Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Eerste deel
Part 13
De kleermaker, mijn goede huisheer, was zeer verheugd, toen hij mij terug zag. „Uwe afwezigheid,” zeide hij, „heeft mij zeer ongerust gemaakt. Ik vreesde reeds, dat men, zelfs onder uwe vermomming van houthakker, uwe hooge geboorte ontdekt, u herkend en naar de gevangenis gebragt had. De Profeet zij geloofd, dat ik u in welstand terug zie.” Ik bedankte hem voor zijne genegenheid, maar verhaalde hem niets van mijn avontuur, dat zoo treurig was geëindigd, noch waarom ik mijne bijl en mijne overschoenen niet had mede gebragt. Hij vraagde er mij ook niet naar, en ik begaf mij naar mijne kamer, onder voorwendsel dat ik vermoeid was, en een weinig rust wilde nemen. Hier, in mijne eenzaamheid, deed ik wij zelven nog duizend verwijten over mijne onvergeefelijke onvoorzigtigheid. „Niets,” zeide ik, „zou uw geluk en dat van de prinses hebben geëvenaard, indien gij u zelven hadt weten te beheerschen, en de dwaasheid niet had begaan, om den talisman te verbreken.”
Terwijl ik mij met deze droevige gedachten bezig hield, trad mijn huisheer binnen en zeide; „Een grijsaard, die mij geheel onbekend is, brengt uwe bijl en uwe overschoenen terug, die hij zegt aan den weg gevonden te hebben. Hij moet van de lieden, met welke gij dagelijks naar het bosch gaat, vernomen hebben, waar gij woont. Ik wilde u niet storen, maar hem met eene kleine belooning voor zijne moeite weg zenden, doch hij weigerde, en verlangt u in persoon te spreken. Ga dus even bij hem.”
Op dit berigt veranderde ik van kleur en beefde over mijn geheele ligchaam. De kleermaker vroeg mij naar de oorzaak mijner ontsteltenis, doch op hetzelfde oogenblik spleet de vloer van mijne kamer met groot gekraak van een, en de grijsaard, als kwam hij uit den schoot der aarde, stond plotseling voor ons met mijne bijl en mijne schoenen in de hand. Ik kon er niet meer aan twijfelen; het was de geest, de schaker der schoone prinses van het Ebbenhouten eiland, die, na haar op de wreedste wijze te hebben mishandeld, zich onder deze gedaante aan mij kwam vertoonen. Zoo was het. „Ik ben een geest,” zeide hij tot ons, „zoon van de dochter van Eblis, den vorst der geesten. Is dit niet uwe bijl.” vervolgde hij zich tot mij wendende, „zijn dit uwe schoenen niet?”
Gij kunt u voorstellen, Mejufvrouw, vervolgde de calender steeds tot Zobeïde sprekende, hoe ik te moede was; zonder een woord te spreken, stond ik daar. Ook liet de geest mij den tijd niet om te antwoorden, maar zijn' arm om mijne lendenen slaande, droeg hij mij de kamer en het huis uit, en verhief zich, mij medevoerende, in de lucht zoo hoog, dat wij de sterren zien konden, en deze aardbol mij toescheen slechts eene stip te zijn. Met gelijke snelheid schoot hij weder naar beneden en stampte met den voet. De aarde opende zich, wij zonken in de diepte, en op hetzelfde oogenblik bevond ik mij in het betooverde paleis in tegenwoordigheid van de schoone prinses van het Ebbenhouten eiland. Maar, helaas! welk een schouwspel! Het hart brak mij. De prinses lag met bloedende wonden, en meer dood dan levend op den grond uitgestrekt, en hare verbleekte wangen waren nat van tranen.
„Ongetrouwe,” sprak de geest, mij aan haar voorstellende, „zeg mij, is dit uw minnaar niet?” Zij rigtte de met tranen gevulde oogen op mij en zeide op droevigen toon: „Ik ken dezen man niet; nooit heb ik hem te voren gezien.” „Wat!” hernam de geest, „hij is de oorzaak van den treurigen toestand, waartoe gij u door mijn' regtvaardigen toorn gebragt ziet, en gij durft nog zeggen, dat gij hem niet kent?”—„Ik ken hem niet,” herhaalde de prinses, „verlangt gij, dat ik eene leugen zal zeggen, om hem aan uwe wraak prijs te geven?”—„Welnu,” sprak de geest zijn zwaard trekkende, en dit de prinses aanbiedende, „indien hij u vreemd is, neem dan dit zwaard en sla hem het hoofd af; dan wil ik u gelooven”—„Helaas!” zeide de prinses, „hoe zou ik kunnen doen, hetgeen gij van mij vordert. Mijne krachten zijn zoo uitgeput, dat ik buiten staat ben mijne armen op te heffen; en, indien ik het al kon, hoe zou ik dan den moed hebben een' onschuldige, die mij nooit leed heeft gedaan, te dooden.”—„Uwe weigering,” sprak nu de geest tot de prinses, „getuigt voor uwe schuld.” En zich daarop tot mij wendende, vraagde hij: „En gij, kent gij haar ook niet?”
Ik zou de ondankbaarste en trouweloosste van alle mannen zijn geweest, indien ik aan de prinses niet dezelfde getrouwheid had betoond, welke zij voor mij, die de eenige oorzaak van haar ongeluk was, aan den dag had gelegd.
Daarom gaf ik den geest ten antwoord: „Hoe kan ik deze dame kennen, daar het heden voor de eerste maal is, dat ik haar voor mijne oogen zie.”—„Als dat zoo is,” hernam de geest koelbloedig, „neem gij dan het zwaard en sla haar het hoofd af. Op deze voorwaarde alleen geef ik u uwe vrijheid weder, en zal ik gelooven, dat gij haar nooit te voren gezien en gesproken hebt.”—„Zeer gaarne,” zeide ik, en nam het zwaard uit zijne hand aan.
Geloof intusschen niet, Mejufvrouw,” vervolgde de calender, „dat ik de schoone prinses van het Ebbenhouten eiland naderde, om het wreede bevel van den geest te volvoeren. Ik had daarmede een ander doel; ik gaf de prinses, zoo veel doenlijk, door mijne gebaren te kennen, dat, even als zij den' moed had gehad zich uit liefde voor mij op te offeren, ook ik uit liefde voor haar mijn leven veil had. De prinses begreep mij, wierp mij een' dankbaren blik toe, en deed mij verstaan, dat zij nu tevreden was, en den dood niet meer vreesde. Toen trad ik eensklaps terug, en het zwaard van mij werpende, zeide ik tot den geest: „Neem dit zwaard terug; ik zou mij zelven moeten verachten, indien ik mij bezoedelde met het bloed dezer dame, die mij onbekend en onder uwe martelingen reeds bijna bezweken is. Ik ben in uwe magt, doe met mij wat gij wilt, maar uw wreed bevel gehoorzamen kan of wil ik niet.” „Ha!” riep de geest, „gij beide hebt er het op toegelegd mij te trotseren, maar gij zult ondervinden, waartoe ik, beleedigd zijnde, in staat ben.” Dit zeggende, nam hij het zwaard op en hieuw de prinses de regterhand af. Reeds afgemarteld door de ondergane mishandelingen, waarbij het nu sterke bloedverlies kwam, kon zij mij naauwelijks een' afscheidsblik toewerpen, vóór hare schoone oogen zich voor altoos sloten. Zij slaakte een' zwaren zucht, het was haar laatste. Dit vreeselijke schouwspel trof mij zoo zeer, dat ik in zwijm viel.
Toen ik weder tot bewustheid kwam, vraagde ik den geest, waarom hij aan mijn leven nog geen einde had gemaakt, en mij zoo lang op den dood liet wachten.—„Sla toe,” riep ik, „zie mij gereed den doodelijken slag te ontvangen; ik verwacht dien van uwe hand als de grootste gunst, welke gij mij kunt bewijzen!” Maar in plaats van aan mijn verzoek te voldoen, wees de wreedaard mij op het lijk der ongelukkige prinses. „Zie,” zeide hij, „op deze wijze straffen de geesten hunne vrouwen, als zij zich van ontrouw verdacht hebben gemaakt. Zij heeft u hier ontvangen, en zoo ik zekerheid had, dat zij mij een' grooter hoon had aangedaan, zoudt ook gij, zonder genade, den dood van mijne hand ontvangen. Maar hiervan wil ik het beste denken, en mij vergenoegen u in een' hond, een' aap, een' leeuw of een' vogel te veranderen. Wat wilt gij het liefst, gij zijt vrij in uwe keus.” Toen ik mijn leven buiten gevaar zag, kwam de hoop in mij op, dat hij zich welligt zou laten verbidden. „O Geest,” zeide ik, „matig uwen toorn; wilt gij mij het leven niet benemen, zoo schenk mij dit op eene grootmoedige wijze. Steeds zal ik mij uwe edelmoedigheid herinneren, indien gij vergeven wilt, gelijk een zeker braaf man dit zijn' nijdigen buurman deed, die hem een' onverzoenlijken haat toedroeg.” De geest vraagde mij, wat er tusschen deze beide buren was voorgevallen, en zeide, dat hij geduldig deze geschiedenis zou aanhooren. Ik verhaalde ze hem op de volgende wijze, en ik vlei mij, Mejufvrouw,” vervolgde de calender tegen Zobeïde, „dat gij het niet kwalijk zult nemen, indien ik ze ook aan u vertel.
GESCHIEDENIS VAN DEN NIJDIGAARD EN DEN BENIJDE.
In zeker dorp woonden twee mannen, beide ongehuwd, naast elkander. De eene echter vatte een' zoo bitteren haat tegen den anderen op, dat deze laatste, een braaf en vredelievend mensch, besloot van woning te veranderen, daar hij meende, dat zijn buurman hem een kwaad hart toedroeg, alleen omdat hij te digt bij hem woonde. Want ofschoon hij ook aan dezen verscheidene diensten had bewezen, zoo kon hij wel bemerken, dat hij hem daarom niet minder haatte. Uit dien hoofde verkocht hij zijn huis, met het weinige goed, dat hij had, en begaf zich naar de hoofdstad des rijks, in welker onmiddelijke nabijheid hij een klein landgoed kocht. Bij zijne nieuwe, van alle gemakken voorziene woning was een fraaije tuin en een ruim erf, in welks midden een oude put was, welke sedert geruimen tijd niet meer gebruikt werd.
Begeerig naar een van het gewoel der wereld afgezonderd leven, nam hij het Turksche monnikskleed aan, werd een dervis en liet aan zijne woning verscheidene cellen bouwen, die weldra alle door Turksche monniken bewoond werden. Zijne deugd en het vrome leven, dat hij met zijne monniken leidde, deden hem weldra den roem van heiligheid verwerven, en de toevloed van menschen, uit alle standen en zamenleving, die den goeden dervis kwamen bezoeken of raadplegen, was spoedig zeer groot. Om kort te gaan, hij werd van elk geëerd en geliefd. Men kwam van wijd en zijd om zich in zijne voorbidding aan te bevelen. Zij, die de vervulling hunner wenschen van den hemel verkregen, schreven zulks aan de gebeden van den goeden dervis toe, en verbreidden het gerucht van zijne vroomheid overal waar zij kwamen. Zoo drong de roem van zijne heiligheid en deugd ook door tot het dorp, waar hij vroeger had gewoond. De nijdige gewezen buurman gevoelde daarover zulk een groot verdriet, dat hij rust noch duur had, en eindelijk zijn huis en zijne zaken verliet, met geen ander doel, dan om den man, dien hij zonder eenige gegronde reden haatte, in het verderf te storten. Tot dat einde begaf hij zich naar het nieuwe klooster der dervissen, waarvan het hoofd, zijn gewezen buurman, hem met alle teekenen van vriendschap ontving. De nijdigaard gaf voor, dat hij was gekomen, om hem eene zaak mede te deelen van het hoogste gewigt, waarover hij hem in 't geheim moest onderhouden. „Opdat wij nu,” vervolgde hij, „in vrijheid kunnen spreken, zoo laat ons in den hof gaan, en daar de nacht op handen is, kunt gij uwe monniken gelasten, zich naar hunne cellen te begeven, dan kunnen wij zeker zijn, dat wij door niemand beluisterd worden.” De goede dervis deed, zoo als van hem verlangd werd.
Toen nu de nijdigaard zich met hem alleen bevond, en zij gearmd de binnenplaats op en neder wandelden, vertelde hij den dervis een en ander van weinig belang, tot dat zij in de nabijheid van den put gekomen waren. Nu greep hij hem eensklaps om het lijf en wierp hem in den put, die niet gesloten was. Na het bedrijven van deze snoode daad, haastte hij zich het klooster te verlaten, en het gelukte hem, dit onopgemerkt te doen. Te huis gekomen zijnde, was hij hoogst tevreden over zijne reis, want hij hield zich overtuigd, dat het voorwerp van zijne afgunst niet meer in het land der levenden was; doch hierin bedroog hij zich zeer.
De oude put, zoo vervolgde de calender zijne geschiedenis, werd door geesten en tooverheksen bewoond. Zij waren daar juist van pas tegenwoordig, vingen den goeden dervis in hunne armen op, en ondersteunden hem tot op den bodem van den put, waar hij nederviel zonder eenig letsel te ondervinden. Hij bemerkte wel, dat hier iets buitengewoons had plaats gehad, daar anders de val in den zeer diepen put noodwendig voor hem doodelijke gevolgen had moeten hebben. Maar hoe hij zoo bewaard was gebleven, was hem onverklaarbaar, want hij had niets gevoeld en ook niets gezien. Evenwel hoorde hij kort daarop eene stem, welke zeide: „weet gij wel, aan wien wij heden zulk eene dienst bewezen hebben.” „Neen!” antwoordden verscheidene andere stemmen, waarop de eerste hervatte: „Dan zal ik het u zeggen. Deze man, die bezield is met de grootste menschlievendheid, heeft het dorp, waar hij geboren is, verlaten, en is zich hier met der woon komen vestigen, met geen ander doel, dan om een nijdigen buurman, die hem zonder reden en alleen uit afgunst haatte, daardoor zoo mogelijk van zijnen nijd te genezen. Hij heeft zich hier de algemeene achting verworven. Daar de nijdigaard dit niet kon uitstaan, is hij hier gekomen om hem te verderven, en zonder onze tijdige hulp, zou hij zijn boos opzet volvoerd en den goeden man gedood hebben, wiens roem zoo groot is, dat de sultan, die in de naburige stad zijn hof houdt, morgen hier wil komen, om de prinses, zijne dochter, in zijne gebeden aan te bevelen.”
Eene andere stem vraagde, om welke reden de prinses behoefte had aan de gebeden van den dervis, waarop de eerste antwoordde: „Weet gij nog niet, dat de prinses bezeten is van den geest Maimoun, den zoon van Dimdim, die op haar verliefd is geraakt. Ik weet intusschen wel, hoe de goede opperste der dervissen haar genezen en van dezen boozen geest verlossen kan. De zaak is zeer gemakkelijk en ik zal u zeggen, hoe hij het moet aanleggen. In het klooster is eene zwarte kat, met een wit vlekje op haren staart, niet grooter dan een klein stuk geld. Hij behoeft slechts uit dit witte plekje zeven haartjes te trekken, deze op eene gloeijende kool te leggen en er het hoofd van de prinses mede te berooken. Oogenblikkelijk zal zij genezen en zoo geheel van Maimoun, den zoon van Dimdim, verlost zijn, dat hij het nimmer wagen zal weder tot haar terug te keeren.”
Het hoofd der dervissen verloor geen enkel woord van deze zamenspraak tusschen de tooverheksen en geesten, die, na dit gesprek, gedurende het overige van den nacht, een diep stilzwijgen bewaarden. Den volgenden morgen, zoodra hij met het aanbreken van den dag de voorwerpen kon onderscheiden, ontdekte de dervis, daar de put op verscheidene plaatsen was ingestort, eene plek, waar het hem niet moeijelijk viel naar boven te klauteren, en zich alzoo uit zijne niet zeer aangename gevangenis te bevrijden. De dervissen, die hunnen opperste reeds gezocht hadden, waren zeer verblijd hem terug te zien. Hij verhaalde hun in weinige woorden de verraderlijke en snoode handelwijze van den gast, die hij den vorigen dag met zoo veel liefde ontvangen en zoo treffelijk onthaald had. Hierop begaf hij zich naar zijne cel. De zwarte kat, waarvan de heksen en geesten, welke den put bewoonden, dien nacht gesproken hadden, kwam weldra, volgens hare gewoonte, bij den dervis, om hem te streelen. Hij streelt haar over den rug, en trok, zonder dat zij daarvan iets gevoelde, zeven haren uit het witte plekje, dat zij aan de punt van den staart had, en legde deze ter zijde, om er zich ter geschikter tijd van te kunnen bedienen.
De zon was nog niet lang opgegaan, toen de sultan, die niets wilde verzuimen van hetgeen hij oordeelde, dat tot genezing van de prinses zijne dochter zou kunnen strekken, met een talrijk gevolg voor de kloosterpoort verscheen. Hij beval zijne lijfwacht aldaar post te vatten en trad binnen, alleen vergezeld door zijne stafofficieren. De dervissen ontvingen hem met den diepsten eerbied.
De sultan nam den opperste ter zijde, en zeide tot hem: „Goede scheik, misschien zult gij met de reden van mijne komst reeds bekend zijn.”—„Ja, Sire,” antwoordde de dervis nederig, „indien ik mij niet bedrieg, is het de ziekte van de prinses, die mij eene eer verschaft, welke ik onwaardig ben.” „Dat is het juist,” hervatte de sultan, „en gij zoudt mij het levensgeluk wedergeven indien gij, zoo als ik durf hopen, door uwe gebeden van den hemel de genezing mijner dochter kondet verwerven.”—„Sire,” antwoordde de dervis, „indien het uwer Majesteit kan behagen de prinses hier te doen brengen, zoo hoop ik, dat zij, door de hulp en de gunst des hemels, in volmaakte gezondheid van hier zal terugkeeren.”
De sultan, van vreugde buiten zich zelven, zond terstond een' zijner hoofdofficieren naar de residentie om zijne dochter te halen. Spoedig daarna kwam de prinses aan, vergezeld van een groot gevolg van slavinnen en gesnedenen. Het hoofd der dervissen deed een komfoor met glimmende kolen boven het hoofd der prinses houden, en naauwelijks had hij de zeven haartjes op het vuur geworpen, of de geest Maimoun, zoon van Dimdim, verliet onder luid en pijnlijk geschreeuw de prinses, zonder dat daarvan iets zigtbaar was.
Zij bragt terstond de hand aan het hoofd, sloeg den sluijer op, welke haar gelaat bedekte, stond op, en zag met verbaasdheid rond, uitroepende: „Waar ben ik? waarheen heeft men mij gebragt?” „Gij zijt bij uw' vader!” riep de sultan buiten zich zelven van vreugde, terwijl hij zijne dochter omhelsde en haar op de oogen kuste. Daarna den opperste der dervissen bij de hand vattende, zeide hij tot de omringende officieren: „Welke belooning is deze man waardig, die mijne geliefde dochter heeft genezen?” „Hij verdient,” luidde het eenstemmig antwoord, „de prinses tot zijne gemalin te hebben.”—„Dat was ook mijne gedachte,” hernam de sultan, „en van dezen oogenblik af beschouw ik hem als mijn schoonzoon.”
Korten tijd na de voltrekking van dit huwelijk overleed de groot-vizier. Terstond stelde de sultan den dervis in zijne plaats aan, en toen ook de sultan zelf een jaar daarna door den dood werd weggenomen, zonder een' zoon na te laten, werd zijn schoonzoon, door den raad en door de geestelijke standen, met algemeene stemmen tot sultan verkozen en uitgeroepen.
Toen nu de goede dervis den troon van zijn' schoonvader beklommen had, gebeurde het, dat hij met groot en schitterend gevolg door de stad reed, en onder de van alle zijden toegevloeide en juichende menigte den nijdigaard gewaar werd. „Ga,” sprak hij tot een' zijner viziers, die aan zijne zijde reed, „en breng dien man hier, maar neem u in acht hem geen schrik aan te jagen.” Als nu de nijdigaard in zijne tegenwoordigheid werd gebragt en voor hem verscheen, stak de sultan hem de hand toe, en zeide op minzamen toon: „Vriend, ik ben zeer verheugd u te zien!” En zich daarop tot zijnen groot-vizier wendende, zeide hij: „Ik wil, dat men aan dezen man, zonder uitstel, duizend goudstukken uit mijne schatkist zal toetellen. Ook beveel ik, dat men hem uit mijne magazijnen twintig wagenvrachten van de allerkostbaarste koopmansgoederen zal geven, en dat eene eskorte van mijne lijfwacht hem, met zijnen schat, in veiligheid naar zijne woning zal begeleiden.” Nadat hij deze bevelen gegeven had, wierp hij den nijdigaard een' handgroet toe, en zette zijn' intogt voort.
VERVOLG VAN DE GESCHIEDENIS VAN DEN TWEEDEN CALENDER.
Hiermede,” vervolgde de calender, „was mijn verhaal ten einde, en nu trachtte ik den geest, den moordenaar van de prinses van het Ebbenhouten eiland, op de toepassing opmerkzaam te maken. „O Geest,” zeide ik, „gij ziet hoe de weldadige dervis, toen hij tot de hoogste magt verheven was, in plaats van zich te wreken op den nijdigaard, die getracht had hem van het leven te berooven, dezen met nieuwe en groote weldaden overlaadde.” In één woord, Mejufvrouw,” vervolgde de calender tegen Zobeïde, „ik gebruikte al mijne welsprekendheid, om den geest te bewegen zulk een schoon voorbeeld te volgen, en mij te vergeven, wat hij meende, dat ik tegen hem misdaan had. Maar eerder zou ik eene rots hebben kunnen vermurven.
„Wat de dervis deed,” sprak hij, „gaat mij niet aan. Uit uw verhaal blijkt mij alleen, dat het ongegunde brood het meest wordt gegeten. Vlei er u intusschen niet mede, dat ik zijn voorbeeld zal volgen, ik heb behoefte aan wraak, en ook daaraan, dat ik u mijne tooverkracht doe ondervinden.” Toen greep hij mij bij de haren; het dak van het onderaardsche paleis spleet op zijne tooverwoorden van een; hij voerde mij zoo hoog in de lucht, dat de aarde mij toescheen niet grooter dan een kaatsbal te zijn, en schoot toen met de snelheid des bliksems naar de aarde terug, waar wij op den kruin van eenen hoogen berg nederkwamen.
Hier nam hij eene handvol aarde, sprak of liever prevelde daarover heen gebogen zekere woorden, waarvan ik niets begreep, en ze op mij werpende, sprak hij tot mij: „Leg de gestalte van een' mensch af, en neem die van een' aap aan!” Terstond verdween de geest, en ik bleef alleen in een geheel vreemd oord achter, herschapen in een' aap, overstelpt van droefheid, en onbewust, of ik mij nabij of ver van de staten des konings, mijn vader, bevond.
Den berg afgedaald zijnde, bevond ik mij in een vlak veld, waarop zoover het oog reikte geene menschelijke woning te zien was. Eene geheele maand had ik noodig om deze wildernis door te trekken; toen bevond ik mij aan den oever der zee. De zee was op dat tijdstip zeer kalm en op eene halve mijl afstands ontdekte ik een zeilend schip. Ten einde eene zoo schoone gelegenheid, om weder onder menschen te komen, niet te verliezen, brak ik van een' daar staanden ouden boom een' zeer dikken tak af, sleepte dien met inspanning van al mijne krachten tot in zee en ging er schrijdelings op zitten, terwijl ik in elke hand een stok hield, welke mij tot riemen moesten dienen.
Op deze wijze trachtte ik al roeijende het schip te bereiken. Toen ik zoo nabij gekomen was, dat men mij kon onderkennen, bood ik den matrozen en passagiers, die zich op het dek bevonden, een zeer vreemd schouwspel aan, en met de grootste verbazing zagen zij mij door de baren heen worstelen. Inmiddels bereikte ik het schip, en een afhangend touw grijpende, klauterde ik (dit zal na mijne herschepping niemand bevreemden) zoo vlug als een aap daar tegen op, en in een oogwenk was ik aan boord. Doch daar mij de spraak ontbrak, zag ik mij in groote verlegenheid. En inderdaad, het gevaar, waarin ik mij nu bevond, was niet minder groot, dan toen mijn leven van de genade van den wreeden geest afhing.
De kooplieden, die zich op het schip bevonden, waren bijna allen vreesachtig en bijgeloovig. Zij meenden, dat het hun ongeluk zou aanbrengen, en dat zij eene ongelukkige reis zouden hebben, indien men mij aan boord hield. Door deze bijgeloovige vrees beheerscht, riep de een: „werp hem in zee!” Een ander, „doorschiet hem met een' pijl!” Een derde wilde mij met eene handspaak te lijf. Om kort te gaan, mijn leven hing aan een' zijden draad. In dit gevaar nam ik mijne toevlugt tot den kapitein; ik maakte eene diepe buiging, en den zoom van zijn kleed kussende, zag ik hem smeekend en met tranen in de oogen aan. Dit maakte zijn mededoogen gaande, hij nam mij onder zijne bescherming, en verklaarde met een' zeemansvloek, dat al wie het hart had mij eenig leed te doen, met hem zou te maken hebben, waarna hij mij met liefkozingen overlaadde. En wijl mij de spraak ontbrak, gaf ik hem door gebaren, zoo goed mogelijk, mijne dankbaarheid te kennen.
Op de heerschende stilte volgde weldra eene frissche koelte; de wind was ons gunstig, en na verloop van vijftig dagen lieten wij het anker vallen op de reede van eene zeer schoone en volkrijke koopstad.
Weldra werd nu ons schip door eene menigte kleine vaartuigen omringd, vol lieden, die hunne vrienden aan boord kwamen verwelkommen, of nieuwsgierigen en belanghebbenden, die weten wilden van waar wij kwamen, wat nieuws wij uit andere landen wisten, en welke koopwaren wij aanbragten.