Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Eerste deel
Part 16
Terwijl den zoon van den juwelier mij zijne geschiedenis verhaalde, kon ik mij niet onthouden in mij zelven te lagchen over de voorzegging der sterrekijkers, die voorspeld hadden, dat ik dezen jongeling zoude dooden. Mijne gedachten waren zoo verwijderd van het denkbeeld, om deze voorspelling ooit tot eene waarheid te maken, dat ik, zoodra hij met spreken had opgehouden, met geestdrift uitriep: „Mijn goede vriend, wees volkomen gerust, zoo zeker als de zon aan den hemel staat, hebt gij niets te vreezen! Ik ben thans blijde, dat ik schipbreuk heb geleden, en dat mijn noodlot hier heen heeft gevoerd, om uw leven te kunnen beschermen tegen een ieder, die daarop een' aanslag zou willen maken. Ik zal gedurende de veertig dagen, dat de valsche voorspellingen der sterrekijkers u gevaar voorzeggen, niet van uwe zijde wijken, en u alle diensten bewijzen, welke in mijn vermogen zijn. Daarna zal het mij, met toestemming van uw' vader en van u, aangenaam zijn van deze zoo onverwachte gelegenheid gebruik te mogen maken, om naar het vasteland en van daar naar mijn koningrijk terug te keeren. Deze aan mij te bewijzen dienst zal ik nimmer vergeten, en op eene aan mijn' rang voegende wijs weten te erkennen.”
Door deze woorden stelde ik den zoon van den juwelier volkomen gerust en won zijn vertrouwen. Ik nam mij intusschen, uit vrees dat hij zich noodeloos zou beangstigen, wel in acht niet te zeggen, dat ik zelf die gevreesde Agib was. Wij onderhielden ons over verschillende zaken tot den avondmaaltijd, en ik merkte daarbij op, dat het den jongeling niet aan geestvermogens ontbrak. Wij aten te zamen van zijn' voorraad. Deze was zoo groot, dat, al hadde hij buiten mij nog twee gasten gehad, er na verloop der veertig dagen, nog zou zijn overgebleven. Na het souper, praatten wij nog een uurtje, en wij begaven ons toen ter ruste.
Den volgenden morgen, toen hij opstond, bood ik hem de badkuip en het water aan. Daarna bereidde ik het middagmaal, en diende dat ter zijner tijd voor. Na het eten vond ik een spel uit, waarmede wij den tijd verdreven. In één woord, ik maakte hem het leven zoo aangenaam mogelijk. Dit vergold hij door mij zijne genegenheid te schenken, en ik vatte ook eene warme vriendschap voor hem op.
Zoo ging de tijd snel en als ongemerkt voorbij, en de veertigste dag was daar, vóór ik er aan dacht. Bij den jongeling was dit echter het geval niet, want bij zijn ontwaken zeide hij met een gelaat, waarop vreugde te lezen was: „Prins, die gevreesde veertigste dag is eindelijk daar, en door de gunst van Allah en uwe goede diensten leef ik nog en ben gezond. Mijn vader zal niet in gebreke blijven, u daarvoor zijne erkentelijkheid te bewijzen, door u de middelen te verschaffen, om op de gemakkelijkste wijze naar uw koningrijk terug te keeren. Doch in afwachting daarvan,” voegde hij er met een' glimlach bij, „waag ik het nog eene laatste dienst van mijn' koninglijken gast te vergen. Verpligt mij door deze badkuip aan te schuiven en het water heet te maken, opdat ik mij bade en van kleederen verwissele, ten einde mijn' vader waardiglijk te ontvangen.”
Ik hing water over het vuur, en goot dit, toen het behoorlijk warm was, in de badkuip. De jongeling zette zich in het bad, ik wiesch en wreef hem, droogde hem af, en na dat hij zich weder op zijn rustbed had nedergelegd, dekte ik hem toe, met eene zorg, als of het mijn broeder ware. Ook zou ik dezen niet meer bemind hebben dan dezen jongeling. Hij viel weldra in een' gerusten slaap; ik ging voor zijne sponde zitten, en toen hij ontwaakte, zeide hij, mij de hand toestekende: „Waarde prins! wat zijt gij toch goed, en wat ben ik veel aan uwe vriendschap verpligt. Het bad en de slaap hebben mij zeer verkwikt, geef mij nu ook nog een stukje van dien meloen, met een weinig suiker er over gestrooid.”
Ik stond dadelijk op, om zijn' wensch te bevredigen; doch geen mes bij de hand hebbende, vraagde ik den jongeling, of hij niet wist, waar de messen waren. „Gij behoeft niet ver te zoeken,” antwoordde hij, „in de nis boven mijn hoofd zult gij er een vinden.” Ik ging op den rand van zijn rustbed staan, en nam het mes, dat mij nu dadelijk in het oog viel, in de hand; doch door den haast, dien ik maakte, gleed mijn voet uit. Ik trachtte mij nog staande te houden, maar viel op den jongeling, met dat ongelukkige gevolg, dat de punt van het mes hem in de borst trof, en tot in het hart doordrong. Ik hoorde slechts een' diepen zucht, en hij was dood. Op dit gezigt deed ik het onderaardsche gewelf van mijne wanhoopskreten weêrgalmen. Ik sloeg mij met de vuisten voor het hoofd, in het gelaat, op de borst; ik verscheurde mijne kleederen, geheel verplet wierp ik mij op den grond en riep met een onbeschrijfelijk smartgevoel uit: „Helaas! nog slechts weinige uren, en hij zou beveiligd zijn geweest voor het gevaar, waartegen hij hier eene schuilplaats had gezocht. Ook ik meende, dat alle gevaar voorbij was, en op dat zelfde oogenblik wordt ik zijn moordenaar, en maak de voorspelling, die mij toescheen ijdel te zijn, tot eene vreeselijke waarheid. O Allah!” vervolgde ik, het hoofd en de handen hemelwaarts heffende, „vergeef mij deze onwillekeurige daad; maar indien ik eenigzins schuldig ben aan den dood van dezen jongeling, laat dan uw bliksem mij verpletteren!”
Mejufvrouw,” vervolgde de derde calender, diep zuchtende, tegen Zobeïde, „na het ongeluk, dat mij was overkomen, zou ik den dood, indien hij zich aan mij had voorgedaan, onbevreesd te gemoet zijn getreden; het leven scheen mij toe geene waarde meer te hebben. Maar het kwade zoo wel als het goede komt niet altoos, wanneer wij het wenschen. Wie naar den dood verlangt, zal daarop dikwijls nog lang moeten wachten; wie hem het meest vreest, heeft somtijds het eerst zijne komst te verwachten. Het zou ook niet goed zijn, indien onze niet zelden dwaze wenschen vervuld werden; menigeen zou daarover later berouw gevoelen, en wel willen ze niet gedaan te hebben.
Dit was ook met mij het geval. Weldra keerde de liefde tot het leven, welke ook den ongelukkigste bijblijft, terug. Ik overwoog, dat ik den jongeling, door bij zijn lijk te weeklagen en te weenen, niet weder in het leven kon roepen, en daar de veertigste dag weldra ten einde spoedde, en ik dus door zijn' vader spoedig verrast kon worden, werd ik bedacht op zelfbehoud. Ik verliet het onderaardsche verblijf, legde er den steen weder op en bedekte dien met aarde.
Naauwelijks had ik dit gedaan, of zeewaarts ziende naar den kant van het vaste land, zag ik het scheepje, dat den jongeling moest afhalen, met volle zeilen naderen. Indien de grijsaard zag, dat zijn zoon gedood was, en wanneer hij mij hier vond, was het te vreezen, dat hij, door zijne diepe smart voor reden onvatbaar, mij, als een zoenoffer voor den vermoorden jongeling, door zijne slaven zou laten slagten. De voorzigtigheid raadde mij dus aan dat gevaar niet vermetel te gemoet te gaan, maar het te ontvlugten, waartoe de gelegenheid voor mij open stond.
In de nabijheid van het onderaardsche gebouw bevond zich een dikke en hooge boom, wiens bladrijke kruin mij eene geschikte schuilplaats aanbood. Ik klom daarin, en naauwelijks had ik mij zoo geplaatst, dat ik niet het geringste gevaar liep van gezien te zullen worden, of ik zag het scheepje de kreek binnen loopen.
De grijsaard en de slaven gingen weldra aan land, en sloegen den weg in naar het onderaardsche gebouw. Het scheen mij toe, gelijk ik uit hunnen gang en hunne gebaren kon opmaken, dat zij in het eerst goeden moed hadden; doch toen zij op de plaats zelve kwamen, en de aarde versch omgegraven vonden, verbleekte de grijsaard en begon te beven. De aarde werd weggeruimd, de steen opgeligt, en de jongeling bij zijnen naam geroepen. Geen antwoord krijgende, klom hunne ongerustheid. Eenige slaven stegen af, en weldra kon ik de kreten dezer lieden, hun door schrik afgeperst, hooren. Zij hadden den jongeling gevonden, op zijn rustbed uitgestrekt, met het mes, dat ik den moed niet had gehad daaruit te trekken, in het hart. De grijsaard stortte bewusteloos neder, de slaven namen hem op, en legden hem op een tapijt onder den boom, waarin ik mijne schuilplaats had.
Het is niet mogelijk u de wanhoop van den grijsaard, toen hij weder tot bewustzijn kwam, te beschrijven, noch hetgeen ik daarbij leed. De slaven groeven een graf, en legden er den jongeling in met zijne beste kleederen aan. De grijsaard, ondersteund door twee zijner slaven en in tranen badende, wierp er de eerste schop aarde op, waarna het graf door de slaven werd digt gemaakt.
Dit gedaan zijnde, werden het huisraad en de nog overgebleven levensmiddelen uit het onderaardsche gebouw gehaald, en weder aan boord gebragt. Het laatst volgde de grijsaard, dien men op eenen draagbaar naar het schip moest brengen. Zoodra allen aan boord waren, werden de zeilen geheschen, en in korten tijd was het scheepje, dat den bedroefden vader mede voerde, uit het gezigt verdwenen.
Ik bleef nu alleen op het eiland achter, en bragt den nacht in het onderaardsche verblijf, dat men had opengelaten, in eene zeer onaangename stemming door. In den droom verscheen mij de bloedige jongeling met het mes nog in de borst, waarop hij wees, doch hij stak mij tevens de hand toe, als wilde hij te kennen geven, dat hij mij zijn' ongelukkigen dood niet toerekende, daar niet ik, maar het onverbiddelijke noodlot, dat geen sterveling kan ontgaan, er de schuld van droeg. Die hand, welke ik aangreep, was koud; ik werd met schrik wakker, en nog wakende stond mij zijn beeld voor oogen. Er verliepen eenige dagen, eer ik het uit mijne gedachten kon zetten.
Intusschen was mijn toestand op zich zelven reeds treurig genoeg. Men had uit het onderaardsche verblijf alles mede genomen, wat vervoerbaar was, en mij niets overgelaten dan een ledig hol, waarin ik bij nacht en bij zware regens eene schuilplaats kon vinden. Ik moest mijn leven onderhouden met de wilde vruchten, welke ik aan de boomen, en met schelpvisschen, die ik aan het strand vond.
Elf maanden, die mij toeschenen eene eeuwigheid te zijn, had ik reeds op dit eiland doorgebragt, toen ik, op een morgen naar het strand gaande om schelpvisschen te verzamelen, bespeurde, dat het water een groot eind was afgeloopen; slechts een smalle strook scheidde het eiland nog van het vasteland, en ik bemerkte dat de zee zoo ondiep was, dat men ze doorwaden kon.
Ik bedacht mij niet lang, om de gevaarlijke reis te ondernemen, en na een' hoogst vermoeijenden togt van eenige uren nu eens tot aan de knieën, dan tot aan de borst door het water gaande, dan weder zwemmende, had ik het geluk den wal te bereiken. Ik bedankte Allah voor deze onverwachte uitkomst, en ging, na eenige oogenblikken rust, bemoedigd dieper het land in. Ik had reeds lang geloopen, zonder eene menschelijke woning te ontdekken, toen ik in de verte een groot vuur zag. „Ha,” dacht ik, „dat vuur kan zich niet van zelven hebben ontstoken, daar moeten menschen zijn.”
Doch toen ik naderbij kwam, ontdekte ik dat, hetgeen ik had aangezien voor een groot vuur, een paleis van rood koper was, hetwelk, door de stralen der ondergaande zon beschenen, zich op een' afstand als een vuurgloed vertoonde.
Ik zette mij in de nabijheid van dit paleis onder een' boom neder, om een weinig van mijne vermoeijenis te bekomen, en de schoonheid van dit gebouw te bewonderen. Ik kon er mijne oogen niet aan verzadigen, en werd als verblind door den glans van het koper, waarop ik staarde, toen eensklaps tien jongelieden, allen prachtig gekleed, al wandelende naar mij toekwamen. Zij werden vergezeld door een' eerwaardig grijsaard, die door zijne lange gestalte boven allen uitstak, niettegenstaande hij in eene eenigzins gebogen houding ging. Doch wat mij het vreemdste voorkwam was, dat die jonge lieden, welgemaakt van lijf en leden, allen blind waren aan het regter oog.
Ik was ten hoogste verwonderd zoo vele éénoogigen te ontmoeten. Terwijl ik er over nadacht door welken zonderlingen zamenloop van omstandigheden deze bij elkander kwamen, waren zij mij genaderd, en betuigden hunne vreugde, mij daar te zien. Na afloop der wederzijdsche pligtplegingen, vraagden zij, door wat toeval ik mij daar bevond. Ik antwoordde hun, dat mijne geschiedenis vrij lang was, doch indien zij geduld hadden om die aan te hooren, ik bereid was aan hun verlangen te voldoen. Zij zetten zich bij mij neder, en ik verhaalde hun al wat mij was overkomen, sedert ik mijn koningrijk had verlaten, hetgeen hunne verwondering in hooge mate opwekte.
Zoodra ik het verhaal van mijne zonderlinge lotgevallen had geëindigd, stonden de jongelieden op, en noodigden mij uit hen naar het koperen paleis, waar zij hun verblijf hielden, te vergezellen. Ik nam dit gastvrije aanbod met vreugde aan, want niets was mij op dien oogenblik meer welkom. Wij gingen het paleis door eene breede poort binnen, en het voorplein overgegaan zijnde, kwamen wij door eene tweede poort in eene lange reeks van vertrekken, allen prachtig gemeubeld. Ook deze gingen wij door, tot dat wij in eene groote zaal kwamen van koepelvormige gedaante, waarin tien sofa's stonden, die te zamen een' kring vormden, en zoo waren ingerigt, dat zij tot zit- en slaapplaats tevens konden dienen. In het midden van dezen kring bevond zich eene elfde sofa, in alles aan de anderen gelijk, maar minder verheven, waarop de grijsaard plaats nam, terwijl de jongelieden elk op eene der in het rond staande sofa's gingen zitten.
Daar elke sofa slechts voor één persoon geschikt was, zeide een der jongelieden tot mij: „Daar er geene andere plaats meer open is, zoo zet u op het tapijt midden in de zaal, en bemoei u niet met hetgeen ons aangaat, vraagt zelfs niet naar de oorzaak, waarom wij allen blind zijn aan het regter oog. Vergenoeg u met te zien wat hier geschiedt, zonder uwe nieuwsgierigheid verder uit te strekken. Deze raad geef ik u tot uw eigen welzijn.”
De grijsaard bleef niet lang zitten, hij stond op en verliet de zaal. Niet lang daarna kwam hij terug met het avondmaal voor de tien heeren, waarvan hij aan ieder in het bijzonder zijne portie gaf. Ook ik kreeg een gelijk gedeelte; en toen wij met eten gedaan hadden, bood de grijsaard ons elk een' beker wijn aan.
Mijne geschiedenis was aan mijne gastheeren zoo buitengewoon voorgekomen, dat ik na afloop van den maaltijd ze nog eens moest herhalen. Zij leverde stof op voor een onderhoud, dat tot laat in den nacht duurde. Een der heeren, bemerkende dat het tijd werd om te gaan slapen, zeide nu tegen den grijsaard: „Gij ziet, dat het tijd is om ter ruste te gaan, en gij hebt verzuimd om te brengen, wat wij noodig hebben, om den op ons rustenden pligt te vervullen. Haast u dus!” De grijsaard stond op, begaf zich in een aan de zaal grenzend vertrek, en bragt achtereenvolgens op zijn hoofd tien waschbekkens aan, allen bedekt met een stuk blaauwe stof. Voor ieder der heeren zette hij een der bekkens neder, en plaatste daarbij een ontstoken flambouw.
Zij dekten de bekkens open, waarin zich asch, houtskool en nog een ander zwart poeder bevond. Dit alles mengden zij met water dooreen, en vingen aan er zich het gelaat mede in te vrijven, zoodat zij weldra op Mooren geleken, en er afschuwelijk uitzagen. Na zich dus zwart gemaakt te hebben, begonnen zij te huilen en te kermen, sloegen zich met de vuisten voor het hoofd en op de borst, en riepen al weêklagende uit; „Zie daar de vrucht van onze ledigheid en van ons losbandig leven!”
Zij bragten een groot gedeelte van den nacht met deze vreemde bezigheid door. Als zij eindelijk daarmede ophielden, bragt de grijsaard andere bekkens met schoon water aan; de heeren wieschen zich het aangezigt en de handen zoo lang, tot dat zij weder een menschelijk aanzien kregen. Daarop verwisselden zij van kleederen, zoodat er weldra geen spoor meer achter bleef van de vreemde en morsige verrigting, waarvan ik de zwijgende ooggetuige was geweest.
Gedurende al dien tijd stond ik honderde malen op het punt het hooren, zien en zwijgen, mij door die heeren opgelegd, te vergeten en hen met mijne vragen te bestormen. Zoo zeer waren mijne gedachten er mede bezig, dat ik dien nacht geen oog kon sluiten.
Den volgenden morgen, zoodra wij waren opgestaan, gingen wij naar buiten om een luchtje te scheppen, en deze gelegenheid aangrijpende, zeide ik tegen hen: „Mijne goede heeren! gij moogt het mij kwalijk duiden of niet, maar ik moet u openhartig verklaren, dat ik den raad, mij gisteren door u gegeven, niet langer wil in acht nemen, om de eenvoudige reden, dat het mij onmogelijk is. Ik heb u in dezen korten tijd leeren kennen, als mannen van een gezond verstand, die zelfs in geestontwikkeling uitmunten; doch niettegenstaande dit heb ik u dingen zien doen, waartoe alleen dwazen en gekken in staat zijn. Wat daarvan dan ook voor mij de gevolgen mogen zijn, ik kan mij niet langer bedwingen, en moet u vragen, om welke reden gij uw gelaat met asch, houtskool en nog een ander zwart poeder, waarvan mij de naam onbekend is, hebt besmeerd, en eindelijk hoe het komt, dat gij allen slechts één oog hebt? Het kan niet anders of dit moet eene zeer bijzondere oorzaak hebben; daarom bezweer ik u, mijne nieuwsgierigheid te bevredigen.” Op dit alles, hoe sterk ik ook aandrong, kreeg ik slechts tot antwoord, dat dit zaken waren die mij niet aangingen, en waarbij ik niet het minste belang kon hebben, terwijl ik wel zou doen mij daarmede tevreden te stellen.
Ik onderwierp mij aan de noodzakelijkheid, en wij onderhielden ons dien dag slechts over onverschillige zaken. Overigens bragten wij den dag gelijk den voorgaanden door, en toen des avonds het souper was afgeloopen, bragt de grijsaard andermaal de met blaauw laken overdekte bekkens aan; de jongelieden besmeerden zich, weenden, sloegen zich met vuisten en jammerden: „Zie daar de vrucht van onze ledigheid en van ons losbandig leven!” Dit zelfde schouwspel had elken nacht plaats.
Ten laatste kon ik aan mijne nieuwsgierigheid geen weêrstand meer bieden, en bad hen op het ernstigste deze te bevredigen, of mij aan te wijzen, langs welken weg ik naar mijn koningrijk kon wederkeeren; want ik zeide hun, dat het mij niet mogelijk was langer in hun gezelschap te blijven, en elken nacht van zulk een vreemd schouwspel getuige te zijn, zonder dat het mij was geoorloofd daarvan de oorzaak te weten.
Een der heeren voor allen het woord opnemende, antwoordde mij: „Verwonder u niet over ons gedrag tegenover u; indien wij tot nu toe aan uwe bede geen gehoor gaven, is dit alleen geschied uit zuivere vriendschap, en om u het verdriet te besparen in dienzelfden toestand te worden gebragt. Hebt gij echter lust ons ongelukkig lot te deelen, gij hebt slechts te spreken, en wij zullen aan uw verlangen voldoen.” Ik verklaarde op alles, zelf op het ergste, voorbereid te zijn. „Luister nogmaals naar mij,” hernam dezelfde heer, „wij raden u ten sterkste aan, dat gij uwe nieuwsgierigheid overwint; want het verlies van uw regteroog staat er bij op het spel.” „Dat zij zoo!” riep ik, „ik betuig u plegtig, dat indien dat ongeluk mij mogt overkomen, gij er niet schuldig aan zult zijn, en ik dit alleen aan mij zelven zal te wijten hebben.” Hij hield mij nog voor, dat ik, na mijn oog verloren te hebben, niet in hun gezelschap zou kunnen blijven, want dat zij voltallig waren, en hun getal niet vermeerderd mogt worden. Ik antwoordde, dat het mij ongetwijfeld hoogst aangenaam zou zijn, altoos in hun gezelschap te mogen blijven, doch mogt dit niet geschieden, ik dan gereed was mij aan de noodzakelijkheid te onderwerpen, daar ik, tot welken prijs ook, mijne nieuwsgierigheid bevredigd wenschte te zien.
Toen de tien heeren zagen, dat ik van mijn besluit niet was af te brengen, namen zij een schaap, dat zij slagtten, en waarvan zij het vel aftrokken. Zij boden mij het mes aan, waarvan zij zich hadden bediend, en zeiden tot mij: „Neem dit mes, gij zult, gelijk wij u aanstonds zullen zeggen, in de gelegenheid komen, om er gebruik van te maken. Het is noodig, dat gij u in dit schaapsvel wikkelt, wij zullen het dan toenaaijen, en u, terwijl wij ons verwijderen, op deze plaats achterlaten. Alsdan zal een vogel van monsterachtige grootte, Rok genaamd, zich in de lucht vertoonen, en u voor een schaap aanziende, op u nederschieten, in zijne klaauwen opnemen, en zich tot in de wolken verheffen. Dit doe u niet schrikken. Hij zal zijne vlugt weder naar de aarde nemen en u op de kruin van een' berg nederleggen. Zoodra gij den grond voelt, zoo bedien u van het mes om het vel open te snijden, en er u van te ontdoen. Wanneer de Rok u ziet zal hij, door een' plotselingen schrik aangegrepen, weg vliegen en u in vrijheid laten. Houd u echter op die plaats niet op, maar daal den berg af, en ga voort, tot dat gij aan een kasteel komt van ontzettende grootte, geheel bedekt met gouden platen, en schitterend van edelgesteenten. Nader de poort, die ten allen tijde geopend is, en treed binnen. Ook wij allen zijn in dat kasteel geweest. Wij zeggen u niets van hetgeen wij daar gezien hebben, noch wat ons is overkomen, gij zult dit zelf ondervinden. Wat wij u echter zeggen kunnen is, dat het aan elk onzer het regteroog heeft gekost; de boetedoening, welke gij ons hebt zien verrigten, is ons mede opgelegd, als eene niet te ontduiken verpligting, omdat wij daar zijn geweest. De geschiedenis van ieder onzer in het bijzonder gaat van de wonderlijkste ontmoetingen gepaard, en men zou er een dik boek van kunnen schrijven, maar u meer daarvan te zeggen, is ons verboden.”
Mejufvrouw,” vervolgde de derde calender tot Zobeïde, „toen de éénoogige heer de woorden had gezegd, die ik de eer heb gehad u mede te deelen, wikkelde ik mij in het schaapsvel, voorzien van het mes, dat hij mij had ter hand gesteld, en nadat de jongelieden zich de moeite hadden gegeven mij daarin te naaijen, lieten zij mij op die plaats achter, en keerden naar hun paleis terug. De Rok, waarvan men mij gesproken had, vertoonde zich spoedig, pijlsnel schoot hij neder, nam mij, meenende een schaap voor zich te hebben, in zijne klaauwen, en bragt mij op de kruin van een' berg. Zoodra ik grond voelde, verzuimde ik niet mij van het mes te bedienen, ik sneed het vel door, ontdeed er mij van, en vertoonde mij aan den Rok, die, zoodra hij mij zag, zijne vleugelen uitspreidde en wegvloog. Deze Rok, Mejufvrouw, is een witte vogel van monsterachtige grootte en dikte. Hij is zoo sterk, dat hij een' olifant van de aarde opnemen, en naar den top van het gebergte voeren kan, waar hij hem doodt en verslindt.
De reis in eene zoo benaauwde gevangenis was mij niet bevallen; ik was blijde er uit ontslagen te zijn, en daarbij vertrouwde ik ook den vogel Rok niet al te zeer. Hij mogt, van den schrik bekomen, die mijne plotselinge verschijning hem veroorzaakte, eens in den zin krijgen om terug te keeren, en uit wraak wegens de hem gespeelde poets mij, in plaats van het gedachte schaap, voor een ontbijt oppeuzelen; redenen genoeg om zoo kort mogelijk op den berg te vertoeven, al ware ook mijn verlangen om op het kasteel te komen, waarvan men mij zoo vele wonderen had verhaald, minder groot geweest. Ik daalde alzoo zonder tijdverlies den berg af, en stapte, den weg inslaande, die men mij had aangeduid, zoo stevig door, dat ik reeds op den middag het kasteel voor mij zag liggen in al zijne pracht van goud en kostbare edelgesteenten, die als sterren van verschillenden gloed en kleuren op dien gouden grond schitterden. Ik werd er als door verblind, en moest bij mij zelven bekennen, dat men er mij bij de beschrijving nog veel te weinig van gezegd had, daar deze verre beneden de werkelijkheid bleef.