Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Derde deel
Part 8
Zoo raakte ik eindelijk van hem ontslagen; hij ging heen, met belofte van spoed te zullen maken. Naauwelijks had hij mij den rug toegekeerd, of ik kleedde mij verder aan, en daar men reeds voor de laatste maal tot het gebed riep, begaf ik mij zonder tijdverzuim op weg. Maar de boosaardige barbier, mijn oogmerk, om hem te misleiden, doorgrondende, was niet verder gegaan dan tot in het gezigt zijner woning, welke hij den slaven aanwees. Hierop was hij teruggekeerd, en hield zich schuil om den hoek eener straat, ten einde mij gade te slaan en te volgen. Toen ik mij nu voor de woning van den kadi bevond, en omkeek, zag ik mijn' kwelgeest de straat inslaan. Ik verwenschte hem tot in den diepsten afgrond.
Inmiddels had ik geen' tijd te verliezen; de deur van de woning des kadi's stond op een' kier. Ik trad binnen, en werd door de oude dame ontvangen. Zij bragt mij in het vertrek van het door mij zoo zeer beminde meisje. Wij hadden echter naauwelijks eenige woorden gewisseld, toen zich in de straat gerucht liet hooren. De jonge dame ging naar het venster, en zag dat haar vader van het gebed terugkwam. Ook ik keek uit; de kadi zat op dezelfde plaats, waar ik gezeten was, toen ik mijne geliefde voor de eerste maal zag.
Er waren twee zaken, die mij vrees aanjoegen: de komst van den kadi en de tegenwoordigheid van den schelmschen barbier. Omtrent het eerste punt stelde de jonge dame mij gerust, zeggende, dat haar vader uiterst zeldzaam op hare kamer kwam, en dat zij overigens, op de mogelijkheid daarvan bedacht, hare maatregelen voor mijne veiligheid genomen had. Mijne grootste vrees bleef dus de aanwezigheid van den hatelijken barbier, van wiens onbedachtzaamheid en praatzucht ik het ergste duchtte. Het zal u blijken, mijne heeren, dat dit niet zonder grond was.
Zoodra de kadi zijne woning binnentrad, telde hij met eigen hand aan een' zijner slaven, die iets verzuimd had, eenige stokslagen toe. De slaaf hief een groot gekerm aan, zoodat men hem aan het andere einde van de straat kon hooren. De barbier geloofde nu, dat men mij mishandelde, en begon op eene barbaarsche wijze te schreeuwen, verscheurde zijne kleederen, wierp stof op zijn hoofd, riep om hulp, en bragt de geheele buurt in beweging. Weldra school er een hoop volks om hem zamen, waarvan sommigen vroegen, wat hem deerde, en of hij hulp begeerde. „Ach!” riep hij, „men vermoordt mijn' meester, mijn' waarden patroon!” Zonder iets meer te zeggen, liep hij al jammerende naar mijn huis, en kwam terug, gevolgd door al mijne slaven, die met stokken gewapend waren. Zij sloegen als razenden op de huisdeur van den kadi. Deze gelastte een' zijner bedienden te gaan zien, wat er te doen was, die verschrikt in allerijl tot zijnen meester terugkeerde. „Heer,” zeide hij, „meer dan tienduizend gewapende mannen staan gereed, om met geweld uwe woning binnen te dringen, reeds zijn zij bezig de deur open te breken.”
De kadi begaf zich nu zelf naar voren, opende eigenhandig de deur, en vroeg wat men van hem verlangde. Zijn eerwaardig voorkomen was zelfs niet in staat, mijnen slaven ontzag in te boezemen. „Verwenschte kadi, hond van een' kadi!” riepen zij op barschen toon, „welke reden hebt gij, om onzen meester te vermoorden? Wat heeft hij u gedaan?” „Goede lieden,” antwoordde de kadi, „waarom zou ik uwen meester vermoorden, dien ik volstrekt niet ken, en die mij dus ook niet beleedigd kan hebben? Mijn huis staat voor u open, gaat binnen, doorzoekt alles, en overtuigt u.” „Gij hebt hem stokslagen doen geven,” zeide de barbier, „ik heb hem daar zoo even nog hooren schreeuwen.” „Maar nog eens,” hernam de kadi, „welke beleediging kan uw meester mij hebben aangedaan, waardoor ik verpligt zou geweest zijn, met hem te handelen, zooals gij daar zegt? Is hij dan in mijn huis? Voor zoover ik weet, niet, en is hij er, hoe is hij dan binnen gekomen, of wie heeft hem hier gebragt?” „Gij zult mij niet van de wijs afbrengen met uwen grooten baard, deugniet van een' kadi!” hernam de barbier, „ik weet zeer goed, wat ik zeg. Uwe dochter bemint onzen meester, en zij heeft hem onder het middaggebed bij zich ontvangen. Daar hebt gij de lucht van gekregen; gij zijt naar huis gegaan, vroeger dan men u verwachtte; gij hebt hem overvallen, en toen door uwe slaven stokslagen doen geven. Maar gij zult er niet ongestraft afkomen. De kalif zal er kennis van dragen, en men zal kort en goed regt met u maken. Breng onzen meester voor den dag, en geef hem dadelijk aan ons over, zoo niet, dan zullen wij zelven hem gaan zoeken.” „Het is niet noodig, zoo vele woorden te gebruiken,” hernam de kadi, „noch zoo veel opschudding te maken; indien hetgeen gij zegt waarheid is, zoo moet gij slechts naar binnen gaan en hem zoeken. Ik geef er u volkomen vrijheid toe.” De kadi had naauwelijks uitgesproken, of de barbier en mijne slaven drongen als razenden in het huis, en liepen mij overal zoeken.
Daar ik alles gehoord had, wat de barbier tot den kadi zeide, zoo zag ik naar eene plaats om, ten einde mij te verbergen. Ik vond geene andere schuilplaats dan een' grooten ledigen koffer, waarin ik mij neêrlegde, en welks deksel ik digt liet vallen. De barbier kwam eindelijk ook in de kamer, waar ik mij bevond. Hij naderde den koffer, ligtte het deksel op, en had mij naauwelijks nog gezien, of hij nam de kist op zijne schouders en droeg er mij mede weg. Langs den steilen trap kwam hij gelukkig beneden, bereikte de voordeur, en liep nu zoo hard hij maar kon, met mij de straat over. Het ongeluk wilde echter, dat het deksel van den koffer open ging, zoodat ik aan den spot en de lachlust van den ons vergezellenden volkshoop werd prijsgegeven. Dit was mij onverdragelijk; ik sprong uit mijne gevangenis op straat, en deed zulks met zoo veel overhaasting, dat ik mijn been erg bezeerde. Op dat oogenblik echter voelde ik geene pijn, en rigtte mij dadelijk op, ten einde mij door eene spoedige vlugt, aan de nieuwsgierige blikken der mij uitjouwende menigte te onttrekken. Ik haalde mijne beurs, die goed gevuld was, te voorschijn, en strooide het goud en zilver met handen vol onder het volk uit, dat nu aan het grabbelen ging. Op die wijze kwam ik den volkshoop vooruit, en, door eene zijstraat in te slaan, uit het gezigt. Maar van dien verwenschten barbier kon ik mij niet ontslaan. Hij liet het volk grabbelen, wierp den nu ledigen koffer op straat en volgde mij op de hielen, mij naschreeuwende: „Sta toch stil, heer, waartoe loopt gij zoo hard? Indien gij eens wist, hoe bedroefd ik geweest ben over de slechte behandeling, welke de kadi u heeft doen ondergaan, aan u, die zoo grootmoedig zijt, en aan wien wij, mijne vrienden en ik, zulk eene dure verpligting hebben! Maar heb ik het u niet gezegd, dat gij door uwe hoofdigheid, om onvergezeld te willen uitgaan, uw leven in gevaar zoudt stellen? Wat u dus overkomen is, hebt gij aan u zelven te wijten, en indien ik van mijnen kant niet bedaard had volgehouden, u te volgen, en te zien waar gij heen gingt, wat zou er dan van u geworden zijn? Waar wilt gij toch heen, heer? Wacht mij toch!”
Zoo schreeuwde die armzalige barbier mij op de straat na. Hij hield zich niet tevreden mij in de buurt, waar de kadi woonde, zulk een groot schandaal gemaakt te hebben; de gansche stad moest er kennis van dragen. In mijne woede gevoelde ik grooten lust, hem op te wachten en te worgen; maar daardoor zou ik mij slechts in nog grooter ongelegenheid gebragt hebben. Ik koos dus een ander middel, om mij van hem, en van de door zijn geschreeuw overal te voorschijn komende en uitkijkende menschen te ontslaan. Ik trad eene khan binnen, waarvan de portier mij zeer goed kende. Hij stond aan de deur, waar het straatrumoer hem had heen gelokt. „Bij Allah!” zeide ik, „bewijs mij de dienst, dien razende hier niet binnen te laten.” De man beloofde het mij, en hield woord. Het kostte hem echter groote moeite den barbier, die met geweld bij mij wilde zijn, af te wijzen; deze ging niet heen, zonder hem uitgemaakt te hebben, voor al wat leelijk was. In het naar huis gaan moest hij ieder, dien hij ontmoette en slechts van aanzien kende, vertellen, welk eenen grooten dienst hij mij, naar zijne meening, bewezen had.
Ziedaar, hoe ik eindelijk van dien lastigen mensch ontslagen werd. Ik vroeg in de khan, om voor mij een vertrek in gereedheid te brengen, waar ik tot aan de genezing van mijn been zou kunnen blijven. „Mijnheer,” zeide men, „zoudt gij in uwe woning niet meer op uw gemak zijn dan hier?” „Dat weet ik niet,” luidde mijn antwoord, „maar al wist ik het, ik zou naar mijn huis niet willen terugkeeren, want die verfoeijelijke barbier zou niet nalaten, mij daar te komen opzoeken; ik zou alle dagen met hem opgeschept zijn; en hem voor mijne oogen te moeten zien, zou mij van verdriet doen sterven. Bovendien, na hetgeen mij heden is overkomen, kan ik niet besluiten, langer in deze stad te blijven. Ik zal gaan, waar het ongeluk mij heen voert.” Ik hield hierin woord. Zoodra ik genezen was, bragt ik zoo veel geld bijeen, als ik dacht, op mijne reizen noodig te hebben, en mijne andere goederen stond ik af aan mijne bloedverwanten. Zoo vertrok ik van Bagdad, mijne heeren, en ben tot hier gekomen. Ik had alle reden te verwachten, dat ik in een land, zoo ver verwijderd van mijne geboorteplaats, dien hatelijken barbier niet zou aantreffen, en toch vind ik hem in uw gezelschap. Gij kunt zelven oordeelen, welk een' onaangenamen indruk het gezigt van eenen man op mij maakt, door wiens overdreven ijver ik kreupel ben, en mij tot de treurige noodzakelijkheid veroordeeld zie, een zwervend leven te leiden, ver verwijderd van mijne bloedverwanten, van mijne vrienden en van mijn vaderland.” Dit zeggende, stond de jonge kreupele op, maakte eene buiging voor ons, en vertrok. Onze gastheer deed hem uitgeleide tot aan de deur, en gaf onder het gaan derwaarts te kennen, hoezeer het hem speet, dat hij, zonder dit te willen, hem zulk eene onaangename ontmoeting bezorgd had.
Toen de jonge kreupele vertrokken was,” vervolgde de snijder, „gaven wij elkander onze verwondering te kennen over zijne levensgeschiedenis; onze oogen waren daarbij op den barbier gerigt, en wij zeiden tot hem dat, indien alles waarheid was, wat wij gehoord hadden, hij dan groot ongelijk had. „Mijne heeren,” antwoordde hij zijn hoofd oprigtende, hetgeen tot dusverre steeds naar den grond gekeerd was, „het stilzwijgen, dat ik bewaard heb, zoo lang de jonge man sprak, moet u overtuigen, dat hij u niets heeft verhaald, waarmede ik niet instem. Maar wat hij ook mogt beweren, ik blijf er bij, dat ik gehandeld heb, zoo als ik moest handelen; ik wil u zelven hierover laten oordeelen. Heeft hij zich niet, ofschoon ik hem gewaarschuwd had, in het gevaar begeven? en zou hij zonder mijne hulp er wel zoo goed zijn afgekomen? Hij mag zich gelukkig rekenen, het er met een kreupel been te hebben afgebragt. En wiens schuld was het dan nog, heb ik hem misschien laten vallen? Neen, was hij rustig in zijn' koffer gebleven, ik zou hem ongedeerd in zijn huis hebben gebragt. Kon ik het helpen, dat hij er uitsprong en zijn been bezeerde? Heb ik mij niet aan een groot gevaar blootgesteld, om hem uit een huis te halen, waar ik mij verbeeldde dat hij mishandeld werd? Heeft hij dan regt, zich over mij te beklagen, en mij zulke grove beleedigingen te zeggen? Doch ziedaar, wat men er bij wint, als men eenen dienst bewijst aan ondankbare menschen. Hij beschuldigt mij een babbelaar te zijn; dit is enkel laster! Van ons zeven broeders ben ik het minst praatachtig, en daarbij de verstandigste en knapste. Om u hiervan te overtuigen, mijne heeren, is er niets anders noodig, dan dat ik u onze geschiedenissen vertel. Vereer mij daarbij met uwe aandacht.
GESCHIEDENIS VAN DEN BARBIER.
Onder de regeering van den kalif Mostanser Billah,” vervolgde de barbier, „een vorst beroemd door zijne milddadigheid jegens de armen, werden de omstreken van Bagdad onveilig gemaakt door een tiental roovers, die zich sedert lang aan de stoutste diefstallen en aan ongehoorde wreedheden schuldig maakten. De kalif, hieraan een einde willende maken, liet den oppersten regter, eenige dagen vóór dat het Baïramsfeest inviel, bij zich ontbieden, en gelastte hem, op verbeurte van zijn leven, alle tien dieven voor hem te brengen.
De regter stelde al het mogelijke in het werk, en bragt zoo veel volk op de been, dat de tien roovers op den dag zelven van het Baïramsfeest gevat werden, juist toen ik eene wandeling aan den oever van den Tigris maakte. Ik zag daar namelijk tien rijk gekleede lieden in eene boot gaan. Ligtelijk zou ik hen als roovers herkend hebben, indien ik acht had gegeven op de wachten, die hen vergezelden, maar ik lette daar zoo weinig op, dat ik tegelijk met hen in de boot stapte, in de hoop op die wijze eenen genoegelijken dag in hun gezelschap te smaken. Wij voeren den Tigris af, en men deed ons voor het paleis van den kalif aanleggen. Nu eerst bemerkte ik, dat ik mij deerlijk bedrogen had. Zoodra wij de boot verlieten, werden wij door andere wachten omringd; gekneveld en voor den kalif gebragt. Ik had mij gelijk de anderen laten binden zonder iets te zeggen; wat zou het mij gebaat hebben, indien ik mij verzet had? Dit zou den regten weg geweest zijn, om mij door de wachters te doen mishandelen, die toch niet naar mij zouden geluisterd hebben. Ik bevond mij onder de roovers, en dit was voldoende, om hun te doen denken, dat ik er ook een was.
Zoodra wij voor den kalif verschenen, sprak hij het vonnis uit over de tien booswichten: „Dat men,” zeide hij, „deze tien roovers het hoofd afsla!” De scherpregter plaatste ons terstond op eene rij binnen het bereik van zijn zwaard; bij geluk was ik de laatste. Hij sloeg de tien roovers achtereenvolgens het hoofd af, maar toen de beurt aan mij kwam, liet hij zijn zwaard zakken. De kalif werd toornig. „Heb ik u niet bevolen,” sprak hij, „aan tien roovers het hoofd af te slaan? Waarom doet gij dit slechts aan negen?” „Beheerscher der geloovigen,” antwoordde de beul, „Allah beware mij, dat ik het bevel van uwe majesteit niet volvoerd zou hebben. Tien hoofden heb ik afgeslagen, en er liggen tien ligchamen ter aarde, gij kunt ze doen natellen.” Nadat de kalif zich nu met eigen oogen overtuigd had, dat de beul waarheid sprak, zag hij met bevreemding op mij. Mijn uitzigt behaagde hem, hij vond er niets rooverachtigs in. „Goede grijsaard,” zeide hij tot mij, „door welk toeval zijt gij onder deze ellendelingen geraakt, die den dood duizendmalen verdiend hebben?” „Beheerscher der geloovigen,” gaf ik hem ten antwoord, „ik zal u de volle waarheid doen kennen. Heden morgen zag ik deze tien roovers, wier teregtstelling de regtvaardigheid van uwe majesteit op nieuw zoo schoon heeft doen uitblinken, in eene boot gaan. Ik scheepte mij met hen in, meenende dat het lieden waren, die zich te zamen gingen vermaken, om dezen grooten feestdag te vieren.” De kalif kon zich niet onthouden, eens hartelijk om mijne ontmoeting te lagchen, en in tegenstelling van den jongen kreupele, die mij als een' babbelaar heeft doen voorkomen, bewonderde hij mijne koelbloedigheid en mijn voortdurend zwijgen. „Beheerscher der geloovigen,” hernam ik, „het moet uwe majesteit niet verwonderen, dat ik gezwegen heb, bij eene gelegenheid, die anderen zou doen praten. Ik heb mij op het zwijgen bijzonder toegelegd, en het is door deze deugd, dat ik den fraaijen titel draag van „den zwijger.” Men noemde mij dus, om mij te onderscheiden van zes broeders, die ik had. Deze stilzwijgendheid is de vrucht mijner wijsbegeerte; ik stel daar al mijn' roem en mijn hoogste geluk in.” „Het strekt mij tot een groot genoegen,” zeide de kalif glimlagchende, „dat men u eenen titel heeft gegeven, waarvan gij een zoo schoon gebruik weet te maken. Maar zeg mij, welke soort van lieden waren uwe broeders, stonden zij met u op eene lijn?” „In geenen deele,” antwoordde ik, „het waren allen babbelaars, de een zoowel als de ander. Zelfs wat het uiterlijke aangaat, bestond er tusschen hen en mij een groot verschil; de eerste was gebogcheld, de tweede tandeloos, de derde blind, de vierde éénoogig, den vijfde waren de ooren afgesneden, en de zesde had gespleten lippen. Hunne lotgevallen zijn zeer zonderling, en gij zult daaruit over hunne karakters kunnen oordeelen, indien ik de eer mag hebben, die aan uwe majesteit te verhalen.” Daar het mij toescheen, dat den kalif niets aangenamer zou zijn, dan die aan te hooren, ging ik, zonder op zijn bevel te wachten, aldus voort.
GESCHIEDENIS VAN DEN EERSTEN BROEDER VAN DEN BARBIER.
„Sire,” zeide ik tot hem, „mijn oudste broeder, die zich Bacbouc noemde, en die gebogcheld was, werd van zijn vak kleêrmaker. Nadat hij zijne leerjaren voleindigd had, huurde hij een' winkel tegenover een' molen; en dadelijk nog weinig werk hebbende, kostte het hem veel moeite van zijn' arbeid te leven. De molenaar integendeel was welgesteld, en had eene zeer schoone vrouw. Eens dat mijn broeder in zijnen winkel zat te werken en naar boven keek, zag hij de vrouw van den molenaar voor het open raam staan, dat op de straat uitzag. Hij vond haar zoo schoon, dat hij er geheel door betooverd werd. Wat de molenaarster betreft, zij sloeg niet de minste acht op mijn' broeder; sloot haar venster en liet zich den geheelen dag niet meer zien. Intusschen keek de verliefde snijder onder zijn werk telkens op naar den molen. Hij pikte zich onderscheidene malen in de vingers, en op de netheid van zijn werk viel dien dag niet te roemen. Des avonds, toen het tijd werd zijn' winkel te sluiten, kon hij daartoe bijna niet overgaan, daar hij nog altoos hoop had, dat de molenaarster aan het raam zou komen. Hij wachtte met sluiten, totdat het geheel donker werd, en ging toen al zuchtende naar zijne woning, waar hij den nacht slapeloos doorbragt. Zoodra de dag aanbrak, stond hij op, en ijlde naar zijne werkplaats; zoo zeer dreef hem het ongeduld, om zijne schoone te zien. Hij was echter dien dag niet gelukkiger dan den voorgaande; de molenaarster vertoonde zich slechts éénmaal aan het raam, en dat maar voor een oogenblik. Doch dat oogenblik was voldoende, om hem tot den verliefdste van alle mannen te maken. Op den derden dag had hij reden, beter tevreden te zijn. De molenaarster liet bij toeval de oogen op hem vallen, en verraste hem, terwijl hij zijne smachtende blikken op haar gevestigd hield, waardoor zij ontdekte, wat er in zijn hart omging. In plaats van daarover verstoord te zijn, besloot zij er zich mede te vermaken, en lachte hem vriendelijk toe. Mijn broeder zag haar mede lagchend aan, maar met zulk een koddig gelaat, dat zij ijlings het venster digt wierp, uit vrees van in lagchen uit te barsten, en alzoo aan mijn' broeder te verraden, dat zij hem bespottelijk vond. De onnoozele Bacbouc legde echter hare handelwijze in zijn voordeel uit, en vleide zich, dat zij hem wederliefde toedroeg.
De molenaarster nam dan, zoo als gezegd is, het besluit zich met mijn' broeder te vermaken. Zij had een stuk zijde liggen, waarvan zij sinds lang voornemens was, zich een kleed te laten maken. Dit deed zij in eenen fijnen geborduurden zakdoek, en zond het hem door eene jonge slavin, welke zij in haren dienst had. De goed onderrigte slavin, kwam in den winkel van den kleêrmaker. „Mijne meesteres laat u groeten,” zeide zij, „en verzoekt u van dit stuk zijde een kleed voor haar te maken, volgens het model van het hier bijgaande. Zij verandert dikwijls van kleeding, en dit is eene gewoonte, waarover ook gij reden zult hebben zeer voldaan te zijn.” Mijn broeder twijfelde nu niet meer, of de molenaarster was verliefd op hem. Hij geloofde, dat zij hem dit werk zond, met geen ander doel, dan om hem te kennen te geven, dat zij in zijn hart had gelezen, en hij ook het hare veroverd had. Gestreeld door deze voor hem gunstige opvatting, belastte hij de slavin aan hare meesteres te zeggen, dat hij om harentwil al zijn ander werk ter zijde leggen, en het kleed reeds den volgenden morgen gereed zijn zou. En inderdaad hij werkte met zoo veel ijver, dat hij het nog dien eigen dag afmaakte.
Den volgenden morgen kwam de jonge slavin zien, of het kleed gereed was. Bacbouc stelde het haar ter hand, zeggende: „Ik stel er te veel belang in, uwe meesteres genoegen te doen, dan dat ik iets zou verzuimd hebben, haar het werk heden te leveren. Ik wensch door mijne spoedige bediening haar aan te moedigen, in het vervolg geen' anderen kleêrmaker dan mij te gebruiken.” De jonge slavin deed een paar schreden achterwaarts, als wilde zij heengaan, doch plotseling terugkomende, zeide zij tot hem op fluisterenden toon: „Wacht eens, ik zou haast vergeten mij van de boodschap te kwijten, die mij is opgedragen. Mijne meesteres heeft mij belast u hare groete te doen, en te vragen, hoe gij den nacht hebt doorgebragt. Wat haar aangaat, de arme vrouw bemint u zoo sterk, dat zij er niet van heeft kunnen slapen.” „Zeg haar,” antwoordde mijn dwaze broeder met geestdrift, „dat mijne liefde voor haar zoo hevig is, dat ik reeds sedert vier nachten geen oog heb toegedaan.”
Er was nog geen kwartier uurs verloopen, sedert de slavin mijn' broeder had verlaten, of hij zag haar terugkomen met een stuk satijn onder den arm. „Mijne meesteres,” zeide zij, „is zeer tevreden over het door u gemaakte kleed; het zit haar allerliefst, doch daar het zeer mooi is, wil zij het niet dragen dan met een' nieuwen onderrok, en zij verzoekt u van dit stuk satijn er eene te maken.” „Zeer goed,” antwoordde Bacbouc, „die zal nog heden klaar zijn, vóór dat ik mijn' winkel sluit; gij kunt ze tegen den avond halen.” De molenaarster liet zich dien dag dikwijls aan het venster zien, om mijn' broeder bij zijnen arbeid te bemoedigen. Het was een lust, hem te zien werken, en de onderrok was dan ook weldra klaar. De jonge slavin kwam dien halen, maar bragt den armen snijder geen geld, noch voor de gemaakte japon en onderrok, noch voor zijne gedane verschotten. Intusschen had deze ongelukkige minnaar, met wien men zich vermaakte, zonder dat hij er iets van merkte, den geheelen dag nog niet gegeten, en hij moest eenig geld leenen, om zijn avondmaal te bekostigen. Den volgenden morgen was hij naauwelijks in zijn' winkel, of de jonge slavin kwam zeggen, dat de molenaar hem verlangde te spreken. „Mijne meesteres,” voegde zij er bij, „heeft hem zooveel goeds van u gezegd, dat gij ook voor hem zult werken. Zij heeft dit hoofdzakelijk gedaan, om u met haren man in kennis te brengen, waarin zij het beste middel ziet, om uwen en haren wensch naderbij te komen.” Mijn goede broeder liet zich bepraten, en nam alles voor goede munt aan. Hij ging zelfs onmiddelijk met de slavin mede, om niet van onverschilligheid verdacht te worden. De molenaar ontving hem zeer wel, en liet hem een stuk linnen zien. „Ik heb,” zeide hij, „broeken noodig, zie hier linnen; ik wensch, dat gij er mij twintig maakt, wat er van overschiet, kunt gij mij teruggeven.”
Mijn broeder,”” vervolgde de barbier, „„had aan die twintig broeken voor den molenaar vier à vijf dagen werk, en toen kreeg hij er nog een stuk stof bij, om even zoo vele hemden te maken. Toen alles gereed was, ging hij met zijn werk naar den molenaar, die hem vroeg, wat hij hem schuldig was. Mijn broeder antwoordde, dat hij zich met twintig zilveren drachmen vergenoegen zou. De molenaar riep oogenblikkelijk de jonge slavin, en beval haar een goudschaaltje te brengen, om te zien of de munt het juiste gewigt had. De slavin echter gaf mijn' broeder te kennen, dat hij door geld aan te nemen, zijne zaak bederven zou. De sukkel stelde hierin geloof, en weigerde de hem aangeboden betaling, hoezeer hij daarom ook verlegen was; want reeds had hij geld moeten leenen om het garen te koopen, dat hij voor de hemden en broeken gebruiken moest. Toen hij den molen verliet, ging hij naar mijne woning, en smeekte mij, hem iets te leenen, zeggende, dat hij geene dadelijke betaling ontving. Ik gaf hem eenige koperen muntstukken, alles wat ik in mijne beurs vond. Dit deed hem weder eenige dagen voortleven, hoewel zeer sobertjes.