Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Eerste deel

Part 10

Chapter 104,005 wordsPublic domain

„Goede man,” hernam de calender die reeds gesproken had, „word niet boos; dit is onze bedoeling niet en het zou ons leed doen u daartoe slechts de minste aanleiding gegeven te hebben, integendeel wij zijn bereid te doen wat u welgevallig is.” De twist had evenwel nog al hoog kunnen loopen, doch de dames bemoeiden er zich mede, en wisten hun allen te bevredigen.

Toen de calenders aan tafel plaats genomen hadden, begonnen de dames hun het eten voor te dienen, en de vrolijke Safie droeg in het bijzonder zorg hunne bekers steeds te vullen. Nadat zij dusdoende naar genoegen gedronken en gegeten hadden, betuigden zij aan de dames, dat het hun een waar genoegen zou zijn, als zij haar een concert mogten geven. De dames namen dit aanbod met blijdschap aan, en de schoone Safie stond op om muzijkinstrumenten te halen. Een oogenblik daarna kwam zij terug, en bood aan ieder der calenders eene in het land gebruikelijke fluit, eene Perzische fluit en een rinkelbom aan. Ieder calender ontving uit hare hand dat speeltuig waarop zich zijne keus bepaalde, en nadat zij hunne instrumenten gestemd hadden, speelden zij eene vrolijke aria. De dames, de woorden daarvan kennende, accompagneerden hen met hunne stemmen, welk gezang echter nu en dan door een luid gelach, over de daarin voorkomende koddige voorstellingen, werd afgebroken. Terwijl men nu midden in de vrolijkheid was, werd er herhaaldelijk aan de voordeur geklopt, en Safie met zingen ophoudende, ging naar voren om te zien, wie hen in dit late avonduur in hunne vrolijkheid kwam storen.

De kalif Haroun-al-Raschid had tot eene loffelijke gewoonte dikwijls des nachts incognito uit te gaan, ten einde zich met eigen oogen te overtuigen of alles in de stad rustig toeging, en of er geene ongeregeldheden plaats hadden. Dezen nacht nu was de kalif reeds met het invallen van den donker uitgegaan, vergezeld door Giafar, zijn' groot-vizier, en door Masrour, den opperste der gesnedenen, allen als eenvoudige kooplieden verkleed. Toen zij door de straat gingen, waar de drie dames hare woning hadden, en de muzijk en het gelach hoorden, zeide de vorst tot den vizier: „Klop hier aan, ik wil weten wat de reden van dit nachtelijk gerucht is.” „Sire,” antwoordde de vizier, „zoo ver mij bekend is, wordt dit huis bewoond door drie dames, van eenen stillen en onbesproken levenswandel. Waarschijnlijk wordt hier heden een feest gevierd, en zullen de hoofden door den wijn verhit zijn, zoodat wij, door de gasten in hun geoorloofd vermaak te storen, ons aan een niet heusch onthaal blootstellen, want nog is het uur niet geslagen, waarop deze luidruchtigheid bij de wet verboden is.”—„Dat doet er niet toe,” hernam de kalif, „klop aan, ik beveel het u.”

Het was dus de groot-vizier Giafar, die op last van den kalif aan de deur van het huis der dames klopte. Safie deed open. Zij hield eene flambouw in de hand, en de groot-vizier, eene dame van zoo uitstekende schoonheid voor zich ziende, wier kleeding bovendien van haren hoogen rang getuigde, maakte eene diepe buiging en zeide op eerbiedigen toon: „Edele Dame, vergeef ons de vrijheid, dat wij ons op dit late uur ten uwent vervoegen. Wij zijn kooplieden van Moussoel en eerst sedert tien dagen hier te Bagdad aangekomen, alwaar wij onzen intrek in eene karavanserij genomen en ons magazijn daar opgeslagen hebben. Heden zijn wij bij eenen koopman te dezer stede te gast geweest. De wijn maakte ons vrolijk, en eenige danseressen vermeerderden onze opgewondenheid. Onder muzijk en dans ging de tijd snel voorbij, en werden wij allen steeds luidruchtiger, zelfs zoo dat dit de opmerkzaamheid der wacht trok, die zich de deur deed openen, en eenigen van het gezelschap in arrest nam. Wat ons betreft, wij waren zoo gelukkig over den tuinmuur te ontkomen. Maar,” vervolgde de vizier, „daar wij vreemdelingen, door den wijn een weinig verhit, en niet digt bij onze karavanserij zijn, die aan het andere einde der stad ligt, loopen wij gevaar door de wacht ontmoet en aangehouden te worden. Ook is het te vreezen, dat wij ons logement op dit uur gesloten zullen vinden. Het is daarom, schoone Dame, dat wij, in het voorbijgaan muzijk en zang vernemende, ons verstout hebben aan te kloppen, om u te smeeken ons tot het aanbreken van den dag eene schuilplaats te verleenen. Indien gij daarin toestemt en wij aan uw feest mogen deelnemen, zullen wij trachten het onze tot verhooging der hier heerschende vrolijkheid bij te dragen, ten einde aldus de veroorzaakte stoornis te doen vergeten. Zoo niet, sta ons dan toe den nacht in deze vestibule te mogen doorbrengen.”

Gedurende dit gesprek van Giafar had de schoone Safie gelegenheid om hem en zijne beide medgezellen in oogenschouw te nemen. Uit hun voorkomen maakte zij op, dat deze lieden tot den beschaafden stand behoorden; zij zeide hun daarom, hier de meesteres niet te zijn, doch dat, indien zij een oogenblik geduld wilden hebben, zij hun verzoek voordragen en daarop antwoord brengen zou.

Safie deelde nu aan hare zusters het verzoek der drie kooplieden van Moussoul mede. Zij schenen aanvankelijk niet tot een besluit te kunnen komen, doch goedhartig als zij waren, en in overweging nemende dat zij aan drie calenders de zelfde gunst hadden toegestaan, gaven zij ten slotte hunne toestemming, om ook deze vreemdelingen in hun gezelschap toe te laten.

De kalif, zijn groot-vizier en de opperste der gesnedenen, door de schoone Safie binnengeleid, groetten de dames en de drie calenders op de meest hoffelijke wijze, en werden ook even zoo ontvangen. „Mijne Heeren,” sprak nu Zobeïde met een streng en ernstig gelaat, dat haar zoo wel afging als ware zij tot vorstin geboren, „gij zijt ons welkom, maar vóór alles heb ik eene gunst van u te verzoeken.” „En welke gunst mag dat zijn, Dame?” sprak de vizier zich buigende op beleefden toon. „Is er iets ter wereld dat men aan zulke schoone dames zou kunnen weigeren?” „Wat ik van u verzoeken moet,” hernam Zobeïde, „is: oogen te hebben en geene tong, dat wil zeggen, om ons geene vragen te doen, over hetgeen gij zult zien gebeuren en dat u zeker vreemd zal toeschijnen maar dat u niet aangaat. Dus hooren, zien en zwijgen, Mijne Heeren, opdat u niet welligt iets overkome, dat u minder aangenaam zou zijn.” „Gij zult gehoorzaamd worden, Dame,” sprak nog eens de vizier, „wij zijn niet onbescheiden, noch nieuwsgierig of onbeleefd, en wij hebben genoeg te letten op hetgeen ons zelven aangaat, zonder ons met de zaken van anderen te bemoeijen.” Daarop zetten allen zich neder, het gesprek werd algemeen, en men dronk vrolijk op het welzijn der nieuw aangekomenen, hetgeen door deze met een' toast op de dames en de overige aanwezigen werd beantwoord.

Terwijl nu de vizier Giafar zich met de dames onderhield, kon de kalif zich niet genoeg verwonderen over hare zeldzame schoonheid, bevallige manieren, opgeruimd humeur en geestigheid, welke in alle gesprekken uitblonk. Niets kwam hem ook vreemder voor, dan de drie calenders, die tot zijne verbazing allen éénoogig en aan het zelfde oog blind waren. Hij zou gaarne de oorzaak van deze zonderlinge omstandigheid vernomen hebben, maar de hem en zijnen medegezellen opgelegde voorwaarde weerhield den vorst daaromtrent vragen te doen. Ook getuigden de meubelen en alles wat hij hier zag van zulk eenen rijkdom, dat de beheerscher der geloovigen, hoewel gewoon aan pracht en weelde, meende zich in een betooverd paleis te bevinden. Toen het onderhoud over de vermaken van dien tijd liep, stonden de calenders op, en voerden, met verlof van het overige gezelschap, op hunne wijze eenen dans uit, met zoo veel losse bevalligheid, dat de dames er door opgetogen, en in haar reeds gunstig gevoelen omtrent deze hunne gasten bevestigd werden. Ook de kalif schepte er een groot behagen in. Nadat de drie calenders hunnen dans geeindigd hadden, rigtte Zobeïde zich op, nam hare zuster Amine bij de hand en zeide tot haar: „Zuster sta op! Het gezelschap zal er niet tegen hebben, dat wij ons niet generen, maar handelen zoo als wij dit gewoon zijn, zonder ons door de tegenwoordigheid van onze gasten daarvan te laten afhouden.” Amine, wetende wat hare zuster verlangde, stond op, nam de borden en flesschen van de tafel, benevens de muzijkinstrumenten, waarop de calenders gespeeld hadden, en ging de zaal uit. Safie bragt inmiddels den tijd niet ledig door, zij ruimde de zaal op, zette alles weder op zijne plaats, bragt de waslichten in orde, en stak nog anderen aan van aloëhout en van amber, die eenen welriekenden geur verspreidden. Vervolgens verzocht zij aan de drie calenders op de eene zijde der sofa plaats te nemen, en den kalif zich met zijne makkers aan den anderen kant neder te zetten. Den drager beval zij op te staan en zich voor te bereiden, om haar de behulpzame hand te bieden, bij hetgeen zij ging verrigten. „Iemand gelijk gij,” vervolgde zij, „die als het ware tot de huisgenooten behoort, moet den tijd niet in werkeloosheid doorbrengen.”

De drager, door den wijn, een' voor hem ongewonen drank, eenigzins opgewonden, stond haastig op, schortte zijne kiel op en zeide: „Ik ben gereed, wat valt er te doen?” „Het begin is goed,” antwoordde Safie, „wacht onze bevelen af, gij zult niet lang met de armen over elkander behoeven te staan.” Kort daarop zag men Amine terugkomen, met eenen zetel van vreemdsoortig maaksel, welke zij in het midden der zaal plaatste.

Vervolgens ging zij naar een kabinet of zijvertrek, opende eene in het behangsel verborgen deur en gaf den drager eenen wenk, dat hij nader zou komen. „Kom,” sprak zij, „en help mij.” Hij gehoorzaamde op staande voet, en ging met haar het kabinet binnen. Een oogenblik later kwam hij terug, gevolgd door twee zwarte honden, welke hij elk aan eene ketting hield en die men het kon aanzien, dat zij door felle zweepslagen mishandeld waren. Hij bragt ze tot midden in de zaal.

Toen rigtte Zobeïde, welke tusschen de calenders en den kalif gezeten was, zich op, en ging met afgemeten schreden naar de plaats waar de drager stond. „Het zij zoo,” sprak zij, eenen diepen zucht slakende, „laat ons onzen pligt vervullen.” Zij ontblootte den regter arm tot aan den elleboog, nam de zweep, die Safie haar aanbood, en sprak: „Drager, geef de eene hond aan mijne zuster Amine, en treed met de andere nader.”

De drager deed wat hem gezegd werd, doch toen hij Zobeïde naderde, begon de hond, die hij aan de ketting hield, op eene klagelijke wijze te huilen en zag haar smeekend aan. Maar Zobeïde, zonder op de demoedige houding van de hond of op haar smartelijk gehuil acht te geven, sloeg er met de zweep onmeêdoogend op los, tot zoo lang zij er geheel vermoeid van was. Toen wierp zij de zweep van zich, nam de hond van den drager over, hief haar bij de voorpooten op, en terwijl zij elkander dus in de oogen zagen, begonnen beide om het hardst te weenen. Ten laatste nam Zobeïde haren zakdoek, wischte daarmede de hond de tranen af, kuste haar, gaf de ketting weder aan den drager over en zeide op hoogst ontroerden toon tot hem: „Ga: breng deze van waar gij haar gehaald hebt, en komt met de andere hond voor!”

De drager bragt de afgestrafte hond in het kabinet terug, nam vervolgens de andere van Amine over, en bragt haar bij Zobeïde. „Houd haar vast als de vorige!” sprak zij tot hem, en de zweep weder opnemende, mishandelde zij de hond op gelijke wijze. Daarop weende zij met haar, droogde hare tranen af, kuste ze en stelde haar weder aan den drager ter hand, aan wien echter de beminnelijke Amine ditmaal de moeite bespaarde, haar naar het kabinet terug te brengen, daar zij zelve zich met deze taak belastte.

Intusschen verwonderden de drie calenders, de kalif en zijne medegezellen zich niet weinig over dit zonderlinge strafgerigt, waarvan zij de zwijgende oor- en ooggetuigen geweest waren. Zij konden zich volstrekt geen begrip vormen waarom Zobeïde, na de beide honden dus met zweepslagen mishandeld te hebben, eindigde met deze volgens het Muzelmansche geloof voor onrein gehouden dieren te liefkozen en te kussen. Zij waren er bij zich zelven over verontwaardigd. De ongeduldige kalif brandde van verlangen naar de oplossing van dit voor allen onverklaarbaar raadsel, en wenkte gedurig zijnen vizier om er naar te vragen. Doch Giafar wendde het hoofd af en hield zich of hij den kalif niet begreep, tot dat deze, door herhaalde teekenen, hem dwong op gelijke wijze te antwoorden, daardoor te kennen gevende, dat het thans de plaats en de tijd niet was, om zijne nieuwsgierigheid te bevredigen.

Zobeïde bleef nog eenige oogenblikken in het midden der zaal staan, als of zij zich van hare vermoeijenis en hare aandoeningen trachtte te herstellen, alvorens zich bij het gezelschap te voegen. „Lieve zuster!” sprak thans Safie, „wilt gij uwe vorige plaats niet weder innemen, opdat ik mij op mijne beurt van mijne taak moge kwijten?”—„Gij herinnert mij daaraan ter juister tijd,” antwoordde Zobeïde, en nam plaats op de sofa, met den kalif, Giafar en Masrour aan hare regter- en de drie calenders, benevens den drager aan hare linkerhand.

Toen Zobeïde hare plaats hernomen had, heerschte er gedurende eenige oogenblikken eene algemeene stilte, de vorige vrolijkheid scheen geheel geweken. Safie, op den zetel, die in het midden der zaal stond, plaats nemende, brak het eerst dit stilzwijgen af. „Zuster,” sprak zij tot Amine, „ik bid u, sta op; wat ik daarmede bedoel, is u bekend.” Amine stond op, en begaf zich naar een ander vertrek dan dat, waarin zich de beide zwarte honden bevonden. Zij kwam weldra terug met een' koker in de hand en gekleed in geel satijn, rijk gegarneerd met goud en groene zijde. Zij ging naar hare zuster, opende den koker en nam daaruit eene zeer fraaije luit, welke zij haar aanbood. Safie nam de luit aan, en, na die gestemd te hebben, begon zij de snaren te tokkelen en daarbij te zingen. Het lied, dat zij voordroeg, was zoo treffend, en zij speelde en zong met zulk een diep gevoel, dat de kalif en alle aanwezigen er door verrukt werden. Gaarne had men haar nog langer gehoord, doch zij had zich te zeer ingespannen en was te vermoeid, om aan den niet onduidelijk uitgedrukten wensch van het gezelschap te kunnen voldoen. „Zuster!” zeide zij tot de bevallige Amine, „ik kan niet langer, de stem ontbreekt mij, voldoe gij het gezelschap, door in mijne plaats te spelen en te zingen.” „Met het grootste genoegen,” antwoordde Amine, terwijl zij naar Safie ging, die haar de luit ter hand stelde en hare plaats inruimde.

Na eenige preludiums, om te beproeven of het instrument goed gestemd was, speelde en zong Amine het zelfde lied, dat hare zuster gezongen had, doch met zooveel gevoel en aandoening, dat zij zigtbaar moeite had zich tot het einde toe goed te houden. Zij had intusschen zich zelve overtroffen, en Zobeïde liet niet na, hare tevredenheid over deze zoo schoone uitvoering te doen blijken. „Zuster,” zeide zij, „gij hebt heden wonderen verrigt; men kan wel zien, dat gij de schoonheid van het heerlijke lied, met even veel levendigheid als waarheid zoo even voorgedragen, diep gevoelt.” Amine was te zeer geroerd om op deze beleefdheid te antwoorden; haar hart was zoo ter neder gedrukt, dat zij meende te stikken. Op niets anders bedacht, dan om zich lucht te verschaffen, en zonder op het haar omgevend gezelschap te letten, rukte zij haren halsdoek af en ontblootte daardoor een' hals en een' boezem, niet blank gelijk albast, zoo als men dit bij eene zoo schoone vrouw zou verwacht hebben, maar geheel bedekt met zulke diepe naden en lidteekens, dat zij den aanschouwers afschrik moesten inboezemen. Doch ook deze wanhopige poging om zich lucht te verschaffen baatte niet; zij viel in zwijm.

Terwijl Zobeïde en Safie zich beijverden om hare zuster de noodige hulp toe te brengen, kon een der calenders niet nalaten te zeggen: „Indien ik had kunnen vermoeden, dergelijke tooneelen te moeten bijwonen, zou ik liever den nacht onder den blooten hemel hebben doorgebragt, dan hier mijn' intrek te nemen.” Toen de kalif dit hoorde, naderde hij de drie calenders, en zich tot hen wendende, sprak hij: „Zegt mij, wat beteekent toch dit alles?” „Heer,” zeide een der calenders, „wij weten er niet meer van dan gij.” „Wat!” hernam de kalif, „behoort gij dan hier niet te huis? Kunt gij ons niets mededeelen, aangaande de beide zwarte honden en deze bezwijmde en zoo vreesselijk mishandelde jonge vrouw?” „Heer!” gaven de calenders ten antwoord, „het was heden voor het eerst dat wij deze woning binnentraden, en wij zijn hier slechts weinige minuten vóór u gekomen.”

Dit deed de verbazing van den kalif nog hooger klimmen. „Misschien,” hernam hij, op den drager wijzende, „zal deze man er ons iets meer van kunnen zeggen.” „Het is mogelijk,” zeide een der calenders, den drager een' wenk gevende om naderbij te komen. Hij vraagde hem, of hij niet zeggen kon, waarom de zwarte honden zoovele zweepslagen hadden ontvangen, en wat aanleiding had gegeven dat Amine's hals en boezem met lidteekens als overdekt waren. „Heer,” sprak de drager, „als ik het wist, zou ik het u zeggen, maar ik zweer u bij den baard van den grooten profeet, dat ik er evenmin als gij een woord van kan vertellen, en wij op dit punt elkander niets te verwijten hebben en dus even wijs zijn. Het is waar, ik woon in deze stad en heb de dertig reeds achter den rug, doch vóór dezen dag heb ik nooit een' voet in dit huis gezet, en zoo _gij_ verwonderd zijt er _mij_ aan te treffen, _ik_ ben het niet minder van mij met _u_ in gezelschap te bevinden. En wat mij nog vreemder voorkomt,” aldus eindigde hij, „is, dat deze vrouwen hier schijnen huis te houden, zonder een' enkelen manspersoon over den vloer te hebben, niettegenstaande zij wel van de gezelligheid en van een vrolijk leven schijnen te houden.”

De kalif, zijne medgezellen en de drie calenders hadden tot dus verre in den waan verkeerd, dat de drager tot de huisgenooten behoorde en hij hen dus de gewenschte inlichtingen zoude kunnen geven; hierin teleurgesteld, besloot nogtans de kalif zijne nieuwsgierigheid tot elken prijs te bevredigen. „Hoort,” zeide hij tot de andere mannen, „wij zijn hier met ons zevenen tegenover deze drie vrouwen: het is dus in onze magt haar te noodzaken ons de verlangde inlichtingen te geven. Zoo zij niet genegen zijn, dit goedwillig te doen, zijn wij genoegzaam in staat er haar toe te noodzaken.” De groot-vizier Giafar kon zich met dit plan van zijnen gebieder niet vereenigen, en besloot echter zonder zijnen rang te ontdekken, hem de gevolgen van zulk eene onheusche handelwijze voor oogen te houden.—„Heer,” zeide hij, hem in zijn incognito als koopman toesprekende, „neem, als ik u bidden mag, in aanmerking, dat wij hier onzen goeden naam hebben op te houden. Het is u bekend, op welke voorwaarden deze vrouwen ons in haar gezelschap hebben toegelaten, wij namen er genoegen in. Wat zou men dus niet van ons zeggen, indien wij in strijd handelden met de door ons vrijwillig afgelegde belofte. En nog belagchelijker zouden wij ons maken, indien ons daardoor eenig kwaad overkwam. Oogenschijnlijk zijn deze vrouwen tegenover ons geheel weêrloos, doch het komt mij voor, dat zij zulke bedreigingen niet zouden gedaan hebben, indien haar volstrekt de magt ontbrak, daaraan zoo noodig gevolg te kunnen geven.”

Hier nam de vizier den kalif ter zijde, en zacht sprekende, zoodat zij door de anderen niet konden worden verstaan, vervolgde hij: „De nacht spoedt bijna ten einde. Uwe majesteit behoeft dus nog slechts een weinig geduld te hebben. Zoodra het genoegzaam dag is, zal ik als vizier naar deze woning terugkeeren en de vrouwen voor uwen troon brengen. Gij zult alzoo met eere, en zonder eenig gevaar te loopen, alles van haar te weten kunnen komen, wat gij verlangt. Hetgeen men den kooplieden van Moussoul, en te regt, welligt niet zou willen zeggen, en wat men _hun_ hoogst kwalijk zou nemen, zal men den Gebieder der Geloovigen niet kunnen of durven weigeren noch euvel duiden.”—Hoe gegrond en welgemeend deze raad ook was, gaf toch de kalif, die slechts naar zijn ongeduld luisterde, er geen gehoor aan. Hij legde den vizier het zwijgen op, en verklaarde, dat het zijn bepaalde wil was, nog op dezen zelfden oogenblik, de door hem verlangde inlichtingen te bekomen.

Aan dit bevel van zijnen heer moest de groot-vizier Giafar zich onderwerpen. Het kwam er dus nu nog maar op aan, wie het woord zoude doen, en alzoo de kat de bel aanbinden, of de kastanjes uit het vuur halen. De kalif trachtte er de calenders toe te bewegen, doch deze verontschuldigden zich, ieder voor zich, op de beleefdste wijze. De eene was niet wel bespraakt, de andere achtte zich te zeer door de afgelegde belofte gebonden, en de derde kwam er rond voor uit, dat hij op de eer, om hier als woordvoerder op te treden, niet gesteld was, en daarvoor zijne bijzondere redenen had. Eindelijk echter werden allen het eens; de arme drager zou als woordvoerder optreden. De eenvoudige man, wiens hersenen nog door de dampen van den krachtigen wijn verhit waren, liep als een blind paard in den hem gespannen strik. Hij was immers gewoon anderen ten dienste te staan, wel is waar alleen met zijne gespierde armen, nu echter was hij even bereid dit ook met den mond te doen. Reeds bereidde hij zich voor, zoo als zijn mond die zich in allerlei scheve plooijen trok het uitwees, om de noodlottige vraag te doen, toen Zobeïde, daar Amine weder tot bewustheid was gekomen, zich bij het gezelschap voegde, met de vraag, wat de heeren, die zij luid en driftig had hooren twisten, zoo zeer in vuur had gebracht.

De drager nam nu terstond het woord. „Dame,” zeide hij, „deze heeren verzoeken u hen wel te willen verklaren, waarom gij, na de beide honden mishandeld te hebben, met haar zamen weent, en wat de oorzaak is dat de schoone jonge vrouw, die zoo even in zwijm viel, den boezem zoo vol lidteekens heeft, als of zij met het mes van den vilder in aanraking ware gekomen. Zie daar, Dame! wat mij ten naasten bij, door hen gelast is u te vragen.”

Op deze vraag betrok het gelaat van Zobeïde, en zich met fierheid tot den kalif en de overigen wendende, zeide zij: „Is het waar, Mijne Heeren, dat gij dezen man gelast hebt, mij zulke vragen te doen?” Allen, uitgenomen de vizier Giafar, stemden zulks toe. Na deze bekentenis zeide Zobeïde, op eenen toon, die bewees, hoe diep zij zich beleedigd achtte: „Daar wij slechts vrouwen zijn, en alle mogelijke onaangenaamheid wenschen te vermijden, hebben wij, eer wij u de gunst, waarom gij verzocht, toestonden, u de voorwaarden gezegd, op welke wij u in ons gezelschap konden en wilden toelaten. Gij hebt beloofd die te zullen nakomen, en u niet te bemoeijen met zaken, welke u niet aangaan. Wij hebben u onthaald naar ons beste vermogen, en dit vergeldt gij ons, met uwe belofte te schenden. Gij schijnt zelfs met mijne bedreiging, dat, zoo gij uw woord verbreekt, zulks voor u onaangename gevolgen zou kunnen hebben, den spot te drijven, wanende dat gij van weêrlooze vrouwen niets hebt te vreezen, en haar ongestraft kunt beleedigen. Ik zal u echter toonen, mijne Heeren! dat ik, hoewel eene vrouw, de magt bezit mijne bedreigingen tegenover zulke ondankbare gasten, als gij blijkt te zijn, ook ten uitvoer te brengen.” Dit zeggende, stampte Zobeïde driemaal op den vloer, en klapte in de handen. „Komt spoedig!” riep zij luid en toornig. Eene achter het behangsel verborgen deur vloog open, en zeven zwarten slaven van reusachtige gestalte stormden met ontbloote zwaarden in de hand de zaal binnen.

Deze zwarte duivels wierpen zich als getergde leeuwen op de doodelijk verschrikte gasten, en zich elk van een' hunner meester makende, wierpen zij hen tegen den grond, sleurden ze naar het midden der zaal, en maakten zich gereed hen het hoofd af te slaan.