Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Derde deel
Part 4
De kooplieden verloren hun geduld: zij verklaarden niet langer te willen wachten, en ik stond op het punt al het mijne te verkoopen, ten einde hunne schuldvorderingen te voldoen, toen de dame eindelijk weder op een' vroegen morgen aan mijnen winkel kwam. „Neem uw goudgewigt,” zeide zij bij het inkomen, „om het goud te wegen, dat ik voor u heb medegebragt.” Deze woorden maakten een einde aan mijne vrees, en deden mijne liefde verdubbelen. Alvorens mij de goudstukken toe te tellen, deed zij mij onderscheidene vragen, onder anderen of ik reeds gehuwd was, waar ik ontkennend op antwoordde. Toen gaf zij het goud aan den gesnedene, en zeide tot hem: „Verleen mij uwe bemiddeling om onze zaak af te doen.” De gesnedene begon te lagchen, en mij ter zijde nemende, liet hij mij het goud wegen. Terwijl ik hiermede bezig was, fluisterde hij mij in het oor: „Vergis ik mij niet, dan bemint gij mijne meesteres, en het verwondert mij, dat gij den moed niet hebt, haar dit te zeggen; want zij bemint u niet minder sterk dan gij haar. Geloof niet, dat zij uwe stoffen noodig heeft, zij komt nergens anders om hier, dan omdat zij in eene vurige liefde voor u ontstoken is. Daarom ook vroeg zij u, of gij gehuwd waart. Gij behoeft slechts te spreken, en indien gij wilt, zal het alleen van u afhangen, haar tot vrouw te hebben.” „Ik zal niet ontkennen,” antwoordde ik hem, „dat ik reeds van het eerste oogenblik, dat ik haar zag, liefde voor uwe meesteres heb opgevat, maar ik durfde niet op het geluk hopen, haar te zullen behagen. Ik ben intusschen geheel ter harer beschikking; wat zij wenscht, zal steeds mijn' wensch zijn; en wat u betreft, de tijd zal komen, dat ik de dienst, die gij mij thans bewijst, dankbaar zal weten te vergelden.” Ik ging inmiddels voort het goud te wegen, en terwijl ik dit weder in den zak deed, wendde de gesnedene zich tot zijne meesteres, en zeide tot haar, dat ik voldaan was. Dit was het woord dat zij met elkander afgesproken hadden; de dame stond op en vertrok, terwijl zij mij toevoegde, dat zij den gesnedene tot mij zou zenden, en ik niets anders te doen had, dan na te komen, hetgeen hij mij uit haren naam zeggen zou.
Zoodra de dame vertrokken was, bragt ik aan de kooplieden het goud, dat ik hun schuldig was, en gedurende eenige dagen zag ik met groot verlangen de komst van den gesnedene te gemoet. Eindelijk kwam hij. Ik bewees hem de meest mogelijke vriendschap, en vroeg met belangstelling naar tijding van zijne meesteres. „Gij zijt,” antwoordde hij, „de gelukkigste der minnaars, want zij is ziek van liefde. Zij hijgt van verlangen om u te zien, en indien zij over hare handeling vrij kon beschikken, zou zij u komen opzoeken, en met vreugde haar geheele leven bij u doorbrengen.” „Ik kon wel merken,” hernam ik, „dat zij van eene aanzienlijke familie is.” „Hierin hebt gij u niet bedrogen,” antwoordde de gesnedene, „zij is de eerste gunstelinge van Zobeïde, de gemalin van den kalif, welke haar te meer lief heeft, omdat zij haar van hare kindschheid af heeft opgevoed. Zij verlaat zich geheel op haar bij alle inkoopen, die zij doen wil. Omtrent haar plan van te huwen, heeft zij aan de gemalin van den beheerscher der geloovigen te kennen gegeven, dat zij de oogen op u heeft laten vallen, en hare toestemming gevraagd. Zobeïde heeft haar geantwoord, dat zij er in bewilligde, maar dat zij u eerst wilde zien om te kunnen beoordeelen, of hare gunstelinge eene goede keuze had gedaan, terwijl zij in dat geval de kosten van haar huwelijk dragen, en voor haren uitzet zorgen zou. Gij kunt daarom van uw geluk zeker zijn. Daar gij aan de favorite behaagt, zult gij dit ook aan hare meesteres, want deze wil niets anders dan haar genoegen geven, en hare keuze geheel vrij laten. Gij hebt u dus slechts naar het paleis te begeven, en ik heb last u daartoe uit te noodigen; neem nu een spoedig besluit.” „Dat is reeds genomen,” sprak ik, „ik ben bereid u overal te volgen, waar gij mij wilt heen brengen.” „Dat is in zoo verre goed en wel,” hernam de gesnedene, „maar gij weet, dat het aan geen' man geoorloofd is, in de vrouwenvertrekken van het paleis te vertoeven. De favorite heeft hare maatregelen genomen om er u in het geheim binnen te brengen; doch van uwen kant wordt voorzigtigheid en geheimhouding vereischt, daar bij eene ontdekking uw leven op het spel staat.”
Ik verzekerde hem dat ik alles zou nakomen, wat mij bevolen werd. „Zorg dan,” zeide hij, „heden met het vallen van den avond in de moskee te zijn, welke Zobeïde aan den oever van den Tigris heeft laten bouwen, en blijf daar tot dat men u komt halen.” Ik bewilligde in alles wat hij verlangde, zag den avond met ongeduld te gemoet, en vertrok zoodra het donker begon te worden. Ik woonde het avondgebed in de moskee bij, en bleef daar, nadat reeds alle geloovigen vertrokken waren.
Weldra zag ik eene boot naderen, die door gesnedenen geroeid werd. Zij landden en bragten onderscheidene groote koffers in de moskee, waarna zij op één na weder vertrokken, in wien ik weldra den mij bekenden gesnedene herkende. Vervolgens zag ik ook de dame binnen komen. Ik ging haar te gemoet, en betuigde haar dat ik gereed was hare bevelen te ontvangen. „Wij hebben geen' tijd te verliezen,” gaf zij ten antwoord, opende een' der koffers en beval mij daarin te gaan liggen. „Dit,” voegde zij er bij, „is noodig tot ons beider veiligheid. Vrees niet, en laat verder alles aan mij over.” Ik was te ver gegaan, om terug te treden en deed dus zoo als mij gezegd werd. Zij sloot den koffer, en stak den sleutel bij zich. De gesnedene, haar vertrouwde, riep nu de anderen terug; liet hen den koffer weder in de boot dragen, en scheepte zich met zijne meesteres in. Naauwelijks was deze aan boord, of de roeijers stelden zich in beweging, om mij naar het verblijf van Zobeïde te brengen.
Gedurende dit watertogtje maakte ik in mijnen koffer de ernstigste opmerkingen, en het gevaar waarin ik verkeerde in overweging nemende, had ik berouw mij daaraan te hebben blootgesteld. Ik bad en deed geloften van niet weder zoo dwaas te zullen zijn; maar deze kwamen te laat: ik was nu eenmaal in het schuitje en moest mij laten roeijen. De boot legde bij de Waterpoort van het paleis des kalifs aan; en de koffers werden naar binnen gedragen in het vertrek van den opperste der gesnedenen, die belast was niets den harem te laten binnen gaan, zonder een gestreng onderzoek. Deze officier had zich reeds ter rust begeven; men moest hem dus gaan wekken. Ontstemd, omdat men hem in zijnen slaap gestoord had, beknorde hij de favorite, dat zij zoo laat terugkwam. „Gij zult er,” zeide hij, „zoo gemakkelijk niet afkomen, als gij u welligt voorstelt; niet een van deze koffers zal doorgaan, voor dat ik ze heb doen openen en den inhoud onderzocht.” Te gelijker tijd beval hij den gesnedenen, ze stuk voor stuk bij hem te brengen. Zij maakten een begin met den koffer, waarin ik mij bevond, namen dien op, en bragten ze voor hem. Bij deze handelwijze werd ik door een' onuitsprekelijken schrik bevangen; ik dacht dat het laatste oogenblik mijns levens daar was.
De gunstelinge, welke den sleutel in haar bezit had, weigerde dien af te geven, en betuigde niet te zullen dulden, dat deze koffer geopend werd. „Gij weet zeer goed,” zeide zij, „dat ik niets laat komen dan voor Zobeïde, uwe en mijne meesteres, en deze koffer in het bijzonder bevat kostbaarheden, welke mij door nieuw aangekomen kooplieden zijn toevertrouwd. Ook zijn er eenigen flesschen in met water uit de bron Zemzem, van Mekka naar hier gebragt. Zoo iemand het ongeluk had, daar eene van te breken, dan zouden de andere koopwaren daardoor bedorven worden, en gij er verantwoordelijk voor zijn. De gemalin van den beheerscher der geloovigen zou zich weten te wreken over uw beleedigend wantrouwen.” Om kort te gaan, zij sprak op een' zoo fermen toon, dat de opperste der gesnedenen den moed niet had, op het openen der koffers verder aan te houden, ofschoon hij ten dien aanzien in zijn goed regt was. „Laat ze dan doorgaan,” sprak hij in toorn, „ga!” Men opende nu het verblijf der vrouwen, en droeg er al de koffers binnen.
Naauwelijks was dit geschied, of ik hoorde roepen: „De kalif, de kalif!” Dit deed mijnen angst zoo hoog klimmen, dat het mij nog dikwijls verwondert, toen niet van schrik te zijn gestorven. Intusschen kwam de kalif werkelijk. „Wat brengt gij toch in die koffers hier binnen?” vroeg hij aan de favorite. „Beheerscher der geloovigen,” antwoordde zij, „het zijn nieuw aangekomen stoffen, welke de gemalin van uwe majesteit wenscht te bezigtigen.” „Doe open,” hernam de kalif haastig, „ik moet die ook eens zien.” Zij wilde zich verontschuldigen, door op te merken dat de koffers slechts vrouwenzaken bevatten, en hij daardoor zijne gemalin van het vermaak zou berooven, er hem mede te verrassen. „Doe, wat ik u gezegd heb,” hernam de kalif, „ik beveel het!” Nogmaals hield zij hem voor, dat indien zijne majesteit haar hiertoe dwong, zij dan aan hare verpligting omtrent hare meesteres te kort deed en haren toorn te vreezen zou hebben. „Neen!” hernam hij, „ik beloof u, dat zij u deswegens niet het minste verwijt zal doen. Open de koffers en laat mij niet langer wachten.”
Zij moest gehoorzamen, en ik verkeerde in eene vreeselijke spanning en angst. De kalif zette zich neder, en de favorite liet alle koffers, den eenen na den anderen, voor hem brengen, en sloot die open. Ten einde dit werk op de lange baan te schuiven, maakte zij hem opmerkzaam op de schoonheid van ieder stuk, dat zij ontpakte. Zij wilde op die wijze zijn geduld uitputten, doch dit mislukte haar.
Daar echter haar belang, even zeer als het mijne, vorderde, den koffer niet te openen, waarin ik mij bevond, maakte zij ook geene haast dezen te laten voorbrengen, doch ook dit baatte niet. „Laat ons gedaan maken,” sprak de kalif, „en nog zien wat deze laatste kist bevat.” Ik gevoelde op dat oogenblik naauwelijks meer of ik nog leefde, dan reeds dood was, het dreigende gevaar verpletterde mij.
Toen de gunstelinge van Zobeïde zag,” vervolgde de koopman van Bagdad, „dat de kalif volstrekt begeerde, dat zij den koffer, waarin ik was, zou openen, zeide zij: „Wat eindelijk nog deze koffer betreft, zoo moet ik uwe majesteit smeeken, mij de gunst toe te staan, die niet te openen, dan in tegenwoordigheid van mijne meesteres. Er zijn zaken in, waarmede zij eene verrassing voorheeft, die ik niet mag openbaren.” „Dat zij dan zoo,” sprak de kalif, „ik ben thans voldaan; laat den koffer wegbrengen.” Zij liet dien nu dadelijk opnemen en op hare kamer plaatsen. Hier begon ik weder vrijer adem te halen.
Zoodra de gesnedenen, die den koffer gedragen hadden, waren heên gegaan, haastte mijne beminde zich hem te ontsluiten. „Kom” sprak zij, mij met den vinger naar de deur van eene bovenkamer wijzende, „klim dien trap op en blijf mij daar wachten.” Zij sloot de deur achter mij digt, en niet zoodra was dit geschied, of de kalif trad binnen en zette zich op den zelfden koffer neder, welke ik een oogenblik te voren verlaten had. De aanleiding tot dit bezoek kwam echter voort uit eene nieuwsgierigheid, waarbij ik niet betrokken was. De monarch wilde aan de favorite eenige vragen doen, over hetgeen zij in de stad gezien en opgemerkt had. Dit onderhoud duurde eenen geruimen tijd. Eindelijk stond hij op, en begaf zich naar zijn vertrek.
Naauwelijks was de gunstelinge van Zobeïde vrij in hare handelingen of zij kwam mij opzoeken, en verontschuldigde zich wegens al de angsten, welke zij mij had veroorzaakt. „Mijne bezorgdheid,” zeide zij tot mij, „was niet minder groot dan de uwe zijn kon. Gij behoeft daaraan niet te twijfelen, want ik leed voor u en voor mij zelve, daar wij bij eene ontdekking een gelijk gevaar liepen. Menigeen zou in mijne plaats den moed niet gehad hebben, om zich uit eene zoo netelige zaak te redden. Er behoorde daartoe niet minder onverschrokkenheid dan tegenwoordigheid van geest; of liever, men moet eene liefde hebben, zoo als ik u die toedraag, ten einde daarin de kracht te putten, om uit zulk eene ongelegenheid te geraken. Doch stel u gerust, er is thans niets meer te vreezen.” Na een teeder onderhoud van meer dan een uur, zeide zij: „Het is thans tijd, dat gij rust neemt, ga dus te bed. Ik zal niet in gebreke blijven u morgen aan Zobeïde, mijne meesteres, voor te stellen. Zij heeft den dag geheel vrij, want de kalif bezoekt haar alleen 's avonds.” Hierdoor gerustgesteld, sliep ik dien nacht vrij goed, en werd mijn' slaap nu en dan gestoord, het waren slechts aangename beelden, die mij bezig hielden, mij ingegeven door de hoop, weldra in het gerust bezit te zullen zijn van eene gade, die zoo schoon en zoo verstandig was.
Den volgenden morgen kwam de gunstelinge van Zobeïde reeds vroegtijdig, ten einde mij te onderrigten, hoe ik mij in tegenwoordigheid van hare meesteres moest gedragen. Zij stelde mij de vragen voor, welke deze waarschijnlijk tot mij rigten zou, en gaf mij de daarop passende antwoorden in den mond. Na dit onderrigt bragt zij mij in eene zeer prachtige zaal. Ik was daar nog niet lang geweest, toen twintig reeds bejaarde, doch rijk gekleede slavinnen uit het vertrek van Zobeïde, dat aan de zaal grensde, binnentraden. Zij schaarden zich aan twee rijen ter zijde van den troon, die zich in het midden der zaal bevond. Twintig andere jonge slavinnen, die op gelijke wijze doch smaakvoller gekleed waren, volgden haar. Te midden van deze laatsten bevond zich Zobeïde, kenbaar aan hare majestueuse gestalte, en door een schat van paarlen en edelgesteenten, welke zij droeg. Zij nam plaats op den troon, en mijne beminde bleef aan hare regterzijde staan, terwijl de overige slavinnen zich op een' eerbiedigen afstand hielden.
Zoodra de gemalin van den beheerscher der geloovigen zich op den troon had gezet, gaven de slavinnen, die het eerst in de zaal waren gekomen, mij een teeken, dat ik nader moest treden. Ik ging door de beide rijen welke zij vormden en mij voor den troon nederwerpende, raakte ik met mijn hoofd het tapijt aan, waarop de voeten van de vorstin rustten. Zij beval mij op te staan, en bewees mij de eer naar mijnen naam, naar mijne familie en naar den staat van mijn vermogen te vragen, waaraan ik zeer ten haren genoegen voldeed. „Ik ben zeer verblijd,” zeide zij, „dat mijne dochter, want als zoodanig beschouw ik haar, eene keus gedaan heeft, waarover ik tevreden kan zijn; en geef dus mijne toestemming tot uw huwelijk. Ik zelve zal de toebereidselen voor uwe bruiloft in orde doen maken; maar vooraf gevoel ik behoefte mijne dochter nog tien dagen alleen te bezitten. Inmiddels zal ik met den kalif spreken, en zijne toestemming tot uw huwelijk verwerven. Gij kunt zoo lang hier blijven, men zal zorg voor u dragen.” Ik bleef dus tien dagen in den harem van den beheerscher der geloovigen verborgen, en moest gedurende al dien tijd het bijzijn van de gunstelinge missen. Men onthaalde mij echter op hare bevelen zoo goed, dat ik overigens alle reden tot tevredenheid had.
Zobeïde onderhield intusschen den kalif over haar voornemen, om hare favorite uit te huwelijken. Deze liet haar daarin geheel vrij, en stond bovendien eene zeer groote som als huwelijks uitzet toe. Toen de tien dagen verloopen waren, deed Zobeïde het huwelijks-kontrakt opmaken, en de toebereidselen voor de bruilofts-dagen in orde brengen. De muzijkanten, dansers en danseressen werden ontboden, en gedurende negen dagen heerschte er in het paleis eene onafgebroken vreugde. Op den tienden dag, die tot sluiting van het huwelijksfeest bestemd was, bragt men mijne aanstaande en mij, ieder in een bad. Tegen den avond werd ons een soupée voorgezet, bestaande uit de keurigste geregten, waaronder ook eene ragout voorkwam, die even als deze met knoflook was toebereid. Zij smaakte mij zoo lekker, dat ik de andere spijzen bijna onaangeroerd liet. Maar van tafel opstaande, droogde ik tot mijn groot ongeluk alleen mijne handen af, in plaats van die te wasschen, een verzuim waaraan ik mij nooit te voren had schuldig gemaakt.
Intusschen werden de feestelijkheden voortgezet. Alles was prachtig verlicht. De muzijk liet zich hooren, men danste en rigtte spelen aan, en het geheele serail weêrgalmde van vreugdekreten. Men bragt mij en mijne vrouw in eene groote zaal, waar men ons op twee troonen deed plaats nemen. Slavinnen deden mijne echtgenoote onderscheidene malen van kleed verwisselen, en blanketten haar gelaat op verschillende wijzen, zoo als dit op den huwelijksdag gebruikelijk is; telken male als zij van gewaad veranderd had, kwam men haar aan mij voorstellen.
Nadat al deze plegtigheden waren afgeloopen, bragt men ons in de bruidskamer. Zoodra wij ons daar alleen bevonden, naderde ik mijne echtgenoote om haar te omhelzen; maar in plaats van mijne liefde te beantwoorden, stootte zij mij met kracht van zich af, en slaakte zulke vreeselijke kreten, dat weldra al de vrouwen van den harem kwamen toeschieten, om te vernemen wat haar deerde. Wat mij betreft, mijne verbazing was zoo groot, dat ik de kracht niet had, naar de oorzaak van dit zonderlinge gedrag mijner gade te vragen; ik dacht, dat zij plotseling krankzinnig was geworden. „Lieve zuster!” zeiden de vrouwen, welke kwamen binnenstroomen, „wat is u toch overkomen in de weinige oogenblikken sedert wij u verlaten hebben? Zeg het ons, opdat wij u helpen mogen.” „Neemt,” schreeuwde zij, „dien onwellevenden man van voor mijne oogen weg!” „Maar! mevrouw,” sprak ik, „waardoor heb ik het ongeluk gehad uwen toorn op mij te laden?” „Gij zijt zeer onwellevend,” antwoordde zij in woede, „gij hebt knoflook gegeten, en uwe handen niet gewasschen! Gelooft gij, dat ik zoo iemand tot man wil hebben? Werpt hem op den grond,” vervolgde zij, zich tot de vrouwen wendende, „en dat men mij een bollepees brenge!” De slavinnen grepen mij aanstonds aan, wierpen mij ter neder, en terwijl sommigen mij bij de armen, anderen bij de voeten vasthielden, sloeg mijne vrouw, welke op hare wenken bediend was geworden, mij aller ongenadigst met den bollepees, zoo lang, tot haar de krachten ontbraken. Toen zeide zij tot de vrouwen: „Nu weg met hem naar den regter, opdat deze hem de hand, waarmede hij knoflook-ragout heeft gegeten, doe afhouwen.”
Op deze woorden, riep ik uit: „Groote Profeet! Ik ben gevoelloos en verbrijzeld door de ontvangen slagen, en tot overmaat van leed, veroordeelt men mij nog, om de hand te worden afgehouwen! En waarom? Omdat ik van eene knoflook-ragout gegeten en verzuimd heb, mijne handen te wasschen. De drommel moge de knoflook-ragout halen! Verwenscht zij de kok, die ze toebereid, en hij die ze mij voorgediend heeft!”
Al de vrouwen,” vervolgde de koopman van Bagdad, „die mij duizend slagen met den bollepees hadden zien toedienen, gevoelden medelijden met mij, toen zij hoorden zeggen, dat mij ook nog de hand zou worden afgekapt. „Lieve zuster,” zeiden zij tot mijne vrouw, „gij drijft uwe gevoeligheid te ver. Deze man heeft, het is waar, getoond dat hij zich niet betamelijk weet te gedragen, hij heeft de achting vergeten, welke hij aan eene dame van uwen rang verschuldigd is; maar wij smeeken u, daar verder geen acht op te slaan, en hem te vergeven.” „Ik ben nog niet voldaan,” hernam mijne vrouw, „ik wil dat hij zal leeren, zich behoorlijk te gedragen, en dat het hem altoos zal heugen ragout met knoflook te hebben gegeten, zonder daarna zijne handen te wasschen.” De vrouwen lieten zich echter door deze weigering niet afschrikken; zij wierpen zich voor hare voeten en kusten hare hand. „In naam van Allah,” zeiden zij, „matig uwen toorn, en sta ons de gunst toe, die wij van u verzoeken” Mijne echtgenoote antwoordde niet, maar zich oprigtende, wierp zij mij duizend beleedigingen naar het hoofd, en verliet in gramschap de kamer. Al de vrouwen volgden haar, en lieten mij alleen achter in een' zeer beklagenswaardigen toestand, daarbij de vrees koesterende, dat mijne vrouw ook hare laatste bedreiging verwezentlijken zou.
Gedurende tien dagen zag ik niemand dan eene oude slavin, welke mij te eten bragt. Ik vroeg haar naar mijne vrouw. „Zij is ziek,” beet mij de oude slavin in het oor, „van den vergiftigen reuk, dien gij haar hebt doen inademen. Waarom hebt gij geene zorg gedragen uwe handen te wasschen, na eene ragout van knoflook te hebben gegeten?” „Is het mogelijk,” dacht ik bij mij zelven, „dat die dames zoo fijngevoelig zijn, en tevens zoo wraakzuchtig over een zoo gering vergrijp?” Mijne liefde was echter zoo groot, dat ik mijne vrouw, hoe wreed zij ook jegens mij gehandeld had, beklaagde, nu ik vernam dat zij ziek was.
Op zekeren dag zeide de slavin tot mij: „Uwe gade is genezen, zij gaat heden naar het bad, en heeft mij gezegd, dat zij u morgen zal komen zien. Heb dus tot zoo lang geduld, en denk er om, u in alles naar haren wensch te voegen, want zij is deugdzaam, verstandig en zeer bemind bij al de dames, welke onze veel geachte meesteres, Zobeïde, omgeven.” Inderdaad des anderen daags kwam mijne vrouw bij mij. „Ik moet wel zeer goed zijn,” zeide zij tot mij, „u nog te komen zien, na de beleediging, welke gij mij hebt aangedaan. Maar ik kan er niet toe besluiten mij geheel met u te verzoenen, vóór dat ik uw vergrijp naar verdienste gestraft zal hebben.” Dit zeggende, klapte zij in de handen, en beval aan de vrouwen, die binnenkwamen, mij op den grond te werpen en stevig aan handen en voeten te binden. Nu nam zij een scheermes, en had de wreedheid mij eigenhandig de beide duimen en de groote teenen af te snijden. Eene der vrouwen bediende zich van een zeker kruid, dat zij tegen de wond hield om het bloeden te stelpen; maar dit belette niet, dat ik van smart en bloedverlies in flaauwte viel.
Toen ik van mijne bezwijming bijkwam, gaf men mij, om mijne levensgeesten op te wekken, wijn te drinken. „Ach, mevrouw,” zeide ik nu met eene klagende stem, „indien ik immer weder ragout met knoflook moet eten, zoo zweer ik u, dat ik mijne handen, in plaats van éénmaal, honderd en twintig malen zal wasschen, met loogzout, met de as van die zelfde plant, en met zeep.” „Welnu dan,” hernam zij, „op die voorwaarde wil ik het verledene vergeten, en met u als met mijn' man leven.”
Zie daar, mijne heeren,” vervolgde de koopman van Bagdad, zich tot het gezelschap rigtende, „de reden, waarom ik geweigerd hebt van de ragout met knoflook te eten, welke voor mij geplaatst was. Deze heeft mij éénmaal eenen zoo kwaden bruiloftsnacht bezorgd, dat ik er nog de teekens van draag.
Intusschen leefde ik na mijne herstelling en onze verzoening met mijne vrouw zoo eendragtig, als of ik nooit knoflook-ragout gegeten had. Maar daar ik gewoon was in vrijheid te leven, verdroot het mij weldra in het paleis van den kalif te zijn opgesloten. Ik nam mij intusschen wel in acht deswegens iets te laten blijken, uit vrees van mijne echtgenoote te mishagen, en in toorn wenschte ik haar niet gaarne nogmaals te zien; ik had aan het eerste proefje genoeg gehad. Zij scheen echter mijne wenschen te raden, en daar zij er eveneens over dacht, zoo wist zij hare meesteres Zobeïde te overreden, aan ons verlangen toe te geven. Eene maand na ons huwelijk kwam zij met een groot aantal gesnedenen, die ieder een' grooten zak met geld droegen, bij mij, en zeide: „Gij hebt mij niets laten blijken van de verveling, welke het u baart in dit paleis als opgesloten te zijn; ik heb dit echter opgemerkt, en het is mij mogen gelukken het middel te vinden, om u te bevredigen. Zobeïde, mijne meesteres, staat ons toe, dit paleis te verlaten; zie hier vijftig duizend sequinen, die zij ons ten geschenke geeft, om ons in staat te stellen, in de stad op een' goeden voet te kunnen leven. Neem daarvan tien duizend, en ga heen om er een huis voor te koopen.”