Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Eerste deel
Part 17
Ik vond, gelijk mij gezegd was, de poort open. Het voorhof, dat ik nu betrad, was vierkant en zoo uitgestrekt, dat ik, rond ziende, negen en negentig deuren telde, allen van sandel- en aloëhout. De honderdste deur was van goud; terwijl prachtige trappen naar de bovenvertrekken geleidden. Deze honderd deuren verleenden den toegang tot even zoo vele prachtige tuinen of magazijnen, opgevuld met waren van eene onschatbare waarde. Het geheel was zoo prachtig en rijk, dat ik nooit zoo iets gezien had, terwijl het paleis in de hoofdstad van mijn koningrijk, hoewel waardig een' magtigen koning tot verblijf te verstrekken, er slechts een kippenhok bij geleek.
Ik aarzelde intusschen niet eene der deuren, welke zich regt tegenover mij bevonden, binnen te treden. Eensklaps bevond ik mij in eene groote zaal tegenover veertig jonge dames van zulk eene alles overtreffende schoonheid, dat zelfs de verbeelding ook niets volmaakter zou kunnen voorstellen. Allen waren op het prachtigst gekleed. Zoodra zij mij zagen, kwamen zij, zonder zelfs mijnen groet af te wachten, met alle teekenen van blijdschap naar mij toe, uitroepende: „Bravo ridder, wees ons duizendmaal welkom!” Een van haar, nu het woord voor allen opvattende, vervolgde: „Reeds lang wachten wij op de komst van een' ridder gelijk gij. Uw uiterlijk teekent al die goede hoedanigheden, welke wij zouden kunnen wenschen, en wij vleijen ons, dat ook gij ons gezelschap niet onaangenaam of uwer onwaardig zult vinden.”
Hoezeer ik mij daartegen ook verzette, zij dwongen mij op een' zetel plaats te nemen, die eenigzins hooger was dan de anderen, waarop zij zelve bij mijne komst zaten. Toen ik betuigde, dat dit te veel eer voor mij was, zeiden zij: „Dat is de plaats, die u toekomt: van dezen oogenblik af, zijt gij onze heer, onze meester en onze regter; wij uwe slavinnen, bereid om uwe bevelen te ontvangen.”
Niets ter wereld verwonderde mij zoo zeer dan de ijver, die deze schoone dames aan den dag legden, om mij alle mogelijke diensten te bewijzen. De eene bragt warm water aan, en waschte mij de voeten. Eene andere goot welriekend water over mijne handen, weder anderen bragten alles aan, wat noodig was om mij van kleeding te doen verwisselen; nog anderen droegen een keurig collation op, terwijl eindelijk de overigen zich met een glas en eene karaf in de hand achter mij plaatsten en mij, zoo dikwijls ik daartoe lust gevoelde, van den geurigsten wijn inschonken. Dit alles geschiedde zonder de minste wanorde, en met zulk eene bevalligheid, dat ik er geheel van opgetogen werd. Nadat ik mijn' maaltijd had geëindigd, zetten al de dames zich in een' kring om mij neder en verzochten mij, of ik de goedheid wilde hebben haar mijne reis te verhalen. Ik vertelde haar mijne zonderlinge lotgevallen en de rampspoeden, waarmede ik te kampen had gehad. Ik kon zien, dat zij daaraan hartelijk deelnamen. Zij wenschten mij geluk, dat het noodlot mij in dit kasteel had gevoerd, daar nu voor haar en, zoo zij hoopten, ook voor mij een tijd van ongestoord geluk zou aanbreken.
Toen ik,” vervolgde de calender, „mijne geschiedenis aan de veertig dames had verhaald, begon het donker te worden, en terwijl eenigen bleven om mij gezelschap te houden, verwijderden anderen zich om waskaarsen te halen. Zij bragten er eene groote menigte mede, wier licht dat van den dag zoo volkomen geleek, dat ik niet kon nalaten, er haar mijne verwondering over te betuigen.
Andere dames hielden zich inmiddels bezig met de tafel te voorzien van gedroogde vruchten, confituren en andere tot drinken opwekkende spijzen, ten einde de fijne wijnen en likeuren, welke in kristallen karaffen op het buffet in koelbakken geplaatst werden, te meer aftrek mogten vinden. Alles gereed zijnde, deed men mij aan het boveneinde der tafel plaats nemen; de dames zetten zich mede aan, en al etende en drinkende ging de tijd voorbij, terwijl de krachtige wijn onze harten tot vrolijkheid stemde. Eenige dames stonden nu van tafel op, en haalden hare muzijkinstrumenten, waarvan zij de heerlijkste toonen ontlokten, en waarbij zij met eene liefelijke stem zongen. Andere voerden eene soort van dans uit, en kwamen zoo bij paren voor mij, waarbij zij zoo veel vlugheid en bevalligheid ten toon spreidden, dat, zoo ik uitspraak had moeten doen, ik in verlegenheid zou zijn geweest, aan wie den eerepalm te moeten toekennen, aan die bekoorlijke zangsters, of aan die schoone danseressen; beide bragten mij in verrukking.
Het was reeds laat in den nacht, eer wij er aan dachten, dat ook de god des slaaps zijne regten heeft, die men hem niet straffeloos kan onthouden, en wij begaven ons ter ruste nog onverzadigd van de genoten genoegens, maar met de troostvolle gedachte! dat de volgende dag ons weder een gelijk genot zou opleveren.
En waarlijk, naauwelijks had ik mij aangekleed, of de dames kwamen reeds weder tot mij, allen anders en nog veel kostbaarder gekleed dan den vorigen dag. Zij wenschten mij goeden morgen, en vraagden met de meeste belangstelling naar mijne gezondheid. Ik verzekerde haar, dat deze niets te wenschen overliet en dat zelfs een zieke, in zulk een aangenaam gezelschap als het hare, zonder de hulp van geneesmeester of medicijnen, zeer zeker gezond zou worden. De dames namen mij vervolgens in haar midden en voerden mij als in triomf naar de groote zaal, waar een uitgezocht ontbijt mij wachtte. Wij bragten dien dag op nieuw met lekker eten en drinken en met allerlei vermakelijkheden door, de tijd vloog om, en het was weder nacht voor wij het wisten.
Zoo ging,” vervolgde de derde calender, „de eene dag gelijk de andere voorbij, en dit vrolijke en weelderige leven, duurde een vol jaar, zonder door iets gestoord te worden. Gij kunt u dus voorstellen, Mejufvrouw, hoe verwonderd ik was, toen, op den eersten dag van het nieuw ingetreden jaar, de veertig dames, in plaats van mij vrolijk te komen geluk wenschen, in tranen badende binnentraden, mij elk op hare beurt omhelsden, en daarbij al snikkende zeiden: „Vaarwel, waarde prins! vaarwel; wij moeten u verlaten.” Hare tranen en hare smart troffen mij. Ik smeekte haar mij te zeggen: wat aanleiding kon hebben gegeven tot deze droefheid en tot de scheiding, waarvan zij mij spraken. „In naam van den grooten Profeet, mijne schoone dames,” voegde ik er nog bij, „zegt mij, of het in mijne magt is u te troosten, en of mijne hulp u van dienst kan zijn?” In plaats van hierop een afdoend antwoord te geven, riepen zij uit: „Ach prins! Gave de hemel, dat wij u nooit gezien of gehoord hadden! Vele ridders schonken ons, vóór u, de eer van hun bezoek; maar niet een van hen kon aanspraak maken op die losse bevalligheid, die zachtheid van inborst, dat vrolijke humeur en andere hoedanigheden, welke wij bij u hebben aangetroffen. Wij weten niet hoe wij, van u verwijderd, zullen kunnen leven!” Bij het eindigen dezer woorden begonnen zij op nieuw bitter te weenen. „Mijne beminnelijke dames,” hernam ik, „ik bid u, mij niet langer in onzekerheid te laten; zegt mij onbewimpeld, wat de oorzaak van uwe droefheid is, misschien weet ik dan een middel, om ze te doen ophouden of te lenigen.” „Helaas!” antwoordden zij, „wat anders, prins! zou ons zoo diep kunnen bedroeven, dan de treurige noodzakelijkheid, waarin wij verkeeren om u te moeten verlaten. Misschien zien wij u nimmer terug! Indien gij dit echter wilt en daartoe genoeg heerschappij over u zelven bezit, zoo is onze hereeniging niet onmogelijk.”—„Dames!” antwoordde ik hierop, „ik begrijp niets van hetgeen gij daar zegt; hebt de goedheid u duidelijker te verklaren.” „Het zij dan zoo!” sprak eene van haar, „ook hierin, prins, zullen wij u genoegen geven. Weet dan, in de eerste plaats, dat wij allen prinsessen, allen koningskinderen zijn. Wij leiden hier te zamen dat genoegelijke leven, waarvan gij getuige zijt geweest en waaraan gij deel hebt genomen; maar aan het einde van elk jaar zijn wij gedwongen ons voor veertig dagen naar elders te begeven, ten einde een' op ons rustenden pligt, waarvan niets ons kan verschoonen, te vervullen. Het is ons niet geoorloofd u het geheim, dat daaraan verbonden is, te openbaren; maar na die veertig dagen hebben wij vrijheid naar dit kasteel terug te keeren. Het nieuwe jaar is heden ingegaan, en nog dezen dag moeten wij ons op reis begeven en u achterlaten. Ziedaar de oorzaak van onze droefheid. Vóór ons vertrek echter zullen wij u alle sleutels ter hand stellen en, in de eerste plaats, die van de honderd poorten. Gij zult daar veel zien en vinden, dat de nieuwsgierigheid kan bevredigen en u de eenzaamheid, gedurende ons afzijn, zal kunnen verkorten en veraangenamen. Maar voor uw eigen en niet minder voor ons geluk, moeten wij u aanbevelen, u te onthouden van het openen der gouden poort. Zoo gij deze opent, zullen wij u nimmer wederzien, en de vrees daarvoor vergroot onze droefheid. Doch wij willen hopen, dat gij met den raad, dien wij u geven, uw voordeel zult doen. Het geldt hier uwe rust en het geluk van uw leven: neem dit wel in acht. Indien gij aan eene onbetamelijke nieuwsgierigheid toegeeft, zult gij u een groot ongeluk op den hals halen. Wij bezweren u dus in uw en in ons belang, dat gij u voor deze zwakheid wacht, en ons alzoo den troost schenkt u na veertig dagen hier weder te zullen ontmoeten. Wij zouden den sleutel van de gouden poort wel kunnen medenemen, maar het zou eene beleediging zijn voor een' prins van uwe deugden, als wij zoo weinig zielskracht en zulk een gebrek aan zelfbeheersching bij u veronderstelden.”
Ik betuigde aan de dames mijn leedwezen over onze ophanden zijnde scheiding, die mij niet minder zwaar zou vallen dan haar. Tevens trachtte ik haar te troosten door de verzekering, dat ik den raad, om die gouden poort niet te openen, getrouw zou in acht nemen, niet zoo zeer uit vrees voor hetgeen mij zou kunnen overkomen, dan wel om zeker te zijn, dat ik haar na verloop van veertig dagen zoude wederzien; een geluk door mij zoo hooggeschat, dat ik er mijn leven voor in de waagschaal zou willen stellen, en dus zeker eene nieuwsgierigheid bedwingen, die in dit geval zeer onbescheiden, ja eene strafbare dwaasheid zijn zou.
Ik zeide dit uit volle overtuiging, en zulks scheen op de prinsessen een' goeden indruk te maken. Dat onze scheiding niet voor altoos, maar slechts van korten duur zou zijn, goot een' verzachtenden balsem in hare diep gewonde harten. Het oogenblik des afscheids werd daardoor minder bitter, ik omhelsde haar, de eene na de andere, en eenigszins getroost verlieten zij het kasteel, waarin ik alleen achterbleef.
De genoegens van het aangename gezelschap, de goede sier die wij maakten, de concerten en andere vermaken hadden mij gedurende dit jaar zoo zeer bezig gehouden, dat het mij aan tijd en lust had ontbroken, al de wonderen te bezien, waarvan dit betooverde paleis zulk eene onuitputtelijke menigte bezat. Zelfs de duizend en één wonderen, welke ik dagelijks voor oogen had, waren niet in staat geweest mijne aandacht te boeijen, zoo zeer werd ik bekoord door de onvergelijkelijke schoonheid der prinsessen, die slechts over eene zaak bezorgd waren, namelijk om mij genoegen te doen en te behagen. Haar vertrek veroorzaakte mij dus eene groote droefheid, en ofschoon haar afzijn slechts veertig dagen zou duren, scheen mij dit echter toe eene eeuwigheid te zijn.
Ik had stellig voorgenomen den gewigtigen raad, om de gouden of honderdste poort niet te openen, te zullen opvolgen, doch daar het mij geoorloofd was mijne nieuwsgierigheid ten aanzien van de negen en negentig overigen te bevredigen, zoo aarzelde ik niet de eerste poort te ontsluiten.
Door deze poort, Mejufvrouw,” vervolgde de calender, „kwam ik in een' boomgaard of fruittuin, wiens weêrgade ik niet geloof, dat op de wereld bestaat. Die van het paradijs, ons door onze godsdienst beloofd, kan hem niet overtreffen. Orde, netheid en bevallige rangschikking van de duizenderlei fruitboomen, sommige nog in vollen bloei, andere prijkende en als overladen met de heerlijkste vruchten, bekoorden het gezigt. Zeer kunstig aangebragte waterleidingen kronkelden als slingerende beekjes door den geheelen hof, en bevochtigden de wortels der boomen, op zulk eene wijze, dat iedere boomsoort naar mate van hare behoefte, iedere vrucht naar gelang van hare ontwikkeling, het noodige water ontving, hetgeen tengevolge had, dat bomen en vruchten er allen even bloeijend en frisch uitzagen en de laatste zoo buitengewoon groot, kleurig en geurig waren. Ik zou in dezen schoonen tuin den ganschen dag, ja, dagen hebben kunnen doorbrengen, zonder mij een oogenblik te vervelen; maar juist het schoone dat ik hier zag, was een' prikkel voor mijne nieuwsgierigheid, welke mij weldra dit aardsche paradijs deed verlaten en de tweede poort openen.
Wat ik daar zag, was geen fruit- maar een bloemtuin, niet minder verwonderlijk in zijne soort dan de vorige. De geheele hof, op gelijke wijze kunstmatig besproeid, scheen mij toe slechts een groot en eenig bloemperk uit te maken, want, waar ik ook de oogen wendde, ik zag overal alleen bloemen. De roos, de jasmijn, de angelier, de violier, de narcis, de hyacint, de anemoon, de tulp, de ranonkel, de lelie en een onnoemelijk aantal andere bloemen, die elders op onderscheidene tijden bloeijen, tot zelfs de aloë, die anders slechts elke honderd jaar zijne prachtige bloem vertoont, stonden hier te gelijk in vollen bloei, leverden de schoonste verscheidenheid van kleuren op, en vervulden de lucht met welriekende geuren.
Toen ik dezen lusthof verliet en de derde poort ontsloot, deed zich een nieuw wonder aan mij voor. Ik bevond mij in eene volière van een' verbazenden omvang. De vloer bestond uit marmeren platen van verschillende kleur. De kooi was van sandel- en aloëhout, doorvlochten met goud- en zilverdraad, en ik zag er alle mogelijke vogelen, welke door schoonheid van gevederte het oog bekoren, of door hun liefelijk gezang het gehoor streelen. De voeder- en waterbakken waren van jaspis en van agaatsteen. Overigens was deze volière zoo rein, dat ik nergens de minste smet of onzindelijkheid zag, zoodat, hare uitgestrektheid en de menigte der gevleugelde bewoners in aanmerking genomen, er naar mijn oordeel wel honderd oppassers noodig waren om ze in dezen staat te houden, en echter bespeurde ik noch hier, noch in de tuinen, die ik bezocht had, een enkel mensch. De gedachte kwam dus bij mij op, dat dit het werk van een' magtigen geest of van eene toovernimf zijn moest; menschelijk vermogen schoot hier te kort.
De zon was inmiddels ondergegaan, en de duizenden bewoners dezer volière, de nachtegaal uitgezonderd welke nu zijn liefelijk gezang liet hooren, zwegen en zochten eene schuilplaats onder het loof der altoos groenende boomen, tot hun gebruik aldaar geplant, om er den nacht in zoete rust door te brengen, want voor geene op prooi loerende nacht- of roofvogels hadden zij te vreezen. Ik volgde aldra hun voorbeeld, begaf mij naar de zaal, gebruikte mijn avondmaal, en daar ik het aangename gezelschap der prinsessen miste, zocht ik, vroeger dan anders, mijn slaapvertrek op.
Den volgenden morgen bleef ik niet in gebreke de vierde poort te openen. Zoo, hetgeen ik den vorigen dag had gezien mijne verwondering in hooge mate had opgewekt, wat ik thans zag, deed mijne verbazing ten toppunt stijgen. Ik bevond mij op een groot plein, in welks midden een prachtig gebouw stond, hebbende veertig poorten, die alle open waren en mij het vrije gezigt gaven op even zoo vele schatkamers, waarvan eene enkele meer rijkdommen bevatte, dan ik mijn geheele koningrijk waard schatte. In de eerste lagen geheele hoopen paarlen van het helderste water, en, wat alle geloof te boven gaat, grooter dan duiveneijeren. In de tweede waren diamanten en robijnen, in de derde smaragden, in de vierde goudstaven, die tot aan de zoldering lagen opgehoopt: in de beide volgende gemunt goud en zilver, in zulk eene menigte, dat men met het goud alleen een groot schip zou hebben kunnen bevrachten. De andere schatkamers waren opgevuld met ametisten, chrysolieten, topazen, opaalsteenen, turkooizen en andere bekende fijne edelgesteenten, zonder nog te spreken van den agaat, den jaspis, den cornalijn en bloedkoraal, waarvan ik geheele magazijnen vol aantrof.
Op het zien van zoo vele rijkdommen, ging mijne verwondering tot geestvervoering over, en ik riep uit: „Neen, al kon men ook al de schatkameren van alle koningen der aarde bijeenbrengen, zij zouden bij deze rijkdommen niet in vergelijking komen. Hoe gelukkig ben ik dan de eenige en geruste bezitter te zijn van al deze goederen, met zoo vele beminnelijke prinsessen!”
Ik zal mij niet ophouden, Mejufvrouw, om u eene omschrijving te geven van al de vreemde zaken en kostbaarheden, die ik op de volgende dagen nog zag. Ik zal u alleen zeggen, dat ik niet minder dan negen en dertig dagen behoefde, om de negen en negentig poorten te openen, en te bewonderen wat zich daarbij aan mijn oog vertoonde. Alleen de honderdste poort bleef nog over, die, zoo als gij u zult herinneren, het mij verboden was te openen.”
„En die gij dus wijselijk gesloten liet,” riep de drager, die niet langer zwijgen kon, „of het is eene leugen, dat de vrouwen alleen nieuwsgierig zijn.”
Zobeïde kon bij dezen uitroep van den drager een' glimlach niet onderdrukken, doch terstond haren ernst hernemende, wierp zij hem zulk een' gestrengen en bestraffende blik toe, dat deze alleen genoegzaam zou zijn geweest, hem het zwijgen op te leggen. Tegelijk maakte de zwarte slaaf, die steeds achter hem stond, eene dreigende beweging, waardoor de drager tot het besef werd teruggebragt, dat hij zich niet meer als gast aldaar bevond, maar slechts vergunning had om toe te luisteren, en niet om ongeroepen met zijne opmerkingen tusschen beide te komen.
De calender vergenoegde zich, den drager met zijn linker oog schuins aan te zien en, gehoorzaam aan den wenk van Zobeïde, vervolgde na eene hoofdbuiging, die van zijne onderworpenheid moest getuigen, aldus: „Het was de veertigste dag, Mejufvrouw, sedert het vertrek der bekoorlijke prinsessen. Indien ik op dien dag slechts de zelfsbeheersching hadde bezeten, die ik behoorde te hebben, ik zou thans de gelukkigste van alle menschen zijn, terwijl ik nu zeer ongelukkig ben. Den volgenden dag zouden zij terugkomen, en het vooruitzigt haar weldra te zullen wederzien, had voor mijne nieuwsgierigheid een' breidel te meer moeten zijn. Maar door eene zwakheid, die mij altoos zal berouwen, bezweek ik voor de verzoekingen van den duivel der nieuwsgierigheid, die mij geene rust liet, vóór dat ik mij de straf op den hals haalde, welke ik te regt dragen moet.
Ik opende de noodlottige poort, welke ik beloofd had niet te zullen ontsluiten, en nog had ik den voet niet binnen gezet, toen een wel niet onaangename, maar toch met mijn gestel strijdige reuk mij in flauwte deed vallen. Ik kwam weder tot mij zelven, en in plaats van mij deze waarschuwing ten nutte te maken de poort weder te sluiten en voor altijd den lust te verliezen om aan mijne dwaze nieuwsgierigheid toe te geven, trad ik binnen.
De versche lucht, welke gedurende mijne bezwijming was binnen gedrongen, had de kracht van de mij bedwelmende dampen getemperd, althans zij hinderden mij niet meer. Ik bevond mij in een ruim gebouw, welks geplaveide vloer met saffraan was bestrooid. Eene menigte waskaarsen, op kandelabers van massief goud geplaatst, verspreidden een helder licht, dat nog verhoogd werd, door verscheidene aan de zoldering hangende gouden en zilveren lampen, welke met eene welriekende olie gevuld waren.
Onder vele andere voorwerpen, die mijne aandacht trokken, merkte ik een zwart paard op, zoo schoon en zoo edel van vorm; dat ik er de oogen niet van kon afhouden. Ik trad toe om het van naderbij te bezien, en bemerkte nu dat het een' zadel droeg van massief goud, en een gebit in den bek had van hetzelfde metaal, beide op het kunstigst bewerkt. Zijn voederbak van wit marmer was in het midden afgeschoten, aan de eene zijde gevuld met haverkorrels, zwaarder dan die der beste tarwe, en aan den anderen kant met rozenwater. Ik nam het dier bij den toom, en leidde het naar buiten, om het bij het daglicht te bezien. Ik wilde beproeven, of de deugd van dit paard zijne schoonheid evenaarde, zette mij in den zadel, en daar het zich niet bewoog, gaf ik het dier een' klap met het gouden zweepje, dat ik in zijn' prachtigen stal had gevonden. Naauwelijks echter had ik het met de zweep aangeraakt, of het paard begon afgrijselijk te hinneken, en daarna zijne vleugels, die ik niet had opgemerkt, uitspreidende, verhief het zich pijlsnel met mij in de lucht. Bij dit gevaar was ik op niets anders bedacht, dan vast in den zadel te blijven, en hoezeer ook vol schrik hield ik mij ferm. Na tot in de wolken te zijn opgestegen, schoot het paard even snel naar de aarde, en daalde op het platte dak van een kasteel neder, waar het, zonder mij den tijd tot afstijgen te laten, op zijne achterpooten ging staan, mij met een' hevigen schok achterwaarts uit den zadel wierp, en met de punt van zijn' staart het regteroog uitstak.
Zoo, Mejufvrouw, werd ik éénoogig, en te gelijk herinnerd aan hetgeen mij door de tien jonge mannen voorspeld was. Het paard hernam zijne vlugt en verdween weldra uit het gezigt. Ik rigtte mij op; zeer bedroefd over de ramp, die ik mij zelven op den hals had gehaald. Zonder bijna te weten, wat ik deed, liep ik op het dak heen en weder, met de hand voor het regteroog, die mij eene hevige pijn veroorzaakte. Eindelijk ontdekte ik een trap, en dien afklimmende, kwam ik in de zaal van hetzelfde koperen paleis, waar ik mij bevond, toen de Rok mij van daar wegvoerde. Ik herkende deze zaal terstond aan de tien in het rond staande sofa's, en de elfde minder verhevene in het midden.
De tien éénoogige heeren waren op dat tijdstip niet in de zaal. Ik wachtte er hunne terugkomst af, en het duurde niet lang, of zij traden door den grijsaard vergezeld binnen. Zij schenen volstrekt niet verwonderd, toen zij mij daar zagen, en ook niet over het verlies van mijn oog. „Het is ons leed,” zeiden zij, „u niet met uwe terugkomst te kunnen gelukwenschen, zoo als wij gaarne zouden doen; maar uw ongeluk is u buiten ons toedoen overkomen.” „Het zou onregtvaardig zijn, mijne heeren!” antwoordde ik, „u daarvan te beschuldigen, niemand dan ik is er de oorzaak van, ik alleen heb mij deze ramp op den hals gehaald.” „Indien er voor ongelukkigen troost is in de zekerheid,” hernamen zij, „dit niet alleen te zijn, zoo kan onze toestand u daartoe dienen. Alles wat u is overkomen, is ook met ons gebeurd. Een geheel jaar hebben wij in het genot van allerlei vermaken doorgebracht, en wij zouden daarmede hebben kunnen voortgaan, indien wij ons hadden onthouden van gedurende de afwezigheid der prinsessen, de gouden poort te openen. Gij, vriend! zijt niet wijzer geweest dan wij, en hebt dezelfde straf moeten ondergaan. Wij zouden u wel in ons gezelschap kunnen opnemen, waardoor gij onderworpen zoudt zijn aan de zelfde boetedoeningen, die gij ons hebt zien verrigten, maar wij hebben u vooraf de redenen gezegd, die ons dit beletten. Daarom ga van hier, en begeef u naar het hof van Bagdad; daar zult gij hem vinden, wien het is gegeven, over uw verder levenslot te beslissen.”
Zij wezen mij den weg aan, dien ik te volgen had, en ik nam afscheid van hen. Op mijne reis liet ik mij den baard en de wenkbraauwen afscheren en nam het calenderkleed aan. Na eene zeer lange reis ben ik heden tegen het vallen van den avond in deze stad aangekomen. Bij de poort ontmoette ik deze beide calenders, die, even als ik, hier vreemdelingen zijn. Wij waren alleen verwonderd, juist aan het zelfde oog blind te zijn, doch de tijd heeft ons ontbroken, elkander breedvoerig over die ons gemeene ramp te onderhouden. Wij hadden slechts tijd, Mejufvrouw, om uwe gastvrijheid in te roepen, welke gij ons zoo edelmoedig hebt verleend.”