Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Eerste deel
Part 12
Door het ongeluk vervolgd, van droefheid overstelpt en mij ook hier niet veilig achtende, nam ik, om mijn leven te redden, mijne toevlugt tot eene list. Ik liet mij den baard en de wenkbraauwen afscheren, en nadat ik het kleed van een' calender aangetrokken had, verliet ik de stad, zonder door iemand herkend te worden. Daarna viel het mij, onder begunstiging van deze vermomming, gemakkelijk het koningrijk te verlaten, waartoe ik de minst bezochte wegen insloeg. Ik liet de steden en dorpen ter zijde liggen, tot dat ik over de grenzen gekomen was, en het grondgebied bereikte van den magtigen beheerscher der geloovigen, den wereldberoemden kalif, Haroun-al-Raschid, waarna ik niets meer te vreezen had. Nu met mij zelven raadplegende, wat mij verder te doen stond, nam ik het besluit naar Bagdad te gaan en mij aan de voeten van dezen grooten Monarch te werpen, wiens regtvaardigheid en edelmoedigheid alom geroemd worden. „Ik zal,” zeide ik tot mij zelven, „dien vorst, door een getrouw verhaal van mijne rampen treffen, hij zal ongetwijfeld mededoogen hebben met een' prins, die zoo diep ongelukkig is, en niet te vergeefs zal ik zijne hulp inroepen.”
Eindelijk, na eene reis van eenige maanden, ben ik heden tegen het vallen van den avond vóór deze stad aangekomen. Bij de poort hield ik mij eenige oogenblikken op, om te overwegen naar welk gedeelte dezer uitgestrekte plaats ik mijne schreden zoude rigten, toen ik den calender, die hier naast mij zit, en die ook op reis was, ontmoette. Hij groette mij, en nadat ik zijnen groet beantwoord had, zeide ik: „Naar ik het u kan aanzien, zijt gij mede een vreemdeling alhier.” Hij antwoordde toestemmend, en terwijl hij dit deed, voegde deze derde calender zich bij ons. Wij groetten elkander, en ook deze laatste maakte zich aan ons als een vreemdeling in Bagdad bekend. Wij sloten ons nu als broeders aanéén, en vonden goed niet weder te scheiden, te meer daar ook onze lotgevallen, die wij elkander in weinig woorden mededeelden, hoe verschillend ook, in vele opzigten overeenkomen. Ook hebben wij dit gemeen, dat wij alle drie koningszonen en aan het regter oog blind zijn.
Inmiddels was het reeds laat geworden, en wij wisten niet, waar wij in deze ons geheel vreemde stad een onderkomen zouden vinden. Terwijl wij hiernaar omzagen, voerde het goed geluk ons uw huis voorbij. Wij namen de vrijheid aan te kloppen, en gij hebt ons met zoo veel goedheid ontvangen en onthaald, dat wij er nooit dankbaar genoeg voor zullen kunnen zijn. Nu heb ik u, Mejufvrouw!” zoo besloot hij zijn verhaal, „op uw bevel medegedeeld, waardoor ik mijn regteroog mis, waarom ik zonder baard en wenkbraauwen ben, en wat de oorzaak is, dat ik mij heden ten uwent bevind.”—„Het is wel,” zeide Zobeïde, „wij zijn voldaan en gij kunt gaan, werwaarts het u zal believen.” De calender verontschuldigde zich echter en verzocht de dame hem toe te staan, te blijven, tot dat ook zijne makkers, van wie hij niet gaarne wilde scheiden, en ook de drie andere heeren, hunne geschiedenis verhaald zouden hebben.
Het geheele gezelschap vond de geschiedenis van den eersten calender hoogst merkwaardig. Vooral was dit het geval bij den kalif. De tegenwoordigheid der zwarte slaven, met hunne zwaarden in de hand, kon hem niet weerhouden zacht tot zijn vizier te zeggen: „Vele geschiedenissen heb ik gedurende mijn leven hooren verhalen, maar nog nooit eene, welke met die van dezen calender te vergelijken is.” Terwijl hij aldus sprak, vatte de tweede calender het woord op, en wendde zich tot Zobeïde.
GESCHIEDENIS VAN DEN TWEEDEN CALENDER, DEN ZOON EENS KONINGS.
„Mejufvrouw,” ving hij aan, „om aan uw bevel te gehoorzamen en u mede te deelen door welk toeval ik mijn regteroog heb verloren, zal het noodig zijn u mijne geheele levensgeschiedenis te verhalen.
Naauwelijks was ik de kindschheid ontwassen, of de koning, mijn vader, want ook ik ben een prins van geboorte, bemerkende, dat ik goede geestvermogens bezat, deed zijn uiterste best om mijn' aanleg te ontwikkelen. Hij liet de geleerdste mannen en de grootste kunstenaars uit geheel zijn rijk aan zijn hof komen, om mij te onderwijzen, en mijn' geest door de mededeeling van hunne kennis te verrijken. Zoodra ik kon lezen en schrijven, las en leerde ik den koran van buiten, dat wonderschoone boek, dat de hoofdregels van onze godsdienst bevat. En opdat mijne studie grondiger mogt zijn, las ik de werken der beroemdste schrijvers, die door hunne aanteekeningen een groot licht over dat verheven boek verspreid hebben. Te gelijkertijd zocht ik bekend te worden met alles, wat door de beroemdste tijdgenooten van den Profeet uit zijnen mond werd opgeteekend. Ik hield mij niet tevreden met alles te onderzoeken, wat onze godsdienst betrof, maar legde mij tevens toe op de geschiedenis en die fraaije letteren, waarbij de werken van onze beste schrijvers en dichters mij tot gids dienden. Ook de aardrijks-, natuur-, sterre- en tijdrekenkunde werden door mij bestudeerd. Boven alles was het mijn streven mijne moedertaal zuiver te spreken, zonder dat ik daarom eene dier andere oefeningen verzuimde, die aan een prins voegen. Doch het meest legde ik er mij op toe, om de letters van onze Arabische taal fraai en duidelijk te leeren schrijven, en hierin maakte ik zulke verbazende vorderingen, dat de beste schrijfmeesters van ons koningrijk, mannen, die zich daarmede veel roem verworven hadden, bij mij moesten achter staan.
De faam verschafte mij nog meer eer dan ik verdiende. Zij vergenoegde zich niet den roem mijner talenten in het koningrijk mijns vaders rond te bazuinen, maar bragt den roep daarvan over tot aan het Indische hof, welks magtige monarch, verlangend om mij te zien, een' ambassadeur, met zeer rijke geschenken overzond, om van mijn' vader het daartoe vereischte verlof te bekomen. Deze was om verschillende redenen met dit gezantschap zeer ingenomen. Hij was van gevoelen, dat aan een' prins van mijne jaren niets beter voegde, dan vreemde rijken en hoven te bezoeken; daarbij stelde hij er hoogen prijs op, zich daardoor de vriendschap van den sultan van Indië te verwerven. Ik vertrok dus met den afgezant, doch uithoofde van den langen en moeijelijken weg, slechts met een klein gevolg.
Wij waren reeds eene maand op reis, toen wij, bij het doortrekken van eene woestijn, op een' verren afstand eene groote wolk van stof ontdekten, waaruit weldra een veertigtal wel gewapende ruiters te voorschijn kwamen. Het waren roovers, die in vollen galop op ons inreden.
Mejufvrouw,” vervolgde de calender, altoos tot Zobeïde sprekende, „daar tien onzer paarden zwaar beladen waren met de geschenken, welke ik, uit naam van den koning mijn' vader, aan den sultan van Indië moest overbrengen, en dewijl wij slechts een klein gevolg bij ons hadden, was het waarschijnlijk, dat de roovers niet zouden aarzelen ons aan te tasten. Daar wij niet in staat waren geweld met geweld te keeren, riepen wij hun toe, dat wij gezanten waren van den sultan van Indië en ons alzoo vleiden, dat zij ons, uit ontzag voor dien grooten monarch, ongemoeid zouden laten trekken. Wij dachten daardoor onze bagage en ons leven te zullen redden, maar de roovers antwoordden op stouten toon: „Waarom wilt gij, dat wij den sultan uwen meester zullen eerbiedigen? Wij zijn zijne onderdanen niet, en bevinden ons niet eens op zijn grondgebied. Hij heerscht over Indië, wij zijn de gebieders in deze woestijn!” Dit zeggende, omringden zij ons en vielen ons aan. Ik verdedigde mij met leeuwenmoed, doch weldra voelde ik, dat ik gewond was, en toen ik bemerkte, dat de afgezant en al de lieden van ons gevolg reeds gedood of buiten gevecht gesteld waren, zag ik het nuttelooze van langeren tegenstand in. Ik deed alzoo een' verwoeden aanval op mijne bestrijders, die, bevreesd voor mijn snel treffend zwaard, voor een oogenblik in verwarring weken of hunne vermetelheid met hun bloed betaalden. Hierop plotseling den teugel wendende, reed ik op goed geluk af in vollen galop van daar. In 't begin droeg mijn zwaar gewond paard mij met verbazende snelheid voort, doch na een kwartier uurs rijdens stortte het, door bloedverlies en vermoeidheid uitgeput, dood onder mij neder. Ik had het geluk mij niet te bezeeren en sprong fluks weder op de been. Bemerkende, dat ik niet werd vervolgd, maakte ik daaruit op, dat de roovers niet hadden kunnen besluiten, zich van den gemaakten buit te verwijderen, want ik had te goede gedachten van hunnen moed, en dacht te nederig over mij zelven, om dit aan de vrees voor mijn zwaard toe te schrijven. Zoo was ik dan gewond, van alle hulp verstoken, in een mij geheel onbekend land alléén. Den grooten weg, die de woestijn doorsnijdt, durfde ik niet volgen, daar ik dan groot gevaar liep, weder in de handen der roovers te vallen. Na dus mijne wonde, welke gelukkig niet gevaarlijk was, zoo goed de gelegenheid toeliet verbonden te hebben, ging ik het overige van den dag langs ongebaande wegen voort. Met het vallen van den avond kwam ik aan den voet van een' hoogen berg, waarin ik eene grot ontdekte. Deze trad ik binnen, en na het nuttigen van eenige vruchten, welke ik onder het gaan geplukt had, en die mij zeer verkwikten, legde ik mij neder en bragt, door vermoeijenis afgemat, den nacht vrij rustig door.
Den volgenden morgen en gedurende verscheidene dagen zette ik onvermoeid mijne reis voort, zonder ergens eene bewoonde plaats aan te treffen. Eerst na verloop van eene maand kwam ik in eene vruchtbare landstreek aan, en zag eene groote en volkrijke stad vóór mij liggen. Hoe meer ik de stad naderde, des te schooner werden de landerijen en wegen, welke laatste allen met vruchtdragende boomen beplant waren, terwijl schoone weilanden, van rivieren en beken doorsneden, met eene weelderige bloemenpracht prijkten. Dit schoone natuurtooneel, dat zeer verschilde met de woeste landstreken, die ik doorreisd had, stortte weder nieuwe levensvreugde in mijn verslagen hart, en deed althans voor eenige oogenblikken mijne diepe droefheid bedaren over den treurigen toestand, waarin ik mij gebragt zag. Mijn gelaat, mijne handen en voeten waren door de brandende zon der woestijn bruin geworden, mijn schoeisel was door het lange gaan geheel versleten, zoodat ik gedwongen was barrevoets te gaan; en mijne kleederen hingen mij als lompen bij het lijf. Ik had geheel het voorkomen van een' bedelaar, en was inderdaad nog ellendiger dan deze; niemand zou in mij den zoon eens magtigen konings erkend hebben.
Ik trad de stad binnen, en bleef staan voor het huis van een' kleermaker, die in zijn winkel zat te werken. De man had een vriendelijk voorkomen, en ik vervoegde mij bij hem, om te vragen naar den naam van de stad, waarin ik mij bevond. Hij deed mij naast zich nederzitten, en vraagde mij, wie ik was, van waar ik kwam, en wat ik in deze stad wilde uitrigten. Ik verzweeg hem niets van de rampen, die mij getroffen hadden, en verborg zelfs mijne hooge afkomst niet.
De kleermaker hoorde met aandacht naar mij, doch toen ik had uitgesproken, gaf hij mij, in plaats van troost, nieuwe reden tot bezorgdheid. „Neem u wel in acht,” zeide hij, „dat gij aan niemand anders toevertrouwt, wat gij mij daar hebt medegedeeld, want de hier regerende vorst is de grootste vijand van den koning, uw' vader. Indien hij verneemt, dat gij u in deze stad bevindt, hebt gij het ergste van hem te vreezen.” Nadat de kleermaker mij den naam van den regerenden vorst gezegd had, vond ik geene reden om de waarheid zijner woorden in twijfel te trekken. Doch daar de vijandschap tusschen dezen vorst en mijn' vader met mijne lotgevallen in geen naauw verband staat, zult gij mij veroorloven, Mejufvrouw! dat ik hierover niet verder uitweide.
Ik bedankte den kleermaker voor zijne waarschuwing en betuigde hem, dat ik mij geheel naar zijnen raad voegen en de mij bewezen dienst nimmer vergeten zou. Daar de goede man inmiddels van oordeel was, dat het mij niet aan eetlust zou ontbreken, liet hij mij te eten geven, en bood mij zelfs huisvesting ten zijnent aan, hetgeen ik met blijdschap aannam. Toen hij eenige dagen daarna bemerkte, dat ik van de vermoeijenissen mijner lange en afmattende reis genoegzaam hersteld was, vraagde hij mij (daar hij bekend was met het gebruik der prinsen van onze godsdienst, om eenig beroep of handwerk te leeren, ten einde in tijd van nood daarmede den kost te kunnen winnen), wat ik, om niet ten laste van anderen te leven, bij de hand dacht te nemen. Ik antwoordde, dat ik de beide regten had bestudeerd, dat ik de taal magtig en een goed dichter was, doch bovenal het Arabisch zeer schoon kon schrijven. Dit perste hem echter slechts een' glimlach af. „Met alles wat gij daar opnoemt,” zeide hij, „kunt gij in dit land geen droog brood verdienen; al die kundigheden brengen u hier geen nut aan. Wilt gij mijn' raad volgen,” ging hij voort, „zoo schaf u een' kiel aan, en daar het mij toeschijnt, dat gij een sterk en gezond gestel hebt, kunt gij niet beter doen dan in het nabij gelegen bosch brandhout te gaan hakken en, dit ter markt te brengen; ik verzeker u, dat gij daarmede genoeg verdienen kunt om, zonder van iemand af te hangen, in uw onderhoud te voorzien. Zoo zult gij geduldig kunnen wachten, tot dat de hemel u gunstig is, en de wolk des ongeluks, die uw leven verduistert, zal zijn overgedreven. Ik zal u een touw en een bijl bezorgen. Wat dunkt u?”—De noodzakelijkheid, om in mijn levensonderhoud te voorzien, en de vrees van herkend te worden, noopten mij dit voorstel aan te nemen, hoezeer ook dit nederig bedrijf weinig met mijne hooge afkomst overeenkwam, en verbonden was met zwaren handenarbeid.
Reeds den volgenden dag kocht de kleermaker voor mij een' kiel, eene bijl en een touw. Tevens beval hij mij aan in de gunst van eenige arme lieden uit de stad zijner inwoning, die op gelijke wijze hun brood moesten verdienen. Deze namen mij met zich naar het bosch, onderrigtten mij in al hetgeen ik voor mijn bedrijf moest weten, en reeds den eersten dag kwam ik terug met een' zwaren bundel hout, dien ik voor een half goudstuk, eene munt van dat land, verkocht; want, hoewel het bosch niet ver van de stad lag, was echter het hout zeer duur, daar slechts weinige en zeer arme lieden zich de moeite wilden geven om het te gaan hakken. In zeer korten tijd won ik met dezen arbeid vrij veel geld, zoo dat ik aan mijn' huisheer al zijne voor mij gedane voorschotten kon teruggeven.
Ruim een jaar lang had ik zoo voortgeleefd, toen ik op zekeren dag, dieper dan gewoonlijk in het bosch gedrongen zijnde, een' zeer dikken boom vond, dien ik wilde vellen. Toen ik een' dikken wortel had afgehakt en de aarde weg geruimd, om beter bij den stam te kunnen komen, stiet ik met mijne schop op een' ijzeren ring, welke aan een valluik van hetzelfde metaal vast zat. Met eenige krachtsinspanning gelukte het mij het valluik op te ligten, en nu bespeurde ik een' wenteltrap. Ik liep met mijne bijl in de hand naar beneden, en na een vijftigtal treden te zijn afgegaan, bevond ik mij, tot mijne groote verwondering, in het voorhof van een onderaardsch paleis, waarin het even zoo licht was, als boven den grond bij helderen zonneschijn. Ik ging verder door eene gaanderij, waarvan het gewelf ondersteund werd door kolommen van jaspis, met voetstukken en kapiteelen van massief goud. Doch al deze pracht boeide mij niet langer en verdween als in het niet, bij de plotselinge verschijning van eene jonge dame, zoo lieftallig en zoo uitstekend schoon, dat ik alleen voor haar oogen had.
Om de schoone dame, vervolgde de calender, de moeite te besparen tot mij te komen, haastte ik mij haar te gemoet te gaan, en terwijl ik haar met eene hoffelijke buiging begroette, vraagde zij mij: „Wie zijt gij? Zijt gij mensch of geest?”—„Mejufvrouw,” antwoordde ik, „ik ben een mensch, en met geesten heb ik niets gemeen.”—„Door welk toeval dan,” hernam zij, en loosde een' diepen zucht, „bevindt gij u in dit betooverde paleis! Reeds twintig jaren ben ik hier opgesloten, en in al dien tijd heb ik geen ander mensch aanschouwd dan u.”
Hare uitstekende schoonheid, hare droefheid en haar zachte blik gaven mij de vrijmoedigheid tot haar te zeggen: „Mejufvrouw, veroorloof mij, alvorens ik de eer zal hebben op uwe vraag te antwoorden, u de verzekering te geven, dat ik het als mijn hoogste geluk beschouw u te ontmoeten; en nog gelukkiger zal ik zijn, indien ik iets tot het uwe kan bijdragen.” Ik verhaalde haar daarop, met alle opregtheid, door welken zamenloop van rampen zij den zoon eens grooten konings voor zich zag, en door welk toeval ik zoo gelukkig was geworden hare prachtige, maar toch waarschijnlijk vervelende gevangenis te ontdekken.
„Helaas! prins,” sprak zij op nieuw zuchtende, „gij hebt gelijk; deze gevangenis met al haren rijkdom en hare pracht, is voor mij een vervelend verblijf, want het aangenaamste oord bevalt niet, indien men er tegen zijn' wil moet blijven. Het is bijna niet te gelooven, dat gij nooit hebt hooren spreken van den grooten Epitimarus, koning van het Ebbenhouten eiland, dus genaamd naar de kostbare houtsoort, die aldaar overvloedig gevonden wordt. Gij ziet in mij de prinses zijne dochter. De koning mijn vader had voor mij een' prins tot mijn gemaal gekozen; die prins was mijn neef. Doch in den eersten nacht van ons huwelijk, te midden der hoffeesten, alvorens ik nog bij mijn' man was gebragt, werd ik door een' geest geschaakt. Ik viel in zwijm, en toen ik weder tot mij zelve kwam, bevond ik mij in dit paleis. Lang was ik ontroostbaar, maar eindelijk was ik genoodzaakt mijn' schaker bij mij te dulden. Reeds twintig jaar, zoo als ik u heb gezegd, bevind ik mij hier, en ik moet bekennen, ik heb alles wat tot mijn onderhoud noodig is, en alles wat eene prinses zou kunnen verlangen, wier hoogste geluk kostbare opschik is.
Om de tien dagen,” vervolgde de prinses, „brengt de geest een' nacht bij mij door. Hij verontschuldigt zijne lange afwezigheid daarmede, dat hij nog eene andere vrouw heeft, die zeer jaloersch is, en het hem nimmer zou vergeven, indien zij het minste vermoeden van zijne ontrouw had. Heb ik evenwel iets noodig, 't zij dag of nacht, dan raak ik slechts den talisman aan, die bij den ingang van mijne slaapkamer staat, en bijna op hetzelfde oogenblik is hij bij mij. Vóór vier dagen heeft hij mij bezocht, ik verwacht hem daarom eerst over zes dagen. Gij kunt dus, indien het u behaagt, hier vijf dagen doorbrengen, prins, om mij gezelschap te houden, en ik zal u volgens uw' stand en uwe verdiensten onthalen.”
Ik zou mij zeer gelukkig hebben gerekend, als mij, op mijn verzoek, deze gunst ware toegestaan; geen wonder dus dat ik, nu zij mij door de schoone dame zelve werd aangeboden, aan geene weigering dacht. De prinses deed mij nu in een bad gaan, zoo prachtig en van zoo veel gemakken voorzien, als men zich slechts verbeelden kan. Toen ik daar weder uit kwam, was mijn kiel verdwenen, en in plaats daarvan lag er een zeer rijk kleed, dat ik aantrok, minder om zijne kostbaarheid, dan wel om haar te behagen.
Wij gingen op eene sofa zitten, en spraken eenigen tijd zeer vertrouwelijk met elkander, tot dat zij opstond om de tafel te bereiden, waarop zij eene keur der fijnste spijzen plaatste. Wij aten te zamen en bragten het overige van den dag zeer genoegelijk door. Nu wilde ik mij naar huis begeven, doch zij zeide, dat het daartoe reeds te laat was, en dus bleef ik ook dien nacht in het paleis. Den volgenden dag had ik niet minder reden, om over mijne schoone gastvrouw tevreden te zijn. Zij deed al wat in haar vermogen was, om mij het verblijf ten harent aangenaam te maken. Het middagmaal was nog uitgezochter dan dat van daags te voren, en na afloop daarvan, zette zij eene flesch rooden wijn bij mij neder, heerlijker dan ik ze ooit gedronken had. Toen mij nu het hoofd een weinig warm begon te worden, zeide ik: „Schoone prinses! reeds veel te lang zijt gij hier als levend ingekerkerd. Ga met mij, en geniet het zonlicht weder, waarvan gij sedert zoo vele jaren zijt verstoken. Hier hebt gij slechts een kunstlicht, door tooverij voortgebragt, hetgeen bij dat des hemels niet kan halen.”
„Prins,” antwoordde zij met een minnelijk lachje, „spreek aldus niet; het schoonste daglicht is voor mij van geringe waarde, en dit onderaardsche paleis zal voor mij geene gevangenis meer zijn, als gij mij negen dagen van de tien uw bijzijn schenkt, en alleen den tienden dag aan den geest afstaat.” „Prinses,” hernam ik, „alleen vrees voor den geest doet u dus spreken. Ik voor mij, vrees hem echter zoo weinig, dat ik den talisman met opschrift en al zal vergruizen. Laat hem maar komen, ik zal hem afwachten. Hoe moedig en verschrikkelijk hij zijn moge, ik zal hem de kracht van mijn' arm doen gevoelen. Ik zweer alle geesten, die in de wereld zijn, te zullen vernietigen, en hem het eerste.” De prinses, die er de gevolgen van inzag, bezwoer mij den talisman onaangeroerd te laten. „Gij zult,” zeide zij, „u zelven en mij in het verderf storten; ik ken de geesten beter dan gij.” Door den wijn beneveld, was ik doof voor de verstandige waarschuwing van de prinses, en sloeg hare bede in den wind. Ik gaf een' krachtigen schop tegen den talisman, zoodat hij aan honderd stukken brak.
Naauwelijks was dit geschied, of het paleis schudde op zijne grondvesten, en dreigde met een vreeselijk gekraak te zullen instorten. Een geluid als van den rollenden donder, vermengd met bliksemstralen, liet zich hooren en een dikke duisternis omgaf ons, zoodat het scheen of de hel in beroering was gekomen. Dit verschrikkelijke gedruisch verdreef in een oogenblik de dampen van den wijn, en deed mij, doch te laat, mijne dwaasheid inzien. „Prinses!” riep ik, „wat beteekent dit?” Zij antwoordde mij zeer verschrikt, en zonder aan haar zelve te denken: „Red u spoedig, prins, of gij zijt verloren!”
Ik volgde haren raad, en dit met zoo veel overhaasting, dat ik mijne bijl en mijne overschoenen achterliet. Naauwelijks had ik den voet van den trap bereikt, of het dak van het betooverde paleis opende zich, en de geest schoot met de snelheid van den bliksem neder, en stond voor de prinses. „Prinses! wat is u overkomen?” vraagde hij op gramstorigen toon. „En waarom hebt gij mij geroepen?”—„Ik werd zoo wee om het hart,” antwoordde de prinses, „en dacht eene teug wijns zal mij goed doen. Ik kreeg deze flesch, dronk een paar teugen, deed een' misstap en viel op den talisman, waardoor hij gebroken is; dit is de geheele zaak.”
Dit antwoord maakte den geest nog woedender. „Gij zijt,” sprak hij, „een onbeschaamde leugenaarster. Zeg mij, hoe komen deze bijl en deze overschoenen hier?”—„Ik zie ze nu voor het eerst,” hernam de prinses, „misschien hebt gij zelf ze, zonder het te weten, in uwe haast medegebragt.”
De geest antwoordde slechts met scheldwoorden en met slagen, waarvan de doffe klank tot mij doordrong. Ik had den moed niet het klaaggeschrei der prinses, welke op de wreedste wijze mishandeld werd, aan te hooren. Met achterlating van mijn kostbaar gewaad ontvlugtte ik met mijn kiel dien ik in der haast nog had mede genomen, over den arm, het betooverde paleis langs denzelfden weg, maar met meer spoed, dan ik er was ingekomen. Wat was er nu van den held geworden, die met zijn' arm alle geesten der wereld verdelgen zou? Een bloode vlugteling. Ik schaamde mij voor mij zelven en het smartte mij, dat ik, door mijne zotte verwaandheid, de schoonste en beminnelijkste prinses der aarde aan de wreedheid van den onverbiddelijken geest had prijs gegeven. Ik beschouwde mij zelven als de misdadigste en ondankbaarste van alle mannen. „Het is waar,” zeide ik tot mij zelven, „dat zij reeds twintig jaren eene gevangene is, maar behalve de vrijheid bleef haar niets te wenschen over, om gelukkig te zijn. Mijne oploopendheid heeft dat geluk verwoest, en haar aan de mishandelingen van een' duivel blootgesteld.” Met een' diepen zucht sloot ik het valluik achter mij digt, en keerde naar de stad terug met eene lading hout, welke ik bijeenbragt, zonder bijna te weten wat ik deed, zoo zeer waren mijne zinnen verward.