Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Eerste deel

Part 15

Chapter 153,930 wordsPublic domain

Verstooten en verjaagd door den vorst, die mij aanvankelijk zoo veel genegenheid had toegedragen, door ieder verlaten en niet wetende, wat er van mij moest worden, ging ik, alvorens de stad te verlaten, in een badhuis, liet mij den baard en de wenkbraauwen afscheren en nam het gewaad eens calenders aan. Daarop begaf ik mij op weg, en beweende niet zoo zeer mijn eigen ongeluk, als wel dat der schoone prinsessen, van wier rampvollen dood ik mij zelven beschuldigde. Ik heb verscheidene landen doorgetrokken, en ben eindelijk te Bagdad gekomen in de hoop, dat ik gelegenheid zou vinden, mij aan den beheerscher der geloovigen te doen voorstellen, en door eene geschiedenis zoo rijk aan ongelukken en vreemde gebeurtenissen, zijn mededoogen op te wekken. Toen ik dezen avond in de stad kwam, was de eerste, dien ik ontmoette, den calender, die vóór mij de eer genoot, u zijne lotgevallen mede te deelen. Het overige, Mejufvrouw, en waaraan ik het geluk te danken heb in uwe woning gastvrij te worden opgenomen, is u bekend.”

Toen de tweede calender zijne geschiedenis geëindigd had, zeide Zobeïde: „Ik ben voldaan, en geef u vrijheid te gaan, waarheen het u zal behagen.” Doch in plaats van zich te verwijderen, smeekte ook hij zijne gastvrouw hem eene gelijke gunst te verleenen, als zij aan den eersten calender had toegestaan, in wiens nabijheid hij zich toen nederzette.

Op een wenk van Zobeïde, stond nu de derde calender op, boog zich, en ving aldus aan.

GESCHIEDENIS VAN DEN DERDEN CALENDER, DEN ZOON EENS KONINGS.

„Hooggeëerde Dame,” zoo ving de calender aan, „hetgeen ik u heb mede te deelen, is zeer verschillend van hetgeen gij tot dus verre hebt gehoord. De twee prinsen, die vóór mij gesproken hebben, verloren elk hun regter oog door een ongelukkig toeval. Van het mijne ware ik, zoo als uit mijne geschiedenis zal blijken, door eigen schuld beroofd. Mijn naam is Agib, ik ben de zoon eens konings genaamd Cassib. Na mijns vaders dood, kwam ik in het bezit van al zijne staten. Ik hield mijne residentie in dezelfde stad als hij, ofschoon er zich in mijn rijk andere steden bevonden, die grooter en volkrijker waren. Doch deze stad lag aan zee, en had eene zeer schoone en veilige haven, met een arsenaal, hetwelk in zulk eene ruime mate voorzien was van alle scheepsmaterialen, dat ik daarmede, des noods in zeer korten tijd, eene vloot van honderd vijftig oorlogschepen kon uitrusten, niet mede gerekend de zeer schoone koopvaardij-vloot en eene menigte pleizier-vaartuigen, die in de haven lagen, of op verschillende reizen uit waren. Behalve vele groote en ook rijke provinciën op het vasteland, bevonden zich onder mijn gebied eene menigte eilanden, bijna allen in het gezigt van mijne hoofdstad gelegen. Nadat ik mijne provinciën op het vasteland bezocht had, liet ik eene vloot uitrusten en begaf mij naar mijne eilanden, om door mijne tegenwoordigheid de liefde van mijne onderdanen te verwerven, of hen in toom te houden. Dergelijke zeetogtjes maakte ik meermalen, en dit deed mij zulk een' lust voor de zeevaart opvatten, dat ik besloot ook vreemde staten te bezoeken. Ik liet tot dat einde tien schepen uitrusten, die allen goed konden zeilen, zoodat wij zelfs van de stoutste zeeroovers niets te vreezen hadden. Ik begaf mij aan boord van een der grootste schepen en liet de koninklijke vlag hijschen, waarna wij onmiddelijk de ankers ligtten en onder zeil gingen.

Gedurende de eerste dagen van onze zeereis hadden wij zeer schoon weder, maar in den nacht van den veertigsten dag, kregen wij tegenwind, en zulk een' hevigen orkaan, dat de kapitein, hoewel een stout zeeman, niet anders dacht, of wij zouden met man en muis vergaan. Evenwel met het aanbreken van den dag bedaarde de storm, de wolken verdeelden zich, en toen de zon opging bevonden wij ons in de nabijheid van een eiland, dat, ofschoon klein en weinig bevolkt, ons eene veilige haven aanbood. Wij liepen binnen, en de meesten van ons gingen aan land, daar wij veel van de zeeziekte te lijden hadden gehad. Hier vertoefde ik acht dagen, en na eenige ververschingen ingenomen te hebben, gingen wij weder onder zeil; doch dit maal met het doel om zoo spoedig mogelijk naar het vaderland terug te keeren. De zware storm, dien wij hadden doorgestaan, deed mij daartoe besluiten. Mijn lust voor de zeevaart was aanmerkelijk verflaauwd, en ik begreep mijn leven, dat voor mijne onderdanen zoo nuttig kon zijn, niet langer aan de wisselvalligheden van dit bedriegelijke en gevaarvolle element te mogen blootstellen. De wind was ons gunstig, er woei eene stevige koelte en op den dertigsten dag begonnen wij hoop te voeden, weldra land te zullen zien. En waarlijk, den volgenden morgen kort na de hondenwacht, riep de matroos, die in den mast op den uitkijk zat: „Land, land voor den boeg!”

Op deze woorden verbleekte de stuurman, rukte met de eene hand zijn' tulband af, wierp dien op het verdek, en sloeg zich, als een wanhopige, met de andere hand in het aangezigt, uitroepende: „Ach, Sire! wij zijn verloren! Niemand onzer kan aan het gevaar, waarin wij ons bevinden, ontkomen, en met al mijne ervaring kan ik het niet afwenden.” Hierop begon hij te weenen als iemand, die kleinmoedig wordt, bij het vooruitzigt van een' wissen dood. Zijne woorden bragten schrik te weeg bij al de scheepelingen, en ik zelf wist niet, wat te moeten denken. Ik vroeg hem, welke reden hij had tot zulk eene uitzinnige handelwijze. „Helaas! Sire!” antwoordde hij al zuchtende, „de storm, die wij hebben doorgestaan, heeft ons zoo ver van onzen koers doen afdwalen, dat wij morgen tegen den middag bij de zwarte plek zullen zijn, welke door den matroos op den uitkijk voor land aangezien, en zoo blijde begroet is. Wat hij echter gezien heeft, is de zwarte berg. Deze berg bestaat geheel uit zeilsteen, van het allerkrachtigste gehalte. Reeds op dit oogenblik wordt de vloot met onwederstaanbare kracht aangetrokken, uithoofde van het ijzerwerk, dat zich aan de schepen bevindt. Indien wij nu, dat morgen onvermijdelijk moet geschieden, den zwarten berg op zekeren afstand genaderd zijn, zal de kracht van den zeilsteen zoo hevig werken, dat al de spijkers uit de schepen zullen vliegen en zich als klissen aan dien zwarten rotsmuur vasthechten; uwe schepen zullen dan gelijk kaartenhuizen uit elkander vallen en wegzinken. Gelijk de zeilsteen de kracht bezit het ijzer aan te trekken, en zijne aantrekkingskracht toeneemt, naarmate hij meer te dragen heeft, even zoo deze berg. Aan de zeekant geheel bedekt met het ijzerwerk van een aantal schepen, dien hij heeft doen vergaan, blijft deze zeilsteenmijn steeds werkzaam en neemt nog dagelijks in kracht toe.

Deze berg,” vervolgde de stuurman, „is zeer steil en op zijn' kruin bevindt zich een koepel van het fijnste brons, ondersteund door kolommen van hetzelfde metaal. Op het koepeldak staat een bronzen paard, waarop een ruiter zit, met een looden borstharnas, op hetwelk eenige tooverteekenen zijn ingesneden. De overlevering wil, Sire!” voegde hij er bij, „dat dit ruiterstandbeeld de hoofdoorzaak is van den ondergang van zoo vele schepen en van zoo vele menschen, die op deze plaats verongelukt zijn. Het zal steeds verderfelijk blijven voor allen, die het ongeluk hebben dit doodelijke oord te naderen, tot dat deze ruiter zal zijn ter neêrgeworpen.”

De stuurman zijn verslag geëindigd hebbende, begon op nieuw te weenen, hetgeen zoo aandoenlijk was, dat al het scheepsvolk tranen stortte. Ook ik dacht niet anders, dan dat mijn laatste uur weldra slaan zou. Nogtans was ieder op zijn behoud bedacht, en nam daartoe al de te zijner beschikking staande maatregelen. In de onzekerheid, wie er het leven zoude afbrengen, benoemden zij elkander wederkeerig tot erfgenaam; wat aan goederen gered mogt worden, zou het eigendom zijn van hen, die er het leven afbragten.

Den volgenden dag was de nevel, waarin de berg gehuld was, opgetrokken, en deze laatste vertoonde zich aan ons in al zijne verschrikkelijkheid. Tegen den middag kwamen wij in zijne nabijheid, en hetgeen de stuurman ons voorspeld had, gebeurde. Wij zagen de spijkers en al het andere ijzerwerk der schepen naar den berg vliegen, waar zij zich door de verbazende aantrekkingskracht vastzetten, terwijl er zich een geluid deed hooren, gelijk aan dat van duizenden hamerslagen. De schepen, van hun ijzerwerk ontdaan, vielen uiteen en zonken in de diepte. De zee was op deze plaats zoo diep, dat wij met het peillood geen' grond konden vinden. Al mijne lieden verdronken: met mij evenwel had de hemel mededoogen en liet toe, dat ik gered werd. Dit geschiedde, door dat ik mij aan eene losgeslagen plank vasthield, welke door eene golf opgenomen werd, die mij aan den voet van den berg op het drooge wierp.

Ik had,” vervolgde de calender, „niet het minste letsel gekregen, en bevond mij in de nabijheid van een' in den steilen rotswand uitgehouwen trap. De trap was steil, en de treden waren zoo smal, dat ik er naauwelijks den voet op kon zetten. De minste windvlaag zou mij onvermijdelijk omver hebben geworpen, en in zee doen vallen. Nogtans, daar de berg overal elders, zoo ver ik zien kon, onbeklimbaar was, en mijne voeten door de zee bespoeld werden, zoo dat ik (het was nu ebbe) bij het opkomen van den vloed zeker zou hebben moeten verdrinken, aarzelde ik niet lang den gevaarlijken togt te ondernemen, en door den hemel geholpen, gelukte het mij, hoewel doodelijk afgemat, ongedeerd de kruin des bergs te bereiken.

Mijne krachten waren bijna uitgeput. Ik bedankte Allah en den Profeet voor mijne wonderbare redding, en legde mij onder het koepeldak neder. Weldra sloten zich mijne oogen en in den slaap verscheen mij een achtenswaardig grijsaard, die tot mij zeide: „Luister, Agib! Graaf, zoodra gij ontwaakt, op de plaats, waar gij met uwe voeten hebt gelegen, den grond om, en gij zult een' bronzen boog vinden, en drie loden pijlen, die onder zeker gesterkte gemaakt zijn, om het menschelijk geslacht van vele dreigende rampen te bevrijden. Schiet deze drie pijlen tegen het standbeeld af, de ruiter zal ineenstorten, en het paard naar uwen kant vallen. Dit moet gij begraven ter plaatse, waar gij den boog en de pijlen hebt gevonden. Terstond daarop zal de zee zwellen en zich verheffen tot aan de kruin des bergs, en den voet van den koepel, die u tot wijkplaats verstrekt, bespoelen. Dit moet u echter niet verontrusten; want kort daarop zult gij een bootje zien aankomen, dat door één man met twee roeiriemen bestuurt wordt. Deze man bestaat uit brons, maar verschilt van hem, dien gij van het paard hebt geworpen. Scheep u bij hem in zonder den naam van Allah te noemen, en laat u geleiden. Hij zal u binnen tien dagen in eene andere zee brengen, waar gij een middel zult vinden, om gezond en ongedeerd in uwe staten terug te keeren, mits, zoo als ik gezegd heb, gij u in acht neemt, Allah's naam niet uit te spreken.”

Dus luidden de woorden van den grijsaard. Bij mijn ontwaken stond ik op, zeer getroost door dit gezigt. Ik liet niet na te doen, wat de grijsaard mij had bevolen. Ik groef den boog en de pijlen op de aangeduide plaats op, en schoot de laatsten op den ruiter af. Met den derden pijl deed ik hem in zee storten, en het paard viel neder naar den kant, waar ik mij bevond, zonder mij echter te raken of te wonden. Ik begroef het ter plaatse, waar de boog en de pijlen gelegen hadden. Te gelijker tijd begon de zee zich te verheffen en klom tot aan den voet des koepels en de kruin des bergs, terwijl ik in het verschiet een bootje zag, dat snel naderde. Ik loofde Allah, toen ik bemerkte, dat zich alles toedroeg, zooals mij in den droom door den grijsaard voorspeld was; want nu twijfelde ik aan mijne redding niet meer.

Eindelijk legde de boot in mijne nabijheid aan, en ik zag den bronzen man, juist zoo als hij mij was afgeschilderd, in elke hand een' roeiriem hebbende. Ik scheepte mij in, en wachtte mij wel den naam van Allah te noemen. Zelfs sprak ik uit voorzigtigheid geen enkel woord, en nam zwijgend plaats op eene bank tegenover den bronzen man. Naauwelijks was ik gezeten, of hij sloeg de riemen uit en wij verwijderden ons met spoed van den zwarten berg, wiens aantrekkingskracht op de uit een' enkelen boomstam gehakte boot geene kracht kon uitoefenen, daar, gelijk bekend is, de zeilsteen alleen het ijzer aantrekt. De bronzen man scheen onvermoeid te zijn. Gedurende negen etmalen roeide hij zonder ophouden voort, en met den middag van den negenden dag zag ik voor het eerst eenige eilanden, die wij voorbij voeren, en waarop ik van het strand ook menschen ontdekte, die nieuwsgierig naar ons uitkeken. Mijne blijdschap, daar ik nu meende weldra alle gevaar te boven te zullen zijn, was zoo groot, dat ik daardoor het verbod van den grijsaard vergat, en met een van dankbaarheid gloeijend hart luide uitriep: „Geloofd zij Allah! Allah zij geloofd in eeuwigheid!”

Naauwelijks echter had ik deze woorden gesproken, of de boot en de bronzen man zonken naar den bodem der zee. Ik dreef op het water, en een goed zwemmer zijnde, spande ik al mijne krachten in, om het meest nabij schijnende eiland te bereiken. Ik werd echter door den nacht overvallen; het was zoo donker, dat ik niet meer wist welken koers ik moest nemen en slechts op goed geluk voortzwom. Eindelijk echter waren mijne krachten uitgeput, en ik begon reeds aan mijne redding te wanhopen, toen de wind zich plotseling verhief, en eene hemelhooge golf mij opnam en aan strand wierp, waar zij, terugkeerende, mij achter liet. Ik haastte mij het strand hooger op te loopen, uit vrees van door eene tweede golf bereikt en weder in zee geworpen te zullen worden. Zoodra ik mij nu op het drooge en in veiligheid bevond, ontdeed ik mij van mijne natte kleederen, wrong ze uit, en legde ze te droogen op het zand, dat nog heet was van de hitte des daags. Den volgenden morgen had de zon ze weldra geheel doen droogen; ik trok ze nu weder aan en klom tot op den top van een' heuvel, om te zien, waar ik mij bevond.

Weldra kwam ik tot de overtuiging, dat ik op een klein en hoogst waarschijnlijk onbewoond eiland was, want zoo ver mijn gezigt reikte, zag ik geene menschelijke woning, maar wel groote bosschen van wilde vruchtboomen en ander houtgewas. Tot mijne groote teleurstelling, bespeurde ik tevens, dat dit eiland ver van het vasteland was verwijderd, waardoor mijne vreugde over mijne wonderbare redding zeer werd getemperd. Intusschen beval ik mij aan de hoede van Allah, en toen ik mijn gebed had geëindigd en de oogen opsloeg, zag ik een scheepje, dat van het vasteland kwam, met volle zeilen koers zetten naar het eiland, waarvan ik tot dus verre de eenige bewoner was.

Ik had mij niet vergist; het scheepje kwam steeds nader en liep weldra in eene kreek binnen, niet zeer ver van de plaats, waar ik mij bevond. Onzeker of ik de bemanning als vrienden en redders beschouwen moest, of hen als vijanden te vreezen en te ontwijken had, wilde ik mij niet terstond aan hen vertoonen. Ik klom in een' boom, wiens bladrijke kruin mij voor hun oog verborg, zonder mij te beletten, al hunne verrigtingen gade te slaan. Het eerst zag ik tien zwarte slaven, die spaden en ander gereedschap, geschikt om in den grond te graven, op de schouders droegen. Zij gingen tot op het midden van het eiland, waar zij met ijver aan het graven gingen en de aarde op hoopen wierpen. Tot wat einde dit geschiedde, kon ik nog niet begrijpen. Weldra echter staakten zij hunnen arbeid en keerden naar het schip terug. Nu zag ik, dat er huisraad en verscheidene balen, pakken en manden werden ontscheept. Ieder der tien slaven nam daarvan eene vracht op het hoofd, zoo zwaar als hij kon dragen, en ging daarmede voort tot aan de plaats, waar zij de aarde hadden weggegraven. Hier verdwenen zij als spoken onder den grond, en kwamen na eenigen tijd zonder hunne vracht weder te voorschijn. Dit deed mij vermoeden dat zich daar ter plaatse een onderaardsch gebouw moest bevinden. In dat gevoelen werd ik versterkt, toen de slaven, weder aan boord gegaan zijnde, andermaal met eene vracht terug kwamen, doch nu vergezeld door een' grijsaard, aan wien zij allen eerbied betoonden, en die dus waarschijnlijk hun meester was. Aan de hand van dezen grijsaard ging een zeer schoon jongeling, die naar mijne gissing hoogstens veertien of vijftien jaren kon bereikt hebben. Allen begaven zich naar de genoemde plaats, en verdwenen ook onder den grond, waar zij echter ditmaal een' geruime tijd vertoefden. Eindelijk zag ik hen weder te voorschijn komen, en terwijl de grijsaard er bij stond, bragten de slaven de uitgegraven aarde op hare oude plaats en alles in den staat, zoo als zij het bij hunne komst gevonden hadden. Zij keerden nu, met den grijsaard in hun midden, naar boord terug; maar wat mij bevreemdde, den jongeling zag ik niet bij hen; hij moest dus zijn achtergebleven.

Wat hadden zij met den jongeling gedaan? Waarom hem, als 't ware, levend begraven? Dit bleef mij een raadsel, maar ik vertrouwde deze lieden niet veel, en hield mij alzoo verborgen, tot dat zij weder aan boord waren en het scheepje, dat kort daarop uitzeilde, zoo ver in zee was, dat ik geen gevaar meer liep, door het bootsvolk gezien te worden. Toen klom ik uit den boom en spoedde mij naar de plaats, waar ik zoo veel had zien gebeuren, dat mij onverklaarbaar was.

Mejufvrouw!” vervolgde de derde calender tegen Zobeïde, „ofschoon men vooral aan het schoone geslacht nieuwsgierigheid ten laste legt, wil ik niet ontveinzen, dat ik toen ook uiterst begeerig was, om iets naders van eene voor mij zoo duistere zaak te vernemen.

Ik begaf mij dan,” zeide de calender, den draad zijner geschiedenis weder opvattende, „naar het midden des eilands. Het koste mij niet veel moeite de regte plaats te ontdekken; de nog losse en vochtige aarde diende mij tot wegwijzer. Daar ik geen gereedschap had, ruimde ik met mijn mes en met mijne handen het mulle zand weg, wierp dat ter zijde, en ging hiermede voort, tot dat ik op een' harden grond stiet. Het was een steen van drie à vier voet in het vierkant. Ik ligtte dien met mijn mes op, en het gelukte mij, echter niet zonder groote krachtsinspanning, hem weg te ruimen. Nu zag ik een' trap, klom dien af, en bevond mij toen in een vrij ruim vertrek. Op den vloer lag een tapijt, en een ander van zeer rijke stof vóór de sofa, waarop een jongeling op een prachtig geborduurd kussen zat met over elkander gekruiste beenen, en een' waaijer in de hand. Ik kon dit alles waarnemen bij het licht van twee op een' zilveren kandelaar brandende waskaarsen; ook zag ik in zijne nabijheid eene schaal met vruchten, en vazen waarin de fraaiste bloemen prijkten.

De jongeling, mij zoo onverwachts voor zich ziende, verschrikte en verbleekte, doch ik maakte eene beleefde buiging, en om hem volkomen gerust te stellen, sprak ik hem terstond op minzamen toon aldus aan: „Heer! wie gij ook zijn moogt, wees gerust, gij hebt van mij niets te vreezen. Ik ben koning, en ook de zoon eens konings, en dus niet in staat u de minste beleediging aan te doen. Integendeel hebt gij het aan uw gelukkig gesternte te danken, dat ik mij hier bevind om u te verlossen uit dit graf, waarin men u, naar het schijnt, levend heeft begraven, om redenen, die mij onbekend zijn. Maar wat mij in verwarring brengt en wat ik niet begrijp (want gij moet weten, dat ik ooggetuige ben geweest van alles, wat sedert uwe komst op dit eiland heeft plaats gehad), is, dat gij u, naar het mij toeschijnt, vrijwillig in deze plaats hebt laten begraven.”

Op deze toespraak liet de jongeling alle vrees varen, en verzocht mij, met een lagchend gelaat, aan zijne zijde plaats te nemen. Zoodra ik zat, zeide hij: „Prins, ik zal u eene zaak mededeelen, welke zoo zonderling is, dat zij u zal verrassen. Mijn vader is een juwelier en heeft door een' gelukkigen handel en de bekwaamheid, welke hij in zijn vak bezit, een zeer groot vermogen verworven. Hij heeft een groot aantal slaven, en nog meerdere reizigers, welke hij met zijne eigene schepen naar alle oorden der wereld zendt, ten einde alzoo in aanraking te blijven met de talrijke vorstenhoven, die hem met de levering van paarlen en edelgesteenten begunstigen.

Hij had nog slechts één wensch: een' zoon en erfgenaam te bezitten, want zijn echt was kinderloos gebleven. Hij deed gebeden en gaf aalmoezen, om den hemel tot de vervulling van zijn' wensch te bewegen, en vond eindelijk verhooring. Op zekeren nacht verscheen hem in den droom een engel, die tot hem zeide: „Medmed Ali, uwe gebeden en uwe aalmoezen zijn tot den troon van Allah opgestegen en verhoord; heden over een jaar zal u een zoon geboren worden, doch hij zal op aarde slechts een kort leven hebben.”

Deze droom werd, wat het eerste gedeelte betreft, letterlijk vervuld. Een jaar na dien nacht, waarvan mijn vader aanteekening had gehouden, kwam ik ter wereld.

Groot was de vreugde mijner ouders, maar deze werd verbitterd door het tweede gedeelte van den droom, waarin voorspeld was, dat mijn leven niet van langen duur zou zijn. Mijn vader, hierover zeer bezorgd zijnde, ging bij de sterrekijkers, gaf den juisten dag van mijne geboorte op, en verzocht hun de sterren over mijn noodlot te raadplegen. Dit deden zij, en het antwoord luidde: „Uwen zoon zal tot zijn vijftiende jaar niet het minste ongeval treffen. Maar op dien ouderdom zal zijn leven in groot gevaar verkeeren, en hij daaraan met moeite ontsnappen. Indien hij echter zoo gelukkig is dat gevaar te ontkomen, dan zal hij een lang leven hebben. Op dien tijd namelijk zal het bronzen ruiterstandbeeld, dat op de kruin van den zwarten berg staat, door Agib, zoon des konings Cassib, in de zee worden geworpen, en de sterren voorspellen, dat vijftig dagen daarna uw zoon door dezen prins zal worden gedood.”

Daar deze voorspelling, wat mijn kort leven betrof, met den droom mijns vaders overeenkwam, werd hij er zeer door getroffen en ten hoogste bedroefd. Intusschen droeg hij de grootste zorg voor mijne opvoeding tot op dit jaar, zijnde het vijftiende mijns jeugdigen levens. Gisteren kwam het hem ter oore, dat het bronzen ruiterbeeld tien dagen geleden door gezegden prins Agib in de zee werd geworpen. Dit berigt beangstigde mijn' vader zoo zeer, dat het verdriet hem bijna onkenbaar heeft gemaakt.

Inmiddels,” vervolgde de zoon van den juwelier, „heeft mijn vader, op de voorspelling der sterrekijkers acht gevende, reeds vóór geruimen tijd maatregelen genomen, om zoo mogelijk mijne planeet leugenachtig te maken, en mijn leven te behouden. Tot dat einde heeft hij op dit onbewoonde eiland, met groote kosten en onder de grootste geheimhouding, dit onderaardsche vertrek laten bouwen. Daar er nu reeds tien dagen zijn verloopen sedert het ruiterbeeld in zee werd geworpen, heeft mijn vader zich gehaast mij hier heen te brengen, met belofte dat hij over veertig dagen terug zal komen om mij af te halen. Wat mij aangaat,” zoo besloot de jongeling, „ik hoop het beste, en ik geloof niet, dat het den prins Agib in de gedachten zal komen, mij hier, in den schoot der aarde en te midden dezer wildernis, op te zoeken. Ziedaar wat ik meende u, als eene zeer vreemde zaak, te moeten mededeelen.”