendende, met wier rang zij niet bekend was, zeide tot hen: „Het is thans aan u, mij uwe geschiedenis te verhalen; ik wil het zoo, spreek.”
De grootvizier, wederom als vroeger het woord opvattende, antwoordde: „Mejufvrouw, wij kunnen u slechts herhalen, hetgeen ik u bij onze komst mededeelde. Dit is alles wat wij tot onze verantwoording kunnen aanvoeren.”
Zobeïde scheen hier maar half tevreden, en niet dan nadat de calenders haar daartoe dringend hadden verzocht, zeide zij tot dezen: „Welnu uw verzoek voor deze heeren zij u toegestaan. Ik wil dat gij allen eene gelijke verpligting aan mij zult hebben, en schenk ook hun vergiffenis, onder voorwaarde echter, dat gij onmiddelijk mijne woning verlaat.”
Buiten gekomen nam de kalif zijnen vizier ter zijde, gelastte hem de drie calenders voor dien nacht als gasten bij zich te huisvesten. De drager zocht zijne woning weêr op, en de kalif, door Masrour vergezeld, keerde naar zijn paleis terug. Van nieuwsgierigheid brandende, deed de Beheerscher der geloovigen dien nacht geen oog toe, en gelastte den volgenden morgen aan zijnen vizier, om de drie calenders en de drie dames met de beide zwarte honden voor hem te brengen. Naauwelijks had de vizier dit bevel volbragt, of de kalif nam het woord op, en sprak: „Door u te zeggen, dames, dat ik me dezen nacht, als koopman vermomd ten uwent bevond, zal ik u zonder twijfel doen ontstellen, want gij zult vreezen, dat ik u hier heb ontboden, om u deswege mijne ontevredenheid te doen ondervinden. Ik betuig u echter dat ik wenschte, dat al de Bagdadsche dames u in wijsheid evenaarden, en nimmer zal ik uwe gematigdheid, na onze onbeleefdheid, vergeten. Toen echter,” vervolgde de sultan, „was ik een koopman van Moussoul, nu ben ik Haroun-al-Raschid vijfde kalif uit het beroemde huis van Abbas, de plaatsvervanger van onzen grooten profeet. Ik heb u alleen hier ontboden om te weten, wie gij zijt, en wat de oorzaak is, dat eene van u, na de beide zwarte honden mishandeld te hebben, met haar weende. Ook ben ik begeerig te vernemen, door welk toeval eene andere onder u den boezem zoo vol lidteekens heeft.”
Zobeïde door deze woorden gerustgesteld, haastte zich aan den Beheerscher der geloovigen de voldoening te geven, welke zij gemeend had aan den koopman van Moussoul en hare andere gasten te moeten weigeren.”
INHOUD.
#EERSTE DEEL.#
Bladz. ~Inleiding~ 1 De Ezel, de Os en de Koopman 18
~De Koopman en de Geest~ 29 Geschiedenis van den Eersten Grijsaard en v. d. Hinde 37 Geschiedenis van den Tweeden Grijsaard en v. d. Twee Zwarte Honden 44
~Geschiedenis van den Visscher~ 50, 72 Geschiedenis van den Griekschen Koning en den Geneesheer Douban 58, 64, 67 Geschiedenis van den Man en den Papegaai 62 Geschiedenis van den Gestraften Vizier 65 Geschiedenis v. d. Jongen Koning der Zwarte Eilanden 84
~Geschiedenis van de Drie Calenders~ 99 Geschiedenis van den Eersten Calender 127 Geschiedenis van den Tweeden Calender 137, 158 Geschiedenis van den Nijdigaard en den Benijde 152 Geschiedenis van den Derden Calender 174