Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Eerste deel

Part 14

Chapter 144,023 wordsPublic domain

Onder deze bezoekers bevonden zich ook eenige officieren, die, uit naam van den sultan, met de zich aan boord bevindende kooplieden verlangden te spreken. De kooplieden kwamen te voorschijn en een der officieren het woord voerende, zeide: „De Sultan, onzen heer, heeft ons gelast u zijne vreugde te betuigen over uwe aankomst in de hoofdstad zijns rijks, en tevens u te verzoeken, dat gij u de moeite gelieft te geven, ieder eenige regels schrift op deze rol papier te schrijven. Opdat gij moogt weten tot welk doel, zoo moet ik u zeggen, dat de groot-vizier, die, bij andere uitstekende bekwaamheden, het schrijven in de hoogste volmaaktheid verstond, vóór eenige dagen is overleden. De sultan is daarover zeer bedroefd, en daar hij het schrift van den overledenen vizier nooit heeft kunnen zien, zonder het te bewonderen, heeft hij gezworen, diens plaats slechts te zullen geven aan hem, wiens schrift in schoonheid aan het zijne gelijk zal zijn. Velen hebben hun schrift reeds ingezonden, doch, hoewel onder hen goede schrijvers waren, heeft zich in het geheele rijk nog niemand opgedaan, die waardig werd geoordeeld de plaats van den vizier te vervangen.”

Die kooplieden, welke meenden fraai genoeg te kunnen schrijven, om naar deze hooge waardigheid te dingen, schreven de een na den ander eenige regels op de hun voorgelegde rol. Toen allen gedaan hadden, trad ik plotseling toe, en ontnam door een' snellen greep de rol aan den laatsten schrijver. Zij, die dit zagen, en vooral de kooplieden, die hunne bekwaamheid in de schrijfkunst getoond hadden, hieven een groot geschreeuw aan, in den waan dat ik de rol verscheuren of in zee werpen zou, doch toen zij bemerkten, dat ik het papier zeer zindelijk behandelde, en door gebaren te kennen gaf, ook daarop te willen schrijven, ging hun schrik over in eene vrolijke verbazing. Daar zij echter nooit een aap hadden gezien, die kon schrijven, en zich niet konden voorstellen, dat ik daarin knapper zou zijn dan anderen van mijne soort, wilden zij mij de rol weder ontnemen. De kapitein nam ook ditmaal de partij voor mij op. „Laat hem begaan,” zeide hij, „laat hem schrijven. Indien hij het papier bekladt of slechts bekrabbelt, dan beloof ik u, dat ik hem onmiddelijk zal straffen; doch zoo hij integendeel schrijven kan, gelijk ik vertrouw (want nooit heb ik zulk een' handigen aap gezien en die zoo schrander is om alles te begrijpen), zoo zweer ik, dat ik hem als zoon zal aannemen. Ik heb er een' gehad, die in geestigheid en verstand bij dezen aap verre moest achterstaan.”

Bemerkende, dat niemand zich meer tegen mijn voornemen verzetten zou, kreeg ik eene pen, en legde die niet weder neder, voor dat ik zesderlei soort van Arabisch schrift op het papier had gezet, zoo dat elke soort van schrift een lofdicht op den sultan bevatte. Mijn schrift overtrof overigens in kunst, orde en schoonheid niet alleen dat van al de kooplieden, die vóór mij geschreven hadden, ik durf zonder grootspraak zeggen, dat men in dat land nog nooit iets zoo schoons gezien had. Toen ik gedaan had, stelde ik de rol aan den officieren ter hand, die ze aan den sultan overbragten. De sultan nam de rol in handen, hij sloeg niet de minste acht op de andere geschriften, maar had alleen oogen voor het mijne, hetgeen hem zoo zeer behaagde, dat hij tot zijne officieren zeide: „Neemt uit mijn' stal het schoonste en rijkste opgetoomde paard, neemt ook een' mantel van goudlaken om er den persoon mede te bekleeden, van wien deze zes schriftsoorten zijn, en brengt hem hier bij mij.”

Op dit bevel van den sultan was het de officieren niet mogelijk zich van lagchen te onthouden. De vorst, vertoornd over deze stoutheid, was gereed hun zijne gramschap te doen gevoelen, toen zij tot hem zeiden: „Sire! wij smeeken uwer Majesteit ons deze schijnbare oneerbiedigheid te vergeven, het was ons niet mogelijk ernstig te blijven; het schrift, dat uwe bewondering heeft weggedragen, is niet van een mensch, maar van een' aap.” „Wat zegt gij!” riep de sultan, „dit wonderschoone schrift zou niet door de hand eens menschen zijn voortgebragt!” „Neen, Sire,” antwoordde een der officieren „wij kunnen uwe Majesteit verzekeren, dat het door een' aap, en in onze tegenwoordigheid geschreven is.” De sultan vond deze zaak te zonderling, om geene begeerte te gevoelen mij te zien. „Doet,” zeide hij, „gelijk ik u bevolen heb. Haast u dien kunstigen aap voor mij te brengen!”

De officieren aan het schip teruggekomen, maakten des sultans wil bekend aan den kapitein, die tot hen zeide: „de sultan heeft slechts te gebieden, doet zoo als u gelast is.” Dadelijk hingen zij mij nu den mantel van goudlaken over de schouders, en toen zij mij aan wal gebragt hadden, zetten zij mij op het paard van den sultan, die mij aan zijn paleis opwachtte, omgeven door al de grooten des rijks, ten einde mij eene nog hoogere eer te bewijzen.

De optogt nam een' aanvang. De havenkade, de straten en openbare pleinen, de vensters en de platte daken der paleizen en huizen waren opgepropt met eene onafzienbare menigte lieden van beider kunne en van elken ouderdom, die, door nieuwsgierigheid gedreven, van alle kanten der stad te zamen waren gevloeid om mij voorbij te zien trekken. Het gerucht toch, dat de sultan een' aap tot zijnen vizier had verheven, had zich reeds als een' loopend vuur door de stad verspreid. Na aan deze menigte nieuwsgierigen een nooit gezien schouwspel te hebben opgeleverd, kwam ik, onder het luid geschreeuw dezer verbaasde lieden, ten laatste aan het paleis van den sultan.

Ik trof den vorst aan, gezeten op zijn' troon en omgeven door de grooten van zijn hof. Toen hij mij wenkte nader te komen, boog ik mij driemaal zeer diep, en wierp ik mij vervolgens voor den troon neder, kuste met eerbied het tapijt, dat den sultan tot voetbank diende, en ging daarna, op de wijze der apen, op mijne achterpooten zitten. Het gezelschap kon niet ophouden mij te bewonderen, en niemand begreep, hoe het mogelijk was, dat een aap zoo met de hofetiquette kon bekend zijn, en aan den sultan de hem toekomende eer wist te bewijzen. De sultan zelf was daarover niet minder verwonderd. Om kort te gaan, aan de plegtigheid der audientie zou niets ontbroken hebben, indien ik bij mijne gebaren eene toespraak had kunnen voegen. Doch apen spreken niet, en ofschoon ik vroeger mensch geweest was, moest ik echter dat voorregt thans ontberen. De sultan liet nu zijne hovelingen vertrekken en begaf zich uit de audientie-zaal naar zijn vertrek, alleen vergezeld door den opperste der gesnedenen, door een' kleinen nog zeer jongen slaaf en door mij. Kort daarna werd op zijn bevel het eten opgedragen. Toen de sultan zich aan tafel had gezet, gaf hij mij een teeken, dat ik nader moest komen en met hem eten. Om hem mijne onderdanigheid te bewijzen, kuste ik den grond, rigtte mij toen weder op en zette mij aan tafel. Ik at echter met veel ingetogenheid en matigheid.

Vóór men de tafel afnam, zag ik in een ander gedeelte van 't vertrek een kostbaar schrijftuig staan. Ik wenkte dat men liet mij zou brengen, en schreef op een perkament eenige verzen, waarin ik den sultan mijne dankbaarheid betuigde voor de onverdiende eer, die hij mij bewees, door mij aan zijne tafel te doen spijzigen. Nadat de tafel afgenomen was, bragt men den sultan in een' gouden beker een' zeer geurigen drank, welke voor zijn bijzonder gebruik was toebereid; hij beval dat men er ook mij van zou bedienen. Ik dronk, en schreef toen andermaal eenige verzen om hem mijnen dank te betuigen. Hij las deze blijkbaar met groot genoegen en zeide: „Indien zelfs een mensch in staat ware zulke verzen te maken, hij zou mijn' hoogsten lof waardig zijn.”

Daarna liet de sultan zich een schaakbord brengen, en vraagde mij door teekenen of ik dit spel verstond, en eene partij met hem wilde spelen. Ik kuste den grond en mijn' poot op het hoofd leggende, gaf ik daarmede te kennen, dat ik bereid was die hooge eer te genieten. De eerste partij won de sultan, doch de tweede en derde verloor hij. Daar ik bemerkte, dat hem dit niet aangenaam was, maakte ik, om hem over zijn verlies te troosten, voor de vuist een gedicht, dat ik nederschreef en hem toen aanbood. Ik sprak daarin van twee groote legers, die, na den geheelen dag met gelijke dapperheid gevochten te hebben, des avonds vrede maakten, en toen den nacht op het slagveld zeer rustig doorbragten.

Het kwam den sultan voor, dat hetgeen hij van mij zag zeer verre alles overtrof, wat men nooit van de schranderheid en geestigheid der apen gezien of gehoord had. Hij wilde niet de eenige getuige van dit natuurwonder zijn. Hij bezat eene dochter, welke men Bloem van schoonheid noemde. „Ga,” zeide hij tot den opperste der gesnedenen, die aan de dienst der prinses was verbonden, „en laat uwe gebiedster hier komen; het is mijne begeerte, dat ook zij in mijn genot deelen zal.”

De opperste der gesnedenen vertrok, en kwam weldra terug, vergezeld door de prinses. Naauwelijks echter was zij binnengetreden, of zij liet haren sluijer vallen en zeide tot den sultan: „Sire, het schijnt, dat uwe majesteit zich zelve heeft vergeten. Ik ben zeer verwonderd, dat zij mij laat ontbieden, om in het gezelschap van mannen te verschijnen.” „Hoe, mijne dochter,” antwoordde de sultan, „ik geloof, dat gij zelve dwaalt. Ik zie hier niemand, dan dezen kleinen slaaf, den gesnedene uw gouverneur en mij zelven, die immers allen de vrijheid hebben, uw gelaat te zien. Toch laat gij uwen sluijer vallen, en noemt het eene misdaad, dat ik u hier heb laten komen.” „Sire,” hernam de prinses, „uwe majesteit zal moeten erkennen, dat ik geen ongelijk heb. Die aap daar, ofschoon hij de gestalte van een' aap heeft; is een jonge prins, de zoon van een' magtigen koning. Hij is door betoovering in een' aap herschapen. Een geest, de zoon van de dochter van Eblis, heeft hem, nadat hij de prinses van het Ebbenhouten eiland, de dochter des konings Epitimarus, wreedaardig om het leven heeft gebragt, in dezen treurigen toestand herschapen.”

De sultan ten hoogste verwonderd over deze taal van zijne dochter, wendde zich, nu niet meer door teekens sprekende, tot mij en vraagde, of het waarheid was, hetgeen zijne dochter gezegd had. Daar ik niet kon spreken, legde ik mijn' poot op het hoofd, om hem te kennen te geven, dat de prinses in alles de waarheid had gesproken. „Maar, dochter,” hernam nu de sultan, „hoe weet gij dat deze prins door betoovering in een' aap werd herschapen?” „Sire,” antwoordde Bloem van schoonheid, „uwe majesteit zal zich welligt herinneren, dat mijne vroegere opvoeding was toevertrouwd aan de zorg van eene hoog bejaarde dame. Deze was zeer ervaren in de tooverkunst. Zij heeft mij zeventig grondregels, op deze wetenschap toepasselijk, geleerd, door wier kracht ik in staat ben in een' oogwenk uwe hoofdstad naar het midden der zee, of naar gene zijde van den Kaukasus te verplaatsen. Door deze wetenschap kan ik, op het eerste gezigt, alle personen kennen, die eene betoovering hebben ondergaan; ik weet wie zij zijn, en ook door wie de betoovering geschiedde. Het verwondere u alzoo niet, dat ik dezen prins terstond herkend heb, niettegenstaande de betoovering, waarin hij gehouden wordt, hem belet, zich aan u onder zijne natuurlijke gestalte te vertoonen.” „Dochter,” hernam de sultan, „ik wist waarlijk niet, dat gij zoo bekwaam waart.” „Sire,” antwoordde de prinses, „het is zeer goed en nuttig deze dingen te kennen, doch het kwam mij voor, dat ik wel deed, mijne kennis voor u te verbergen.” „Maar daar gij nu deze kennis bezit,” sprak de sultan, „zijt gij mogelijk ook in staat, de betoovering van dezen prins te doen ophouden?” „Ja, Sire,” antwoordde de prinses, „ik ben magtig genoeg, hem zijne vorige gestalte terug te doen nemen.” „Geef ze hem dan terug!” viel de sultan haar haastig in de rede, „gij kunt mij geen grooter vermaak aandoen; want ik wil, dat hij mijn' groot-vizier zal zijn, en dat hij u ten huwelijk zal nemen.” „Sire,” zeide Bloem van schoonheid, „ik ben bereid u te gehoorzamen in alles, wat u zal behagen mij te bevelen.”

De prinses begaf zich nu naar hare vertrekken, en haalde van daar een mes, op welks lemmer eenige hebreeuwsche woorden gegraveerd waren. Zij bragt ons, namelijk den sultan, den opperste der gesnedenen, den jongen slaaf en mij, naar een afgezonderd gedeelte van het paleis, op een plein, omgeven door eene galerij. Zij ging tot op het midden van het plein, waar zij met het mes een' cirkel trok, en daarin verscheidene woorden schreef met oude en nieuwe Arabische letters, genaamd de karakters of tooverteekens van Cleopatra.

Toen zij hiermede gereed was, ging zij in het midden van den cirkel staan, deed hare bezweringen en zeide eenige verzen op uit den koran. Terstond daarop verduisterde de lucht; de dag scheen in den nacht te veranderen en de galerij, waarop wij ons bevonden, schudde als bij een aardbeving. Wij werden allen door schrik bevangen, en die schrik nam nog toe, toen eensklaps de geest, de zoon der dochter van Eblis, verscheen in de gestalte eens leeuws van verbazende grootte.

Zoodra de prinses dit monster gewaar werd, sprak zij op gramstorigen toon: „Hond van een geest, in plaats van in eene onderworpen houding voor mij te verschijnen, waagt gij het, u in deze verschrikkelijke gedaante te vertoonen en gelooft mij vrees te kunnen aanjagen.” „En gij,” antwoordde de leeuw, „schroomt gij niet inbreuk te maken op onze door een' eed bevestigde overeenkomst, dat wij elkander nimmer zouden hinderen of tegenwerken!” „Ha, ellendige,” hernam de prinses „het is aan u, dat ik dit verwijt moet doen.” „Wien verwenscht gij!” viel de leeuw brullend in, „maar gij zult uw loon hebben, omdat gij mij de moeite hebt veroorzaakt hier te komen.” Dit zeggende, opende het monster zijn' vreesselijken muil en trad toe, om haar te verslinden. Doch de prinses, die op hare hoede was, deed een' sprong achterwaarts, waardoor zij den tijd vond zich een haar uit te rukken, en daarover twee of drie tooverwoorden uitsprekende, veranderde zij dit in een scherp tweesnijdend zwaard, waarmede zij den leeuw door midden hieuw.

De twee stukken van den leeuw verdwenen, en er bleef niets over dan de kop, die in een' schorpioen veranderde. De prinses veranderde zich in eene groote slang, en voerde een' harden strijd tegen den schorpioen. Deze het te kwaad krijgende, nam de gedaante aan van een' arend, en vloog weg. Maar de slang veranderde zich in eene gierarend, en vervolgde den eersten. Weldra waren beide buiten ons gezigt.

Eenigen tijd daarna opende zich de grond voor onze voeten, en een zwarte kater met witte vlekken en opstaande haren sprong daaruit te voorschijn, en maauwde op eene verschrikkelijke wijze. Eene wolvin volgde hem op den voet, en gaf hem geen' tijd tot verademing. De kater, geene uitkomst meer ziende, veranderde zich in een wormpje, en zich in de nabijheid van een' granaatappel bevindende, die daar bij toeval aanwezig was, boorde het er een gat in en verborg zich. De granaat begon daarop uit te zetten, werd zoo groot als eene pompoen, verhief zich tot op het afdak boven de galerij, en rolde als een kegelbal van het eene naar het andere einde. Eindelijk echter stortte hij van het dak op het plein en brak in honderd stukken. De wolvin, die zich inmiddels in eene kip herschapen had, wierp zich op de uitgestorte granaatkorrels, en pikte ze met gretigheid op. Daarna liep zij al klokkend en met de vleugels slaande naar ons toe, alsof zij vragen wilde: „ziet gij ook soms nog een' korrel?” Werkelijk was er een op den kant der gracht, welke het paleis omgaf, blijven liggen. De kip bespeurde dien in het terugkeeren, liep er ijlings heen, maar juist toen zij hem in den bek wilde vatten, rolde de korrel in het water, en veranderde in een vischje.

De kip sprong in de gracht, veranderde zich in een' snoek en vervolgde het vischje. Beide bleven meer dan twee uur onder water, en wij wisten niet wat er van hen geworden was, toen zich eensklaps zulk een vreeselijk geschreeuw deed hooren, dat wij van schrik beefden. Kort daarop zagen wij den geest en de prinses in de lucht in een hevig gevecht. Zij spogen elkander zoo lang vlammen toe, tot zij eindelijk handgemeen werden. De lucht, waarin zij streden, was geheel vuur, en uit een' dikken rook schoten vlammen als bliksemstralen. Wij waren niet zonder reden beducht, dat het paleis in brand zou geraken, want de vonken vielen als stofregen neder, maar weldra zagen wij ons door een nog grooter gevaar bedreigd. De geest, zich van de prinses ontslagen hebbende, naderde de galerij, en blies ons geheele stroomen van helsch vuur toe. Wij zouden verloren geweest zijn, zoo de prinses ons niet snel te hulp ware gekomen, en hem door haar geschreeuw genoodzaakt had zich te verwijderen, en op zelfverdediging bedacht te zijn. Doch, hoeveel spoed zij ook maakte, zij kon niet beletten, dat het gelaat van den sultan geschroeid en zijn baard verbrand, de opperste der gesnedenen gestikt was, en ik door eene daar ingesprongen vonk mijn regter oog verloor.

De sultan en ik dachten, dat ons einde was gekomen, toen wij op eenmaal in de lucht hoorden roepen: „Overwinning! Overwinning!” en terstond daarop zagen wij de prinses in hare natuurlijke gestalte verschijnen, terwijl de geest in een' aschhoop veranderd was.

De prinses naderde ons, en om geen' tijd te verliezen gelastte zij den jeugdigen slaaf, die van het vuur geen letsel had gekregen, eene kom met water te brengen. Zij nam die aan, sprak daarover eenige woorden, wierp het water op mij, en zeide: „Indien gij een aap zijt door betoovering, verander van gestalte en herneem die van een mensch, welke gij te voren had.” Naauwelijks had zij deze woorden gesproken, of ik herkreeg mijne menschelijke gestalte, maar met één oog.

Ik wilde de prinses mijn' dank betuigen, maar zij gaf er mij den tijd niet toe. „Sire,” sprak zij, zich tot den sultan haar' vader wendende, „ik heb, zoo als uwe majesteit gezien heeft, den geest overwonnen, maar die overwinning is mij duur te staan gekomen. Er blijven mij slechts weinige oogenblikken te leven over, en gij zult het genoegen moeten derven, om het door u begeerde huwelijk voltrokken te zien. In den laatsten vreeselijken strijd met den geest, is mij een stroom van het helsche vuur, waarmede wij streden, in de keel gevlogen, en ik gevoel, dat het mijne ingewanden heeft aangetast en mij langzaam verteert. Dit zou niet geschied zijn, zoo ik den overgebleven korrel van den granaatappel (de laatste toevlugt van den geest) opgepikt, en met de overigen verslonden had, toen ik mij in eene kip had veranderd. Ik zou dan de overwinning behaald hebben, zonder dat ik daarbij eenig gevaar had geloopen. Door dit verzuim werd ik echter verpligt mijne toevlugt tot het vuur te nemen, en met dit magtige wapen in de lucht, tusschen hemel en aarde, in uwe tegenwoordigheid te strijden. Niettegenstaande de magt van zijne verschrikkelijke tooverkunsten, heb ik echter den geest het bewijs geleverd, dat ik daarvan meer kennis had dan hij. Ik heb hem overwonnen en tot asch verbrand; maar ook ik kan den dood, die reeds in mijne leden omwoelt, niet ontkomen.”

Mejufvrouw,” vervolgde de calender, altoos tot Zobeïde sprekende, „de sultan liet de prinses, Bloem van schoonheid, het verhaal van haar gevecht met den geest voleindigen, doch toen het woord opvattende, zeide hij op een' toon, die van zijne diepe droefheid getuigde: „Lieve dochter! gij ziet in welken toestand uw vader gebragt is. Dat mijn gelaat geblakerd, mijn baard verbrand werd beteekent niet veel; het verwonderd mij zelfs, dat ik nog leef. De opperste der gesnedenen, uw gouverneur, heeft het met den dood bekocht en deze prins, dien gij van zijne betoovering verlost hebt, heeft er een oog bij verloren. Is dit niet reeds ongeluks genoeg. Moet ik nu nog vreezen, ook u, mijn veel geliefd kind, te zullen zien sterven! O Allah! O Mahomet, groote profeet! Zou mij nog zwaarder ramp kunnen treffen!” Hij kon niet verder spreken, tranen verstikten zijne stem, de woorden bleven hem in de keel zitten. Wij deden, wat wij konden, om hem te troosten; zijne dochter en ik, wij weenden met hem.

Maar helaas! te midden van deze algemeene droefheid, begon de prinses op hartverscheurenden toon te roepen: „Ik brand! Ik brand!” Het helsche vuur, dat zij had ingekregen, verteerde hare ingewanden en tastte haar geheele ligchaam aan; de smarten, die zij leed, waren ondragelijk, zij hield niet op met uit te roepen: „ik brand!” tot dat de dood aan haar lijden een einde maakte, en ook zij, even als de geest, tot asch was verteerd.

Ik zal u niet behoeven te zeggen, Mejufvrouw, hoe ik te moede was bij dit vreeselijk schouwspel. Hadde het aan mij gestaan, liever zou ik mijn leven lang een aap, ja een hond zijn gebleven, dan mijne weldoenster dus ellendig te moeten zien omkomen. Wat den sultan haar vader aangaat, hij was radeloos en deed het paleis van zijn wanhopig klagen weêrgalmen, tot dat hij bewusteloos in mijne armen zonk en ik voor zijn leven vreesde. Inmiddels waren op dit gekerm van den sultan zijne officieren en gesnedenen toegeschoten, die veel moeite hadden, om hem weder tot bewustzijn te brengen. De vorst en ik hadden geen lang verhaal noodig, om hen met het ongeluk bekend te maken; de twee aschhoopen, waartoe de prinses en de geest verteerd waren, lagen nog daar, om er hun een denkbeeld van te geven. Daar de sultan zich naauwelijks op de beenen kon houden, moest hij door de gesnedenen naar zijne vertrekken worden gedragen.

Zoodra het gerucht van dit treurig voorval zich in het paleis en door de stad verspreid, werd het ongeluk van de schoone prinses algemeen betreurd, en een ieder nam deel in de regtmatige droefheid van den sultan. Men nam, zoowel aan het hof als door de geheele stad, gedurende zeven dagen den zwaren rouw aan, en alle vermakelijkheden stonden stil; bij rijk en arm, bij jong en oud, zag men slechts aangezigten, waarop droefheid en deelneming te lezen stonden. De asch van den geest werd in den wind verstrooid, doch die der prinses in eene gouden vaas bijeengebragt, en een prachtige grafnaald opgerigt ter plaatse, waar zij zulk een' treurigen dood had gevonden.

De droefheid van den sultan over het verlies van zijne dochter stortte hem in eene ziekte, welke hem gedurende eene geheele maand aan zijne legerstede kluisterde. Hij was nog niet geheel hersteld, toen hij mij bij zich liet ontbieden. „Prins,” zeide hij, „hoor, wat ik u te bevelen heb, want uw leven is er mede gemoeid, zoo gij daaraan niet voldoet.” Ik verzekerde hem, dat zijne bevelen voor mij steeds heilige wetten zouden zijn. Daarna weder het woord opvattende, vervolgde hij: „Tot op uwe komst mogt ik een ongestoord geluk genieten, zoo als dit aan slechts weinige vorsten ten deel valt; er bleef mij niets te wenschen over, om zoo gelukkig te zijn, als een sterveling maar wezen kan. Doch wat is hier thans van geworden, leeft er wel op den geheelen aardbol een vorst ellendiger en meer te beklagen dan ik? Mijne dochter is dood, haar leermeester is omgekomen, en dat ik nog leef is een wonder. Gij, prins, gij alleen zijt oorzaak van al deze ongelukken, waarover ik mij nimmer zal kunnen troosten. Daarom ga in vrede van hier, maar doe dit op staanden voet; zoo gij één dag, één uur slechts langer hier bleeft, zou ook ik het leven verliezen, want ik ben overtuigd dat uwe tegenwoordigheid ongeluk aanbrengt. Ziedaar alles wat ik u te zeggen heb. Vertrek, en wacht u, immer weder binnen mijn rijksgebied te komen, niets zou mij dan weêrhouden, u dit te doen berouwen.” Ik wilde nog iets zeggen, doch hij sloot mij den mond met woorden zoo vol toorn, dat ik begreep mijn leven in gevaar te zullen brengen, indien ik mij niet onmiddelijk verwijderde en zijn bevel nakwam.