Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Derde deel

Part 6

Chapter 64,054 wordsPublic domain

Ik ging naar den berestein, en vervoegde mij bij een' makelaar, aan wien ik mijne keten liet zien. Ik zeide hem, dat ik die wenschte te verkoopen, en hij ze aan de voornaamste juweliers kon aanbieden. De makelaar, verbaasd over de kostbaarheid van de halsketen, gaf zijne verwondering te kennen door den uitroep: „O hoe schoon!” Hij kon zich niet verzadigen de paarlen te aanschouwen, en verzekerde mij, dat de juweliers als om strijd er naar dingen zouden ze te koopen, zoodat ik gewis een' hoogen prijs zou maken. Hij bragt mij in een' winkel, en wel toevallig in dien van den eigenaar mijner woning. „Wacht mij hier,” sprak hij, „ik zal u weldra meer kunnen zeggen.”

Terwijl de makelaar van koopman tot koopman ging, om onder het zegel van geheimhouding mijn juweel te laten zien, zette ik mij bij den juwelier neder, en onderhield mij met hem over verschillende zaken, tot dat de makelaar terugkwam, en mij ter zijde nam. In plaats van mij te zeggen, dat men de halsketen op minstens twee duizend goudstukken gewaardeerd had, verzekerde hij mij, dat men er niet meer dan vijftig voor wilde geven. „Dit komt,” voegde hij er bij, „omdat de paarlen niet echt zijn; bedenk u nu, of gij ze voor dien prijs wilt laten.” Ik geloofde den man op zijn woord, en daar ik zeer om geld verlegen was, zeide ik: „Ga, ik verlaat mij op hetgeen gij zegt, en op het woord van hen, die meer kennis van paarlen hebben dan ik; lever het halssnoer voor den u geboden prijs, en breng mij dadelijk het geld.”

De makelaar had mij vijftig goudstukken geboden op last van een' der rijkste juweliers van den berestein, die mij dit bod deed, ten einde mij op de proef te stellen, of ik ook met de waarde bekend was van hetgeen ik ter verkoop liet aanbieden. Naauwelijks had hij dus mijn antwoord van den makelaar vernomen, of hij ging met hem naar den commissaris van policie, aan wien hij het halssnoer liet zien. „Heer,” zeide hij „zie hier eene keten, welke men mij heeft ontstolen; de dief, zich voor een' koopman uitgevende, heeft de onbeschaamdheid gehad, ze op den berestein, waar hij zich nog bevindt, te koop aan te bieden. Hij vergenoegt zich,” voegde de juwelier er bij, „met vijftig goudstukken voor een juweel, dat onder kenners twee duizend waard is; bewijs genoeg, dat hij een' dief moet zijn.”

De commissaris van policie zond terstond eenige zijner dienaren om mij op te halen, en toen ik voor hem werd gebragt, toonde hij mij het halssnoer en vroeg mij of het niet datgene was, hetwelk ik op den berestein te koop had laten veilen. Ik kon dit niet ontkennen. „Is het ook waar,” vervolgde hij, „dat gij dit kleinood voor vijftig goudstukken missen wilt?” Ik stemde ook dit toe. „Wel nu,” sprak hij op spottenden toon, „dat men hem stokslagen geve; hij zal ons' met zijn fraai koopmanskleed, spoedig belijden, dat hij slechts een onhandige dief is; sla er op los, tot dat hij de waarheid bekend heeft.” De smart der stokslagen, die als hagel op mij nederstortten en mijne leden radbraakten, deed mij eene leugen zeggen; ik beleed, tegen de waarheid in, dat ik het halssnoer gestolen had, waarop de commissaris van policie mij terstond de regterhand deed afkappen.

Dit voorval maakte op den berestein een groot gerucht, en naauwelijks had ik mijne woning bereikt, of de eigenaar liet zich daar ook vinden. „Mijn zoon,” sprak hij, „gij komt mij voor als een verstandig en welopgevoed jongmensch. Hoe is het mogelijk, dat gij u aan eene zoo onwaardige daad hebt schuldig gemaakt, als waarvan ik op den berestein heb hooren spreken. Gij hebt mij gezegd, en ik wil u gelooven, dat uw vader een rijk man is. Waart gij in verlegenheid, waarom mij niet om geld gevraagd? Ik zou het u geleend hebben. Maar na hetgeen nu is voorgevallen, mag ik u in mijn huis niet langer laten wonen, draag dus zorg u van eene andere woning te voorzien.” Ik werd door deze woorden zeer ter neêr geslagen, en smeekte den juwelier met tranen in de oogen mij dan toch te vergunnen, nog drie dagen in zijn huis te blijven, hetgeen hij mij toestond.

„Helaas!” riep ik uit, „hoe groot is mijn ongeluk en mijne schande! Zal ik naar Moussoul durven terugkeeren? Zal wel iets in staat zijn mijn' vader te overtuigen, dat ik als een dief gestraft, toch onschuldig ben?”

Drie dagen na de ondergane straf, zag ik tot mijne verwondering eene menigte lieden, waaronder de eigenaar van mijn huis en de koopman, die mij valsch beschuldigd had, met den commissaris van policie mijne woning binnendringen. Ik vroeg hen, wat zij van mij begeerden, maar in plaats van te antwoorden, kwamen de geregtsdienaren naar mij toe, en bonden mij de armen op den rug, terwijl men mij allerlei beleedigingen zeide. De geregtsdienaren gaven mij te kennen, dat zij mij voor den gouverneur van Damaskus moesten brengen, aan wien het noodlottige halssnoer vroeger had toebehoord, en die het, te gelijk met eene van zijne dochters, nu bijna drie jaren geleden vermist had. Gij kunt denken, hoe ik bij dit nieuwe gevaar, dat mij bedreigde, te moede werd. Ik nam evenwel terstond mijn besluit. „Ik zal,” sprak ik in mij zelven, „den gouverneur de volle waarheid zeggen, het zal dan van hem afhangen mij vergiffenis te schenken, of mij te doen sterven.”

Toen men mij voor den gouverneur gebragt had, bemerkte ik, dat hij eenen mededoogenden blik op mij vestigde, waardoor ik eenige hoop begon te koesteren op een' goeden uitslag. Hij deed mij van mijne banden bevrijden, en zich vervolgens wendende tot den juwelier, mijn' aanklager, en tot mijn' huisheer, vroeg hij: „Is dit de man, die het halssnoer te koop heeft laten veilen?” Naauwelijks hadden zij dit met ja beantwoord, of hij vervolgde: „Ik ben echter overtuigd dat hij het halssnoer niet heeft gestolen, en het bevreemdt mij zeer, dat men hem zoo onregtvaardig heeft behandeld.” Bemoedigd door deze woorden, wierp ik mij aan zijne voeten en zeide: „Heer, gij hebt wel gezegd, ik zweer u dat ik aan den diefstal geheel onschuldig ben. Zelfs heb ik de overtuiging, dat het snoer paarlen nooit aan mijn' aanklager toebehoorde, wiens verfoeijelijk bedrog de oorzaak is, dat ik op eene zoo onwaardige wijze behandeld ben geworden. Het is waar, ik heb beleden het gestolen te hebben, maar ik deed dit onder de mijne leden martelende stokslagen, die men mij toedeelde, tegen de waarheid in. Ook bestond daarvoor nog eene andere reden, die ik bereid ben u mede te deelen, indien gij de goedheid wilt hebben mij aan te hooren.” „Ik weet genoeg,” hernam de gouverneur, „om u reeds thans een gedeelte van het regt te laten wedervaren, waarop gij aanspraak hebt. Dat men,” vervolgde hij, een' verpletterenden blik op den juwelier werpende, „den valschen beschuldiger van hier brenge, en de zelfde straf doe ondergaan, die hij dezen jongeling berokkende, voor wiens onschuld ik insta.”

Het bevel van den gouverneur werd dadelijk ten uitvoer gebragt. Men leidde den koopman in juweelen naar buiten, en hij onderging zijne welverdiende straf. Hierop liet de gouverneur allen vertrekken, waarna hij zich tot mij wendde, en zeide: „Mijn zoon, verhaal mij thans zonder beschroomdheid, op welke wijze het halssnoer in uw bezit is gekomen, en verheel niets voor mij.” Ik deelde hem nu al het gebeurde mede, en beleed, dat ik liever voor een' dief had willen doorgaan, dan het treurspel, dat ten mijnent was voorgevallen, aan het daglicht brengen. „O Allah!” riep de gouverneur, zoodra ik met spreken geëindigd had, „uwe oordeelen zijn ondoorgrondelijk, en wij moeten er ons aan onderwerpen, zonder te morren. Ik ontvang met diepe onderwerping den slag, waarmede het u behaagt heeft mij te treffen.” Daarop het woord tot mij rigtende, vervolgde hij: „Mijn zoon; nu ik de oorzaak van uw ongeluk ken, wil ik u ook een verhaal doen van het mijne. Verneem dan, dat ik de vader ben der twee dames, waarover gij mij gesproken hebt. Weet,” ging hij zuchtende voort, „dat de eerste dame, welke de schaamteloosheid had, u in uwe woning te komen opzoeken, mijne oudste dochter was. Ik had haar aan een' zoon mijns broeders te Caïro uitgehuwelijkt. Na den dood van haren man, kwam zij bij mij terug, verdorven door allerlei ondeugden, welke zij gedurende haar verblijf in Egypte had aangeleerd. Vóór hare komst had mijne tweede dochter, die op eene zoo beklagenswaardige wijze in uwe armen is gestorven, een onbesproken leven geleid. Hare oudste zuster verbond zich ten naauwste met haar, en maakte haar van lieverlede even slecht, als zij zelve was. Toen ik haar op den dag na haren rampspoedigen dood niet aan tafel zag verschijnen, vroeg ik aan mijne oudste dochter of zij niets van haar wist, doch in plaats van mij te antwoorden, begon zij zoo bitter te weenen, dat ik voor het ergste beducht werd. Ik drong er sterk op aan, dat zij mij op mijne vraag zou antwoorden. „Vader,” zeide zij nu snikkende, „al wat ik zeggen kan, is dat mijne zuster gisteren in haar beste kleed, en met haar schoonste parelsnoer uitgegaan, en sedert niet teruggekomen is.” Ik liet door de gansche stad naar mijne dochter zoeken, maar ik kon van haar ongelukkig lot niets te weten komen. Intusschen beweende mijne oudste dochter hare zuster dag en nacht; ongetwijfeld gevoelde zij berouw over hare in woedende jaloezij begane misdaad, althans zij weigerde alle voedsel, en maakte op die wijze een einde aan haar rampzalig leven.

Zie daar het lot der menschen. Gelukkig hij, wiens leven geene aaneenschakeling van rampen is! Maar mijn zoon,” vervolgde hij, „want als zoodanig beschouw ik u van dit oogenblik af, laat ons het ongeluk als mannen dragen, en elkander zoo veel mogelijk trachten te troosten, over hetgeen wij niet veranderen kunnen. Ik zal u mijne derde en jongste dochter ten huwelijk geven, die van een geheel ander gedrag is, dan dat hare zusters waren. Zij is niet alleen schoon, maar heeft een zoo zacht en beminnelijk karakter, dat ik verzekerd ben, dat zij u gelukkig zal maken. Gij zult zamen bij mij wonen, tot troost en vreugde in mijnen ouderdom, en na mijnen dood zult gij mijne eenigste erfgenamen zijn.”

„Heer,” zeide ik tot den gouverneur, „ik ben verlegen over uwe goedheid, en ik zal die nimmer genoeg kunnen erkennen.” „Spreek mij daar niet van,” viel hij mij in de rede, „laat ons den tijd niet met woorden verbeuzelen.” Dit gezegd hebbende, liet hij den kadi en getuigen ontbieden, en nog dien zelfden dag werd ik met zijne dochter in den echt verbonden.

De gouverneur vergenoegde zich niet alleen den juwelier, die mij valsch beschuldigd had, te straffen, hij liet ook al zijne bezittingen, die zeer groot waren, ten mijnen voordeele verbeurd verklaren. In één woord, hij heeft mij lief als een eigen zoon, en gij zelf hebt gezien, hoe verblijd hij over mijne herstelling is. Nog moet ik u zeggen, dat mijne ooms iemand naar Egypte zonden om mij daar op te zoeken. Deze bode vond mij op zijne terugreis, en stelde mij een' brief van hen ter hand. Mijn ooms berigtten mij het overlijden van mijn' vader, en noodigden mij uit te Moussoul te komen om zijne nalatenschap, die zeer aanzienlijk is, te aanvaarden. Ik kon echter niet besluiten mijnen schoonvader te verlaten, en heb derhalve aan den mij gezonden bode eene volmagt voor een' mijner ooms ter hand gesteld, ten einde deze die zaak voor mij zou kunnen regelen. Na al hetgeen ik u verhaald heb, hoop ik, dat gij mij de onwellevendheid zult vergeven, dat ik gedurende mijne ziekte, als gij mij den pols wildet voelen, u steeds de linkerhand aanbood in plaats van de regter.”

* * * * *

Zie daar sire,” zeide de Joodsche geneesheer tot den sultan van Cachgar, „wat mij de jonge man van Moussoul verhaalde. Ik bleef te Damaskus, zoo lang de gouverneur leefde, maar na zijn overlijden, nog in den bloei mijns levens zijnde, kreeg ik lust te gaan reizen. Ik trok door geheel Perzië, een gedeelte van Indië en Tartarijë, en heb mij eindelijk in uwe hoofdstad neêrgezet, waar ik mijn vak, zoo ver mij bekend is, steeds met naauwgezetheid heb uitgeoefend.”

De sultan van Cachgar vond in deze geschiedenis meer behagen, dan in de beide voorgaande verhalen. „Ik moet toestemmen,” zeide hij tot den Jood, „dat hetgeen gij mij daar verteld hebt, verwonderlijk is, maar ronduit gezegd, de geschiedenis van den gebogchelde, is dit in nog hoogere mate. Reken er dus niet op dat ik u, met de anderen, het leven zal schenken; ik zal u integendeel alle vier doen ophangen.” „Niet zoo haastig, sire, als ik u bidden mag!” riep de snijder, terwijl hij vooruitdrong, en zich voor den troon des sultans nederwierp. „Daar uwe majesteit op vermakelijke geschiedenissen gesteld is, zal die, welke ik te verhalen heb, haar zeker niet mishagen.” „Ik wil ook u nog wel aanhooren,” zeide de sultan, „maar vlei u niet, dat ik u zal laten leven, tenzij gij mij eene fraaijere geschiedenis mededeelt, dan die van mijnen hofnar.” De kleêrmaker, als ware hij zeker van zijne zaak, nam met zelfvertrouwen het woord op, en ving aldus aan.

GESCHIEDENIS, VERHAALD DOOR EEN KLEÊRMAKER.

„Sire, een burger dezer stad liet mij gisteren op een feest noodigen, dat hij aan eenige zijner vrienden wilde geven. Ik ging op het bepaalde uur derwaarts, en trof er een twintigtal personen aan.

Wij wachtten nog alleen op den gastheer, die voor eene onverwachts opgekomen zaak was uitgegaan, toen wij hem terug zagen komen, vergezeld door een nog jeugdig vreemdeling, van een goed uitzigt, maar sterk mank gaande. Wij stonden op en noodigden, om onzen gastheer, naar wij dachten, genoegen te geven, den jongen vreemdeling uit, zich bij ons op de sofa neder te zetten. Gereed om hieraan te voldoen, viel zijn oog op een' barbier die zich in ons gezelschap bevond, waarop hij dadelijk terugtrad, en zich wilde verwijderen. De gastheer vond dit zeer vreemd, hield hem tegen, en zeide: „Waar wilt gij heen? Ik nam u met mij, opdat gij mij de eer zoudt aandoen deel te nemen aan dit vriendenfeest, en naauwelijks hebt gij den voet in mijne woning gezet, of gij wilt u verwijderen?” „Heer,” antwoordde de jonge man, „ik smeek u mij dit niet euvel te duiden, en mij toe te staan, dat ik vertrek. Ik kan den hatelijken barbier daar onder mijne oogen niet dulden; ofschoon geboren in een land waar de menschen blank zijn, heeft hij het uitzigt van een' Ethiopiër, en zijne ziel is nog zwarter en afzigterlijker dan zijn gelaat.”

Wij waren allen verwonderd over eene beschuldiging zoo regt op den man aan, en ofschoon wij niet wisten, waarop die gegrond was, nam ons zulks echter zeer tegen den barbier in. Wij verklaarden zelfs niet aan tafel te willen zitten met iemand, die ons zoo ongunstig werd afgeschilderd, en zich dit zoetsappig liet aanleunen. De gastheer verzocht inmiddels den jongen man, van hem te mogen weten, wat hij tegen den barbier had.

„Zoo verneem dan, mijne heeren,” zeide de jonge vreemdeling, „dat die verwenschte barbier oorzaak mijner kreupelheid is, en dat hij mij in eene verlegenheid heeft gebragt, waarbij ik mijn leven ligtelijk had kunnen verliezen. Daarom heb ik gezworen, mij nimmer met hem in gezelschap te zullen bevinden, en zelfs de stad te verlaten, waar hij zijn verblijf houdt! Dit noopte mij uit Bagdad te gaan, waar ik hem achterliet. Om mij te zekerder en voor altoos van hem te bevrijden, deed ik eene zeer lange reis en zette mij in deze stad, midden in Tartarijë, neder. Geheel tegen mijne verwachting is hij echter een der eersten, die mij hier voor de oogen komt, en dit verpligt mij, mijne heeren, het genoegen te missen, in uw gezelschap te blijven. Ik heb vast besloten, deze stad nog heden te verlaten, en elders eene wijkplaats te zoeken, waar ik hoop van het zoo gehate barbiersgezigt bevrijd te zullen blijven.” Dit zeggende wilde de vreemdeling vertrekken, maar de gastheer hield hem andermaal terug, verzocht hem te blijven, en ons mede te deelen, waardoor zijn groote afkeer van den barbier was ontstaan. Gedurende dit geheele gesprek hield de barbier de oogen ter aarde geslagen en bewaarde het stilzwijgen, alsof hem de zaak niet aanging. Wij inmiddels voegden onze beden bij die van den heer des huizes. De jonge man, eindelijk voor onzen aandrang zwichtende, zette zich op de sofa, terwijl hij den barbier den rug toedraaide, en verhaalde ons het volgende.

„Mijn vader woonde te Bagdad en behoorde tot eenen stand, die hem aanspraak gaf naar de eerste staatsambten te dingen. Hij stelde echter meer prijs op een rustig leven, dan op aanzien en vorstengunst. Ik was zijn eenig kind. Hij liet mij bij zijn overlijden zeer vele goederen na, en hoewel de jongelingsjaren pas ontwassen, was ik verstandig genoeg de erfenis mijns vaders niet te verspillen. Ik maakte daarvan zulk een gebruik, dat ik mij de achting verwierf van alle weldenkende lieden.

Op mijn twintigste jaar wist ik nog niet bij ondervinding, wat liefde was. Ik geloofde zelfs daarvoor ongevoelig te zijn, en was nog zoo kinderachtig, het gezelschap der schoonen zoo veel mogelijk te vermijden. Op zekeren dag, dat ik mij op straat bevond, zag ik verscheidene jonge meisjes naderen, en sloeg, om haar te ontwijken, een zijstraatje in, waar ik mij op eene bank voor de deur eener woning nederzette. Ik had hier het gezigt op een venster tegenover mij, waarheen mijne aandacht werd getrokken door eene aldaar prijkende vaas met zeer zeldzame bloemen. Terwijl ik de bloemen bewonderde, werd het venster geopend door eene jonge dame van betooverende schoonheid. Zij sloeg eenen blik op mij, voorzag de bloemen van water en wierp mij een' vriendelijken groet toe. Ik kon de oogen niet van haar afwenden, en toen zij, vóór het venster te sluiten, mij nog eenen vriendelijken blik verwaardigde, was ik geheel genezen van mijnen afkeer van de vrouwen, en zoo verliefd als het maar zijn kan.

Nog lang nadat mijne schoone verdwenen was, zat ik naar haar venster te turen, en zou daar misschien nog een uur gezeten hebben, indien niet een gerucht van komende menschen mij in mijne verliefde droomerijen had gestoord. Ik wendde het hoofd om, en opstaande, zag ik dat het de eerste kadi der stad was, die op een' muilezel gezeten en vergezeld door vijf of zes van zijne dienaren naderde. Hij steeg voor de deur van het huis af, waar ik de schoone jonge dame aan het venster had gezien, en ging naar binnen, hetgeen mij deed denken dat hij haar vader was.

Bij mijne tehuiskomst bevond ik mij in eene zeer vreemde stemming; mijn bloed was zoo zeer in beweging geraakt, dat eene hevige koorts zich van mij meester maakte, en ik mij te bed moest begeven. Mijne bedienden waren deswegens zeer ontsteld. Zij liepen naar mijne bloedverwanten, die mij onverwijld kwamen opzoeken, en het mij zeer lastig maakten met vragen naar de oorzaak van mijne ongesteldheid, die ik mij wel wachtte hun mede te deelen. Mijne achterhoudendheid vermeerderde hunne ongerustheid over mijne ziekte, die de geneesheeren niet konden meester worden; want de geneesmiddelen, welke zij mij toedienden, maakten mij zieker in plaats van beter. Reeds begon men voor mijn leven te vreezen, toen eene bejaarde dame, die men van mijne ziekte onderrigt had, mij een bezoek bragt. Zij sloeg mij met aandacht gade, en na een naauwkeurig onderzoek, scheen zij, ik weet niet op welke wijze, de oorzaak van mijne ongesteldheid te raden. Zij verzocht mijne bloedverwanten haar met mij alleen te laten, en de bedienden te verwijderen.

Nadat allen het vertrek verlaten hadden, zette zij zich bij mijn rustbed neder. „Mijn zoon,” sprak zij tot mij, „gij hebt tot heden de oorzaak van uwe kwaal halstarrig trachten te verbergen, maar ik heb niet noodig, dat gij mij die zegt. Ik heb ondervinding genoeg om uw geheim te doorgronden, en gij zult mij niet tegenspreken, indien ik u zeg, dat het de liefde is, die u ziek maakt. Ik kan u echter tevens genezing aanbrengen, mits gij mij het meisje doet kennen, dat uwe algemeen bekende ongevoeligheid aldus deed ophouden.”

De bejaarde dame hield hier op met spreken, en scheen op mijn antwoord te wachten, maar ofschoon zij een' gunstigen indruk op mij maakte, durfde ik haar echter de oorzaak van mijn leed niet blootleggen. Ik bleef haar al zuchtende zwijgend aanzien. „Is het valsche schaamte of wantrouwen in mij,” hernam zij, „die u weêrhoudt te spreken? Twijfel niet aan de waarheid van hetgeen ik u heb toegezegd. Ik zou u onder uwe bekenden meer dan een' kunnen noemen, die zich in uwen toestand bevond, en die aan mij zijn tegenwoordig geluk verschuldigd is.”

Op deze wijze wist de goede dame mij eindelijk te bewegen, een hardnekkig stilzwijgen te laten varen, mijnen hartstogt te bekennen, haar alles mede te deelen, wat daarmede in betrekking stond, en van hetgeen mij bejegend was, niets te verzwijgen. „Indien gij slaagt,” zeide ik tot haar, „en mij het geluk verschaft, die lieve schoone te zien en haar te kunnen spreken over mijne liefde, zoo kunt gij staat maken op mijne erkentelijkheid.” „Mijn zoon,” antwoordde zij, „ik ken die jonge schoone van wie gij mij spreekt, zeer goed; zij is inderdaad, zoo als gij vermoedt, de dochter van den kadi, en zijn eenig kind. Het verwondert mij niet, dat gij op haar verliefd zijt geworden, zij is de schoonste en beminnelijkste jonge dame van geheel Bagdad; maar zij is tevens zeer koud en daardoor moeijelijk te genaken. Gij weet tevens dat onze regters zeer streng de harde wetten, die onze vrouwen in eenen lastigen dwang houden, toepassen. Waar het hunne eigene vrouwen of dochters geldt, doen zij dit nog meer, en de kadi is in dit opzigt de gestrengste van al zijne ambtgenooten. Daar zij hunne dochters steeds voorhouden, dat het eene groote misdaad is, zich aan een' man te laten zien, zijn de meesten zoo bevreesd, dat zij, over straat gaande, slechts oogen schijnen te hebben, om zich niet aan de steenen te stooten. Ik weet niet of dit ook het geval is met de dochter van den eersten kadi, maar toch vrees ik groote moeijelijkheden te zullen ondervinden, zoowel van haren kant, als bij haren vader. Mogt het Allah behaagd hebben, dat uw oog op eene andere dame ware gevallen! Ik zou dan met zoo vele hinderpalen niet te kampen hebben. Intusschen wil ik al mijne bekwaamheid in het werk stellen, maar gij moet geduld hebben, want dit zal hier niet het werk van éénen dag zijn. Houdt inmiddels goeden moed, en vertrouw op mij.”

De oude dame liet mij vervolgens alleen, en mij al de zwarigheden voor den geest halende, welke zij mij had opgesomd, deed de vrees, dat zij niet in hare onderneming zoude slagen, mijne ongesteldheid eer toe dan afnemen. Zij kwam des anderen morgens terug, en ik las op haar gelaat, dat zij mij niet veel gunstigs te berigten had. Zoo was het ook. „Mijn zoon,” zeide zij, „ik heb mij niet bedrogen: ik heb geheel iets anders te bestrijden gevonden, dan de waakzaamheid van eenen vader; gij bemint een ongevoelig wezen, dat er behagen in schept de mannen verliefd te maken op hare bekoorlijkheden, zonder hun de minste gunst toe te staan. Zij hoorde mij met blijkbaar vermaak, zoo lang ik slechts van uw lijden sprak; maar zoodra had ik niet gerept van uwen wensch, om haar te zien en te spreken, of zij wierp mij een' vertoornden blik toe, en zeide: „Gij zijt wel onbeschaamd, mij zulk een voorstel te doen. Indien gij mij immer weder met iets dergelijks aankomt, zal mijne woning voor altoos voor u gesloten zijn.”

Dat dit,” vervolgde de bejaarde dame, „u echter niet te zeer bedroeve; ik laat mij zoo spoedig niet afschrikken. Indien gij slechts geduld wilt nemen, zoo wanhoop ik geenzins, ook deze moeijelijke zaak tot een goed einde te brengen.”

De goede oude dame wendde vervolgens nog verscheidene pogingen aan, zonder het voorwerp mijner liefde gunstig voor mij te kunnen doen stemmen. De droefheid hierover deed mijne kwaal zoo zeer toenemen, dat de doctor mij opgaf. Ik werd dus reeds aangemerkt als iemand den dood nabij, toen de oude mij het leven kwam teruggeven.