Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Derde deel
Part 7
Opdat niemand het zou hooren, naderde zij mijn bed, en fluisterde mij op eene geheimzinnige wijze in het oor: „Denk aan het geschenk, dat gij mij moet geven voor het goede nieuws dat ik u breng.” Deze woorden bragten een wonder te weeg. Ik ging terstond overeind zitten, en antwoordde haar met geestvervoering: „Het geschenk zal niet achterblijven, wat hebt gij mij voor goeds te zeggen?” „Mijn lieve heer,” antwoordde zij, „gij zult niet sterven, en ik hoop u weldra gezond te zien. Hoor slechts, gij zult over mij tevreden zijn. Gisteren middag bezocht ik nogmaals de dochter van den kadi, en trof haar in eene zeer goede stemming. Daarmede meende ik mijn voordeel te moeten doen. Ik zette een zeer treurig gezigt, zuchtte diep, terwijl de tranen mij langs de wangen liepen. „Wat scheelt u, mijne goede moeder?” vroeg zij. „Helaas! mijne lieve dame,” antwoordde ik, „ik was zoo even bij den jongen man, van wien ik u vroeger reeds gesproken heb; het is met hem gedaan, hij sterft van liefde voor u, uwe hardheid gaat waarlijk te ver.” „Ik begrijp niet,” hernam zij, „waarom gij wilt dat ik oorzaak van zijnen dood zou zijn. Hoe kan ik daartoe iets hebben bijgedragen?” „Dat is nu een vraag!” gaf ik ten antwoord, „heb ik u niet vroeger reeds gezegd, dat hij zich tegenover uw raam bevond, toen gij dit opendet, om uwe bloemen te begieten? Hij zag uwe schoonheid en de bekoorlijkheden, welke uw spiegel u dagelijks voorhouden. Van dat oogenblik af kwijnt hij, en zijne ziekte is sedert zoo toegenomen, dat hij thans op sterven ligt.
Gij zult u nog wel herinneren, mejufvrouw,” vervolgde ik na een kort stilzwijgen, „hoe hard gij mij hebt bejegend, als ik u van zijne liefde sprak, en u het voorstel deed om hem uit zijn' gevaarlijken toestand te redden. Toen ik met die treurige boodschap bij hem kwam, dat gij niets van hem wildet weten en uw hart voor het mededoogen gesloten was, nam zijne ziekte hand over hand toe, en van dat oogenblik af verkeert zijn leven in gevaar, en ik weet zelfs niet, of hij nog te helpen zou zijn, indien gij medelijden met hem wildet hebben.”
Ziedaar, wat ik haar zeide,” vervolgde de oude vrouw. „De vrees, de oorzaak van uwen dood te zullen zijn, bragt haar aan het wankelen, zij werd bleek. „Is het wel alles waar,” hernam zij, „wat gij mij daar zegt? Is hij werkelijk alleen ziek uit liefde tot mij?” „Ach, mejufvrouw,” antwoordde ik „het is maar al te waar; de hemel gave, dat het anders ware!” „En gelooft gij,” hernam zij, „dat de hoop mij te zien en te spreken, zou kunnen bijdragen, om hem uit dien gevaarlijken toestand te redden?” „Misschien wel,” antwoordde ik, „en indien gij het mij gelast, zoo wil ik deze genezing beproeven.” „Welnu” zeide zij zuchtende, „geef hem dan hoop, dat hij mij zien en spreken zal; maar voeg er bij, dat hij op geene verdere gunsten te rekenen heeft, tenzij hij naar mijne hand wil dingen, en mijn vader zijne toestemming tot ons huwelijk geeft.” „Mejufvrouw!” riep ik uit, „gij zijt bijzonder goed; ik ga den jongen man dadelijk opzoeken en hem zeggen, dat hij de vreugde zal smaken, een onderhoud met u te hebben. Wanneer wilt gij zulks?” „Ik weet daartoe geen' beteren tijd,” zeide zij, „dan aanstaanden Vrijdag onder het middaggebed. Laat hij dan toezien, wanneer mijn vader uitgaat, om zich naar de moskee te begeven, en zoodra deze de straat uit zal zijn, zich onder mijn venster vertoonen; ik zelve zal dan afkomen, om hem de deur te openen. Wij kunnen dan zamen spreken, maar hij moet zich verwijderen, vóór dat mijn vader te huis komt. Is hij echter Vrijdag nog te ziek, dan zullen wij een' later uur bepalen.”
Wij hebben heden Dingsdag,” ging de oude voort, „gij hebt dus tot Vrijdag tijd, om uwe krachten te herstellen.” Naarmate zij met spreken voortging, voelde ik mijne krachten toenemen, en toen zij geëindigd had, was ik van mijne ziekte genezen. „Neem dit,” zeide ik, haar eene goed gevulde beurs gevende, „gij hebt mij genezen, en daarom geloof ik dit geld beter besteed, dan hetgeen ik aan den geneesheer heb moeten geven, die mij gedurende mijne ziekte slechts geplaagd heeft.”
Nadat de oude dame vertrokken was, gevoelde ik mij sterk genoeg, om het bed te verlaten. Ik stond op, en overtuigde mijne bloedverwanten van mijne geheele herstelling.
Des Vrijdags morgens, terwijl ik bezig was mijn beste kleed aan te trekken, kwam de oude dame mij bezoeken. „Ik behoef, naar hetgeen ik hier zie,” zeide zij, „niet te vragen, hoe het u gaat, maar wilt gij alvorens naar de dochter van den kadi te gaan, niet een bad nemen?” „Dat zou mij te veel tijd rooven,” gaf ik ten antwoord, „ik zal alleen een' barbier laten komen, om mij het haar te knippen en den baard te scheren.” Te gelijker tijd gaf ik aan een' van mijne slaven last, een' bekwamen barbier te gaan opzoeken.
De slaaf bragt mij den misselijken vent, dien gij hier ziet. Hij groette mij en zeide: „Heer, aan uw gelaat te zien, zou ik denken dat gij niet wel waart.” Ik antwoordde, dat ik ziek geweest was. „Ik wensch,” hernam hij, „dat Allah u voortaan van alle kwalen mag bevrijden, en dat zijne gunst u bijblijve al uwe levensdagen.” „En ik hoop,” antwoordde ik, „dat uw wensch vervuld mag worden.” „Daar gij herstellende zijt,” ging hij voort, „zoo zal ik Allah bidden, dat gij geheel moogt beteren. Zeg mij thans, wat er van uwe dienst is, ik heb mijne scheermessen en lancetten mede gebragt; wilt gij, dat ik u zal scheren of aderlaten?” „Ik heb u reeds gezegd,” hernam ik, „dat ik ziek ben geweest; gij kunt dus wel denken, dat ik u alleen noodig heb, om mij te scheren; haast u dan, en laat ons geen' tijd verliezen met praten, want mijne oogenblikken zijn mij kostbaar; men wacht mij tegen het middaguur.”
De barbier maakte veel tijd zoek met zijn' scheerzak te openen en zijne messen aan te zetten; en in plaats van water in het bekken te doen, haalde hij uit zijn' scheerzak een astrolabium te voorschijn, ging de kamer uit naar het voorhof, waar hij met deftigen ernst de hoogte der zon ging opnemen. Hij kwam met den zelfden langzamen tred terug, en zeide bij het binnen treden: „Gij zult blijde zijn, mijnheer, van mij te vernemen, dat wij heden den 18en Vrijdag van de maand Safar hebben, in het 653e jaar sedert de vlugt van onzen grooten Profeet van Mekka naar Medina, en in het 7320e van den grooten Iskender met twee horens; terwijl de vereeniging van Mars en Mercurius beteekent, dat gij geen gelukkiger oogenblik, dan het tegenwoordige zoudt kunnen uitkiezen, om den baard te laten afnemen. Maar van den anderen kant is deze vereeniging der beide planeten Mars en Mercurius voor u een slecht voorteeken; zij onderrigt mij, dat u op dezen dag een groot gevaar boven het hoofd hangt. Niet dat uw leven daarbij bedreigd wordt, maar het geldt hier eene verminking, die u tot aan het graf zal bijblijven. Gij moet mij alzoo ten hoogste verpligt zijn voor mijne waarschuwing, waardoor gij u in acht kunt nemen tegen een ongeluk, dat mij groot leed zou doen, indien het u overkwam.”
Gij kunt oordeelen, mijne heeren, over mijnen spijt, in de handen gevallen te zijn van zulk eenen praatzuchtigen en onbeschaamden barbier! Welk knellend tijdverlies voor een' minnaar, die zich gereed maakt, zijne geliefde te bezoeken! Ik was buiten mij zelven van kwaadheid. „Wat gaan mij,” riep ik in toorn uit, „uwe waarschuwingen en voorspellingen aan! Ik heb u niet laten roepen, om sterrekundige waarnemingen te doen, maar om mij den baard af te nemen; scheer mij dus, of ga van hier, en ik zal een' ander laten komen.”
„Heer,” gaf hij ten antwoord met eene kalme bedaardheid, om mij het geduld nog meer te doen verliezen, „welke reden hebt gij, om u boos te maken? Weet gij wel, dat niet alle barbiers aan mij gelijk zijn, en dat gij, om er zoo eene te vinden, hem eerst zoudt moeten maken. Gij hebt slechts naar een' barbier gevraagd, en in mij hebt gij gevonden den besten barbier uit geheel Bagdad, een' geneesheer, die ondervinding heeft en zijn vak verstaat, een' chimist, die in de diepste geheimen der scheikunde is doorgedrongen, een' sterrekundige die zich nog nooit in zijne berekeningen bedrogen heeft; een' taalkundige zonder weêrga, een' volmaakten rhetoricus, een' spitsvindigen redekunstenaar, een' mathematicus volleerd in de meetkunde en in de moeijelijkste stellingen der algebra, een' geschiedschrijver, die bekend is met de geschiedenis van alle koningrijken en volken der aarde! Bovendien ben ik te huis in alle vertakkingen der wijsbegeerte; onze wetten en overleveringen staan in mijn geheugen geschreven als in een boek, er ontbreekt niets aan. Ik ben dichter, bouwkundige, maar wat is er, dat ik niet ben? Er is niets in de natuur, dat voor mij verborgen is. Wijlen mijnheer uw vader, aan wien ik niet kan denken, zonder tranen te storten, als een offer aan zijne nagedachtenis, was overtuigd van mijne verdiensten; hij beminde mij, bewees mij alle vriendschap, en waar hij zich in gezelschap bevond, daar sprak hij van mij als van den grootsten man, die ooit onder den hemel leefde. En ik wil, uit dankbaarheid en uit liefde voor hem, mij aan u verbinden, u onder mijne bescherming nemen, en u behoeden voor al de ongelukken, waarmede de sterren u mogen bedreigen.”
Bij dit gesprek kon ik, niettegenstaande mijnen toorn, mij niet van lagchen onthouden. „Zijt gij nu haast ten einde, onophoudelijke babbelaar!” riep ik uit, „en zal het u nu behagen mij te scheren?” „Heer,” hernam hij, „gij hebt ongelijk, mij een' babbelaar te noemen; ieder, die mij kent, geeft mij integendeel den eervollen titel van den zwijger. Ik heb zes broeders gehad, die gij met regt babbelaars hadt kunnen noemen. Om u eenigzins met hen bekend te maken, zoo weet, dat de oudste werd genaamd Bacbouc, de tweede Bakbarah, de derde Bakbac, de vierde Alcouz, de vijfde Alnaschar en de zesde Schacabac. Dat waren allen lastige praters, maar ik, die hun jongste broeder ben, ik ben ernstig en beknopt in mijne gesprekken.”
Ik bid u, mijne heeren, stelt u voor een oogenblik in mijne plaats, wat moest ik doen, om ontslagen te worden van een' mensch, door wien ik mij aldus op de folterbank zag gebragt? „Geef hem drie goudstukken,” zeide ik tot een' mijner slaven, die met de uitgaven van mijn huis belast was, „opdat hij heenga, en mij met rust late; ik wil heden niet geschoren worden.” „Mag ik u vragen, heer, hoe gij dat verstaat?” hernam de barbier, „ik heb u niet opgezocht, maar gij hebt mij hier laten ontbieden; en dit zoo zijnde, zoo zweer ik u bij mijn geloof als Muzelman, dat ik uw huis niet zal verlaten, alvorens u geschoren te hebben. Dat gij mijne verdiensten niet kent, kan ik niet helpen. Wijlen mijnheer uw vader liet mij beter regt wedervaren; zoo menigmaal als hij mij deed roepen, moest ik naast hem gaan zitten, en het was dan een vermaak aan te hooren, welke schoone zaken ik hem vertelde. Ik wist hem in eene voortdurende verwondering te houden, ik nam hem geheel in, en wanneer ik geëindigd had, „O!” riep hij dan uit, „uw hoofd is eene onuitputtelijke bron van wetenschappen! Er is geen mensch op de wereld, die bij u in diepte van kennis halen kan.” „Mijn goede heer,” antwoordde ik dikwijls, „gij doet mij meer eer aan, dan ik verdien. Heb ik iets schoons gezegd, ik ben dat verschuldigd aan het goedgunstige gehoor, dat gij mij geeft; het zijn uwe goedheden, die mij de schrandere denkbeelden ingeven, waarmede ik de eer heb, u te behagen.” Op zekeren tijd, dat uw vader geheel in verrukking was, over het bewonderenswaardige gesprek, dat ik tot hem gevoerd had, riep hij uit: „Dat men hem honderd stukken goud geve, en hem omkleede met mijn beste kleed.” Ik ontving deze geschenken gaarne, en trok dadelijk zijn' horoscoop, die ik bevond zeer gelukkig te zijn.”
Denkt echter niet mijne heeren,” vervolgde de jonge kreupele van Bagdad, „dat de barbier het daarbij liet, neen, hij knoopte nu een ander gesprek aan, dat meer dan een half uur duurde. Vermoeid van hem aan te hooren, en ontevreden, dat de tijd inmiddels voorbij ging, zonder dat ik iets verder kwam, wist ik bijna niet meer, wat tegen dezen grooten kwelgeest te moeten zeggen. „Neen,” riep ik eindelijk uit, „het is niet mogelijk, dat er een tweede mensch op aarde gevonden wordt als gij, die er vermaak in schept, de lieden dol te maken.” Daar echter ook dit niet hielp, besloot ik te beproeven, of ik misschien met zachtheid bij hem verder zou komen, dan door mijn ongenoegen te laten blijken. „In naam van den grooten Profeet, bid ik u,” sprak ik tot hem, „uwe schoone gesprekken achterwege te laten, en mij spoedig te helpen; eene belangrijke zaak, gelijk ik u reeds gezegd heb, vereischt mijne tegenwoordigheid elders.” Op dit mijn zeggen, begon hij te lagchen. „Het zou zeer lofwaardig zijn,” sprak hij, „indien wij onzen geest altijd meester bleven, en immer wijs en voorzigtig waren; ik wil echter aannemen, dat uw toorn jegens mij meer de schuld van uwe ziekte, dan van uwe inborst is. In dezen toestand hebt gij echter behoefte aan eene goede leiding, en gij kunt niet beter doen, dan het voetspoor drukken van uwen vader en grootvader; zij kwamen mij spreken in alle gewigtige zaken, en ik kan zonder grootspraak zeggen, dat zij zich bij mijne raadgevingen steeds zeer wel bevonden. Gij moogt daaruit leeren, dat men, om in eene moeijelijke onderneming wel te slagen, den raad van lieden moet vragen, die kennis van zaken bezitten en ondervinding hebben. Het spreekwoord zegt niet te vergeefs: Wie verstandig wil wezen, moet den raad van een' verstandig mensch inroepen. En wat mij betreft, ik ben hierin geheel tot uwen dienst, gij hebt slechts te spreken.” „Kan ik dan niet van u verkrijgen,” viel ik ongeduldig in, „dat gij die lange gesprekken achterwege laat, die geene andere uitwerking hebben, dan mij het hoofd te vermoeijen, en die mij beletten te gaan, waar mijne zaken mij roepen? Scheer mij toch, of vertrek!” Dit zeggende stond ik vol spijt op, en trapte met den voet op den grond, dat de vloer dreunde.
Toen mijn kwelgeest zag, dat ik in ernst kwaad was, zeide hij: „Maak u niet boos: wij zullen een begin maken.” Werkelijk ligtte hij mijn hoofd op, en ving aan met scheren. Maar naauwelijks had hij vier streken met het scheermes gedaan, toen hij ophield, om tot mij te zeggen: „Heer, gij zijt opvliegend, gij moet die ondeugd, die alleen het werk des duivels is, bedwingen. Ik verdien, dat gij eerbied voor mij hebt, uithoofde van mijne jaren, mijne veelzijdige kennis en mijne uitstekende deugden, die . . . . . . .”
„Ga voort mij te scheren,” viel ik andermaal luide in, „en spreek geen woord meer!” „Dat wil zoo veel zeggen,” hernam de barbier, „als dat gij eene dringende zaak hebt te verrigten, ik wil wedden, dat ik mij niet vergist heb.” „Reeds twee uur geleden,” antwoordde ik met drift, „heb ik u dit gezegd, waarom maakt gij dan niet voort.” „Matig uwe haast,” hernam hij, „misschien hebt gij de zaak nog niet rijpelijk overwogen, die gij te verrigten hebt, en wat men met overhaasting doet, heeft bijna altoos berouw ten gevolge. Gij zoudt beter doen, mij te vertellen welke zaak u dus dringt, dan kan ik er mijn gevoelen over zeggen. Overigens hebt gij nog drie uur tijd, daar men u eerst tegen den middag verwacht.” „Ik behoef mij daaraan niet te binden,” zeide ik tot hem, „mannen van eer en woord zorgen vóór den bepaalden tijd ter plaatse te zijn, ten einde niet welligt op zich te laten wachten. Maar door aldus met u te redeneren, zou ik gevaar loopen zelf een babbelachtige barbier te worden; ik zwijg dus, en verzoek u, mij spoedig verder te scheren.”
Hoe meer haast ik aan den dag legde, hoe minder spoed hij maakte. Hij legde zijn scheermes neêr, om zijn astrolabium te krijgen, dan had hij het eene, dan het andere in de handen, tot dat hij eindelijk weder met zijn astrolabium in de hand naar buiten ging, om den juisten tijd van den dag op te nemen, terwijl hij mij half geschoren zitten liet. „Heer,” zeide hij, terug komende, „het is nog drie uur vóór den middag, ik ben daar zeker van, of alle regelen der sterrekunde moeten falen.” „Geregte hemel!” riep ik uit, „mijn geduld is ten einde, ik kan mij niet langer inhouden. Verwenschte barbier, wat let mij u te verwurgen!” „Zacht wat, zacht wat!” zeide hij met de grootste koelbloedigheid, zonder zich aan mijne oploopendheid te storen, „vergeet niet, dat gij ziek zijt geweest. Maak u niet driftig, gij zult binnen een oogenblik geholpen zijn.” Dit zeggende borg hij het astrolabium in zijn barbierskoker, vatte zijn scheermes op, dat hij eenige malen over den scheerriem streek, en ving weder aan mij te scheren; maar onder de hand kon hij toch het praten niet nalaten. „Indien gij mij wildet zeggen,” sprak hij, „welke zaak gij dezen middag te verrigten hebt, ik zou u een' goeden raad geven, waarbij gij u wel zult bevinden.” Om hem tevreden te stellen, gaf ik voor, dat mijne vrienden mij dien middag verwachtten op een feestmaal, dat zij ter eere van mijne herstelling aanrigtten.
Zoodra de barbier van een feestmaal hoorde spreken, riep hij eensklaps uit: „Dat Allah u zegene, nu en eene lengte van dagen! Gij herinnert mij daar, dat ik vier of vijf van mijne vrienden heb uitgenoodigd, om dezen middag bij mij te komen eten. Dit was mij geheel door het hoofd gegaan; zoodat ik nog volstrekt geene toebereidselen tot hunne ontvangst gemaakt heb.” „Laat u dit niet verlegen maken,” zeide ik, „hoewel ik dezen middag buitenshuis ga eten, is mijn provisiekamer echter goed voorzien, en al wat zij bevat, is geheel tot uwen dienst. In mijn' kelder heb ik voortreffelijken wijn, waarvan ik u zal doen geven, zoo veel als gij verlangen zult; alleen haast u nu, mij verder te scheren; bedenk, dat ik u deze geschenken niet geef zooals mijn vader, om u te hooren spreken, ik geef ze om u te doen zwijgen.”
Hij scheen aan mijn woord alleen echter niet genoeg te hebben. „Allah zal u vergelden!” riep hij uit, „al het goede dat gij mij bewijst; maar toon mij dadelijk dien voorraad, opdat ik zal kunnen zien, of er genoeg is om mijne vrienden te onthalen; want ik wil, dat zij over mij tevreden zullen zijn.” „Er is,” zeide ik, „een lam, er zijn zes kalkoenen, een dozijn kuikens, en genoeg om voor het eerste geregt vier vleeschschotels toe te bereiden.” Een' mijner slaven beval ik, dit alles binnen te brengen, en daarbij vier groote kruiken wijn te voegen. „Dat zal wel genoeg zijn,” hernam de barbier, „maar de vruchten en de kruiden, om bij het vleesch te gebruiken, ontbreken.” Ik liet hem ook deze nog geven. Zoodra was dit niet gedaan, of hij hield op, mij te scheren, ten einde alles stuk voor stuk na te zien, en daar dit onderzoek bijna een half uur duurde, begon ik te vloeken en hem te verwenschen. Maar hoe meer leven ik maakte, hoe minder hij zich haastte. Eindelijk echter nam hij het scheermes weder in handen, en schoor mij gedurende een paar seconden. Toen hield hij plotseling nogmaals op. „Ik had nooit durven denken, heer,” zeide hij, „dat gij zoo mild waart, thans echter zie ik, dat uw vader in zijn' zoon herleeft. Zeker ik verdien de goedheden niet, waarmede gij mij overlaadt, en ik beloof, er u eeuwig dankbaar voor te zullen zijn. Want, waarom dit voor u te verbergen; ik bezit niets, dan hetgeen ik van edelmoedige menschen, gelijk gij zijt, ten geschenke krijg. Ik sta gelijk met Zoutout, die de badgasten moet wrijven; met Sali, die met geroosterde graauwe erwten door de straten van Bagdad te koop loopt; met Salouz, die boonen verkoopt; met Akerska, die in groenten handelt; met Abou-Mehares, die de straten besproeit, om het stuiven te voorkomen, en met Cassem, die tot de wacht van den kalif behoort. Geen dezer lieden is droefgeestig; zij zijn noch ligtgeraakt, noch twistzoekend, en beter tevreden met hun lot, dan de kalif in al zijn' rijkdom en overvloed. Altoos zijn zij opgeruimd en liefhebbers van zang en dans. Ieder hunner heeft zijne eigene zangwijze, en eene bijzondere soort van dans, waarmede zij de inwoners van Bagdad weten te vermaken. Maar wat ik in hen boven alles moet prijzen, zij zijn geene groote praters, evenmin als uw slaaf, die de eer heeft tot u te spreken. Hoor aandachtig,” vervolgde de barbier, „naar het lied, en let op den dans van Zoutout, die de badgasten wrijven moet; ziet eens, of ik hem niet sprekend weet na te bootsen.” De barbier,” vervolgde de jonge kreupele, „zong nu het lied en danste den dans van Zoutout; wat ik ook mogt zeggen, om hem met deze gekheden te doen ophouden, hij liet niet af, vóór dat hij ook zijne andere door hem opgenoemde vrienden had nageäapt. Hierop zich tot mij wendende, zeide hij: „Heer, al deze brave lieden zal ik ten mijnent laten komen, en indien gij mij een genoegen wilt doen, zoo wees ook van de onzen, en laat uwe vrienden loopen. Misschien zijn dat groote praters, die u met hunne vervelende gesprekken het hoofd op hol brengen, en nog zieker maken dan gij geweest zijt; terwijl gij bij mij niets dan vermaak te wachten hebt.”
Hoe boos ik was, ik moest echter om zijne dwaasheid lagchen. „Het spijt mij,” zeide ik, „mijn woord reeds gegeven te hebben, anders zou ik gaarne van uw aanbod gebruik maken, en den dag met u en uwe vrienden doorbrengen. Nu moet ik u echter verzoeken, mij daarvan te ontslaan; op een' anderen dag kunt gij over mij beschikken. Maar scheer mij nu af, en haast u naar uw huis te gaan, waar uwe vrienden misschien reeds op u wachten.” „Mijn goede heer,” hernam hij, „weiger mij de gunst niet, waarom ik u verzoek. Kom u vermaken met het uitgelezene gezelschap, dat ik verwacht. Indien gij slechts éénmaal met deze lieden kennis gemaakt hebt, zult gij zoo over hen tevreden zijn, dat gij, om hun bijzijn te genieten, gaarne van uwe andere vrienden afziet.” „Laat ons daar niet verder over praten,” antwoordde ik, „ik kan heden op uw feest niet tegenwoordig zijn.”
Ook met zachtheid kon ik echter op dien stijfkop niets winnen. „Daar gij volstrekt niet ten mijnent wilt komen,” hernam hij, „zoo zult gij het voor lief moeten nemen, dat ik met u ga. De voorraad, dien gij mij hebt gegeven, zal ik naar mijne woning brengen. Mijne vrienden kunnen dan eten en drinken naar hartelust; doch ik zelf kom dadelijk terug. Ik zal mij wel wachten, zoo onbeleefd te zijn, om u alleen te laten gaan; gij hebt het wel aan mij verdiend, dat ik u deze beleefdheid bewijs.” „Hemel!” riep ik uit, „is er dan geene mogelijkheid, mij van dezen lastigen man te ontslaan. Bij Allah,” sprak ik tot hem, „houd op, mij lastig te vallen! Ga naar uwe vrienden, eet, drink en vermaak u, doch laat mij in vrijheid de mijnen bezoeken. Ik wil alleen gaan, en begeer geen gezelschap. Ook moet ik u nog zeggen, dat ik ergens verwacht word, waar uwe tegenwoordigheid niet gewenscht zou zijn, men verlangt alleen _mij_ daar.” „Nu schertst gij met mij, heer,” hernam de barbier, „indien uwe vrienden u op een feest genodigd hebben, wat zou u dan kunnen beletten, mij mede te nemen? Gij zult hun, daar ben ik verzekerd van, integendeel veel vermaak doen, een' man mede te brengen, die op zijn pas een geestig woord weet te zeggen, dat de lachspieren in beweging brengt, en die er zich op verstaat een geheel gezelschap aangenaam bezig te houden, al zou hij ook de eenige spreker aan tafel zijn. Wat gij er dan ook tegen zeggen moogt, het is eene afgedane zaak; ik vergezel u, of gij er vrede mede hebt of niet.”
Deze halstarrigheid van den barbier, mijne heeren, bragt mij in groote verlegenheid. „Hoe mij te ontslaan van dien verwenschten baardschrapper,” zeide ik tot mij zelven. „Indien ik voortga hem te wederspreken, zoo komt er geen einde aan.” Ook werd er reeds voor de eerste maal tot het middaggebed geroepen, en het was voor mij hoog tijd, om te gaan. Ik besloot alzoo, mij van de zaak af te maken door in schijn toe te geven, en hield mij, alsof ik er in toestemde, dat hij mij vergezellen zou. Nu schoor hij mij eindelijk af. Zoodra dit gedaan was, zeide ik tot hem: „Neem eenige van mijne slaven, opdat zij dezen voorraad naar uwe woning brengen, en kom terug, zoodra gij uwe vrienden zult gesproken hebben; ik zal u wachten.”