Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Derde deel
Part 5
Ik had voor die som weldra eene woning gevonden, en liet die prachtig in orde brengen, waarna wij er onzen intrek namen. Wij hielden een groot aantal slaven en slavinnen, en leefden op eenen rijken voet. Maar deze gelukkige tijd was slechts van korten duur. Na verloop van een jaar kreeg mijne vrouw eene ziekte, waaraan zij binnen weinige dagen overleed. Ik had kunnen hertrouwen en te Bagdad op een' ruimen voet blijven leven; maar de lust bekroop mij, om de wereld in te gaan. Ik verkocht mijn huis en al mijne bezittingen, sloeg eene menigte koopmansgoederen in, en voegde mij bij eene karavaan, die naar Perzië ging. Van daar nam ik mijnen weg naar Samarcande, waarna ik mij in deze stad heb neêrgezet.”
* * * * *
Zie daar, sire,” zeide de Muzelmansche koopman tot den sultan van Cachgar, „hetgeen de koopman van Bagdad gisteren aan ons gezelschap vertelde.” „Deze geschiedenis,” hernam de sultan, „heeft wel iets buitengewoons, maar zij is niet gelijk te stellen met die van den kleinen gebogchelde.” De Joodsche doctor hierop voortredende, wierp zich voor den vorstelijken troon, en zeide: „Sire, indien uwe majesteit de goedheid wil hebben mij aan te hooren, zoo vlei ik mij, dat zij over de geschiedenis, welke ik haar te vertellen heb, ten hoogste voldaan zal zijn.” „Welnu, spreek!” zeide de sultan „maar vlei u niet dat ik u het leven zal schenken, tenzij uwe geschiedenis verwonderlijker is dun die van den gebogchelde.”
De Joodsche geneesheer nam nu aldus het woord op.
GESCHIEDENIS, VERHAALD DOOR DEN JOODSCHEN GENEESHEER.
„Sire, ten tijde dat ik te Damaskus in de medicijnen studeerde, kwam een slaaf mij halen, ten einde een zieke te bezoeken bij den gouverneur der stad. Ik haastte mij derwaarts te gaan, en men bragt mij in eene kamer bij een jongmensch van eene schoone gestalte, doch zeer neêrslagtig wegens de kwaal waaraan hij leed. Ik groette hem, en ging bij hem zitten. Hij sprak echter niet; maar gaf mij met een' oogwenk te kennen, dat hij mij wachtende en over mijne komst tevreden was. „Heer,” zeide ik, „wees zoo goed mij de hand te geven, opdat ik uwen pols kan voelen.” In plaats van mij de regterhand te geven, reikte hij mij de linker toe, waarover ik mij zeer verwonderde. „Dat is,” dacht ik bij mij zelven, „een groot bewijs van onbeleefdheid in een fatsoenlijk jongmensch, om niet eens te weten, dat het gebruikelijk is de regter- en niet de linkerhand den geneesheer toe te reiken.” Ik voelde hem echter den pols, en na een recept te hebben geschreven, dat ik achterliet, groette ik hem en ging heen.
Ik vervolgde mijne visites negen dagen, en telkens als ik hem de pols wilde voelen, stak hij mij de linkerhand toe. Op den tienden dag bevond ik hem vrij wel. Ik zeide hem dat hij genoegzaam hersteld was, en verder niets te doen had, dan een bad te nemen. De gouverneur van Damaskus, hierbij tegenwoordig, betuigde mij zijne vreugde, en om mij een bewijs van zijne tevredenheid te geven, deed hij mij een zeer rijk kleed omhangen, zeggende, dat hij mij tot geneesheer van het stedelijk gasthuis benoemde en mij tevens tot zijnen lijfarts begeerde, terwijl zijn huis en zijne tafel ten allen tijde voor mij zouden openstaan.
De jonge man gaf mij ook vele vriendschapsblijken, en hij verzocht mij, dat ik hem naar het bad zou vergezellen. Toen wij daar kwamen, en zijne bedienden hem ontkleed hadden, zag ik dat de regterhand hem ontbrak. Dit had men voor mij verborgen gehouden, en mij alleen geroepen, om de koorts, die zich sterk openbaarde, tegen te gaan. Ik kon mijne verwondering en mijn verdriet over deze zijne verminking, die nog van korte dagteekening scheen te zijn, niet genoeg verbergen. „Doctor,” zeide hij tot mij, „bevreemdt het u, dat mijne regterhand is afgekapt, gij zult u nog meer verwonderen, als gij te eeniger tijd met mijne lotgevallen bekend zult zijn.”
Uit het bad komende, gingen wij aan tafel, en na ons eenigen tijd onderhouden te hebben, vroeg hij mij of hij, zonder nadeel voor zijne gezondheid, eene wandeling buiten de stad of in den tuin van den gouverneur zou kunnen doen. Ik antwoordde, dat hij dit gerust wagen kon, en dat de frissche lucht hem zelfs goed zou zijn. „Indien dit zoo is,” hernam hij, „en wanneer gij lust hebt mij op mijne wandeling te vergezellen, dan zal ik u bij die gelegenheid mijne geschiedenis verhalen.” Ik betuigde hem, dat ik den geheelen dag ter zijner beschikking was. Wij gingen daarop naar den tuin van den gouverneur, en nadat wij een fiksche wandeling hadden gemaakt, liet de jonge man, door de slaven die ons volgden een tapijt uitspreiden, waarop wij ons onder de schaduw van een' lommerrijken boom nederzetten, en hij op de volgende wijze zijn verhaal begon.
„Ik ben,” sprak hij, „geboortig van Moussoul, en mijne familie behoorde tot de voornaamste van die stad. Mijn vader was de oudste van tien kinderen, die mijn grootvader bij zijn overlijden achterliet, en die allen toen reeds gehuwd waren. Maar van al deze broeders was mijn vader de eenigste, die een kind had, en die eenige zoon ben ik. Hij spaarde voor mijne opvoeding zorgen noch kosten, en liet mij alles leeren wat een jongmensch van mijnen stand behoeft te weten.
Ik was reeds een volwassen jongeling, en op het punt om de wereld in te treden, toen ik mij op een' Vrijdag met mijn' vader en mijne ooms in de groote moskee van Moussoul bevond tijdens het middaggebed. Nadat het gebed geëindigd was, verwijderden alle geloovigen zich, uitgenomen mijn vader en mijne ooms. Zij zetten zich op het tapijt neder, dat op den vloer lag, en knoopten een gesprek aan, waarvan ook ik toehoorder was. Zij spraken over de reizen, die zij gedaan hadden, en gaven zeer hoog op van de vele schoone zaken, welke zij in andere landen gezien en daarvan gehoord hadden. Een van mijne ooms beweerde, dat indien men aan verhalen van reizigers geloof wilde hechten, er op den geheelen aardbodem geen heerlijker land was dan Egypte, en geen schoonere rivier dan de Nijl; zoodat hetgeen hij daarvan mededeelde, mij een zoo hoog denkbeeld van dat land gaf, dat ik van stonden af lust gevoelde derwaarts te reizen. Wat mijne andere ooms ook mochten zeggen van de voorkeur, die zij aan Bagdad en aan den Tigris gaven, noemende Bagdad de stad der steden, waar het Mohamedisme zijn' hoofdzetel had, zulks maakte op mij niet den indruk van Egypte. Mijn vader kleefde het gevoelen aan van dengene zijner broeders, welke ten voordeele van Egypte gesproken had, hetgeen mij eene groote vreugde was. „Wat men ook mag zeggen!” riep hij uit, „wie Egypte niet gezien heeft, heeft het schoonste der wereld niet gezien. De aarde is er van goud, dat wil zeggen zoo vruchtbaar, dat zij hare inwoners onnoemelijk rijk maakt. De vrouwen trekken u aan door hare schoonheid en hare bevallige manieren. Spreekt gij mij van den Nijl, is er eene meer bewonderenswaardige rivier op geheel de aarde? Welk water kan in zuiverheid en klaarheid met het zijne wedijveren? Zelfs het slijk, dat hij bij zijne overstroomingen achterlaat, dient tot vruchtbaarmaking der landerijen, en doet deze zonder eenige moeite duizend malen meer vruchten voortbrengen, dan elders de met de meeste zorg bebouwde akkers. Luister wat een dichter, die Egypte verpligt was te verlaten, tot de Egyptenaren zegt.
„Uw Nijl overlaadt u dagelijks met weldaden; Hij schijnt alleen voor u in het verre Zuiden te ontspringen. Helaas! nu ik mij van u verwijderen moet, zullen mijne tranen vloeijen, als zijne wateren. Gij zult u in zijne weldaden kunnen verheugen, terwijl ik mij veroordeeld zie daarvan verstoken te zijn.”
Indien gij de oogen wendt,” vervolgde mijn vader, „naar de kusten van het eiland, dat door de twee hoofdtakken van den Nijl gevormd wordt, welk eene schakering van groen en bloemen, van koren en maïsvelden, van kanalen, van bloeijende steden, dorpen en gehuchten, doet zich daar aan u voor! Slaat gij den blik naar het zuiden, naar den kant van Ethiopië, hoe vele wonderen vertoonen zich ook hier aan uwe oogen! Ik kan de groene beemden, de vruchtbare met kanalen doorsneden velden, die hun water uit den Nijl ontvangen, niet beter vergelijken, dan bij schitterende smaragden in zilver gezet. Is er eene stad op de aarde, gelijk in uitgestrektheid, in bevolking, in rijkdom en in weelde aan het groote Caïro? Welke prachtige paleizen en gebouwen ziet men daar! Nadert gij in uwe gedachten de Pyramiden, die gedenkstukken van eene grijze oudheid, en van de magt en den rijkdom der Pharao's, gij zult verbaasd staan, dat die hemelhooge, uit groote marmerblokken zaâmgestelde, de eeuwen trotserende steenhoopen, door menschenhanden daar bijeen zijn gebragt. Waar leeft in onzen tijd de vorst, zoo groot, zoo magtig en zoo rijk, dat hij zulke gedenkteekenen voor het laatste nageslacht zou kunnen stichten. Ik spreek niet van de magtige zeesteden, waarop Egypte bogen mag, van Damiate, van Alexandrië en anderen, in welker haven men de vlaggen ziet wapperen van alle handeldrijvende volken der aarde. En dit alles heb ik niet van hooren zeggen, ik heb in dat schoone land in mijne jeugd eenige jaren doorgebragt, en ik beschouw die nog heden als de aangenaamste mijns levens.”
Mijne ooms hadden mijn' vader hierop niets te antwoorden,” vervolgde de jonge man van Moussoul. „Zij moesten met hem instemmen, omtrent alles wat hij gezegd had van den Nijl, van Caïro en van geheel het Egyptische koningrijk. Wat mij betreft, mijne gedachten waren daarmede zoo vervuld, dat ik dien nacht geen oog kon sluiten. Niet lang daarna gaven ook mijne ooms het bewijs, hoezeer zij door dit gesprek van mijnen vader getroffen waren geworden. Zij stelden hem voor, om gezamentlijk eene reis naar Egypte te doen, hetgeen hij aannam, en daar zij rijke kooplieden waren, zoo besloten zij eene menigte goederen in te slaan, ten einde die te Caïro met winst te verkoopen. Ik smeekte mijn' vader met tranen in de oogen, om hem te mogen vergezellen, en ook aan mij, om zelf handel mede te drijven, eenige koopmansgoederen af te staan. „Gij zijt,” antwoordde hij, „nog te jong om de lange reis naar Egypte mede te maken, de vermoeijenissen daaraan verbonden zijn voor u te zwaar, en wat uwen handel betreft, bij uw gebrek aan ondervinding, zoudt gij daarbij slechte zaken maken.” Deze afwijzing doofde echter mijn' reislust niet uit, ik nam mijne toevlugt tot de voorspraak van mijne ooms, die zoo veel op mijnen vader verkregen, dat ik tot aan Damaskus mede gaan, en daar achterblijven zou, totdat zij uit Egypte terugkwamen. „De stad Damaskus,” zeide mijn vader, „heeft ook hare schoonheden, en ik wensch, dat hij zich zal te vreden stellen met de vergunning, ons tot daartoe te mogen vergezellen.” Hoe groot nu ook, naar hetgeen ik hem er van had hooren verhalen, mijn verlangen was, om Egypte te bezoeken, hij was mijn vader, en ik onderwierp mij aan zijnen wil.
Zoo vertrok ik met mijne ooms en met mijn' vader van Moussoul. Wij gingen door Mesopotamië, trokken over den Euphraat, en kwamen te Aleppo. Hier vertoefden wij eenige dagen, en begaven ons van daar naar Damaskus. Wij namen onzen intrek in dezelfde khan of herberg. Ik zag in Damaskus eene groote, welbevolkte en goed versterkte stad, waarin vele rijke lieden woonden. Wij besteedden eenige dagen, om de omstreken te bezoeken, vermaakten ons met in de schoone lusthoven te wandelen, welke men daar heeft, en moesten allen toestemmen, dat men teregt van Damaskus zeide, dat het te midden van een paradijs is gelegen. Alvorens mijn vader en mijne ooms de reis naar Egypte voortzetten, droegen de laatsten zorg de koopwaren, welke ik van Moussoul had mede genomen, aan den man te brengen. Zij deden dit op eene voor mij zoo voordeelige wijze, dat ik vijf tegen één won. Die verkoop verschafte mij dus eene aanzienlijke som, waarover ik zeer verheugd was.
Mijn vader en mijne ooms zetten nu hunne reis voort, en lieten mij te Damaskus achter. Ik droeg evenwel, nu aan mij zelven overgelaten, wel zorg mijn geld niet nutteloos te verkwisten. Ik huurde een prachtig huis, geheel van marmer opgetrokken, met een fraaijen tuin, waarin zich zeer schoone fonteinen bevonden. Ook de vertrekken van binnen waren prachtig beschilderd en behangen, hemelsblaauw met goud afgezet. Het huisraad, dat ik mij aanschafte, hoewel ik daarbij niet karig te werk ging, was echter niet zoo rijk, als de pracht van mijne woning vereischte. Deze had vroeger toebehoord aan een der voornaamste heeren uit de stad, genaamd Medoun Abdalraham, en was thans het eigendom van eenen rijken juwelier, aan wien ik slechts twee goudstukken per maand betaalde. Ik hield eene menigte bedienden, leefde op een' goeden voet, en onthaalde nu en dan mijne bekenden aan mijne tafel, of ging bij hen eten. Op deze wijze bragt ik, in afwachting dat mijn vader terug kwam, mijn' tijd te Damaskus door. Geen enkele hartstogt verstoorde mijne rust, en de omgang met fatsoenlijke lieden was mijne eenigste uitspanning.
Eens nu, dat ik, om frissche lucht te scheppen, voor de deur van mijne woning zat, trad eene welgekleede dame van eene schoone gestalte naar mij toe, met de vraag, of ik ook zijden stoffen verkocht. Dit zeggende, trad zij te gelijker tijd mijne woning binnen. Ik stond op, deed de deur digt, en liet haar in de zaal gaan, waar ik haar verzocht op eene sofa plaats te nemen. „Mevrouw,” zeide ik tot haar, „ik heb stoffen gehad, die geschikt zouden zijn om u te worden voorgelegd, maar voor het tegenwoordige kan ik u daaraan tot mijn leedwezen niet helpen, ik leef hier thans zonder handel te drijven.” Zij nam nu den sluijer af, die haar gelaat bedekte, waardoor ik een paar oogen zag schitteren, zoo schoon en met zulk een vuur bezield, dat alleen op een gezigt daarvan eene tot dus verre ongekende gewaarwording zich van mij meester maakte. „Ik heb,” antwoordde zij met een schalksch lachje, „geene behoefte aan zijden of andere stoffen; ik kom alleen om u, en om den avond met u door te brengen, indien u dit welgevallig is. Met het geringste onthaal ben ik tevreden.”
Verblijd over deze gelukkige ontmoeting, gaf ik aan mijne bedienden last, om eenige flesschen wijn en fijne vruchten te brengen. Wij waren spoedig aan tafel geschikt, aten, dronken en vermaakten ons tot middernacht, in een woord, ik had gedurende mijn geheele leven nog geenen zoo aangenamen avond doorgebragt. Den volgenden morgen namen wij afscheid, terwijl zij mij beloofde, over drie dagen met zonsondergang terug te zullen komen.
Zij bleef niet in gebreke na drie dagen op het door haar bepaalde uur ten mijnent te verschijnen, en ik beijverde mij haar goed te onthalen. Wij bragten den avond als de vorige maal door, en toen zij den volgenden morgen heenging, beloofde zij andermaal over drie dagen terug te zullen komen.
Toen zij voor de derde maal bij mij kwam, en de kracht van den wijn ons beiden naar het hoofd steeg, sprak zij tot mij: „Mijn geliefde, wat dunkt u van mij? Ben ik niet schoon en bekoorlijk?” „Deze vraag,” antwoordde ik, „is overbodig, al de u gegeven liefdeblijken moeten u overtuigd hebben, dat ik u teeder bemin. Ik ben verblijd u bij mij te zien en u te bezitten; gij zijt mijne koningin, mijne sultane, gij maakt het geluk van mijn leven uit!” „En echter,” hernam zij, „ben ik verzekerd, dat gij eene geheel andere taal zult voeren, indien gij eene mijner vriendinnen gezien hebt, die jonger en nog schooner is. Zij heeft een zoo vrolijk karakter, dat zij zelfs den droefgeestigste doet lagchen. Ik heb met haar over u gesproken, en naar hetgeen ik van u gezegd heb, sterft zij van verlangen om u te zien. Zij heeft mij gebeden, haar dat vermaak te verschaffen, maar ik wilde dit niet doen, zonder er u over gesproken te hebben.” „Mevrouw,” hernam ik, „doe zoo als gij zult goedvinden; maar wat gij mij ook zeggen moogt van uwe vriendin, het zal haar niet mogelijk zijn, u mijn hart te ontrooven, reeds zoo sterk aan u gehecht, dat niets ter wereld dien band kan verbreken.” „Let op u zelven,” herhaalde zij, „en op mijn zeggen; ik verzeker u, dat ik u op eene zware proef zal stellen.”
Wij lieten het daarbij, en den volgenden morgen, toen zij vertrok, zeide zij, dat ik over twee dagen nog eene gast zou hebben. „Denk er om,” vervolgde zij, „ons goed te onthalen; wij zullen zorg dragen op het gewone uur met zonsondergang ten uwent te zijn.” Ik deed de zaal feestelijk opsieren, en eenen voortreffelijken maaltijd bereiden voor den dag, dat zij komen zouden.
Zij kwamen op het vastgestelde uur mij bezoeken, en ontsluijerden zich beide. Was ik getroffen door de schoonheid van de mij bekende dame, nu ik hare vriendin zag, geraakte ik buiten mij zelven van verbazing, zij was schoon als de dageraad, de liefde scheen haren zetel op hare lippen te hebben gekozen, en hare oogen flikkerden van zulk een' gloed, dat ik er den glans bijna niet van kon verdragen. Ik betuigde haar mijnen dank voor de eer, die zij mij aandeed ten mijnent te komen, en verontschuldigde mij, dat ik haar niet kon onthalen, zooals zij dit waardig was. „Laat ons alle pligtplegingen achterwege laten,” sprak zij met het beminnelijkste gelaat ter wereld, „anders zou het aan mij zijn, u die te maken, daar gij de goedheid gehad hebt aan mijne vriendin toe te staan, dat zij mij medebragt. Laat ons nu om niets anders denken, dan om ons te vermaken.”
Zoodra het eten gereed was, zetten wij ons aan tafel. Ik zat naast mijne beminde en tegenover hare vriendin, die niet ophield mij lonkjes en lachjes toe te werpen. Ik kon aan hare betooverde blikken geen' weêrstand bieden, en zij veroverde mijn hart, eer ik er op bedacht was. Zij wist zich zoo weinig te bedwingen, dat zij mij dingen zeide, die in bijzijn van eene verklaarde medeminnares beter gezwegen waren.
Mijne minnares, die ons naauwkeurig gadesloeg, lachte in het eerst met ons mede, en zeide tot mij: „Ik heb het u wel gezegd, dat gij mijne vriendin allerliefst zoudt vinden, en ik bemerk, dat gij den eed van onveranderlijke trouw, mij gezworen, reeds hebt verbroken.” „Mevrouw,” antwoordde ik, ook lagchender wijze, „gij zoudt reden hebben u over mij te beklagen, indien ik te kort schoot in wellevendheid jegens eene dame, die uwe vriendin is en die gij genegen zijt; gij beiden zoudt mij dan kunnen verwijten, dat ik de eer van mijn huis niet naar behooren wist op te houden.”
Wij gingen inmiddels voort met drinken, en naarmate de wijn ons verhitte, spraken de laatst gekomen dame en ik met zoo weinig terughouding, dat hare vriendin deswegens eene woedende jaloezij opvatte, waarvan wij spoedig de noodlottige gevolgen ondervonden. Zij stond op en zeide, zich slechts voor een oogenblik te verwijderen, en dadelijk terug te zullen komen. Maar naauwelijks was zij vertrokken, of de andere dame, die bij mij was gebleven, werd door hevige stuiptrekkingen aangetast, en het duurde niet lang of zij gaf in mijne armen den geest. Ik ging terstond buiten de kamer en vroeg naar de andere dame, doch de dienstboden zeiden mij, dat zij zich verwijderd had, zonder iets te zeggen. Nu kwam ik dadelijk op het vermoeden, dat zij schuld had aan den plotselingen dood van hare vriendin. En dit was, helaas, maar al te waar. Zij had de behendigheid gehad, een dadelijk werkend vergif te mengen in den beker wijn, dien zij hare vriendin eigenhandig had toegereikt.
Ik was zeer bedroefd en ontsteld over dit treurige voorval ten mijnen huize. „Wat moet ik doen,” dacht ik bij mij zelven, „wat zal er van mij worden?” De vrees dreef mij om geen oogenblik te verliezen; ik liet door mijne bedienden bij het maanlicht, op het plein mijner woning, een' der marmeren steenen opnemen, en een graf maken, waarin wij het lijk van de jonge dame nederlieten. Nadat dit met aarde bedekt en de steen weder op zijne plaats gebragt was, gaf ik mijnen dienstboden hun loon met eenige geschenken, en liet hen vertrekken. Toen trok ik een reisgewaad aan, deed het voorhanden geld in een valies, sloot al de vertrekken, benevens de voordeur, hing mijn zegel daaraan, en verwijderde mij met spoed. Ik begaf mij naar den juwelier, die de eigenaar van mijne woning was, betaalde de verschuldigde huur en een jaar vooruit, en gaf hem den sleutel in bewaring. „Eene gewigtige zaak,” zeide ik tot hem, „dringt mij onmiddelijk op reis te gaan, en mijne ooms te Caïro op te zoeken.” Een oogenblik later steeg ik te paard en vertrok naar Egypte.
Mijne reis,” vervolgde de jonge man van Moussoul, „was zeer gelukkig, ik kwam zonder eenige onaangename ontmoeting te Caïro aan. Mijne ooms waren zeer verwonderd mij daar te zien. Ik gaf ter mijner verontschuldiging voor, dat het mij verdroten had langer op hen te wachten, en dat, volstrekt geene tijding krijgende, ongerustheid mij tot deze reis gedrongen had. Zij ontvingen mij zeer wel, en beloofden het bij mijnen vader goed te zullen maken, dat ik Damaskus zonder zijne toestemming had verlaten. Ik nam mijn' intrek in de zelfde khan, en bezigtigde alles wat Caïro aan schoons aanbood. Daar mijne ooms inmiddels hunne handelswaren verkocht hadden, begonnen zij er van te praten om naar Moussoul terug te keeren, en maakten zij toebereidselen tot vertrek. Mijne begeerte om meer van Egypte te zien was echter zoo groot, dat ik besloot een ander verblijf in Caïro op te zoeken, en mij daar verborgen te houden, tot dat mijne ooms zouden zijn afgereisd. Zij zochten mij door de geheele stad, maar mij niet vindende, dachten zij eindelijk dat het berouw, van tegen den wil mijns vaders in Egypte te komen, mij bewogen had, dadelijk naar Damaskus terug te keeren. Zij vertrokken dus derwaarts, in de hoop er mij te zullen aantreffen, en van daar naar Moussoul mede te nemen.
Ik bleef op deze wijze na hun vertrek in Caïro achter, en hield mij daar gedurende drie jaren op, ten einde geheel te voldoen aan mijnen wensch, om al de wonderen van Egypte te zien. Gedurende mijn verblijf aldaar, droeg ik zorg aan den juwelier te Damaskus geld voor de huishuur over te maken, met verzoek zijne woning voor mij open te houden, daar het mijn plan was, die later weder te betrekken. Te Caïro had ik geene ontmoeting waardig om u te verhalen; maar gij zult zeer zeker ten hoogste verbaasd zijn, over hetgeen mij bij mijne terugkomst te Damaskus bejegend is.
Bij mijne aankomst in deze stad steeg ik bij den juwelier af, die mij met blijdschap welkom heette, en zich de moeite getroostte, mij naar mijne woning te vergezellen, om mij te doen zien, dat alles zich nog in den zelfden toestand bevond, als ik het bij mijn vertrek gelaten had. Werkelijk waren de zegels op alle sloten nog ongeschonden, waarover ik hoogst voldaan was. Toen ik nu met het opruimen en schoonmaken der zaal, waar ik met de beide dames gegeten had, een begin liet maken, raapte een mijner bedienden een gouden halsketen op, waarin tien zeer groote en fijne paarlen gezet waren. Hij bragt ze mij, en ik herkende haar als het halssieraad van de vergiftigde jonge dame. Ik vermoedde, dat ze los geraakt en op den grond moest zijn gevallen, zonder dat ik daarvan iets gemerkt had. Ik kon de keten niet aanzien, zonder tranen te storten over het treurige lot van de beminnelijke vrouw, die ze gedragen had, en die ik in mijne armen had zien sterven. Ik wikkelde de keten in een' zijden doek, en droeg ze tot een aandenken op mijn hart.
De eerste dagen wijdde ik aan de rust toe, ten einde van de vermoeijenissen der reis te bekomen. Vervolgens ging ik mijne oude vrienden en bekenden weder opzoeken, en leidde een vrolijk en genoegelijk leven. De verteringen, die ik maakte waren echter te groot voor mijn vermogen, en zoo zag ik mij na eenigen tijd in eene dringende geldverlegenheid. In plaats van mijne meubelen te verkoopen, besloot ik mij van het gevonden juweel te ontdoen, maar geene de minste kennis van paarlen hebbende, overlegde ik mijne zaak zeer slecht, zoo als gij nu zult hooren.