Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Derde deel

Part 9

Chapter 94,103 wordsPublic domain

Op zekeren dag trad mijn broeder bij den molenaar binnen. Deze staakte terstond zijn werk, en ging heen, om geld te krijgen. Maar de jonge slavin fluisterde den snijder toe, dat hij zich wel moest wachten, iets aan te nemen. Mijn broeder deed, zooals hem werd ingeblazen, en zeide, toen de molenaar terugkwam, dat hij daar niet om gekomen was, maar alleen om hem een bezoek te brengen. De molenaar bedankte hem voor zijne oplettendheid, en gaf hem weder een stuk stof, om er een overkleed uit te maken. Bacbouc bragt het reeds den volgenden morgen terug. Nogmaals haalde de molenaar zijne beurs voor den dag, maar de jonge slavin zag mijn' broeder gedurig aan, zoodat deze meende, ook nu weder het geld te moeten weigeren. „Buurman,” zeide hij tot den molenaar, „daar is volstrekt geen haast bij, wij zullen later wel afrekenen.” Zoo keerde deze arme stakkert naar zijn' winkel terug, met drie zware ziekten, namelijk: verliefd, uitgehongerd, en geen geld in den zak.

De molenaarster was gierig en ondeugend. Zij stelde zich niet tevreden, mijn' broeder te onthouden, hetgeen zij hem verschuldigd was, maar zette bovendien haren man aan, wraak te nemen over de voor haar opgevatte liefde van den ongelukkigen kleêrmaker. Ziehier hoe zij dit aanlegde. De molenaar liet Bacbouc uitnoodigen, het avondmaal bij hem te gebruiken. Na hem zoo sober mogelijk onthaald te hebben, zeide hij tot hem: „Buurman, het is voor u te laat geworden, om naar huis te gaan; blijf dus van nacht hier.” Zoo voortpratende bragt hij hem op eene plaats, waar men een bed had gespreid. Hij liet hem daar, en begaf zich met zijne vrouw naar de kamer, waar zij gewoon waren te slapen. Midden in den nacht stond de molenaar op, en ging naar mijn' broeder: „Buurman,” zeide hij, hem aanstootende, „slaapt gij? Mijn ezel is ziek, en ik heb veel koren te malen; zoudt gij mij niet het genoegen willen doen, in zijne plaats den molen te draaijen.” Bacbouc, verblijd hem een bewijs van zijne dienstvaardigheid te kunnen geven, antwoordde, dat hij daartoe bereid was, en hij hem alleen te onderrigten had, wat hem te doen stond. Daarop deed de molenaar hem een' touw om den middel, en maakte hem vast, gelijk hij gewoon was zijnen ezel te doen, als deze in den molen liep. Toen gaf hij hem een' fikschen zweepslag met de woorden: „Vooruit buurman, vooruit!” „Wel, waarom slaat gij mij?” vroeg mijn broeder, een pijnlijk gezigt trekkende. „Dat is alleen, om u aan te moedigen,” antwoordde de molenaar, „zonder die aansporing wil mijn ezel niet loopen.” Bacbouc was zeer verwonderd over deze behandeling; zij viel volstrekt niet in zijn' smaak. Niettemin durfde hij zich daarover niet beklagen. Nadat hij vijf of zes malen den molen had rond gegaan, wilde mijn broeder eens rusten; maar de molenaar gaf hem een twaalftal zweepslagen, die ter dege raak waren, zeggende: „Houd moed, buurman, en sta niet stil, als ik u verzoeken mag; gij moet loopen zonder ophouden, anders zoudt gij mijn koren bederven.”

De molenaar dwong mijn' broeder,”” vervolgde de barbier, „„gedurende het overige van den nacht in den molen te loopen, en telkens als hij verflaauwde, spoorde zijn kwelgeest hem met vernieuwde zweepslagen aan. Met het aanbreken van den dag ging de molenaar, zonder mijn' armen broeder los te maken, naar de kamer zijner vrouw, waar zij zich te zamen over den ongelukkigen minnaar vrolijk maakten. Bacbouc moest inmiddels in zijn' lastigen toestand blijven, totdat eindelijk de jonge slavin hem bevrijdde. „Ach! wat hebben wij u beklaagd, mijne goede meesteres en ik!” riep zij verraderlijk. „Wij hebben volstrekt geen deel aan deze ondeugende behandeling.” Bacbouc gaf hierop volstrekt geen antwoord, hij was daartoe te afgemat, en zijne van de zweepslagen nog gezwollen armen en beenen bij beurten wrijvende, hompelde hij al steunende naar zijne woning, waar hij het kloekmoedig besluit nam, niet meer aan de molenaarster te zullen denken.”

Het verhaal van deze geschiedenis,” vervolgde de barbier, „deed den kalif lagchen. „Ga,” sprak hij, „naar uw huis; men zal u van mijnentwege iets geven, waarmede gij u zult kunnen troosten, wegens het gemis van het onthaal, waarop gij u gespitst hadt, toen gij de tien roovers voor fatsoenlijke lieden hieldt.” „Beheerscher der geloovigen,” hernam ik, „ik smeek uwe majesteit mij toe te staan, dat ik niets ontvang, alvorens haar ook verhaald te hebben de geschiedenissen van mijne andere broeders.” De kalif toonde mij door zijn stilzwijgen, dat hij gestemd was, mij aan te hooren, en ik vervolgde op deze wijze.

GESCHIEDENIS VAN DEN TWEEDEN BROEDER VAN DEN BARBIER.

„Mijn tweede broeder, genaamd Bakbarah de tandelooze, op zekeren dag door de stad drentelende, ontmoette in eene afgelegen straat, eene oude vrouw, welke hem staande hield. „Wat verlangt gij van mij?” vroeg mijn broeder. „Dat zal ik u in weinige woorden zeggen,” zeide de oude. „Indien gij tijd en lust hebt mij te volgen, zoo zal ik u in een prachtig paleis brengen, en gij zult daar eene jonge dame zien, zoo schoon als de dageraad. Zij zal u met voorkomendheid ontvangen, en vorstelijk onthalen; u meer te zeggen, acht ik overbodig.” „Maar is hetgeen gij mij daar zegt, wel waar?” vroeg mijn broeder. „Waar heeft die dame mij gezien? Van waar kent zij mij?” „Dat doet er niet toe,” hernam de oude, „'t moet u genoeg zijn, dat zij verlangd heeft u bij zich te zien, en zich met u te vermaken.” „Kan ik u vertrouwen?” sprak mijn broeder, nog twijfelende, of hij dit alles moest gelooven. „Dat kunt gij,” zeide de vrouw. „Zie mij niet aan voor eene leugenaarster; wat ik u gezegd heb, is de zuivere waarheid. Ééne zaak echter vorder ik van u; gij moet u in haar bijzijn verstandig gedragen en weinig praten, maar haar zooveel te meer beleefdheden bewijzen, want daar is zij zeer op gesteld.” Bakbarah nam deze voorwaarde aan. „Volg mij dan,” vervolgde de oude, „en ik zal u den gelukkigsten der mannen maken; want men kan mijne meesteres niet zien, zonder haar te beminnen.”

Zij kwamen weldra voor de poort van een fraai paleis, met eene wacht er voor. De officier van de wacht wilde mijn' broeder afwijzen, maar naauwelijks had de oude vrouw een paar woorden tot hem gesproken, of hij gaf last beiden door te laten. Nu gingen zij door een' ruimen marmeren gang, totdat zij op de binnenplaats van het paleis kwamen. Eindelijk bragt zij hem in eene allerprachtigste zaal, in welker midden zich eene wit marmeren kom bevond, met eene fontein van welriekend water; rondom de kom waren de fraaiste en geurigste bloemen in albasten vazen geplaatst. De oude deed Bakbarah op eene sofa plaats nemen. „Herinner u,” zeide zij tot hem, „dat zij, die ik thans van uwe komst zal verwittigen, onderworpenheid en terughouding bemint; zij kan niet verdragen, dat men haar tegenspreekt. Indien gij haar echter daarin ter wille zijt, en u naar hare luimen weet te schikken, zoo kunt gij er staat op maken, dat gij alles van haar zult verkrijgen, wat gij moogt begeeren.” Bakbarah bedankte de oude voor haren raad, en beloofde deze te zullen nakomen; waarop zij heenging, om hem bij hare meesteres aan te dienen. Mijn broeder, die nog nooit zoo iets gezien had, hield zich bezig met al de schoone en meestal vreemde zaken, die zich aan zijne oogen vertoonden, met bewondering te beschouwen; en zijn geluk afmetende naar de pracht, waardoor hij zich omgeven zag, had hij moeite zijne blijdschap te bedwingen.

Weldra hoorde hij een groot geraas, veroorzaakt door eene menigte rijk gekleede slavinnen, die hem luid lagchende te gemoet traden. In hun midden bespeurde hij eene jonge dame van uitstekende schoonheid, wier kleed van edelgesteenten schitterde. Hieraan, en aan den eerbied welke de anderen haar bewezen, kon mijn broeder ligtelijk gissen, dat zij de meesteres was. Bakbarah, die gedacht had met de jonge dame alleen te zullen zijn, was echter zeer bevreemd en volstrekt niet in zijn' schik, toen hij haar in zulk een talrijk gezelschap zag komen. Inmiddels bragten de slavinnen, naarmate zij hem naderden, hun gelaat in eene ernstige plooi, en zoodra de jonge dame bij de sofa kwam, waarop mijn broeder gezeten was, stond deze op en maakte eene diepe buiging. Zij nam de eereplaats in, en gaf mijnen broeder een' wenk, dat ook hij zich weêr zou nederzetten, terwijl zij op lagchenden toon tot hem zeide: „Ik ben verrukt u te zien, en wensch u alles goeds toe.” „Mejufvrouw,” gaf Bakbarah ten antwoord, „ik zou geen grooter geluk kunnen wenschen, dan de eer die mij te beurt valt, voor u te mogen verschijnen.” „Het komt mij voor,” hernam zij, „dat gij zeer opgeruimd zijt. Het zal u dus niet onaangenaam zijn, wanneer wij den tijd te zamen genoegelijk doorbrengen.”

Zij gaf thans last, dat men eenige spijzen zou opdragen. Hieraan werd terstond voldaan, en het ontbrak niet aan het fijnste fruit en het lekkerste gebak. De jonge dame deed Bakbarah tegenover zich plaats nemen, terwijl de slavinnen naar rang en ouderdom hare plaatsen aan tafel innamen. Bij het eerste stuk, dat mijn broeder in den mond stak, zag de jonge dame, dat hij geene tanden had, waarop zij ook hare slavinnen opmerkzaam maakte, die er van ganscher harte om moesten lagchen. Bakbarah, die zich nu en dan verstoutte een' steelschen blik op zijne schoone overbuur te werpen, en haar zag lagchen, schreef dit toe aan hare vreugde over zijne komst, en vleide zich, dat zij hare slavinnen weldra weg zou zenden, ten einde met hem onder vier oogen te zijn. De jonge dame scheen zijne gedachte te raden, en schepte er vermaak in, hem in zijne aangename dwaling te doen blijven. Zij zeide hem allerlei aardigheden, en bediende hem met eigen hand van het beste, dat op tafel was.

Na eenige ververschingen gebruikt te hebben, stond men al spoedig van tafel op. Tien slavinnen kregen muzijkinstrumenten, en vingen aan te spelen en te zingen; anderen dansten. Mijn broeder en zelfs de jonge dame namen werkdadig deel in deze vermaken. Toen het dansen eenigen tijd geduurd had, werd er eene pauze gehouden. De jonge dame liet zich een' beker wijn geven, en wierp mijn' broeder een vriendelijk lachje toe, om hem te kennen te geven, dat zij op zijne gezondheid dronk. Hij stond dadelijk op, en bleef in die houding, tot dat zij den beker geledigd had. Nu liet zij den bokaal, in plaats van dien terug te geven, weder inschenken, en bood hem mijn' broeder aan, opdat hij haar bescheid zou doen. Bakbarah kuste de schoone hand, waaruit hij den beker ontving, en dronk dien staande uit, als een blijk, hoezeer hij de hem bewezen gunst op prijs stelde. Vervolgens noodigde de jonge dame mijn' broeder uit, om zich naast haar neder te zetten, en begon hem te liefkozen. Zij sloeg den arm om zijnen hals, en gaf hem van tijd tot tijd een' klap op zijn' wang. Verrukt over deze kleine vrijheden, welke zij zich veroorloofde, achtte Bakbarah zich den gelukkigsten man van den ganschen aardbodem. Hij had moeite zich te bedwingen, en de liefkozingen der bekoorlijke dame niet op gelijke wijze te beantwoorden; maar hij durfde zich die vrijheid niet veroorloven in tegenwoordigheid van hare slavinnen, die de oogen steeds op hem gevestigd hadden, en niet ophielden met hem te gekscheren. De jonge dame ging intusschen voort, hem hoe langer hoe harder klappen te geven, totdat zij hem eindelijk een' zoo duchtigen oorvijg gaf, dat zijn wang er van gloeide. Mijn broeder werd zoo rood in zijn gelaat als een gekookte kreeft; hij stond in toorn op, ten einde zich buiten het bereik te stellen van zulk eene hardhandige minnares. Doch de oude, welke hem daar gebragt had, wierp hem een' verwijtenden blik toe, dat hij hare waarschuwing en zijne belofte van onderworpenheid aan de grillen van hare jonge meesteres reeds zoo spoedig vergeten had. Hij zag zijne fout in, en om deze te herstellen, zette hij zich terstond weder neder, even als of er niets gebeurd was. De schoone plaagster trok hem bij den arm naar zich toe, en ging voort hem duizenderlei ondeugende trekken te spelen. De slavinnen, geen ander oogmerk hebbende dan hare meesteres te vermaken, begonnen nu ook mede te doen: de eene trok hem bij de ooren, de andere kneep hem in den wang, een derde knipte hem voor den neus, terwijl de overigen hem duchtig duwden en sloegen. Mijn broeder stond dat alles met verwonderlijk geduld door, en gaf zich zelfs moeite een vrolijk gezigt te zetten, terwijl hij de oude dame met een' gedwongen lach zacht toevoegde: „Gij hebt wel gelijk gehad te zeggen, dat ik eene dame zou aantreffen, zoo schoon als de dageraad, zeer beminnelijk, en lieftallig als eene duif. Wat ben ik u veel verpligt!” „Dat alles is nog van weinig beteekenis,” antwoordde de oude, fluisterende, „laat haar slechts begaan, en gij zult nog heel wat anders zien.” Nu nam de jonge dame het woord op, en zeide tot mijnen broeder: „Gij zijt een man naar mijn hart en naar mijne wenschen; ik ben verrukt bij u zooveel geduld en toegevendheid te vinden voor mijne grillen; uw karakter stemt geheel met het mijne overeen.” „Mejufvrouw,” hernam Bakbarah, door deze toespraak geheel in vervoering gebragt, „ik behoor mij zelven niet meer; beschouw mij met ziel en ligchaam als uw eigendom, en beschik over mij naar uw welbehagen.” „Gij doet mij het allergrootste vermaak;” hernam de jonge dame, „door mij dit bewijs van uwe onderworpenheid te geven. Ik ben ten hoogste over u tevreden, en wil dat gij dit ook over mij zult zijn. Dat men,” vervolgde zij, „hem het reukwerk brenge, en het rozenwater!” Twee der slavinnen verwijderden zich, om dit bevel te volvoeren. Zij kwamen weldra terug, de eene met een zilveren reukvat van het uitgezochtste aloëhout, waarmede zij Bakbarah bevochtigde; de andere met het rozenwater, dat zij hem in het gelaat en over de handen wierp. Mijn broeder gloeide van vermaak, zoo was hij in zijn' schik over de eer, die hem wedervoer.

Na deze plegtigheid, gelastte de jonge dame aan de slavinnen, welke vroeger reeds gespeeld en gezongen hadden, haar concert te hervatten. Inmiddels riep zij eene andere slavin, aan welke zij beval met mijn' broeder naar buiten te gaan. „Doe hem,” sprak zij, „hetgeen u bekend is, en als gij gereed zijt, breng hem dan weder hier.” Toen Bakbarah met zijne geleidster buiten de zaal kwam, vroeg hij aan de oude, die hen vergezelde, wat men met hem voorhad te doen. „Mijne meesteres,” antwoordde deze al fluisterende, „is nieuwsgierig te weten, hoe gij er in vrouwengewaad zult uitzien, en uwe geleidster heeft last, uwe wenkbraauwen te verwen, uwe knevels af te scheren, en u als eene vrouw te kleeden.” „Men kan mij de wenkbraauwen schilderen, zoo veel men wil,” bragt mijn broeder in, „daar heb ik vrede mede, maar om mij te scheren, gij kunt er staat op maken, dat ik het niet zal dulden. Hoe zou ik zonder knevel onder de oogen mijner vrienden durven komen?” „Draag zorg, u niet te verzetten tegen hetgeen men van u verlangt,” sprak de oude; „want dan zoudt gij uwe zaken, die thans op zoo schoonen voet staan, geheel en al bederven. Men bemint u, men wil u gelukkig maken; zult gij nu om een' leelijken knevel het geluk dat u wacht, met de voeten schoppen?” Bakbarah liet zich door de oude heks bepraten, en zonder er iets tegen te zeggen, volgde hij de slavin naar eene der kleedkamers, waar men hem de wenkbraauwen rood schilderde. Men schoor hem den knevel weg, en wilde nu ook zijnen baard laten vallen. Zoo ver ging echter de leidzaamheid van mijnen broeder niet. „Ho wat!” riep hij, „den knevel heb ik er aan gegeven, maar van mijn' baard zult gij afblijven!” De slavin stelde hem voor, dat het tot niets diende, hem den knevel te hebben weggeschoren, indien niet ook de baard volgde, daar een gebaard gezigt geheel niet paste bij een vrouwenkleed; en dat zij niet kon begrijpen, hoe een man, die op het punt stond de schoonste jonge dame uit geheel Bagdad te zullen bezitten, nog iets aan zijn' baard kon hechten. De oude kwam de slavin te hulp; zij bragt nog nieuwe redenen bij, en bedreigde mijn' broeder met de ongenade van de jonge dame, indien hij haar het offer van zijn' baard niet brengen wilde, en daar meer prijs op stelde, dan op haar bezit. Om kort te gaan, zij bepraatte hem zoo mooi, dat hij met zich liet doen, wat men verlangde.

Toen Bakbarah, na aldus beschilderd, van zijn' knevel en baard beroofd en in vrouwen-kleederen gestoken te zijn, voor de jonge dame werd gebragt, viel zij, hem ziende, van lagchen achterover op hare sofa. De slavinnen lachten even hard, en klapten in de handen, zoodat mijn broeder met zich zelven verlegen werd, en niet meer wist, hoe hij het had, noch hoe hij zich moest houden. De jonge dame, zonder echter haar lagchen te kunnen bedwingen, stond op, en zeide tot hem: „Na de inschikkelijkheid, die gij voor mij gehad hebt, zou ik ondankbaar moeten zijn, indien ik u nu niet met geheel mijn hart beminde. Evenwel verlang ik van uwe liefde nog één bewijs te zien, namelijk, dat gij voor mij zult dansen, zooals gij daar zijt.” Mijn broeder voldeed hieraan op het eigen oogenblik. De jonge dame en de slavinnen dansten met hem, waarbij zij het van lagchen uitproesten. Doch hierbij lieten zij het niet. Na eenigen tijd met Bakbarah te hebben rond gesprongen, wierpen zij zich allen als uitgelaten bacchanten op den ongelukkige, en gaven hem zoo vele oorvijgen, vuistslagen en schoppen, dat hij ten laatste bijna zijn besef verloor en onder den voet geraakte. De oude hielp hem weder op de been, en ten einde hem den tijd niet te geven, zich over deze ruwe behandeling te verstoren, fluisterde zij hem in het oor: „Troost u, gij zijt thans het einde van uw lijden nabij, en zult er den prijs voor ontvangen. Er blijft u,” vervolgde zij, „nog slechts eene zaak te doen over, en dat is voor u maar kinderspel. Weet, dat mijne meesteres wanneer zij een weinig gedronken heeft, zooals thans, zich niet laat liefkozen door hen, die zij bemint, alvorens zij zich van hunne bovenkleederen ontdaan hebben. Als zij zich nu in dien toestand bevinden, dan neemt zij eenige passen op hen vooruit, en loopt voor hen heen over de galerij van kamer tot kamer, zoolang totdat zij haar gegrepen hebben. Dit is,” zooals ik zeide, „eene gril, die ingewilligd moet worden. Voor een' man van uwe gesteldheid, en zoo vlug ter been, heeft dit echter niets te beteekenen. Hoe vele passen zij ook vooruit moge nemen, gij zult haar weldra ingehaald en gevangen hebben. Werp dan uwe boven-kleederen zonder den minsten schroom af.”

Mijn' broeder was te ver gegaan, om thans terug te treden. Hij volgde den hem gegeven raad, terwijl ook de jonge dame zich van eenige harer kleederen ontdeed, ten einde te vlugger te kunnen loopen. Toen beiden in staat waren, om den wedloop te kunnen beginnen, nam de jonge dame een twintig passen vooruit, en ving haren loop met verbazende snelheid aan. Mijn broeder liep haar zoo hard achterna, als zijne beenen maar voort wilden, en dit onder het luid gelach en oorverdoovend handgeklap der slavinnen. De jonge dame intusschen, in plaats van grond te verliezen, behaalde nog eenig voordeel op mijn' broeder. Zij liet hem drie à vier malen de galerij rond loopen, en ijlde toen in eene donkere laan den hof in, waarna zij verdween. Bakbarah, die altoos volgde, doch haar nu uit het gezigt verloor, moest wegens de daar heerschende donkerheid zijnen loop matigen. Hij tastte in den donker rond, doch bemerkte eindelijk in de verte een licht, en hervatte nu zijnen loop in die rigting. Eene openstaande deur deed hem denken: „Daar zal zij zijn!” Vol hoop snelt hij ter deure in, die terstond achter hem wordt toegeworpen. Verbeeld u, hoe dwaas mijn broeder stond te kijken, als hij zich in plaats van bij zijne schoone, midden op straat bevond, in de hem wel bekende buurt der lederbereiders. Deze lieden waren intusschen niet minder verwonderd, mijn' broeder in zijne onderkleederen in hun midden te zien, met roodgeschilderde wenkbraauwen, van knevel en baard beroofd. Eenige jongens begonnen in de handen te klappen, en hem na te schreeuwen; terwijl anderen hem achterna liepen, en zijn' rug met stukken leder behingen. Weêr anderen hielden hem zelfs staande, en zetten hem op een' ezel, dien zij bij toeval ontmoetten; terwijl zij hem door de stad deden rondrijden, onder het gelach en gejuich van eenen joelenden volkshoop.

Een ongeluk, zegt men, komt zelden alleen; mijn reeds beklagenswaardige broeder moest dit thans ondervinden. Toen de schreeuwende troep de woning van een' regter voorbij trok, kwam deze de deur uit, en vroeg naar de oorzaak van den oploop. De lederbereiders zeiden tot hunne verschooning: „Wij hebben dezen man, uitgedost zooals gij hem ziet, uit een poortje zien komen van den harem des groot-viziers, dat in onze straat uitkomt. Hij zag er zoo vreemd uit, dat wij een loopje met hem genomen hebben.” „Wij zullen hem die kunsten wel afleeren,” sprak de regter, en liet aan den ongelukkigen Bakbarah honderd stokslagen geven, waarna hij hem uit de stad deed brengen, met verbod daar weder in te komen.

Ziedaar beheerscher der geloovigen,” zeide ik tot den kalif Mostanser Billah, „de geschiedenis van mijn' tweeden broeder, die ik aan uwe majesteit wilde verhalen. Bakbarah wist niet, dat de vrouwen van onze voorname heeren, zich somtijds op deze wijze vermaken met jongelieden, die dwaas genoeg zijn, zich dus bij den neus te laten nemen. Mij zou zoo iets niet gebeurd zijn. Laat mij thans de eer hebben,”” vervolgde de barbier in éénen adem voortsprekende, „„u te zeggen, hoe het mijnen derden broeder gegaan is.

GESCHIEDENIS VAN DEN DERDEN BROEDER VAN DEN BARBIER.

Mijn derde broeder, Bakbac genaamd, was blind: en zijn kwaad gesternte hem tot den bedelstaf voorbeschikt hebbende, ging hij van huis tot huis om eene aalmoes te vragen. Het was zijne vaste gewoonte aan de deuren te kloppen, en wat men ook roepen of vragen mogt, geen antwoord te geven, vóór dat men had opengedaan. Eens trof het, dat hij aan de deur klopte van eene woning, waarvan de eigenaar of huurder alleen te huis was. „Wie is daar?” riep hij van boven. Mijn broeder gaf geen antwoord, en klopte voor de tweede maal. De bewoner mogt zijne vraag herhalen, hij kreeg geen bescheid, en het kloppen hield aan. Ten laatste kwam hij naar beneden, deed open, en vroeg aan mijn' broeder, wat hij verlangde. „Eene kleine gift om Gods wil,” zeide Bakbac. „Gij zijt blind, naar het mij toeschijnt?” „Helaas, ja,” antwoordde mijn broeder. „Steek dan de hand uit!”

Mijn broeder deed dit, in de meening eene aalmoes te zullen ontvangen, doch de ander greep alleen zijne hand, om hem den trap op te helpen naar zijne kamer. Bakbac geloofde, dat zulks was, om hem ten eten te houden, zooals hem wel eens meer gebeurde. Toen zij beiden op de kamer waren, liet de bewoner zijne hand los, nam zijne plaats weder in, en vroeg opnieuw, wat hij toch begeerde. „Ik heb u reeds gezegd,” gaf Bakbac ten antwoord, „dat ik u eene aalmoes vraag, ter liefde Gods.” „Goede blinde,” hernam de andere, „alles wat ik voor u doen kan, is Allah bidden, dat hij u het gezigt teruggeve.” „Dat hadt gij mij wel aan de deur kunnen zeggen,” gromde mijn broeder, „dan zoudt gij mij de moeite bespaard hebben van trappen te klimmen.” „En waarom, onnoozele, gaaft gij dan geen antwoord, toen ik, nadat gij de eerste maal hadt aangeklopt, vroeg, wie er was? Waarom dwingt gij de lieden, op die wijze u te komen opendoen?” „Dat is zoo mijne gewoonte. Maar wat hebt gij nu met mij voor?” „Ik herhaal nogmaals mijn antwoord, dat ik niets heb, om u te geven.” „Help mij dan naar beneden gaan,” sprak min broeder, „gelijk gij mij bij het naar boven gaan behulpzaam zijt geweest.” „De trap is voor u vrij,” hernam de bewoner, „gij kunt gaan, wanneer het u behaagt, mits gij het alleen doet.” Dat behaagde mijn' broeder wel niet, maar hij moest ditmaal van den nood eene deugd maken. Toen hij eenige treden was afgegaan, glipte zijn voet uit, en hij gleed naar beneden, niet zonder zijn hoofd en zijnen rug te bezeeren. Het kostte hem moeite, om weder op de been te komen; en al grommende en zich beklagende over den bewoner van dat huis, die hem hartelijk uitlachte, ging hij heen.