Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Eerste deel
Part 11
Men kan zich ligt voorstellen, hoe verschrikt de kalif was. Thans berouwde het hem, maar te laat, dat hij den verstandigen raad van zijnen vizier niet had opgevolgd. Intusschen zag hij zich in gevaar, zijne onbescheidene nieuwsgierigheid met zijn leven te boeten. De overigen, zelfs Giafar, ofschoon onschuldig in deze zaak, wachtten hetzelfde lot. Reeds hadden hunne beulen het zwaard opgeheven, doch eer zij toesloegen, zeide een der zwarten tot Zobeïde en hare zusters: „Verhevene, zeer magtige en geëerde meesteressen, is het uw welbehagen, dat wij hun het hoofd afslaan?” „Wacht nog een weinig,” antwoordde Zobeïde, „opdat ik eerst hunne verdediging aanhoore.” „Edele Dame,” viel de verschrikte drager haar thans snel in de rede, „ik bezweer u bij den grooten profeet, doe mij niet dooden voor de misdaad van anderen. Ik ben onschuldig; zij zijn schuldig. Helaas!” vervolgde hij snikkende, „wij bragten te zamen den tijd zoo genoegelijk door! Deze éénoogige calenders zijn oorzaak van het ongeluk, dat ons treft. Wacht u voor de geteekenden; wee het huis, waar de zulken hunne voeten onder de tafel steken! De stad waar zulke lieden wonen, moet vergaan en tot een' puinhoop vervallen. Waarde gastvrouw, ik smeek u, de goeden niet met de kwaden te verwisselen, en over den zelfden kam te scheren; denk er toch aan, dat het schooner is te vergeven, dan een' ellendige gelijk ik, die zich van alle hulp verstoken ziet, met uwe alles vermogende magt te verpletteren en hem aan uwen toorn ten offer te brengen!”
Hoe groot ook haar toorn was, kon Zobeïde zich niet onthouden in zich zelven te lagchen over deze klagten van den drager. Maar zonder zich met hem op te houden, rigtte zij nogmaals het woord tot de anderen: „Antwoordt mij,” sprak zij, „en zegt mij, wie gij zijt, zonder dit hebt gij geene minuut langer te leven. Ik kan niet gelooven, dat gij eerlijke lieden zijt, noch mannen van gezag of aanzien, in het land dat u heeft zien geboren worden. Want indien dit zoo ware, zoudt gij jegens ons meer hoffelijkheid hebben aan den dag gelegd.”
De kalif, ongeduldig van aard, leed oneindig meer dan de anderen, niet zoo zeer uit vrees voor den dood, dan wel omdat hij zijn leven afhankelijk zag van het bevel eener beleedigde en met regt vertoornde vrouw. Toen echter Zobeïde naar den stand van hare gasten vraagde, begon hij weder hoop te koesteren, dat deze zaak een minder treurig einde zou nemen, dan het zich aanvankelijk liet aanzien; want hij twijfelde er niet aan, of hij behoefde zich slechts bekend te maken, om zijn leven te redden. Daarom beval hij fluisterend aan zijnen vizier, die zich in zijne nabijheid bevond, om het incognito niet langer te bewaren, maar de vrouwen onmiddelijk met zijnen hoogen rang bekend te maken. Doch Giafar, een voorzigtig en verstandig man, die de eer van zijnen meester wilde ophouden, en niet kon dulden dat de vernedering, die hij ondergaan had, bekend zou worden, haalde de schouders op, en zeide alleen: „Ons overkomt slechts, hetgeen wij verdiend hebben.” Maar al had hij ook, om aan den kalif te gehoorzamen, willen spreken, Zobeïde zou er hem den tijd niet toe hebben gegeven. Zij had zich reeds tot de calenders gewend, en ziende dat zij alle drie éénoogig waren, vraagde zij, of zij bloedverwanten waren.—„Neen Dame,” zeide een der calenders, die voor allen het woord voerde, „wij bestaan elkander niet in den bloede, maar wij zijn broeders in onze betrekking van calender; dat wil zeggen, wij volgen allen denzelfden leefregel.”—„En,” hernam Zobeïde, „zijt gij éénoogig van uw geboorte af.”—„Neen, Mejufvrouw,” antwoordde hij, „eene zonderlinge gebeurtenis, wel waardig om tot waarschuwing van velen beschreven te worden, is daarvan de oorzaak. Na mijn ongeluk liet ik mij den baard en de wenkbraauwen afscheren, en heb ik het kleed eens calenders aangenomen.”
Zobeïde deed nu de zelfde vraag aan de beide andere calenders, die even zoo antwoordden als de eerste gedaan had. Doch de laatste voegde er bij: „Opdat gij moogt weten, Mejufvrouw, dat wij niet tot den lagen stand behooren, en opdat gij ons met verschooning zult behandelen, zoo zij het u bekend, dat wij alle drie konings-zonen zijn. Ofschoon wij elkander dezen avond voor het eerst ontmoet hebben, heeft het ons echter niet aan den tijd ontbroken, om met elkanders lotgevallen bekend te worden, en ik durf u de verzekering geven, dat de koningen, aan wie wij het leven te danken hebben, eenigen naam in de wereld hebben gemaakt.”
Op deze toespraak bedaarde Zobeïde's toorn, en zij zeide tot de slaven: „Geeft hun een weinig meer vrijheid, maar blijft hier, en weest gereed om mijne bevelen uit te voeren. Doet geen leed aan hen, die ons hunne geschiedenis en de oorzaak van hunne aanwezigheid in onze woning met opregtheid zullen verhalen; laat hen gaan, waarheen het hun zal goeddunken; maar zij die weigerachtig zijn, om ons deze voldoening te geven, spaart ze niet, hun bloed kome op hun hoofd.”
De drie calenders, de kalif, de groot-vizier, de opperste der gesnedenen en de drager waren allen op een tapijt in het midden der zaal gezeten, in tegenwoordigheid der drie dames, welke op de sofa hadden plaats genomen, en van de zeven zwarte slaven, die gereed waren de bevelen van hunne meesteressen zonder tegenspraak uit te voeren.
Toen de drager vernam, dat hij, om uit zulk een groot gevaar verlost te worden, slechts zijne geschiedenis behoefde te verhalen, voelde hij zijn' moed herleven, en vatte dadelijk het woord op. „Mijne geschiedenis,” zeide hij, zich tot Zobeïde rigtende, „en de oorzaak, waarom ik hier ben, zijn u reeds bekend. Wat ik u dus heb te verhalen, laat zich in weinige woorden zeggen. Deze dame—hier wees hij op Amine—, uwe zuster, heeft mij dezen morgen op de markt, waar ik als drager stond te wachten, of het iemand zou behagen mij een stuk brood te laten verdienen, in hare dienst genomen. Ik ben met haar gegaan naar een' wijnkooper en naar een' fruitwinkel, waar men oranjeappelen, limoenen en citroenen verkocht; van daar gingen wij naar een' ander, die amandelen, noten en dergelijke waar te koop had. Vervolgens bezochten wij een' banketbakker en confiturier, van waar wij eindelijk naar een droogist stapten, terwijl ik mijne mand op het hoofd droeg, en ik lieg niet, als ik zeg, Mejufvrouw, dat deze goed beladen was, en dat ik er eene zware vracht aan had. Dat begreep Mejufvrouw uwe zuster zeker ook, althans, zij staakte hare inkoopen, en beval mij, haar naar deze hare woning te volgen, waar gij de goedheid hebt gehad, mij tot heden te dulden, eene gunst, Mejufvrouw, die ik, al word ik honderd jaar oud, mij steeds met dankbaarheid zal herinneren! Ziedaar mijne geschiedenis.” Hier zweeg de drager, en Zobeïde, daarmede voldaan, zeide: „Ik schenk u het leven, ga en bevrijd ons van uw gezelschap.” „Edele Dame,” hernam de drager, „ik smeek u nog te mogen blijven, tot dat ook deze heeren hunne lotgevallen zullen hebben verhaald. Het zou onbillijk zijn, dat ik, na hun het vermaak te hebben gegeven mijne geschiedenis aan te hooren, er nu van verstoken zou zijn, ook de hunne te vernemen.” Dit gezegd hebbende, zette hij zich, zonder verder te spreken aan het benedeneinde der sofa neder, even alsof er niets gebeurd was, en zeer verheugd aan een gevaar te zijn ontsnapt, dat hem zoo zeer beangst had. Na hem nam een der calenders het woord, en zich tot Zobeïde wendende, welke hij als de meesteres des huizes aanmerkte, ving hij zijn verhaal op de volgende wijze aan.
GESCHIEDENIS VAN DEN EERSTEN CALENDER, DEN ZOON EENS KONINGS.
Om u te doen begrijpen, hoe ik mijn regter oog verloren, en waarom ik het kleed van een' calender aangenomen heb, moet ik u vooraf zeggen, dat ik van geboorte een konings zoon ben. De koning, mijn vader, had een' broeder, die in eenen naburigen staat regeerde. Deze broeder had twee kinderen, een' prins en eene prinses; de prins en ik waren bijna even oud.
Jaarlijks ging ik mijn oom bezoeken, en dit gaf aanleiding, dat ik met mijn' neef zeer gemeenzaam werd en wij eene innige vriendschap voor elkander opvatten. De laatste maal, dat ik hem bezocht, ontving hij mij, nog meer dan anders, met de innigste genegenheid, en mij op zekeren dag bijzonder willende onthalen, maakte hij daartoe buitengewone toebereidselen. Wij zaten lang aan tafel en na het gebruik van een' uitgezochten avondmaaltijd, sprak hij mij aldus aan: „Waarde neef, ik geloof, dat gij moeijelijk zult kunnen raden, waarmede ik mij, sedert uw vorig bezoek hoofdzakelijk heb bezig gehouden. Ik laat mij een onderaardsch paleis bouwen, dat misschien wel waardig is, door u bezien te worden. Maar alvorens dit plaats hebbe, verlang ik van u, dat gij mij getrouwheid en eene stipte geheimhouding zweren zult.” De vriendschap en de gemeenzaamheid, die tusschen ons bestond, lieten mij geene vrijheid hem iets te weigeren, en zonder aarzelen deed ik den gevorderden eed. „Wacht mij hier,” sprak hij nu, „in een oogenblik ben ik weder bij u.” Ik behoefde inderdaad niet lang te wachten, want kort daarop kwam hij terug met eene vrouw, die zeer prachtig gekleed en buitengewoon schoon was. Hij zeide mij niet wie zij was, en de wellevendheid verbood mij er hem naar te vragen. Wij zetten ons andermaal aan tafel, en nu met de dame. Wij dronken elkanders gezondheid, en onder vrolijke gesprekken snelde de tijd voorbij. „Neef,” sprak nu de prins, plotseling opstaande, „het is thans tijd. Doe mij het genoegen, deze dame met u te nemen, en haar naar gindsche begraafplaats te begeleiden. Aldaar zult gij een overwelfd graf vinden, waarvan de ingang open is. Treedt daar zamen binnen, en wacht mij.”
Getrouw aan mijn' eed, wilde ik naar niets vragen, bood de dame mijne hand, en door middel van de door den prins opgegeven kenteekenen, slaagde ik er in, bij helder lichte maan, het graf te vinden. Naauwelijks echter waren wij daar, of wij zagen den prins, die ons bijna op den voet moet zijn gevolgd, aankomen, beladen met eene kruik waters, een zakje met kalk of cement en eenen troffel.
De troffel diende hem, om eene in het midden van den grafkelder staande doodskist te ontdoen van het zand en de steenen, waarmede zij bleek gevuld te zijn, toen hij het deksel er afligtte. De steenen stapelde hij in een' der hoeken op een, en nadat hij de doodkist van hare plaats had geschoven, begon hij den zich daar onder bevindenden grond uit te graven. Een valluik werd zigtbaar, en toen dit opgeligt was bespeurden wij een' trap, die in de diepte afdaalde. „Mevrouw!” sprak thans mijn neef tot zijne dame, „zie daar den weg, die ons op die plaats moet brengen, waarvan ik gesproken heb.” De dame ging zonder aarzelen den trap af. Toen de prins gereed stond haar te volgen, wendde hij zich tot mij en zeide: „Neef, ik ben u zeer erkentelijk voor de mij bewezen dienst, en zeg er u dank voor; wees gegroet.”—„Maar, lieve neef!” riep ik ontsteld, „wat moet dit beteekenen; wilt gij u met deze dame levend gaan begraven?”—„Bekommer u daar niet over,” was het antwoord, „en keer langs den zelfden weg, dien gij gekomen zijt terug.”
De prins liet nu het valluik weder vallen, en schoof er van binnen de grendels voor. Ik keek eenige oogenblikken als versuft rond. Eene poging, om het luik te openen, mislukte; mijn roepen bleef onbeantwoord, en mijne zinnen, reeds door den wijn beneveld, raakten verward. Ik keerde naar het paleis terug, en zonder bijna te weten, wat ik deed, wierp ik mij, over deze zonderlinge gebeurtenis nadenkende, geheel gekleed op mijn rustbed. Weldra viel ik in een diepen slaap; en des morgens bij mijn ontwaken, stond mij het gebeurde van den vorigen avond slechts flaauw voor den geest. Ik verbeeldde mij een' benaauwden droom te hebben gehad, en dit wel zoo vast, dat ik, als naar gewoonte, iemand naar den prins zond, om te vernemen, of hij reeds bij de hand was en mij kon afwachten. Doch toen men mij berigtte, dat de prins dien nacht niet ten zijnent had doorgebragt, keerde mijne ongerustheid terug. Ik kleedde mij dadelijk, en begaf mij naar de algemeene begraafplaats, doch wat moeite ik ook aanwendde, het was mij niet mogelijk, tusschen de vele graven van gelijken vorm, het bedoelde graf te vinden. Gedurende vier dagen herhaalde ik mijn onderzoek, doch steeds vruchteloos.
„Gij moet weten, Mejufvrouw!” vervolgde de calender, „dat de koning, mijn oom, reeds sedert eenige dagen op de jagt was. De tijd zijner terugkomst was onbepaald. Ik verveelde mij, verontschuldigde mij bij zijne ministers, en keerde naar het hof van mijn vader terug, daar ik niet gewoon was lang afwezig te blijven. Ik liet intusschen de ministers van mijn' oom, den koning, in groote ongerustheid omtrent het lot van den prins, van wiens zonderlinge verdwijning en voortdurende afwezigheid zij zich geen denkbeeld konden maken. Doch door mijn' eed gebonden, meende ik geene vrijheid te hebben, hun mede te deelen, wat mij daarvan bekend was.
In de hoofdstad, waar de koning, mijn vader, zijn hof hield, aangekomen, vond ik, tot mijne verbazing, aan de poort van het paleis eene sterke wacht, welke mij, toen ik wilde binnen treden, omringde en aanhield. Ik vraagde naar de reden van deze mij onverklaarbare handelwijze, en de officier van de wacht het woord nemende, antwoordde: „Prins, het leger heeft den groot-vizier, in plaats van uw' vader, die overleden is, tot koning uitgeroepen, en op last van zijne majesteit, zie ik mij gedwongen u te vatten en gevangen te nemen.” Op deze woorden maakte de wacht zich van mij meester, ontwapende mij, en bragt mij voor den Tyran. Gij kunt oordeelen, Mejufvrouw! hoe groot mijne verwondering en mijne smart waren. Deze oproerige vizier had sedert lang een' grooten haat tegen mij opgevat. Hoe onschuldig ook, de oorzaak er van, was niet ver te zoeken. Van mijne kindschheid af, had ik eene groote voorliefde voor het boogschieten. Toen ik mij daarmede eens op het plein vóór het paleis vermaakte, zag ik een' vogel voorbij vliegen; ik mikte er op, maar schoot mis, en het ongeluk wilde, dat de pijl den groot-vizier, die zich op het plat van zijne woning bevond, in het regter oog trof en dit weg nam. Toen mij zulks ter oore kwam, ging ik naar den vizier, en betuigde hem mijn leedwezen over het ongeluk, waartoe ik onwillekeurig aanleiding had gegeven. Van dien tijd af, droeg hij mij een kwaad hart toe, en vond er vermaak in, mij op alle mogelijke wijzen te kwellen. Hij werd toen echter uit ontzag voor den koning, mijn' vader, terug gehouden, doch nu hij de magt in handen had, vierde hij zijn' haat den vollen teugel, en wel op eene barbaarsche wijze. Zoodra hij mij zag, liep hij als razend op mij toe, stak zijn' vinger in mijn rechteroog en rukte dit uit. Zie daar, Mejufvrouw, de oorzaak mijner éénoogigheid.
Maar hierbij liet de wreede overweldiger het niet berusten. Hij deed mij in eene ijzeren kooi opsluiten en beval den beul, mij ver buiten de stad in de wildernis te voeren, mij daar te onthoofden, en mijn ligchaam aan de roofvogels ten prooi te geven. De beul, van een' zijner handlangers vergezeld, steeg te paard, belaadde zich met de kooi, die mij tot gevangenis verstrekte, en voerde mij naar eene woestijn, om aldaar zijn' last te volbrengen. Het gelukte mij om door tranen en gebeden het mededoogen van dezen man, die minder wreed was dan zijn meester, op te wekken. „Ga,” zeide hij, terwijl hij mij uit mijne gevangenis bevrijdde, „verlaat dadelijk dit koningrijk en laat u er nimmer weêr zien, want dan was uw dood zeker, en gij zoudt oorzaak zijn van mijn ongeluk.” Ik bedankte hem in warme bewoordingen voor zijne goedheid, en naauwelijks bevond ik mij alleen en in vrijheid, of ik troostte mij over het verlies van mijn oog, daar ik bedacht aan hoeveel grooter gevaar ik thans, door de gunst des hemels, was ontkomen.
In den zwakken toestand, waarin ik verkeerde, kon ik niet ver gaan; ook moest ik, zoo lang ik mij op het grondgebied van mijn vijand bevond, de grootste omzigtigheid in acht nemen. Des daags hield ik mij schuil in de bosschen, des nachts vervolgde ik mijne reis, en ging zoo ver, als mijne krachten toelieten. Eindelijk kwam ik in de staten van mijn' oom, en begaf mij dadelijk naar de hoofdstad. Ik werd door mijn' oom, den koning, met liefde ontvangen, en deed hem uitvoerig verslag van de oorzaak mijner terugkomst aan zijn hof, en den droevigen toestand, waarin ik mij bevond. „Helaas!” riep hij uit, „is het nog niet genoeg, dat ik mijn' zoon verloren heb? Moet ik nu ook den dood vernemen van een' geliefden broeder, en u, mijn' neef, in zulk een' beklagenswaardigen toestand wederzien!” Hij gaf mij zijne ongerustheid te kennen omtrent het lot van zijn' zoon, van wien hij nog niets had vernomen, welke moeite hij zich ook had gegeven. Terwijl hij mij dit mededeelde, stortte de ongelukkige vader heete tranen, en ik werd hierdoor zoo bewogen, dat het mij onmogelijk was aan zijne diepe droefheid weêrstand te bieden. Niettegenstaande den eed aan mijn' neef, den prins, gedaan, was het mij niet mogelijk te zwijgen, en ik verhaalde aan den koning, zijn' vader, alles wat mij bekend was. Dit scheen den koning eenigszins te troosten. „Waarde neef!” zeide hij, „hetgeen gij mij daar verhaalt, wekt mijne hoop weder op. Het was mij niet onbekend, dat mijn zoon een graftombe liet bouwen, en ik weet ten naaste bij, op welke plaats. Daarom vlei ik mij, dat wij, geholpen door de herinneringen, die u daarvan zijn bijgebleven, die eindelijk zullen vinden. Doch dewijl hij deze zaak in het geheim heeft behandeld, en ook u het stilzwijgen heeft opgelegd, zal het, naar mijn inzien, raadzaam zijn, wij slechts met ons beiden dit onderzoek doen, ten einde alle opspraak te vermijden.” Hij had nog eene andere reden, die hij mij niet zeide, om deze zaak voor ieder verborgen te houden, en wel eene zeer gewigtige, gelijk uit het vervolg van mijn verhaal zal blijken. Wij verkleedden ons om niet herkend te worden, en verlieten het paleis door eene verborgen deur, die in het veld, dat achter aan den tuin grensde, uitkwam. Wij waren ditmaal zoo gelukkig weldra te vinden, wat wij zochten. Ik herkende de graftombe, en was daarover te meer verheugd, omdat ik vroeger lang te vergeefs gezocht had. Wij gingen er in, en vonden het valluik van binnen gesloten, doch door middel van een breekijzer gelukte het ons dit te openen.
Mijn oom, de koning, ging het eerst den trap af. Ik volgde hem. Wij moesten omtrent vijftig treden naar beneden. Aan den voet van den trap gekomen, bevonden wij ons in een soort van vóórvertrek, dat geheel vervuld was met een' dikken en onaangenamen walm, zoodat het licht, van eene aan de zoldering hangende zilveren lamp, daardoor verduisterd werd. Uit dit vóórvertrek kwamen wij in eene groote zaal, waarvan het gewelf op zware kolommen rustte, en die door kristallen kroonen, waarop waskaarsen brandden, helder verlicht was. In het midden der zaal bevond zich eene marmeren kom, met eene springende fontein, waaruit het helderste water in sierlijke bogen sprong. In een' der hoeken stond een groot buffet, rijkelijk voorzien van konfituren en allerlei uitgelezene spijzen. Bij al dezen voorraad, die van levende wezens getuigde, waren wij dus zeer verwonderd niemand aan te treffen. De sofa was ledig, doch daartegenover stond op eene estrade, waartoe ons eenige trappen geleidden, een groot ledekant, waarvan de kostbare gordijnen digt toegehaald waren. De koning besteeg de estrade en de gordijnen openrukkende, zag hij den prins zijn' zoon en de dame bewegingloos liggen, niet slapende, maar geheel verkoold, alsof men hen in een groot vuur had geworpen en daaruit weder te voorschijn gehaald, vóór dat zij door de vlammen verteerd waren. Wat mij echter het meest verbaasde was, dat de koning, mijn oom, in plaats van wanhoop of smart aan den dag te leggen, toen hij zijn' zoon in zulk een' afschuwelijken toestand vond, hem in het aangezigt spoog, en, met een van verontwaardiging gloeijend gelaat, tot den doode zeide: „Dit is uwe straf voor deze wereld, maar hier namaals zal zij eeuwig zijn.” Na het uiten van deze woorden, ontschoeide hij zich, en gaf zijn' zoon met zijn schoeisel een' harden slag op den wang.
„Ik kan u niet zeggen, Mejufvrouw!” vervolgde de calender, „hoe verbaasd ik was, toen ik zag, dat de koning, mijn oom, den prins, zijn' zoon, nog na zijn' dood zoo mishandelde.” „Sire!” zeide ik, „hoe groot ook mijne droefheid is over zulk een treffend ongeval, kan ik mij echter niet weêrhouden u te vragen, aan welke misdaad de prins, mijn neef, zich heeft schuldig gemaakt, en waardoor hij verdiende, dat gij met zijn lijk op zulk een wijze handelt?” „Neef!” antwoordde de koning, „hij is niet waard mijn zoon genoemd te worden, want hij heeft oneer en schande over zijn geslacht gebragt, en zou mijn' vloek verdienen, indien niet 's hemels toorn mij reeds was voorgekomen, en hem op eene voorbeeldige wijze gestraft had. De dame, aan wie hij zijne liefde heeft toegewijd, is zijne eigene zuster. Hij heeft mij trachten te misleiden, door zich in den schoot der aarde te verbergen, maar gelijk gij ziet, de wraak des hemels heeft hij niet kunnen ontvlieden.” Dit zeggende werd het hart des konings week, hij stortte heete tranen, en ik schreide met hem.
Na eenige oogenblikken van diepe droefheid, sloeg de koning de oogen op mij, en mij omhelzende, riep hij uit: „Ik heb een' onwaardigen zoon verloren, maar de hemel heeft mij u toegezonden, opdat gij zijne plaats in mijn hart en op mijn' troon zoudt innemen!” Nogtans deed de herinnering aan het droevig lot van den prins en de prinses ons op nieuw tranen storten.
Wij haasten ons deze plaats des ongeluks te verlaten; vooral sloot echter de koning het valluik zorgvuldig, en wij bedekten het met zand, opdat de aldaar bedreven misdaad en de daarop gevolgde wraak des hemels mogten verborgen blijven in den schoot der aarde.
Wij waren nog niet lang in het paleis teruggekeerd, waar men van onze afwezigheid niet het minste had bemerkt, of een verward geluid van trompetten, rinkelbommen, trommen en andere krijgsmuziek trok onze aandacht. Een digte stofwolk, waardoor de lucht als verduisterd werd, zeide ons weldra wat dit had te beduiden, en verkondigde ons dat een geducht leger in aantocht was. Het was dezelfde vizier, die mijn' vader onttroond en van het leven beroofd had, en die thans met eene sterke krijgsmagt was uitgetrokken, om ook de staten van mijn oom' te veroveren.
Deze aanval had plaats zonder voorafgaande oorlogsverklaring. Het was dus den koning, mijn' oom, die slechts over zijne lijfwacht kon beschikken, niet mogelijk zulk een' magtigen vijand ernstigen wederstand te bieden. De stad te verdedigen, daaraan viel niet te denken; om van plundering bevrijd te blijven, opende het volk de poorten, en weldra werd ook het paleis omringd en aangevallen. Mijn oom, die zijne getrouwen rondom zich verzameld had, bood een' wanhopigen tegenstand, doch werd, na zijn leven zoo duur mogelijk verkocht te hebben, in den strijd gedood. Ook ik had mede gevochten, doch wel inziende, dat wij voor de overmagt zouden moeten bukken, besloot ik, toen ik mijn' oom zag vallen, terug te trekken, en ik had het geluk door eene geheime deur uit het paleis te ontsnappen, en bij een' officier des konings, die niet ver van daar zijne woning had, en op wiens trouw ik mij kon verlaten, eene schuilplaats te vinden.