Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Eerste deel
Part 1
+----------------------------------------------------------------+ | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, | | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te | | moderniseren. | | | | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het | | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Voetnoten zijn | | verplaatst naar het eind van de alinea met de verwijzing. | | | | De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als | | _cursief_. Uitgespatieerde tekst is weergegeven als | | ~uitgespatieerd~; vette tekst als #vet#. | | | | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn | | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden: met/zonder | | accent, met/zonder koppelteken, met/zonder extra spatie). | | | | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de | | aangebrachte correcties. | | | | De illustraties zijn beschikbaar bij de html-versie van dit | | e-boek op https://www.gutenberg.org/ | | | | Van „Duizend en één Nacht” zijn ook 3 andere delen als e-boek | | beschikbaar via Project Gutenberg: | | #45875, Tweede deel: https://www.gutenberg.org/ebooks/45875 | | #45876, Derde deel: https://www.gutenberg.org/ebooks/45876 | | #45877, Vierde deel: https://www.gutenberg.org/ebooks/45877 | | | +----------------------------------------------------------------+
DUIZEND EN ÉÉN NACHT.
Duizend en één Nacht.
ARABISCHE VERTELLINGEN.
NAAR DE BESTE BRONNEN VOOR ONZEN TIJD BEWERKT.
_EERSTE DEEL._
AMSTERDAM, Gebrs. KOSTER. 1882.
DUIZEND EN ÉÉN NACHT.
ARABISCHE VERTELLINGEN.
INLEIDING.
In de kronijken der aloude Perzische koningen, wier gebied zich van de grenzen van China tot aan den Ganges in Indië uitstrekte, leest men van eenen vorst, die den roem van zijn stamhuis tot den hoogsten luister opvoerde. Deze had twee zonen, waarvan de oudste, Schahriar genaamd, door zijne dapperheid en deugden beloofde eenmaal den waardigen opvolger van zijnen beroemden vader te zullen worden. Zijn jongere broeder Schahzenan was mede een prins van groote verdiensten.
Toen de oude koning na eene lange en gelukkige regering overleed, besteeg Schahriar den troon. Schahzenan door de wetten des rijks van alle regering buiten gesloten en verpligt om als een gewoon burger te leven, benijdde echter zijnen broeder deszelfs hooge magt niet, maar gaf zich integendeel alle moeite om met hem op eenen goeden voet te leven. Het kostte hem weinig inspanning aldus te handelen. Schahriar, van nature met eene hartelijke genegenheid voor zijnen broeder bezield en voldaan over diens edel gedrag, besloot zijn rijk met hem te deelen, en beschonk hem met het koningrijk van Groot-Tartarije. Schahzenan vertrok weldra om zijn rijk in bezit te nemen, en vestigde zijnen zetel te Samarcande.
Tien jaren waren sedert deze scheiding der beide koningen voorbijgegaan, toen Schahriar, door een' onverwinnelijken lust bezield om zijnen broeder te zien, zijnen eersten vizier met een talrijk gevolg naar Samarcande zond, om den koning van Tartarije tot een bezoek uit te noodigen.
Toen de vizier de hoofdstad naderde, ging Schahzenan, van de komst des gezants onderrigt, hem te gemoet, door zijne voornaamste hovelingen vergezeld, die, om den sultan meer eer te bewijzen, allen op het prachtigst waren uitgedost. De koning van Tartarije ontving het gezantschap met alle blijken van vreugde, en vroeg met levendige belangstelling naar den welstand van den sultan zijn' broeder en andere op hem betrekking hebbende zaken. De vizier aan de weetgierigheid des konings voldaan en met hem het verlangen zijns meesters bekend gemaakt hebbende, gevoelde Schahzenan zich zeer getroffen wegens dit vernieuwde blijk van broederlijke genegenheid. „Vizier,” zeide hij, „mijn broeder de sultan doet mij te veel eer aan, en hij zou niets hebben kunnen verlangen dat mij aangenamer is. Begeert hij mij te zien, ik koester geen' anderen wensch. Heeft de tijd zijne genegenheid niet kunnen verminderen, de mijne voor hem is nog onverzwakt. Mijn rijk is rustig en ik verlang slechts tien dagen ter regeling van mijne zaken, ten einde met u de reis te aanvaarden. Het is dus voor een kort verwijl niet noodig, dat gij uw verblijf in mijne hoofdstad neemt of verder trekt. Sla hier uwe tenten op, ik zal last geven dat men u en uw gevolg rijkelijk van levensmiddelen en verfrisschingen voorzie.” Hieraan werd met spoed gevolg gegeven. Nog niet lang was de koning binnen Samarcande teruggekeerd, toen de vizier reeds een lange trein van slaven zag naderen, die op gouden en zilveren schotels allerlei kostelijke spijzen of rijke geschenken voor den gezant op het hoofd droegen, en, zich op eene knie buigende, hem tevens gedurende zijn verblijf hunne diensten aanboden.
Schahzenan zijne zaken binnen den door hem gestelden tijd geregeld en een' raad gekozen hebbende, die gedurende zijne afwezigheid den grootvizier zou ter zijde staan, opdat het land met wijsheid mogt geregeerd worden, nam nu een hartelijk afscheid van de koningin, welke hij zeer lief had, en verliet met zijn reisgezelschap de hofstad.
Het was toen avond en na tot middernacht in het pavilloen, dat in het kamp voor hem was opgeslagen, met den gezant zeer belangrijke en aangename gesprekken te hebben gevoerd, besloot de koning zich ter rust te begeven. Doch nauwelijks was de gezant vertrokken, of Schahzenan, nu aan zijne gemalin denkende, kwam tot andere gedachten, en het viel hem in de koningin vóór zijn vertrek nog een bezoek te brengen. Dadelijk keerde hij naar Samarcande terug, trad geheel alleen en zoo stil mogelijk den harem en het vertrek van zijne gemalin binnen, welke hij door zijne zeker niet verwachte komst eene blijde verrassing wilde verschaffen. Haar vertrek echter binnentredende, doet hij een stap terug en blijft als aan den grond vastgenageld staan, toen hij haar in gezelschap van een zijner officieren zag.
„Wat,” zegt de koning, tot zich zelven komende, „naauwelijks heb ik dit paleis verlaten, bevind mij nog onder de muren van Samarcande, en men waagt het reeds mij aldus te honen? Ha! trouwelooze, uwe misdaad zal niet ongestraft blijven. Als koning rust de pligt op mij de misdrijven, die er in mijn rijk plaats hebben, te straffen; als beleedigd echtgenoot voel ik mij genoopt u aan mijne regtmatige wraak op te offeren.” De ongelukkige vorst, aan den eersten indruk van zijnen toorn gehoor gevende, trekt zijn zwaard en met een' enkelen slag doet hij de schuldigen hun leven eindigen. Daarna neemt hij de lijken der verslagenen, en werpt ze uit eene der vensters in de gracht, die het paleis omgeeft.
Na deze eigenhandige regtspleging verliet de koning van Tartarije het paleis en de stad even stil als hij er in was gekomen, en begaf zich naar zijn pavilloen terug. Kort daarop, zonder tot iemand over het voorgevallene te spreken, gaf hij bevel de tenten op te breken en te vertrekken. Spoedig was alles gereed en nog vóór dat de dag aanbrak werd de reis begonnen, onder het geschal van onderscheidene muzijk-instrumenten. Doch dit mogt alle anderen tot vreugde stemmen, de koning kon er niet in deelen. De vorst, de gedachte aan de ontrouw zijner gemalin niet van zich kunnende zetten, verviel in eene diepe droefgeestigheid, welke hem gedurende de geheele reis bijbleef.
Toen hij de hoofdstad van Indië naderde, kwam de sultan Schahriar hem met zijn geheele hof te gemoet rijden. Groot was de vreugde des wederziens. Beiden stegen af, omhelsden elkander regt broederlijk, en eerst na vele blijken van de meest ongeveinsde genegenheid, klommen zij weder te paard en reden naar de stad, waar zij door een groot deel der talrijke bevolking onder blij geschal werden ingehaald.
De sultan van Indië liet ter eere van zijnen broeder vele prachtige feesten aanrigten, doch Schahzenan bleef daar geheel ongevoelig voor, en zoo groot was zijne neêrslagtigheid, dat zulks de aandacht van den sultan niet ontging. Daar hij zich niets te verwijten had en al het mogelijke deed om het verblijf aan zijn hof voor zijnen broeder aangenaam te maken, vermoedde hij dat deze te veel aan de zaken zijns rijks of aan de koningin dacht en daarom bij hem geen genoegen kon vinden. Schahriar was te grootmoedig om zijn' broeder tegen diens zin bij zich te willen houden, en besloot alzoo de geschenken, welke hij voor hem bestemd had, aan hem te zenden, een bewijs dat hij vrijheid had naar zijne staten terug te keeren, zoodra hem dit zou goeddunken. Vooraf echter liet hij eene groote jagtpartij aanrigten, meenende dat dit vorstelijk vermaak den koning van Tartarije welligt beter zou behagen dan de hoffeesten, ter zijner eere gegeven. Doch Schahzenan verontschuldigde zich met eene ongesteldheid en verzocht verlof zijne kamers te mogen houden. „Ik ken mijn' broeder niet meer,” sprak de sultan bij zich zelven, „vroeger had hij alle hoffelijkheid voor mij, maar thans schijnt hij op mijne genegenheid weinig prijs meer te stellen en geheel vergeten te zijn, dat hij alleen aan mijne broederlijke liefde zijne hoogheid en zijn rijk te danken heeft.” En nadenkende over de ondankbaarheid der menschen en hoe spoedig eene ontvangen weldaad dikwijls wordt vergeten, reed hij, weemoedig over deze ondankbaarheid van zijnen liefsten bloedverwant, alleen en slecht gestemd ter jagt, zonder verder bij zijnen broeder aan te dringen of hem in zijne vrijheid hinderlijk te willen zijn.
Schahzenan sloot zich in zijn vertrek op, ten einde zich ongestoord aan zijne droefgeestige gedachten te kunnen overgeven. Zelfs de prachtige lusthof, waarin hij uit zijn venster het gezigt had, de schitterende bloemenpracht en het liefelijk gezang van honderden vogelen, die vrolijk in de olijf- en oranjeboomen rondfladderden en hun avondlied neurieden, waren niet in staat hem uit zijne treurige overpeinzing op te wekken. Terwijl hij aldus werktuigelijk en zonder eenig gevoel voor al dit schoone in den hof staarde, kwam het hem voor, dat een verborgen poort, die zich in den muur bevond, welke den hof omsloot en die met het paleis des sultans gemeenschap had, geopend werd, en hetgeen hij nu zag moest zijne aandacht wel trekken. Een twintigtal vrouwen, in welker midden zich de sultane bevond, welke aan hare prachtigste kleeding en fiere gestalte ligtelijk te onderscheiden was, traden plotseling den hof binnen. De prinses, in de vaste overtuiging zijnde, dat de koning van Groot Tartarije zich met den sultan ter jagt bevond, naderde zonder eenige beschroomdheid tot onder het venster van zijn vertrek. Schahzenan, nieuwsgierig het gelaat der koningin te zien, welke zich vermoedelijk weldra van den sluijer, die hare majestueuse gestalte verborg, zou ontdoen, plaatste zich zoo, dat hij alles kon zien, zonder vrees van ontdekt te worden. Hij werd, met de gebruiken van het serail bekend zijnde, in zijne verwachting niet bedrogen, de koningin legde haren sluijer af, terwijl de overigen zich van het lange opperkleed, dat zij over een kort kleed droegen, ontdeden. Doch hoe groot was de verbazing des konings, toen hij zag dat zich onder dit gezelschap, hetgeen alleen uit vrouwen mogt bestaan, tien zwarte slaven bevonden, die zich elk bij eene der vrouwen voegden. De onbetamelijkheid van eene dergelijke handelwijze deed aan Schahzenan genoeg zien, om zich te overtuigen, dat de sultan zijn broeder niet minder te beklagen was dan hij. De vrouwen en slaven vermaakten zich tot middernacht, waarna zij door dezelfde geheime poort in het paleis terugkeerden. Terwijl dit alles onder de oogen des konings van Groot Tartarije plaats greep, kwamen er verschillende gedachten bij hem op: „Ben ik niet een groote dwaas,” sprak hij tot zich zelven, „te gelooven, dat mijn ongeluk zoo eenig is! Het is ongetwijfeld het algemeen lot der mannen, door hunne vrouwen bedrogen te worden, daar de Alleenheerscher over zoo vele magtige staten, de grootste koning des aardbodems zich daarvoor niet heeft kunnen vrijwaren. Dit zoo zijnde, welk eene dwaasheid is het dan, mij door eene zoo algemeene zaak van verdriet te laten overheerschen! Mijn besluit is genomen; de herinnering aan een ongeluk, waarin zoo velen met mij moeten deelen, zal in het vervolg mijne rust niet meer verstoren.” Van dat tijdstip af zocht de koning van Tartarije zijne droefheid, waarvan hij nu de dwaasheid inzag, te bestrijden, en hij slaagde daarin volkomen. Dien avond, voor het eerst na de ontrouw zijner gemalin, liet hij zich het avondmaal, dat, hij thans beval op te dragen, zeer goed smaken, en bragt eenen zoo rustigen nacht door, als dit in langen tijd het geval niet was geweest.
Van dien dag af kreeg hij zijn gewone vrolijkheid terug, en toen hij vernam dat de sultan van de jagt terug gekomen was, ging hij hem dadelijk met een opgeruimd gelaat zijn opwachting maken.
Schahriar sloeg in het eerst geen acht op de verandering, welke met zijnen broeder had plaats gegrepen en beklaagde zich alleen op vriendelijken toon, dat hij hem niet op de jagt had willen vergezellen.—Zonder aan Schahzenan den tijd te laten op dit verwijt te antwoorden en zich te verontschuldigen, bragt hij het gesprek op de groote menigte herten en ander wild, dat men gedood, en het vermaak dat hij op de jagt gesmaakt had. Schahzenan, hem met onverdeelde aandacht aangehoord hebbende, lag in zijne antwoorden zoo veel geest en levendigheid aan den dag, dat zulks door den sultan niet langer onopgemerkt kon blijven. Hij was deswegens evenzeer verblijd als verwonderd. „Broeder,” zeide hij, „ik dank den hemel voor de gelukkige verandering, welke in mijn afzijn ten uwen opzigte heeft plaats gegrepen en verblijd er mij ten hoogste over. Maar nu heb ik eene bede, welke ik u verzoek mij niet af te slaan.” „Wat zou ik u kunnen weigeren?” antwoordde de koning van Tartarije, „gij die op Schahzenan alles vermoogt. Spreek slechts, ik brand reeds van verlangen om uwen wensch te mogen kennen, en dien even spoedig te vervullen.”
„Sedert gij aan mijn hof zijt,” hernam Schahriar, „heb ik bij u eene neêrslagtigheid opgemerkt, welke ik te vergeefs heb getracht door allerlei soort van vermakelijkheden te verdrijven. Ik verbeeldde mij dit verdriet daaraan te moeten toeschrijven dat gij u te lang van uw Rijk verwijderd bevondt, zelfs heb ik gedacht, dat ook de liefde hier de hand in had, en dat de koningin van Samarcande, welke ongetwijfeld in schoonheid, deugd en allerlei beminnelijkheden zal uitmunten, daar gij haar uwe keuze hebt waardig geacht, er welligt mede oorzaak van was. Doch van waar dan de plotselinge verandering, die ik bij u opmerk, wat gaf u stof tot treuren, en doet u thans weder vrolijk zijn?”
Schahzenan verzocht op die vraag het antwoord te mogen schuldig blijven, daar dit de pas gesloten wonde welligt weder zou openrijten, doch de sultan, hierdoor zijne nieuwsgierigheid opgewekt gevoelende, drong zoo sterk aan, dat de koning van Tartarije eindelijk moest toegeven en hem met de oorzaak zijner droefheid bekend maakte. „Oordeelt thans Sire,” besloot hij zijne mededeeling, „of ik wel heb gehandeld door de koningin te straffen en of mijne droefheid ongegrond was?”
„Waarde broeder,” riep de sultan op een' toon, die genoeg te kennen gaf, hoezeer hij in de gevoeligheid des konings van Tartarije deelde, „welk eene treurige geschiedenis verhaalt gij mij daar! Met ongeduld heb ik u ten einde aangehoord! Ik prijs het, dat gij de verraders, die u dus gehoond hadden, gestraft hebt, gelijk zij verdienen. Ik moet zelfs belijden, dat ik in uwe plaats zijnde misschien minder maat zoude hebben gehouden. Ik zou mij niet vergenoegd hebben de schuldige vrouw te dooden, maar welligt mijne gramschap aan duizenden van haar geslacht hebben doen gevoelen. Ik verwonder mij dus niet meer over uw verdriet, de oorzaak, die daartoe aanleiding gaf is van een' aard, die mij welligt onder haren last zou hebben doen bezwijken. Welk eene noodlottige gebeurtenis! Ik geloof niet dat iemand een grooter ongeluk zou kunnen treffen. Maar wij moeten den hemel dankzeggen, dat hij u de kracht en de middelen heeft geschonken, om u over dien ramp te troosten. En niet twijfelende of gij zult daar goede redenen voor hebben, zoo heb de goedheid mij ook die te doen kennen; schenk mij uw volle vertrouwen.”
Schahzenan, zijnen broeder eene gelijke droefheid willende besparen als hij zelf had ondervonden, bleef lang weigerachtig, doch Schahriar liet zich niet afwijzen, zoodat de koning van Tartarije zich ten laatste gedrongen zag, hem mede te deelen hetgeen hij in den hof gezien had, waardoor hij tot het besluit was gekomen, dat het eene groote zwakheid voor een' man was, zijne zielsrust en zijn geluk van de trouw eener vrouw afhankelijk te maken, zoodat hij van dit tijdstip af zijne droefheid bestreden en ook overwonnen had, den sultan den raad gevende hierin zijn voorbeeld te volgen.
Hoe verstandig ook die raad was, zij kwam niet overeen met het opvliegend karakter van den sultan. „Wat,” riep hij woedend uit, „de sultane van Indië zou in staat zijn zich zoo onwaardig te gedragen! Neen broeder,” vervolgde hij, „ik kan niet gelooven aan de waarheid van hetgeen gij mij verhaald hebt, tenzij ik er met eigen oogen getuige van ben. Waarschijnlijk hebt gij u in de persoon der koningin vergist; en de zaak is gewigtig genoeg, dat ik daarvan het bewijs erlang.”
„Broeder,” antwoordde Schahzenan, „wilt gij u van de waarheid overtuigen, dit is niet zeer moeijelijk, gij hebt niets te doen dan eene nieuwe jagtpartij te verordenen. Zoodra wij alsdan niet ons gevolg buiten de stad zullen zijn en het kamp is opgeslagen, keeren wij met den avond naar uw paleis terug en houden ons in mijn vertrek verborgen. Ik ben overtuigd, dat gij alsdan hetzelfde tooneel zult zien, waarvan ik ooggetuige was.”
De sultan deze list goedkeurende, liet nog dienzelfden dag, het bevel tot eene groote jagt uitgaan, en de tenten buiten de stad opslaan, om aldaar den morgenstond af te wachten en bij tijds te kunnen vertrekken.
Met spoed werden des konings bevelen uitgevoerd, hij nam voor eenige dagen afscheid van zijne gemalin en reed, door zijnen hofstoet vergezeld, de poort uit. Toen het donker was geworden, riep Schahriar zijn' grootvizier, en zonder hem met zijn plan bekend te maken, beval hij hem zijne plaats in te nemen en niet toe te laten, dat iemand om wat oorzaak ook het kamp zou verlaten, vóór zijne wederkomst. Daarop verliet hij, alleen vergezeld door den koning van Tartarije in stilte het kamp, en in de stad teruggekeerd zijnde, begaven zij zich naar het paleis, waar Schahzenan zijn verblijf had en bragten aldaar den nacht verder door.
Zoodra echter de dag was aangebroken namen zij, achter de zware gordijnen verborgen, plaats aan het venster, dat in den hof van het paleis uitzag. Zij hadden nog geen uur gewacht, toen de geheime poort open ging en het zelfde tooneel zich herhaalde, waarvan Schahzenan getuige was geweest.
De sultan thans overtuigd van den hoon hem door de koningin aangedaan, werd als onzinnig. „Broeder!” riep hij, den koning van Tartarije omhelzende, „welk een verschrikkelijk iets! Kan de gemalin van een groot monarch zich aan zulk eene overtreding schuldig maken, welk vorst zal er zich dan nog op kunnen beroemen gelukkig te zijn! Neen, laat ons beiden aan eene wereld vaarwel zeggen, waaruit de goede trouw verbannen is. Laat ons afstand doen van den troon en van alle grootheid dezer booze wereld, die met de eene hand neemt, wat zij met de andere heeft gegeven, en laat ons in vreemde landen onze schande en ons ongeluk gaan verbergen en betreuren.”
Schahzenan vond weinig smaak in dit wanhopige plan, doch hij achtte het niet raadzaam den sultan in den staat van opgewondenheid waarin deze zich bevond te weêrspreken. „Broeder,” zeide hij, „uw wil zal steeds den mijnen zijn, ik ben gereed u te vergezellen tot aan het uiteinde der bewoonde aarde; maar beloof mij dat wij terug zullen keeren indien wij iemand aantreffen, die ongelukkiger en meer bedrogen is, dan wij zijn.” „Dat beloof ik u,” antwoordde de sultan, „maar ik betwijfel het, dat op de geheele wereld zoo iemand zal te vinden zijn.” „Ik ben niet van uw gevoelen,” hernam de koning van Tartarije, „misschien zelfs zal onze reis van zeer korten duur zijn?” Schahriar zeide hier niets op, maar volhardde in zijn ongeloof, en een oogenblik later verlieten beide koningen in burgergewaad het paleis en de stad, een' anderen weg inslaande, dan van waar zij gekomen waren, ten einde de legerplaats te vermijden. Zij gingen zoo lang het dag was en bragten den nacht in het open veld onder eenen boom door. Zoodra het licht begon te worden, stonden zij op en vervolgden hunnen weg, zonder eenig vast plan te hebben, werwaarts zij hunne schreden rigten zouden. Toen de dag op het heetst was, kwamen zij aan den oever der zee in eene schoone landstreek, waar verscheiden kokosboomen stonden, die de vermoeide zwervers schenen uit te nodigen onder hun bladrijk loverdak eene rust- en wijkplaats te zoeken tegen de brandende zonnestralen. De beide koningen zetten zich onder een' dezer boomen neder, om den daar waaijenden frisschen zeewind in te ademen en zich wat te verkoelen en te verpozen van hunne vermoeijenis. Het gesprek, dat zij voerden, liep weder over de ontrouw van hunne gemalinnen, want waar het hart vol van is, daarvan loopt doorgaans de mond over.
[Illustratie: Inleiding.—De schoone Dame.
Dl. I, pag. 13.]
Niet lang nog had dit hun onderhoud geduurd, toen zich in hunne nabijheid een vreeselijk gerucht deed hooren, vergezeld gaande door zulk eene ontzettende kreet, dat zij geheel verschrikt werden. Op dat tijdstip spleet de zee van een, en eene zwarte kolom, die tot aan de wolken scheen te reiken, rees uit dien afgrond op. Op dit gezigt verdubbelde hunne vrees, zij stonden ijlings op en klommen in eenen boom wiens bladrijken kruin zij meenden, dat hun het best zou kunnen verbergen. Naauwelijks hadden zij zich daar in veiligheid gesteld, toen de kolom allengskens eene menschelijke gestalte aannam en zich aan hen vertoonde als een groote en afschuwelijke reus, die het strand naderde en door zijn' snellen gang de zee deed opbruisen, als voor den boeg van een snel zeilend schip.
Wat hun zoo veel schrik aanjoeg, was een dier booze geesten, die den menschen vijandig zijn en er behagen in scheppen hen te kwellen en kwaad te doen. Hij was van eene gedrochtelijke gestalte en droeg op zijn hoofd, dat afschuwelijk was om aan te zien, eene groote glazen kist, waaraan vier stalen sloten hingen. Aan land stappende, naderde hij den boom waarop onze vlugtelingen zaten, en zette tot hunnen schrik aldaar zijne vracht af, zoodat de twee koningen zich reeds verloren achtten.