Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Derde deel
Part 2
Ik bezag het monster, dat de jonge koopman mij toonde, en gaf ten antwoord, dat het volgens marktprijs en tegen kontant geld, honderd zilveren drachmen kon opbrengen. „Zie,” zeide hij, „of gij kooplieden kunt vinden, die er dien prijs voor willen besteden, en geef er mij kennis van; ik ben gehuisvest in de khan bij de poort der Overwinning.” Dit gezegd hebbende, vertrok hij, na mij het monster Turksch koren gegeven te hebben, dat ik nu aan onderscheidene kooplieden liet zien. Allen zeiden, dat zij er zooveel van wilden nemen, als ik hun leveren kon, de groote maat tegen honderd en tien drachmen. Er schoot dus voor mij, behalve mijn makelaarsloon, tien drachmen per maat over. Aangelokt door dit aanzienlijk voordeel, begaf ik mij onmiddelijk naar de khan bij de poort der Overwinning, en ik trof daar ook den jongen koopman aan. Hij bragt mij in zijn pakhuis, dat tot aan de zoldering met Turksch koren was opgevuld. Er waren honderd vijftig groote maten, die ik op ezels liet laden en voor vijftien duizend drachmen zilver verkocht. „Van die som,” zeide de jonge koopman, toen ik hem het geld bragt, „sta ik u honderd vijftig drachmen als makelaarsloon toe; en wat het overige geld aangaat, ik heb dat thans niet noodig, wees dus zoo goed het te behouden, tot dat ik het u zal opvragen.” Ik antwoordde hem, dat het geld steeds ter zijner beschikking zou zijn. Wij scheiden met een' handgroet, en ik verliet hem zeer voldaan over het vertrouwen, dat hij in mij stelde.
Gedurende eene maand hoorde ik niets van den jongen koopman, doch na verloop van dien tijd, kwam hij mij in mijne woning opzoeken. „Waar zijn,” vraagde hij, „mijne veertien duizend acht honderd en vijftig drachmen, die gij nog in bewaring hebt?” „Zij zijn ter uwer beschikking,” antwoordde ik, „en ik zal ze u oogenblikkelijk ter hand stellen.” Daar hij op zijn' ezel zat, verzocht ik hem af te stijgen, en het middagmaal bij mij te gebruiken. „Neen,” zeide hij, „ik kan van uwe vriendelijke uitnoodiging dit maal geen gebruik maken; ik heb hier in den omtrek nog eene belangrijke zaak te verrigten. Bij mijne terugkomst zal ik mijn geld halen; wees zoo goed het gereed te houden.” Dit gezegd hebbende, groette hij mij en reed heen.
Ik wachtte hem gedurende eenige dagen, doch er verliep weder eene maand, vóór dat ik hem terug zag. Ook nu weigerde hij zijn geld mede te nemen, en liet dit steeds onder mijne berusting blijven. „Zie daar,” dacht ik, „een jonge koopman, die al heel veel vertrouwen in mij stelt, daar hij zulk eene aanzienlijke som voortdurend in mijne handen laat, zonder mij te kennen. Een ander zou zoo niet handelen, maar bevreesd zijn, dat ik met zijn geld op den loop mogt gaan. Die jonge man moet wel schatrijk zijn, of hij handelt zeer onvoorzigtig; en als hij dit ook met andere zaken doet, zal hij meermalen bedrogen uitkomen.”
Den volgenden keer kwam hij eerst na de derde maand terug. Hij zat weder op zijn' ezel, maar was veel prachtiger gekleed, dan de vorige malen. Toen ik den jongen koopman zag aankomen, ging ik hem te gemoet, verzocht hem weder af te stijgen, en vraagde hem of hij niet begeerde, dat ik hem zijn geld zou ter hand stellen. „Daar is geen haast bij,” antwoordde hij met een blij en tevreden gelaat, „ik weet immers, dat het in goede handen is; ik zal het komen halen, als ik alles doorgebragt heb, wat ik bezit, en mij dus niets anders meer overblijft. Wees gegroet,” vervolgde hij, „en wacht mij in de aanstaande week.” Dit zeggende, gaf hij den ezel een slag met zijne rijzweep, en was weldra uit mijn gezigt. „Wel is waar,” overlegde ik bij mij zelven, „hij zegt, dat ik hem in de volgende week verwachten moet, maar uit zijn overig praten zou men opmaken, dat er wel een jaar kan voorbijgaan, eer ik hem wederzie. Ik zal inmiddels zijn geld uitzetten of er handel mede drijven; dat kan mij een aardig voordeel opleveren.”
Ik had mij niet vergist; het jaar ging voorbij, zonder dat de jonge koopman iets van zich liet hooren. Eindelijk verscheen hij, even rijk gekleed als de laatste maal, maar ik meende een' droefgeestigen trek op zijn gelaat te bemerken. Ik vroeg hem weder mij de eer te bewijzen binnen te komen. „Dat wil ik ditmaal wel doen,” antwoordde hij, „doch onder beding, dat gij om mij volstrekt geene kosten maakt.” „Ik zal in alles naar uw verlangen handelen,” hernam ik, „bewijs mij alleen de gunst het bij mij voor lief te nemen.” Hij steeg nu af en trad bij mij binnen. Ik liet zijn' ezel op stal brengen, en gaf last den maaltijd gereed te maken. In afwachting daarvan, spraken wij over handelszaken, zonder dat hij zich echter uitliet, of het hem sedert onze laatste ontmoeting voor- of nadeelig was gegaan. Toen de spijzen waren opgedragen, zetten wij ons aan tafel. Reeds bij het eerste, dat hij in den mond stak, merkte ik op, dat hij met de linkerhand at, en zich in het geheel niet van de regter bediende. Dat verwonderde mij zeer, en ik wist niet, wat ik er van denken moest. Zoo lang ik hem kende, had hij zich steeds als een wellevend en hoogst beschaafd jong mensch gedragen; handelde hij thans tegen alle regels der welvoegelijkheid uit minachting voor mij? Of om welke andere reden bediende hij zich niet van zijne regterhand? Zulks bleef mij duister.
Nadat de spijzen afgenomen en de bedienden vertrokken waren, gingen wij op de sofa zitten, en ik bood hem een glas met fijne likeur aan. Hij nam dit, maar wederom met de linkerhand. „Heer,” zeide ik toen, „vergeef mij de vrijheid, die ik mij veroorloof, maar mag ik vragen, waarom gij u niet bedient van uwe regterhand; waarschijnlijk is die gekwetst.” In plaats van mij te antwoorden, loosde hij een' zwaren zucht, en zijn' regterarm van onder zijn opperkleed te voorschijn brengende, liet hij mij zien, dat daaraan de hand ontbrak, waarover ik zeer ontstelde. „Gij hebt het zeker euvel opgenomen,” zeide hij, „dat ik mij aan den maaltijd van de linkerhand bediende; maar oordeel nu, of ik anders heb kunnen handelen.” „Mag ik vragen,” hernam ik, „door welk ongeluk gij uwe regterhand verloren hebt?” Op deze vraag barstte hij in tranen uit, en verhaalde hij mij zijne geschiedenis, gelijk ik de eer zal hebben, die aan uwe majesteit mede te deelen.
„Gij moet weten,” zoo ving hij aan, „dat ik geboortig ben van Bagdad, en de eenige zoon van een schatrijken vader, die in die gansche stad om zijne deugden en zijn' rang geacht werd. Naauwelijks was ik de wereld ingetreden, of ik kwam in kennis met kooplieden, die veel gereisd hadden, en die mij van Egypte, vooral van het wereldberoemde Caïro, bijzonderheden verhaalden, welke mij lust inboezemden eene reis derwaarts te doen; doch mijn vader was nog in leven en ik had den moed niet, hem daartoe het voorstel te doen. Kort daarop had ik het ongeluk hem te verliezen, en nu meester over mijne daden, besloot ik aan mijn verlangen te voldoen en naar Caïro te gaan. Ik besteedde te Bagdad en te Moussoul eene groote som aan fijne stoffen, en begaf mij op weg.
Bij mijne aankomst te Caïro nam ik mijn' intrek in de karavanserij, welke den naam draagt van de khan van Masroun. Ik huurde aldaar eene vrije kamer en een pakhuis, om daarin mijne waren op te slaan, die ik op kameelen had mede gebragt. Toen ik dit bezorgd had, ging ik naar mijne kamer, om van de vermoeijenissen der reis uit te rusten, terwijl mijne bedienden, aan wie ik geld had gegeven, levensmiddelen kochten en den maaltijd toebereidden. Na het eten, ging ik het kasteel, eenige moskeën, en andere openbare gebouwen bezigtigen. Den volgenden morgen kleedde ik mij zorgvuldig, en zocht eenige stukken zeer schoone en rijke stoffen uit mijn' voorraad, om daarmede naar den berestein[1] te gaan en te zien, wat men er mij voor bieden zou. Ik deed die stoffen door eenige mijner slaven dragen, en begaf mij naar den berestein der Circassiers. Ik zag mij weldra omringd door eene menigte makelaars, die reeds berigt van mijne aankomst hadden ontvangen. Ik verdeelde de monsters van mijne stoffen onder hen, en zij maakten er dadelijk werk van om ze aan den man te brengen, maar niet één koopman op den berestein wilde er zoo veel voor bieden, als zij mij bij inkoop gekost hadden. Dit verdroot mij, en daar ik mijn ongenoegen aan de makelaars liet blijken, zeiden zij tot mij: „Wij kunnen de kooplieden niet dwingen, maar indien gij ons wilt vertrouwen, zullen wij u een middel aan de hand doen, waardoor gij op uwe stoffen niets zult behoeven te verliezen.”
[1] Berestein is eene overdekte marktplaats in Turksche steden.
Ik vraagde hun,” vervolgde de jonge koopman, „waarin dat middel bestond? „Verdeel,” zeiden zij, „uwe waren onder verscheidene kooplieden, opdat zij die in het klein voor u uitverkoopen; gij kunt dan twee malen per week, Maandags en Donderdags, zoo als hier gebruikelijk is, uw geld ophalen voor hetgeen zij verkocht zullen hebben. Op die wijze hebt gij winst in stede van verlies te verwachten, en de kooplieden zullen ook iets verdienen, terwijl gij er uw vermaak van kunt nemen, en de stad en omstreken bezigtigen.”
Ik besloot hun' raad te volgen, en nam hen mede naar mijn pakhuis, liet al mijne waren er uitdragen en naar den berestein vervoeren, waar ik ze verdeelde onder verscheidene kooplieden, welke zij mij als vertrouwde lieden aanwezen, en die mij een bewijs van ontvangst gaven, door getuigen onderteekend, intusschen op voorwaarde, dat ik hun de eerste maand niet om geld zou vragen.
Mijne zaken dus geregeld hebbende, was ik op niets anders bedacht, dan om mijn vermaak te zoeken. Ik knoopte vriendschap aan met onderscheidene jonge lieden van mijne jaren, die zorg droegen, dat ik den tijd genoegelijk doorbragt. Toen de eerste maand verstreken was, ging ik mijne kooplieden tweemaal in de week bezoeken, vergezeld door een' openbaar beambte, die hunne boeken nazag, en door een' wisselaar, die over de deugd en de waarde van de munt, waarmede men mij betaalde, moest oordeelen. Reeds op den eersten betaaldag, kwam ik met eene goed gevulde beurs in de khan van Mousroun terug. Op de overige dagen van de week, bragt ik van tijd tot tijd bij dezen en genen koopman een morgenbezoek, en vond er vermaak in, mij met hen te onderhouden en gade te slaan, wat er op den berestein zoo al omging.
Op zekeren dag, dat ik den winkel bezag van een' koopman, die zich Bredradan noemde, trad eene dame, naar het uiterlijk aanzien van hoogen stand, zijn magazijn binnen, en zette zich in mijne nabijheid neder. Zij was rijk en met smaak gekleed, en ook de slavin, die haar vergezelde, was kostbaar uitgedost. Dit uiterlijk, gepaard met eene natuurlijke bevalligheid, die in elke harer bewegingen doorstraalde, nam mij dadelijk voor haar in, en deed den wensch bij mij ontstaan, nader met haar bekend te worden. Ik wist niet zeker, of zij het bemerkte, dat ik haar met buitengewoone belangstelling gadesloeg, en of haar dit niet ongevallig was; maar zij hief het krip op, dat voor den mousselinen sluijer hing, die haar gelaat bedekte, en liet mij een paar groote zwarte oogen zien, door wier glans ik als betooverd werd[2]. In één woord, die oogen, hare liefelijke stem en hare bevallige manieren, dit alles maakte mij smoorlijk verliefd.
[2] In den sluijer der Turksche vrouwen zijn openingen, die de oogen vrijlaten, waarover zij, als zij uitgaan, een krip dragen.
Zij scheen den koopman goed te kennen, want, nadat zij hem gegroet had, vraagde zij naar zijne gezondheid, sedert zij hem het laatst gezien had, en onderhield zich eenigen tijd met hem over onverschillige zaken. Eindelijk gaf zij te kennen, dat zij eene stof zocht met een' grond van gouddraad, en zeide, dat zij meende, die wel bij hem te zullen vinden, daar zijn winkel het best voorzien was van allen op den geheelen berestein. Bredradan liet haar onderscheidene stukken zien, en tot eene van die bepaalde zich hare keus. Zij vraagde hem naar den prijs, en hij liet haar dat stuk voor elf honderd drachmen zilver. „Met dien prijs neem ik genoegen,” zeide zij, „maar ik heb geen geld bij mij. Ik denk echter, dat gij mij wel crediet zult verleenen tot morgen, en mij het stuk toevertrouwen; ik beloof u, dat ik u de elf honderd drachmen morgen zal zenden.” „Mejufvrouw,” gaf Bredradan ten antwoord, „ik heb alle vertrouwen in u, en zou u gaarne deze stof afstaan, indien die mijn eigendom ware, maar zij behoort aan dezen jongen koopman, en het is heden de dag, waarop ik met hem moet afrekenen.” „Wel!” hernam de dame, ten hoogste verbaasd, „hoe komt het, dat gij heden zoo met mij handelt? Ben ik niet gewoon uw' winkel te bezoeken en heb ik niet dikwijls bij u gekocht, zonder dadelijk te betalen? Kunt gij mij verwijten, dat ik ooit achterlijk ben gebleven mijne belofte na te komen en u het geld den volgenden dag te zenden?” „Dat is alles waar, dame!” hernam hij, „maar ik ben heden om geld verlegen.” „Welnu,” zeide zij, hem het stuk toewerpende, „zie daar dan uwe stof. Maar dat Allah u verdelge, u en al wat koopman heet. Gij zijt allen met het zelfde water overgoten, en weet iemand de achting niet te bewijzen, die hem toekomt.” Dit zeggende, stond zij driftig op en verliet in hevigen toorn den winkel.
Toen ik zag,” vervolgde de jonge koopman, „dat de dame heen ging, bespeurde ik, dat mijn hart voor haar pleitte; ik riep haar terug. „Mejuffrouw!” zeide ik op beleefden toon, „bewijs mij de gunst nog een oogenblik te blijven, misschien ken ik het middel om u beiden tevreden te stellen.” Zij kwam terug, verklarende, dit alleen te doen uit achting voor mij. „Heer Bredradan!” zeide ik nu tot den koopman, „voor hoeveel zegt gij, dat gij deze stof, welke mij toebehoort, wilt verkoopen?” „Voor elf honderd drachmen zilver,” antwoordde hij, „ik kan ze niet minder geven.” „Lever ze dan aan deze dame,” hernam ik, „en laat haar ze vrij mede nemen. Ik zal u honderd drachmen voordeel geven en een bewijs, dat gij dat stuk met mij verrekend hebt.” Hierin nam hij gaarne genoegen, en ik haastte mij de dame de stof aan te bieden. „Gij kunt die mede nemen, dame!” zeide ik, „en wat het geld betreft, dit kunt gij morgen of op een' anderen dag zenden, of, zoo ik u niet beleedig, veroorloof mij dan, u deze stof ten geschenke aan te bieden.” „Dat is mijne bedoeling niet,” antwoordde zij, „maar gij zijt zoo verpligtend jegens mij, dat ik u daarvoor gaarne mijne erkentenis betuig. Dat Allah er u voor beloone; hij vermeerdere uwe goederen, schenke u een lang leven, en ontsluite u na uw' dood de poort van het paradijs. Moge de stad gewagen van uwe edelmoedigheid!”
Deze woorden maakten mij stoutmoedig. „Mejufvrouw!” sprak ik tot haar, „laat mij, tot loon voor het genoegen, dat ik u verschaft heb, uw gelaat zien, en ik zal met woeker betaald zijn.” Zich nu tot mij keerende, hief zij den sluijer op, die haar gezigt bedekte, en liet mij een gelaat aanschouwen, dat mij in verrukking bragt. Ik werd er zoo door getroffen, dat ik geene woorden kon vinden om haar mijne gedachten te kennen te geven. Nimmer zou ik moede geworden zijn haar aan te staren; maar zij liet spoedig haren sluijer weder vallen, ten einde niet door anderen te worden opgemerkt. Zij gaf nu de stof aan hare slavin, en verliet den winkel, waar zij mij in eene geheel andere gemoedsgesteldheid achterliet, dan die, waarin ik daar gekomen was. Gedurende een' geruimen tijd verkeerde ik in eene vreemde verwarring, en vóór ik heen ging, vroeg ik aan den koopman, of hij die dame kende? „Ja,” antwoordde hij, „zij is de dochter van een' emir, die haar een ontzaggelijk vermogen heeft nagelaten.”
Toen ik in de khan van Masroun terugkwam, maakten mijne lieden het avondmaal gereed; maar ik gebruikte er niets van. Gedurende den nacht kon ik den slaap niet vatten. Die nacht scheen mij toe eene eeuwigheid te zijn, en zoodra het dag werd, stond ik op, in de hoop, het voorwerp, dat mijne rust verstoorde, te zullen wederzien. Ik kleedde mij nog prachtiger dan den vorigen dag, en toen het eenigzins gevoegelijk kon geschieden, ging ik naar den winkel van Bredradan.
Ik was daar nog niet lang, of ik zag de dame aankomen, gevolgd door hare slavin, en nog rijker gekleed dan den vorigen dag. Zij verwaardigde zich niet den koopman aan te zien, maar zich terstond tot mij wendende, zeide zij: „Gij ziet, dat ik mijn woord houd. Ik kom alleen hier, om u het geld te brengen, waarvoor gij, zonder mij te kennen, borg zijt gebleven; eene grootmoedigheid, die ik nimmer zal vergeten.” „Mejufvrouw!” gaf ik ten antwoord, „ik had geen vrees voor mijn geld en het doet mij leed, dat gij u daarmede zoo gehaast hebt.” „Het zou niet billijk zijn,” hernam zij, „indien ik van uwe goedheid misbruik hadde gemaakt.” Dit zeggende, stelde zij mij het geld ter hand, en zette zich bij mij neder.
[Illustratie: Geschiedenis verhaald door den Christen Koopman.
Dl. III, pag. 21.]
Ik maakte van deze gunstige gelegenheid gebruik, om haar de gevoelens te doen kennen, die zij mij had ingeboezemd; doch, zoodra het woord liefde over mijne lippen kwam, stond zij op, en ging heen zonder mij te groeten, even als of zij zich beleedigd achtte door de verklaring, welke ik haar gedaan had. Ik volgde haar met de oogen, zoo lang ik kon, en daarop den koopman groetende, verliet ik zijn' winkel en den berestein, zonder zelfs te weten, waarheen ik ging. Droomend voortgaande, voelde ik, dat iemand mij aan de kleederen trok. Ik wendde mij om, en zag tot mijne groote blijdschap voor mij de slavin van haar, die mijne gedachten geheel bezig hield. „Mijne meesteres,” zeide de slavin, „de jonge dame, met wie gij zoo even in den winkel gesproken hebt, wilde u nog iets zeggen. Heb dus de goedheid mij te volgen.” Ik deed dit, en zij bragt mij bij een' wisselaar, waar hare meesteres op mij wachtte.
Zij deed mij aan hare zijde plaats nemen. „Mijn waarde Heer!” zeide zij, „laat het u niet bevreemden, dat ik u eenigzins overhaast verlaten heb. Ik vond het niet goed, in tegenwoordigheid van dien onwellevenden koopman een gunstig antwoord te geven op uwe vertrouwelijke mededeeling van de teedere gevoelens, die ik u heb ingeboezemd. Doch, in plaats van mij daardoor beleedigd te achten, heb ik u met genoegen aangehoord, en ik beschouw het als een geluk, een' jongen man van uwe verdiensten tot minnaar te hebben. Ik weet niet, welken indruk ik bij het eerste gezigt op u maakte; doch dit kan ik u verzekeren, zoodra ik u zag, hadt gij mijne genegenheid gewonnen. Sedert gisteren heb ik slechts aan u gedacht, en dat ik dezen morgen zelve kwam om mijne schuld af te doen, is wel een sterk bewijs, dat uw persoon mij niet mishaagt.” „Mejufvrouw!” hernam ik, buiten mij zelven van liefde en van blijdschap, „gij zoudt mij niets aangenamers kunnen zeggen. Niemand kan u meer beminnen dan ik. Van het eerste oogenblik af dat ik u zag, werden mijne oogen verblind door uwe bekoorlijkheden, en mijn hart gaf zich over zonder wederstand te bieden.” „Laat ons,” viel zij mij in de rede, „den tijd niet met nuttelooze woorden verkwisten; ik ben overtuigd van de opregtheid uwer liefde, en gij kunt het van de mijne zijn. Wilt gij mij de eer aandoen ten mijnent te komen? Of wenscht gij, dat ik bij u kom?” „Mejufvrouw!” antwoordde ik, „ik ben hier vreemdeling en houd mijn verblijf in eene khan, die de plaats niet is om eene dame van uwen rang te ontvangen. Het is dus beter, dat gij mij uwe woning opgeeft, en dat ik u daar kom bezoeken.” De dame stemde dit toe. „Overmorgen,” zeide zij, „is het Vrijdag, kom dan des namiddags bij mij. Ik woon in de straat der boetvaardigen; gij hebt slechts te vragen naar het huis van den voormaligen opperste der emirs, Abandi Schamma, en ieder zal u teregt wijzen.” Hierop namen wij afscheid, en ik bragt den volgenden dag in het grootste ongeduld door.
Des Vrijdags stond ik zeer vroeg op, deed mijn beste kleed aan, en stak eene beurs met vijftig goudstukken bij mij. Zoodra het middag was, klom ik op den ezel, dien ik reeds daags te voren besproken had, en vertrok, vergezeld door den eigenaar van dat dier. Toen wij in de straat der boetvaardigen kwamen, zeide ik tot den ezelverhuurder, dat hij naar de woning zou vragen, welke ik hem noemde. Men wees hem die, en hij bragt er mij heen. Ik steeg voor de deur af, gaf hem een goed drinkgeld en zeide, dat hij naauwkeurig acht moest geven op het huis, waar hij mij gebragt had, en niet nalaten mij den volgenden morgen te komen afhalen, om mij naar de khan van Masroun terug te brengen.
Ik klopte aan de poort, en kleine slavinnen, zoo blank als sneeuw, openden de deur. „Kom binnen, Heer!” zeiden zij, „onze meesteres wacht u met ongeduld. Sedert twee dagen heeft zij niet opgehouden over u te spreken.” Ik trad den voorhof binnen, en zag daar een groot paviljoen, waarheen men met zeven trappen opging, en dat door een traliewerk gescheiden werd van een' heerlijken tuin. Behalve de boomen, die alleen dienden om schaduw te geven, waren er een oneindig aantal vruchtboomen, met rijp fruit beladen. Ik werd verrukt door het liefelijk gezang van honderden vogels, die in kooijen van zilverdraad aan de takken der boomen hingen. In het midden van den tuin was eene fontein, die in eene vierkante marmeren kom stond, op welker hoeken vier vergulde draken geplaatst waren, die uit hunnen muil water uitwierpen, nog helderder dan kristal. Reeds deze prachtige hof gaf mij een hoog denkbeeld van den rang en van het vermogen der dame, wier hart ik veroverd had. De beide kleine slavinnen deden mij nu in eene prachtig gemeubelde zaal gaan, en terwijl de eene heen ging om hare meesteres van mijne komst te verwittigen, bleef de andere bij mij, en deed mij al het schoone van de zaal opmerken.
Ik behoefde echter niet lang te wachten of de dame, welke ik beminde, verscheen. De paarlen en diamanten, welke zij droeg, moesten achterstaan bij den glans harer oogen. Hare ranke gestalte, thans achter geen' nijdigen sluijer verborgen, scheen mij de schoonste ter wereld. Ik zal niet spreken van de vreugde, die ons bezielde, toen wij elkander wederzagen; ik zou u daarvan slechts een zeer flaauw denkbeeld kunnen geven. Ik zeg u alleen, dat wij ons na den eersten welkomstgroet op eene sofa plaatsten, en dat de tijd onder een aangenaam gesprek en de teederste liefkozingen voorbij scheen te vliegen. Eindelijk zetten wij ons aan eene tafel, die met de uitgezochtste spijzen, de fijnste wijnen en de heerlijkste vruchten overladen was. Wij aten en dronken bij het geluid van muzijk-instrumenten, welke de slavinnen met hare stemmen begeleidden. Ook mijne beminde zong een lied, zoo teeder en schoon, dat ik er geheel door betooverd werd. Zoo bragten wij den nacht met allerlei genoegens door.
Den volgenden morgen nam ik afscheid van mijne beminde, na behendig mijne beurs met vijftig goudstukken onder haar sofa-kussen gelegd te hebben, zonder dat zij daarvan iets bemerkte. Zij vraagde mij, wanneer ik dacht terug te komen. „Dierbare!” antwoordde ik, „indien het mij vrij staat, nog dezen avond.” Zij scheen verrukt over mijn antwoord, deed mij uitgeleide tot aan de deur, en toen wij scheidden, herinnerde zij mij op den teedersten toon nog aan mijne belofte. De zelfde man, die mij daar gebragt had, wachtte met zijn' ezel. Ik steeg op, en kwam in de kahn van Masroun terug, zoo gelukkig, als iemand slechts zijn kan. Toen ik den eigenaar van den ezel liet gaan, betaalde ik hem, ten einde te zekerder te zijn, dat hij dien middag op het bepaalde uur terug zou komen, om mij af te halen.
Zoodra ik in mijne herberg terug kwam, was mijne eerste zorg een lam en vele soorten van wildbraad te laten koopen, dat ik door een' drager aan het huis deed brengen van mijne beminde. Vervolgens hield ik mij met mijne zaken bezig, tot dat de man met den ezel voorkwam. Wij vertrokken onmiddelijk, en de dame ontving mij zoo mogelijk met nog meer liefde en blijdschap dan den vorigen dag. Zij onthaalde mij ook niet minder voortreffelijk, en toen ik haar den volgenden morgen verliet, verzuimde ik niet weder eene beurs met vijftig goudstukken achter te laten.