Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Derde deel
Part 3
Ik ging voort,” vervolgde de jonge koopman, „mijne minnares dagelijks te bezoeken, en elken morgen liet ik haar eene beurs met vijftig goudstukken. Dit duurde zoo lang, tot dat de kooplieden, aan welke ik mijne stoffen ten verkoop had gegeven, en van wie ik getrouw twee malen per week mijn geld ontving, mij niets meer schuldig waren. Toen bevond ik mij eindelijk zonder geld, en wist niet, hoe dat te krijgen. Bijna wanhopig verliet ik de khan en dwaalde zonder eenig bepaald doel rond, tot dat ik bij het kasteel kwam. Hier zag ik eene groote menigte menschen bijeen, en ik vernam dat de sultan van Egypte een schouwspel zou geven. Ik voegde mij bij de menigte, en het toeval wilde dat ik in de nabijheid van een ruiter te staan kwam, die zeer smaakvol was uitgedost, en die aan den knop van zijn' zadel een' half geopenden zak had, waaruit een zijden koordje hing. Toen ik mijne hand, als bij toeval, op den zak liet rusten, kwam het mij voor, dat dit koordje tot eene beurs behoorde, die zich daarin bevond. Terwijl ik hierover nadacht, kwam er aan de andere zijde van den ruiter een houtdrager voorbij, die eene zware vracht op zijn hoofd droeg, dit noopte mijn buurman zich met het gelaat naar hem toe te keeren, ten einde zijn' rijmantel niet aan het hout haken en scheuren zou. Nu werd ik door den booze verzocht; ik nam het koordje in de eene hand, en met de andere den zak open houdende, trok ik er de beurs uit, zonder dat dit door een' der omstanders bemerkt werd. Zij was vrij zwaar, en ik twijfelde niet of er was goudgeld in.
Toen echter de drager voorbij was, voelde de ruiter, die misschien eenige verdenking op mij had, terstond in de zak, en de beurs missende, gaf hij mij, zonder een woord te spreken, een' zoo hevigen slag met zijne strijdbijl, dat ik op den grond viel. Allen, die deze daad van geweld zagen, waren er over verontwaardigd. Sommigen grepen zijn paard bij den teugel en vraagden hem, waarom hij mij had geslagen, en of het geoorloofd was een' Muzelman dus te mishandelen. „Waar bemoeit gij u mede,” sprak de ruiter barsch, „ik heb niet zonder reden dus gehandeld, hij is een dief.” Bij deze woorden rigtte ik mij op, en mijn gunstig voorkomen gaf aanleiding, dat ieder mijne partij koos, en dat men hem voor een' leugenaar hield, daar men niet gelooven wilde, dat een jongman van zulk een fatsoenlijk uiterlijk zich aan eene zoo slechte daad zou schuldig maken. Wat de ruiter mogt inbrengen, zij beweerden, dat ik onschuldig was, en zij hielden zijn paard tegen, ten einde mij gelegenheid te geven om heen te gaan. Doch tot mijn ongeluk kwamen juist politie-beambten voorbij, en een' hoop volk om den ruiter en mij verzameld ziende, naderden zij, en vraagden wat er gaande was. Er ging slechts ééne stem op ter beschuldiging van mijn' tegenstander, omdat hij mij had mishandeld, onder voorwendsel van hem bestolen te hebben.
De politie-dienaren stoorden zich echter aan dit geschreeuw niet; zij vraagden den ruiter, of hij niemand anders dan mij verdacht. „Neen,” hernam hij, en gaf de redenen op, waarom hij juist mij voor den dief hield. Het hoofd der politiewacht beval nu mij te grijpen en te onderzoeken. Men deed gelijk hij bevolen had, en vond bij mij de beurs, die men aan het volk toonde. Ik stierf bijna van schaamte, en viel in zwijm. Het hoofd der wacht liet zich vervolgens de beurs brengen, en vraagde aan den ruiter, of hij deze voor de zijne erkende, en hoeveel geld er in moest zijn. Deze zag dadelijk dat het zijne beurs was, en verzekerde dat er twintig sequinen in waren.—Een regter opende de beurs, en daar hij er werkelijk twintig sequinen in vond, gaf hij een en ander aan den eigenaar terug. Daarop deed hij mij voor zich brengen. „Jongman!” sprak hij, „beken de waarheid; hebt gij deze beurs aan den eigenaar ontnomen! Wacht niet, tot dat ik u door de pijnbank tot bekentenis van uw misdrijf moet brengen.” Toen de oogen neêrslaande, zeide ik bij mij zelven: „Zoo ik ontken, dan zal de beurs, die bij mij is gevonden, tegen mij getuigen, en ik een leugenaar zijn.” Om nu eene dubbele straf te ontgaan, rigtte ik het hoofd op, en beleed mijn misdrijf. Naauwelijks had ik deze bekentenis afgelegd, of de regter gaf last, dat men mij de regterhand, waarmede de misdaad bedreven was, zou afkappen. Dit vonnis werd op staanden voet volbragt, en maakte het mededoogen der toeschouwers, zelfs dat van den ruiter, gaande. De regter wilde mij ook nog een' voet doen afhakken, maar ik bad den ruiter genade voor mij te vragen; hij deed dit, en kreeg die.
Toen de wacht vertrokken was, naderde mij de bestolene. „Ik zie wel,” zeide hij, mij de beurs aanbiedende, „dat het de nood is, die u eene daad heeft doen bedrijven, zoo schandelijk en zoo onwaardig voor een jongmensch van uw voorkomen. Zie hier de noodlottige beurs, ik schenk ze u, en ik zou wenschen dat ik u ook uwe hand kon wedergeven.” Dit gezegd hebbende, verliet hij mij, en daar het bloedverlies mij zeer verzwakt had, namen eenige barmhartige lieden, die in de nabijheid woonden, mij in huis op, en gaven mij een glas wijn te drinken. Zij verbonden ook mijnen arm, en deden mijne afgekapte hand in een' linnen doek, dien zij aan mijnen gordel vastmaakten, opdat ik die zou kunnen medenemen.
Ondertusschen wist ik niet, waarheen ik mij in dezen toestand zou wenden; in de khan van Masrour kon ik de oppassing, waaraan ik behoefte had, niet verwachten, en bij mijne minnares durfde ik ook niet gaan. „Als zij met mijne schande bekend is,” dacht ik, „zal zij mij niet meer willen kennen.” Echter trok mijn hart mij derwaarts; ik besloot tot haar te gaan en moest het zijn, door haar veracht, te sterven. Ten einde mij van de volksmenigte te ontslaan, ging ik door verscheidene afgelegen straten en stegen, en zoo kwam ik, na een' langen weg afgelegd te hebben, eindelijk aan het huis van de dochter des emirs. Ik was zoo verzwakt en afgemat, dat ik dadelijk op eene sofa nederzeeg. Mijn' regterarm hield ik onder mijn opperkleed verborgen, en droeg wel zorg dien niet te laten zien. Naauwelijks had mijne beminde vernomen, dat ik in haar huis was en mij ongesteld bevond, of zij ijlde naar mij toe, en ziende, dat mijn gelaat bleek en geheel ontdaan was, zeide zij: „Mijn waarde vriend, in welk een' toestand zie ik u! Ik bid u, zeg mij toch wat u deert?” „Zware hoofdpijn,” gaf ik ten antwoord, de ware oorzaak van mijne ongesteldheid verbergende. „Ziedaar wat mij kwelt en allen lust beneemt.” Zij scheen hierover zeer bedroefd te zijn. „Ga toch weêr zitten,” hernam zij, „en zeg mij hoe gij die hoofdpijn hebt gekregen. De laatste keer, dat ik het genoegen had u bij mij te zien, waart gij nog zoo wel. Er heeft zeker iets plaats gehad, dat gij voor mij tracht te verbergen, zeg het mij vrij uit.” Ik zweeg hierop, en in plaats van te antwoorden, vloeiden de tranen mij uit de oogen. „Ik begrijp niet,” zeide zij, „wat u zoo kan bedroeven, heb ik daartoe misschien onwetend reden gegeven? En komt gij thans hier om mij te zeggen, dat gij mij niet meer bemint.” „Dat volstrekt niet,” hernam ik, zwaar zuchtende, „uwe ongegronde verdenking verhoogt integendeel mijne smart.”
Ik kon niet over mij verkrijgen, haar de ware oorzaak mijner droefheid te verklaren. Toen het avondeten werd opgedischt, verzocht zij, dat ik mij aan tafel zou zetten, doch daar ik alleen de linkerhand tot mijn gebruik had, verontschuldigde ik mij, voorgevende dat ik volstrekt geenen eetlust gevoelde. „Gij zoudt daarover niet te klagen hebben,” zeide zij, „indien gij mij mededeeldet hetgeen gij met zooveel halstarrigheid voor mij verbergt. Dat gij geen eetlust hebt, spruit ongetwijfeld nergens anders uit voort, dan uit de moeite die het u kost openhartig te zijn.” „Helaas!” hernam ik, „ik zal daartoe wel moeten besluiten!” Deze woorden had ik naauwelijks nog gesproken, of zij schonk mij in, en zeide: „Neem dezen beker en drink; dat zal u moed geven.”
Toen ik den beker met de linkerhand had aangenomen,” vervolgde de jonge man, „verdubbelde mijn schreijen en zuchten. „Wat doet u toch zoo droevig weenen en klagen,” zeide mijne beminde tot mij, „en waarom neemt gij den beker met uwe linker- en niet met uwe regterhand?” „Ach!” riep ik, „ik bid u mij te verontschuldigen; ik heb aan mijne regterhand een zeer pijnlijk gezwel.” „Laat mij dat gezwel eens zien,” hernam zij, „opdat ik het doorsteke; dat zal de pijn verligten.” Ik verschoonde mij daarvan, voorgevende dat het gezwel daartoe nog niet rijp was, en ik dronk den beker, die zoo groot was, in eene teug ledig. De wijn deed in den zwakken toestand, waarin ik mij bevond, weldra zijne werking; ik werd er door bedwelmd en viel in eenen vasten slaap, die tot aan den morgenstond voortduurde.
Mijne beminde, die weten wilde, wat ik aan mijne regterhand had, maakte van deze gelegenheid gebruik om hare nieuwsgierigheid te bevredigen. Zij ligtte de slip van mijn kleed, waaronder ik mijnen arm verborgen had, op, en zag met ontzettende verbazing, dat mijne hand was afgekapt. Zij begreep nu gemakkelijk, waarom ik zoo halstarrig geweigerd had, haar met de ware oorzaak van mijn leed bekend te maken, en bragt den nacht door met zich te bedroeven over mijn ongeluk, niet twijfelende of ik had mij dit uit liefde tot haar op den hals gehaald.
Bij mijn ontwaken kon ik aan haar gezigt zien, dat zij den nacht slapeloos en in de diepste droefheid had doorgebragt. Evenwel om mij niet te bedroeven, sprak zij van niets. Zij deed mij eenige spijzen toedienen, en dwong mij te eten en te drinken, opdat ik, zeide zij, de krachten terug mogt krijgen, waaraan ik behoefte had. Daarna wilde ik heengaan; maar zij hield mij bij mijn kleed terug. „Ik zal niet dulden,” sprak zij, „dat gij van hier gaat. Ofschoon gij er mij niets van gezegd hebt, ben ik overtuigd de oorzaak te zijn van het ongeluk dat gij u berokkend hebt. De smart, die ik daarover gevoel, zal mij niet toelaten lang meer te leven; maar vóór mijnen dood, moet ik nog ééne zaak volbrengen, waartoe ik in uw belang heb besloten.” Daarop liet zij een' kadi en getuigen komen, en deed eene acte opmaken, waarbij zij mij al hare goederen vermaakte. Vervolgens opende zij een' groote koffer, waarin zich al de beurzen bevonden, welke ik haar van het begin onzer kennismaking af geschonken had. „Zij zijn hier nog allen in haar geheel,” zeide zij, „ik heb er niet eene van geopend; zie hier den sleutel van het koffer, gij zijt er meester over.” Ik bedankte haar voor hare belangelooze edelmoedigheid. „Wat ik voor u doe,” antwoordde zij, „is weinig, en ik zal niet te vreden zijn vóór dat ik sterf, om u een bewijs te geven, hoezeer ik u bemin.” Ik bezwoer haar, bij alles wat de liefde kan ingeven, een zoo noodlottig besluit te laten varen, maar ik kon haar van dit denkbeeld niet terugbrengen; het verdriet, mij éénhandig te zien, berokkende haar eene ziekte, waaraan zij na verloop van vijf of zes weken bezweek. Ik was langen tijd ontroostbaar over haar verlies, en het koren, dat gij de goedheid hebt gehad voor mij te verkoopen, maakte een gedeelte uit van de goederen, die bij haren dood in mijn bezit kwamen.
Hetgeen ik u heb medegedeeld,” besloot de jonge man van Bagdad, „moet mij bij u verontschuldigen, dat ik met mijne linkerhand heb gegeten; ik ben u zeer verpligt voor de moeite, die gij u om mijnentwil gegeven hebt. Uwe trouw kan ik niet genoegzaam erkennen, en daar ik, hoe groot ook mijne verteringen waren, Allah zij geloofd, nog goederen genoeg bezit, verzoek ik u, de gelden, die gij onder uwe berusting hebt, als een geschenk van mij aan te nemen. Bovendien, daar ik na het gebeurde niet in Caïro kan blijven, en dit voor altoos wil verlaten, heb ik u nog een voorstel te doen, of gij namelijk genegen zijt, mij op mijne reis te vergezellen en voor gezamentlijke rekening handel te drijven?”
Dit voorstel,” vervolgde de Christen koopman, „was te voordeelig, dan dat ik het niet met dankbaarheid aannam. Ik bedankte den jongen koopman voor zijn geschenk en voor den prijs, dien hij op mijn gezelschap stelde, terwijl ik hem verzekerde dat zijne belangen mij steeds even dierbaar als die van mij zelven zouden zijn.
Wij stelden den dag tot ons vertrek vast, en toen deze aangebroken was, begaven wij ons op weg. Na Syrië en Mesopotamië te zijn doorgetrokken, doorreisden wij geheel Perzië, en na ons in verscheidene steden te hebben opgehouden, zijn wij, sire, eindelijk in uwe hoofdstad aangekomen. Eenigen tijd geleden gaf de jonge koopman mij te kennen, dat hij plan had naar Perzië terug te keeren en zich aldaar te vestigen. Wij maakten onze rekening op, en scheidden zeer voldaan over elkander. Ziedaar de geschiedenis, die ik u had te vertellen: vindt uwe majesteit ze niet wonderlijker, dan die van den gebogchelde?”
* * * * *
Op deze woorden berstte de sultan van Cachgar in toorn tegen den Christen koopman los: „Gij zijt wel onbeschaamd mij eene geschiedenis te durven verhalen, die mijne aandacht zoo weinig waardig is, en deze te vergelijken met die van mijnen gebogchelde. Hoe kunt gij mij voorpraten, dat de weinig beteekenende avonturen van een' jongen losbol wonderlijker zijn dan die van mijnen hofnar? Om mij over zijnen dood te wreken, zal ik u alle vier doen ophangen.”
Nu wierp de Muzelmansche koopman zich verschrikt voor de voeten des sultans. „Sire,” sprak hij, „ik smeek uwe majesteit haren geregten toorn te bedwingen, mij aan te willen hooren, en ons alle vier genade te schenken, indien de geschiedenis, welke ik uwer majesteit zal vertellen, boeijender is dan die van den bogchel?” „Ga uw' gang dan,” antwoordde de sultan, „laat hooren!” De Muzelman nam nu het woord op, en verhaalde de volgende geschiedenis.
GESCHIEDENIS, VERHAALD DOOR DEN MUZELMANSCHEN KOOPMAN, MAGAZIJNMEESTER VAN DEN SULTAN VAN CACHGAR.
„Sire, gisteren werd ik door een aanzienlijk heer alhier uitgenoodigd op de bruiloft van eene zijner dochters. Ik bleef niet in gebreke, mij op het bepaalde uur ten zijnent te begeven, en vond daar een gezelschap van geleerden, raadslieden en andere zeer hooggeplaatste personen. Na de gewone pligtplegingen werden wij aan tafel genoodigd, die met de uitgezochtste geregten overladen was. Ieder at en dronk naar zijn verlangen. Van alle spijzen vond een schotel met ragout, toebereid met knoflook, eenen bijzonderen aftrek. Daar wij echter bemerkten, dat een der gasten dien schotel onaangeroerd liet, ofschoon deze voor hem stond, noodigden wij hem uit, ons voorbeeld te volgen en toe te tasten. „Ik zal mij wel wachten,” antwoordde hij, „eenige ragout te proeven, die met knoflook is toebereid; ik heb nog niet vergeten, wat mij het nuttigen daarvan eens berokkend heeft.” De gastheer nam met deze verklaring echter geen genoegen, en zeide: „Doet gij op deze wijze mijne tafel eer aan? De ragout is uitmuntend, bewijs mij de gunst er van te eten, zooals alle anderen, en wees niet zoo zonderling.” „Heer,” antwoordde de gast, een koopman uit Bagdad, „geloof niet dat eene gril mij aldus doet handelen; ik wil u wel gehoorzamen, indien gij het volstrekt wilt, doch onder beding, dat ik daarna mijne handen veertig maal kan wasschen in loogzout, veertig maal met de as van die zelfde plant, en even dikwijls met zeep. Gij zult mij dit zonderlinge beding ten goede houden, indien ik u zeg, dat ik door eenen eed gebonden ben geen knoflook te eten, dan op de bovengenoemde voorwaarde.”
De gastheer, die den koopman van Bagdad niet wilde ontslaan om van zijne ragout met knoflook te eten, gelastte een' zijner bedienden een bekken met water en loogzout, een ander met as van de zelfde plant, en een derde met zeep en water te brengen, ten einde zijn gast zich zou kunnen wasschen, zoo dikwijls als hij mogt goedvinden. Vervolgens wendde hij zich tot den koopman en zeide: „Doe als wij en eet. Het loogzout, de as van de zelfde plant en de zeep zullen u niet ontbreken.”
De koopman, verstoord wegens den dwang die hem werd aangedaan, strekte de hand uit, nam een klein stukje, dat hij bevende aan zijnen mond bragt, en at dit met blijkbaren tegenzin op. Maar wat ons nog meer verwonderde, wij bespeurden thans voor het eerst, dat hij slechts vier vingers en geen' duim aan zijne hand had, waarop niemand onzer tot dus verre gelet had, hoewel wij hem van andere spijzen hadden zien nemen. De gastheer nam terstond het woord op: „Gij hebt geen' duim,” zeide hij, „door welk toeval hebt gij dien verloren? Het komt mij voor, dat dit bij eene vrij zonderlinge gelegenheid heeft plaats gehad, vreemd genoeg om het gezelschap met het verhaal daarvan te vermaken.” „Heer,” antwoordde hij, „niet slechts aan mijne regterhand, maar ook aan de linker ontbreekt de duim!” Nu liet hij ons om zijne woorden te staven, ook zijne linkerhand zien. „En dit is nog niet alles,” vervolgde hij, „ook de groote teenen ontbreken aan mijne voeten. Gij kunt mij gerust gelooven. De verminking heeft plaats gehad op eene tot dusverre ongehoorde wijze, die ik, indien gij het geduld hebt mij aan te hooren, bereid ben u te verhalen, en die evenzeer uwe verwondering als uw medelijden zal opwekken. Doch veroorloof mij eerst mijne handen te wasschen.” Dit zeggende, stond hij van tafel op, en na zich de handen honderd twintig maal gewasschen te hebben, nam hij weder plaats, en verhaalde ons zijne geschiedenis op de volgende wijze.
„Gij moet weten, mijne heeren, dat ik geboren ben te Bagdad, onder de regeering van den kalif Haroun-al-Raschid. Mijn vader ging door voor een' der rijkste kooplieden dier stad. Doch daar hij op grooten voet leefde, zich aan vele buitensporigheden overgaf, en zijne zaken slecht bestuurde, liet hij mij bij zijn overlijden, in plaats van een groot vermogen, meer schulden dan geld na, zoodat ik met overleg en zuinigheid te werk moest gaan, om zijne eer op te houden. Ik slaagde er echter in al zijne nagelaten schulden te voldoen en door vlijt en oppassendheid namen mijne zaken allengskens een' gunstigen keer.
Op zekeren dag, dat ik mijnen winkel opende, reed eene dame, op een' muilezel gezeten en vergezeld door een' gesnedene en twee slavinnen, voorbij. Zij hield in de nabijheid stil, en liet zich, geholpen door den gesnedene die haar de hand bood, van haren ezel glijden. „Heb ik u niet gezegd, mevrouw,” sprak deze tot haar, „dat wij te vroeg zouden komen; gij ziet dat er nog niemand op den berestein is; indien gij mij hadt willen gelooven, zoo zoudt gij u de moeite hebben gespaard van te moeten wachten.” Zij zag overal rond, en bemerkende dat er werkelijk nog geen enkele winkel buiten de mijne geopend was, naderde zij, groette mij en verzocht ten mijnent te mogen uitrusten, tot dat de kooplieden gekomen zouden zijn. Ik beantwoordde haren groet met de verschuldigde beleefdheid.
De dame zette zich in mijnen winkel neder, en bespeurende dat er, buiten mij en den gesnedene, geen enkele man op den berestein was, ontsluijerde zij haar gelaat om lucht te scheppen. Van bewondering opgetogen over hare schoonheid, kon ik van dat oogenblik af mijne oogen niet meer van haar afwenden. Ook dacht mij, dat mijne oplettendheid en bewondering haar niet ongevallig waren, want eerst toen de vrees van door anderen gezien te worden haar daartoe verpligtte, bedekte zij haar gelaat.
Nadat zij haren sluijer had laten vallen, gaf zij mij te kennen, dat zij eenige zeer schoone en rijke stoffen zocht, welke zij mij opnoemde, vragende of ik daarvan voorzien was. „Helaas, mevrouw,” antwoordde ik, „ik ben een nog jong koopman, die zijne zaken eerst kort geleden begonnen heeft, niet rijk genoeg een' zeer grooten voorraad op te slaan. Het is voor mij eene groote teleurstelling, niets in mijnen winkel te hebben, van hetgeen gij op den berestein zoekt, doch ten einde u de moeite te besparen om van magazijn tot magazijn te gaan, zal ik met uw goedvinden, zoodra de kooplieden er zijn, de stoffen, die gij verlangt, bij hen halen. Zij zullen mij den naasten prijs opgeven, en gij kunt hier uwe inkoopen doen, zonder dat gij er een' voet verder om behoeft te verzetten.” Zij stemde hierin toe, en ik had een onderhoud met haar, dat zoo lang duurde als ik haar kon doen gelooven, dat de kooplieden, bij wie ik mij moest vervoegen, zich nog niet op den berestein bevonden. Ik was niet minder opgetogen over hare geestelijke vermogens dan over haar schoon gelaat; doch eindelijk moest ik dit genoegelijk onderhoud afbreken. Ik ging de stoffen halen, welke zij mij had opgenoemd, en toen zij daaruit naar haar genoegen eene keus had gedaan, maakten wij den prijs op, welk eene waarde bedroeg van vijf duizend zilveren drachmen. Van het door haar gekochte werd een pak gemaakt, en zulks aan den gesnedene gegeven, die het onder zijnen arm nam. De dame stond nu op, nam afscheid van mij en vertrok. Ik volgde haar met mijne oogen, tot dat zij de poort van den berestein bereikt, en haren muilezel bestegen had.
Zoodra zij echter uit mijn gezigt verdwenen was, bemerkte ik, dat de liefde mij eene groote fout had doen begaan. Mijn geest was daardoor zoo in verwarring gebragt, dat ik er niet eens op had gelet, dat zij heenging zonder mij te betalen, en dat ik haar zelfs niet gevraagd had, wie zij was of waar zij woonde. Ik zag evenwel in, dat ik jegens verscheidene kooplieden voor eene aanzienlijke som verantwoordelijk was, en dat zij er misschien niet best mede gediend zouden zijn, lang naar hun geld te wachten. Ik ging mij daarom bij hen zoo goed mogelijk verontschuldigen, zeggende, dat de dame zeer goed bij mij bekend was. Zoo kwam ik in mijnen winkel terug, even verliefd, als bezwaard over mijne groote schuldvordering aan eene mij geheel onbekende schoone.
Ik had, mijne heeren,” vervolgde de koopman van Bagdad, „mijne schuldeischers verzocht, acht dagen geduld te hebben. Toen de achtste dag daar was, bleven zij niet in gebreke bij mij op voldoening aan te dringen. Ik bad hen mij nogmaals een uitstel van ééne week te verleenen, waarin zij eindelijk bewilligden. Doch reeds den volgenden dag, zag ik de dame op haren muilezel gezeten aankomen, op het zelfde vroege uur als den voorgaanden keer.
Zij ging regt op mijnen winkel aan. „Ik heb u een weinig laten wachten,” zeide zij, „maar eindelijk breng ik u het geld voor de stoffen, die ik voor eenige dagen heb medegenomen; zend het naar den wisselaar, opdat hij zien moge of de munt goed is en de som uitkomt.” Ik begaf mij met den gesnedene derwaarts, en bevond dat de rekening in orde was. Daarna smaakte ik andermaal het geluk, mij met de dame te onderhouden, tot dat al de winkels op den berestein geopend waren. Hoewel ons gesprek slechts over dagelijksche zaken liep, wist zij daaraan echter eene geheel nieuwe wending te geven, waaruit mij bleek, dat ik bij ons eerste onderhoud juist geoordeeld had, en dat zij uitmuntende verstandelijke vermogens bezat.
Toen de andere kooplieden hunne winkels geopend hadden, haastte ik mij, mijne schulden af te doen, en het kostte mij geene moeite hen te bewegen, mij weder andere stoffen toe te vertrouwen, waarnaar de dame mij gevraagd had. Ik nam daarvan voor duizend goudstukken, en de schoone koopster liet deze andermaal wegdragen, zonder te betalen en zonder mij iets te zeggen of zich bekend te maken. Dit verwonderde mij, want van hare zijde waagde zij niets, terwijl zij mij liet borg blijven bij de kooplieden, zonder dat ik de minste zekerheid van betaling had. Het is waar, zij had mij eene aanzienlijke som voldaan, maar die zij mij schuldig bleef, was nog veel grooter. Mogt het eene bedriegster zijn, en zij de eerste som slechts hebben betaald om mij te beter op te ligten, dan was ik een verloren man, want de kooplieden kenden haar niet, en zouden zich alleen aan mij houden. Hoe sterk ook mijne liefde was, kon ik toch dergelijke onrustwekkende gedachten niet geheel van mij afzetten, en toen er nu eene volle maand verliep, zonder dat de dame iets van zich liet hooren of zien, begon ik wezentlijk te denken, dat zij mij had afgezet.