Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Derde deel

Part 19

Chapter 194,086 wordsPublic domain

Er was nog geen kwartier uurs verloopen, of de vertrouwde liet zich weder in de moskee vinden, waar de juwelier op haar wachtte. „Neem deze beurzen,” sprak zij, „en vergoed uwen vrienden de door hen geleden schade.” „Er is hier meer geld, dan ik daartoe noodig heb,” hernam de juwelier, „maar ik durf het geschenk niet afwijzen, dat eene zoo grootmoedige dame aan haren zeer nederigen dienaar geven wil. Ik verzoek u haar te verzekeren, dat ik hare goedheid altoos gedenken zal.” Nu spraken zij af, dat als de vertrouwde weder eene boodschap voor den juwelier of voor den prins van Perzië had, zij zich dan ten zijnent zou vervoegen; hierop namen zij van elkander afscheid. De juwelier ging naar den prins van Perzië, die de stem van zijn' vriend herkennende, de oogen opende, en hem aanzag met een' blik, waarin een wereld van lijden lag uitgedrukt. Hij spande zich in, en zeide met zwakke stem, dat hij hem wel verpligt was voor de moeite, die hij zich gaf, om eenen ongelukkige als hij, in zijne droefheid te komen bezoeken en troosten.

„Prins,” hernam de juwelier, „ik smeek u, spreek niet van de verpligting, die gij aan mij hebt; ik zou mij gelukkig achten; indien de goede diensten, die ik getracht heb, u te bewijzen, een' gunstiger uitslag hadden gehad. Laat ons liever op uwe gezondheid bedacht zijn; de toestand, waarin ik u zie, doet mij vreezen, dat gij daar weinig zorg voor draagt.”

De bedienden, die bij den prins waren om hem op te passen, namen deze gelegenheid te baat, om aan den juwelier hunnen nood te klagen, dat hun meester, wat moeite zij zich ook gaven, naauwelijks te bewegen was, eenig voedsel tot zich te nemen, en sedert een' geruimen tijd niets had gebruikt. Dit bewoog den juwelier, bij den prins aan te dringen, dat hij in zijne tegenwoordigheid, als om hem te verpligten, wat zou eten; en hij hield zoo lang aan, dat Aboul-Hassan eindelijk toegaf.

Nadat de prins dus iets beter dan gewoonlijk gegeten, en ook een glas wijn gebruikt had, gaf hij zijnen lieden een' wenk zich te verwijderen. Toen zij vertrokken waren, zeide hij tot den juwelier: „Het verlies, dat gij uit genegenheid voor mij ondergaan hebt, bedroeft mij ten hoogste, en het is niet meer dan billijk, dat ik u zulks zal vergoeden. Maar alvorens waag ik het u te vragen, of gij niets vernomen hebt van Schemselnihar, sedert ik gedwongen werd van haar te scheiden?”

De juwelier verhaalde alles, wat de vertrouwde hem medegedeeld had. De prins hoorde hem schreijende en zuchtende aan, zonder een enkel woord te zeggen. Daarna deed hij eene poging om op te staan, riep twee zijner bedienden, liet hen eenige groote pakken maken van zijne fraaiste meubelen en zijn kostbaarst zilverwerk, en gelastte hen, dit ten huize van den juwelier te brengen. De juwelier weigerde in den beginne dit geschenk van den prins van Perzië aan te nemen; maar ofschoon hij betuigde, dat Schemselnihar hem reeds meer had gezonden dan noodig was, om aan zijne vrienden de geleden schade te vergoeden, de prins verlangde gehoorzaamd te worden. Zijn' vriend bleef dus niets anders over, dan hem dank te wijten voor zijne groote goedheid. Tot laat in den nacht bleven de twee vrienden in druk gesprek.

Alvorens den volgenden morgen te vertrekken, ging de juwelier eerst nog zien, hoe de prins zich bevond. Deze verzocht hem, zich bij zijne legerstede neder te zetten, en sprak hem aldus toe: „Gij weet, dat elke zaak welke men onderneemt, een doel heeft; dat van den minnaar is, het voorwerp zijner liefde ongestoord te bezitten. Is hem dit onmogelijk, dan wordt het leven hem een' last. Gij weet, dat ik mij in dezen treurigen toestand gebragt zie. Tweemaal meende ik het doel mijner wenschen nabij te zijn, en tweemaal zag ik mij daarvan op het wreedst verstoken. Sinds dien tijd heeft het leven voor mij geene waarde meer; ik denk slechts aan den dood, en zou mij dien reeds met eigen hand gegeven hebben, indien niet de godsdienst den zelfmoord laakte. Het is ook niet noodig, dat ik mijn noodlot vooruit loop; ik gevoel maar al te wel mijn einde naderen.” Bij deze woorden zweeg Aboul-Hassan, en barstte in zuchten en tranen uit.

De juwelier wenschte hem van deze wanhopige gedachte af te brengen. Hij wist daartoe geen beter middel, dan hem te herinneren aan Schemselnihar, en hem eenige hoop te geven, dat hij haar zou wederzien. „Wat ik voor u doen kan,” vervolgde hij, „zal ik niet nalaten. Misschien bevindt de vertrouwde van Schemselnihar zich reeds ten mijnent, en wie weet, wat zij mij te zeggen heeft?” „Ga dan,” sprak de prins, „en indien gij haar ziet, zoo smeek ik u, haar op het hart te drukken, zij aan Schemselnihar zeggen moet, dat indien ik sterf, zulks alleen uit liefde voor haar is, en dat ik haar zal beminnen tot mijn' laatsten ademtogt, ja tot in het graf.”

De juwelier ging naar zijne woning, en bleef te huis, in de hoop, dat de vertrouwde mogt komen. Na verloop van eenige uren zag hij haar werkelijk, maar schreijende en in de grootste verwarring. Hierdoor ontsteld, vroeg hij in drift, wat haar deerde.

„Schemselnihar, de prins van Perzië, gij en ik!” antwoordde de vertrouwde, „wij allen zijn verloren! Hoor van mij het treurige nieuws, dat ik gisteren, toen ik in het paleis terugkwam, vernemen moest. Schemselnihar had eene der twee slavinnen, die haar naar uwe andere woning vergezeld hebben, doen kastijden, wegens een' misslag, welken zij begaan had. De slavin, de deur van het paleis open vindende, en verbitterd over de ondergane harde behandeling, is weggeloopen. Zij heeft bij een' der gesnedenen van onze wacht, eene wijkplaats gezocht, en wij twijfelen niet, of zij zal hem alles verteld hebben. Doch dit is niet alles: ook de andere slavin is ontvlugt, en heeft de wijk genomen in het paleis van den kalif, aan wien zij zeker alles ontdekt heeft. Heden morgen toch heeft de kalif Schemselnihar door twintig gesnedenen laten ophalen, en naar zijn paleis voeren. Ik heb eene gelegenheid gevonden, te ontkomen, om u van dit alles berigt te kunnen geven. Wat er verder gebeurd is, weet ik niet; maar ik vrees het ergste. Hoe dit zij, en wat er van komen moge, ik bezweer u ons geheim goed te bewaren. Ga tevens,” vervolgde zij, „zonder tijdverlies den prins van Perzië opzoeken, en hem van deze treurige gebeurtenis kennis geven; opdat hij zich op alles voorbereide, en weten moge, hoe te moeten handelen.” Dit gezegd hebbende, verwijderde zij zich schielijk, zonder zelfs eenig antwoord af te wachten.

Wat zou de juwelier ook geantwoord hebben? Hij stond als aan den grond genageld, en toch begreep hij, dat de zaak dringend was. Zich met geweld beheerschende, liep hij naar den prins van Perzië. Op zijn bleek en onthutst gelaat kon men reeds zien, dat hij overbrenger eener kwade boodschap was. „Prins,” zeide hij, „wapen u met onderwerping, volharding en moed, en bereidt u voor op het ergste, dat u zou kunnen overkomen.” „Zeg mij toch spoedig, wat er eigenlijk is,” sprak de prins; „indien het noodig is, ben ik bereid te sterven.”

De juwelier deelde hem nu mede, wat hij van de vertrouwde had vernomen. „Gij ziet hieruit prins,” vervolgde hij, in eenen adem voortgaande, „dat gij een verloren man zijt. Sta op, en vlugt zoo spoedig mogelijk; de tijd is kostbaar. Gij moet u niet blootstellen aan den toorn van den kalif, en nog minder aan het gevaar, van op de pijnbank tot bekentenis te worden gebragt.” Het scheelde niet veel, of de prins had van droefheid, ontsteltenis en schrik op het oogenblik zelf den geest gegeven. Hij herstelde zich echter, en vroeg aan den juwelier, welk besluit hij in deze omstandigheden moest nemen. „Er blijft u niets over,” hernam deze, „dan zonder verwijl te paard te stijgen, en den weg naar Ambar in te slaan, waar gij morgen vóór het aanbreken van den dag kunt aankomen. Neem zoo vele bedienden mede, als gij noodig oordeelt, zorg voor goede paarden, en veroorloof mij, u op uwe vlugt te vergezellen.”

Aboul-Hassan, geen ander middel vindende, gaf bevel alles tot hunne vlugt ten spoedigste in gereedheid te brengen, voorzag zich van goud en edelgesteenten, en na afscheid van zijne moeder genomen te hebben, vertrok hij, en verwijderde zich haastig van Bagdad, met den juwelier en eenige van zijne getrouwste bedienden. Zij reden den geheelen dag en een groot gedeelte van den nacht door, zonder ergens op te houden. Twee of drie uren vóór het aanbreken van den dag, waren echter zoowel ruiters als paarden zoo afgemat van den langen rid, dat zij zich genoodzaakt zagen halt te houden. Zij stegen van hunne paarden, en terwijl deze om hen heen liepen te grazen, gingen zij in het gras zitten, om een weinig uit te rusten.

Naauwelijks hadden zij den tijd gehad tot adem te komen, toen zij door eene sterke rooverbende werden aangevallen. Zij verdedigden zich eenigen tijd met groote dapperheid; al de bedienden sneuvelden. Eindelijk zagen de prins en de juwelier zich echter gedwongen, de wapens neêr te leggen, en zich over te geven. De roovers schonken hun het leven; maar nadat zij de paarden opgevangen en zich van de goederen meester gemaakt hadden, kwamen zij terug en ontnamen hun ook hunne kleederen, waarna zij met den gemaakten buit wegreden. „Wat zegt gij nu,” sprak thans de prins mistroostig tot den juwelier, „van ons ongelukkig lot, en van den jammerlijken toestand, waarin wij gebragt zijn? Ware het niet beter geweest in Bagdad te blijven, en daar den dood af te wachten, in welke gedaante hij zich ook mogt vertoonen.” „Prins,” hernam de juwelier, „Allah schijnt besloten, ons deze verschrikkelijke beproeving op te leggen. Wij mogen niet morren, en gelijk wij het goede van zijne hand ontvangen hebben, moeten wij ook het kwade, dat hij ons toezendt, met onderwerping dragen. Verspillen wij den tijd niet met nuttelooze klagten, maar laat ons elders eene wijkplaats zoeken, waar men welligt medelijden met ons ongeluk zal hebben.”

„Laat mij met rust sterven,” hernam de prins; „het is mij het zelfde, hier of elders mijn graf te vinden. Misschien is Schemselnihar, terwijl wij spreken, reeds niet meer, en ik wil haar niet overleven.” De juwelier verkreeg echter door lang aanhouden zoo veel op Aboul-Hassan, dat deze zich liet leiden. Zij gingen eenigen tijd voort, en kwamen aan eene moskee, die open was. Hier traden zij binnen, en bragten er het overige van den nacht door.

Met het aanbreken van den dag kwam er iemand in de moskee. Hij deed zijn morgengebed, en werd vervolgens den prins van Perzië en den juwelier gewaar, die zich in een' afgelegen hoek hadden terug getrokken. Hij ging naar hen toe, en groette hen zeer beleefd. „Vergis ik mij niet,” zeide hij, „dan zijt gij vreemdelingen.” De juwelier nam hierop het woord, en antwoordde: „Gij bedriegt u niet; wij komen van Bagdad en werden dezen nacht door roovers overvallen en uitgeplunderd; zij hebben ons in dezen toestand gebragt. Wij hebben hulp noodig, maar weten niet, tot wien wij ons zullen wenden.” „Indien gij u de moeite wilt geven, mede naar mijn huis te gaan,” hernam de man, „zoo zal ik u ondersteunen, zoo veel in mijn vermogen is.”

Op dit vriendelijk aanbod wendde de juwelier zich tot Aboul-Hassan, en fluisterde hem in het oor: „Deze man schijnt ons niet te kennen. Het komt mij dus voor, dat wij zijne hulp moeten aannemen.” „Ik laat alles aan u over,” hernam de prins, „wat gij doet, is mij wel.” De man, bemerkende dat de juwelier en de prins te zamen beraadslaagden, meende dat zij zwarigheid maakten zijn voorstel aan te nemen. Hij vroeg dus, hoe zij wilden. „Wij zijn gereed u te volgen,” antwoordde de juwelier, „doch wat ons verlegen maakt, is dat wij geene kleederen hebben, en ons dus schamen voor den dag te komen.”

Bij geluk had hij zoo veel kleêren aan, dat hij ieder hunner een stuk kon medegeven. Dit deed hij, en nam hen toen mede naar zijne woning. Zoodra zij daar kwamen, deed de gastheer aan beiden een pak kleêren geven, en daar hij vermoedde, dat zij wel honger hebben, en gaarne alleen zijn zouden, liet hij hun door een' slaaf verscheidene schotels voorzetten. Zij aten evenwel bijna niets, en de prins was zoo neêrslagtig en afgemat, dat de juwelier voor zijn leven begon te vreezen.

De vriendelijke gastheer bezocht hen dien dag verscheidene malen, om te zien, of zij ook ergens behoefte aan hadden, en tegen den avond gaf hij hun vroegtijdig gelegenheid zich ter ruste te begeven; daar hij begreep, dat zij die wel noodig zouden hebben. De juwelier was echter weldra verpligt hem te roepen, ten einde bij het afsterven van den prins tegenwoordig te zijn. Hij bemerkte, dat de ademhaling kort en haastig werd, en dit deed hem denken, dat het einde naderde. Hij ging bij zijn bed, en de prins zeide langzaam tot hem: „Gij ziet dat mijn einde nadert, en ik ben blijde, dat gij in mijn stervensuur bij mij zijt. Ik leg mijn leven met vreugde af; de reden waarom, behoef ik u niet te zeggen; gij kent die. Wat mij alleen bedroeft, is dat ik niet mag sterven in de armen van mijne geliefde moeder, zij heeft mij altoos teeder liefgehad, en ik heb haar steeds de achting betoond, welke ik haar schuldig ben. Zij zal zeer bedroefd zijn, den troost te moeten missen, mij de oogen toe te drukken en zelve mijn ligchaam in het lijkkleed te wikkelen. Betuig haar vooral, hoezeer mij dat smart, en smeek haar uit mijnen naam, dat zij mijn lijk naar Bagdad doe komen, opdat zij op mijn graf zal kunnen weenen, en mij in hare gebeden gedenken.” Hij vergat ook zijn' gastheer niet, bedankte hem voor zijne edelmoedige hulp, en verzocht hem als laatste gunst, zijn lijk in bewaring te houden, totdat men dit zou komen halen. Daarop gaf hij den geest.

Reeds den volgenden morgen na het overlijden van den prins van Perzië, maakte de juwelier van eene gelegenheid gebruik, om zich bij eene karavaan van kooplieden, welke naar Bagdad ging, aan te sluiten. Hij kwam behouden ten zijnent aan, en na van kleeding verwisseld te hebben, ging hij onmiddelijk naar de woning van den prins van Perzië. Zijne aankomst zonder den prins bragt daar alles in beweging. Hij verzocht, dat men hem bij de moeder van Aboul-Hassan zou aandienen, daar hij haar wenschte te spreken. Men bragt hem in eene prachtige zaal, waar die dame zich met vele harer vrouwen bevond. „Mevrouw,” sprak de juwelier op een' toon en in eene houding, welke de treurige boodschap, die hij overbragt, reeds aankondigden: „Allah spare uw leven, en overlade u met zijne weldaden. Gij weet echter, dat hij over ons en over ons leven beschikt naar zijn welbehagen, en.......”

De dame liet den juwelier niet verder voortspreken. „Ach,” riep zij uit, „gij komt mij den dood van mijn' zoon aanzeggen!” Zij begon hevig te weenen, en was geheel troosteloos. Ook hare vrouwen deelden in hare smart, en de juwelier kon zich niet van schreijen onthouden. Het duurde een' geruimen tijd, alvorens zij hare droefheid in zoo verre kon beheerschen, om hem te verzoeken, met zijne mededeeling voort te gaan, en niets voor haar te verbergen, wat betrekking had op dit treurig sterfgeval. Toen hij geëindigd had, vroeg zij hem of de prins, haar zoon, in zijne laatste oogenblikken hem niets belast had, wat in het bijzonder haar betrof. De juwelier gaf haar de verzekering, dat de prins geen grooter verdriet gekend had, dan van haar verwijderd te sterven; terwijl zijne eenigste begeerte was, dat zij zorg zou dragen, zijn lijk naar Bagdad werd overgebragt. Reeds den volgenden morgen zeer vroeg begaf zij zich op weg, vergezeld door hare vrouwen en een groot getal slaven.

Terwijl de juwelier, in treurige gedachten verdiept, naar zijne woning terugkeerde, hield eene vrouw hem staande. Hij sloeg de oogen op, en herkende de vertrouwde van Schemselnihar, die schreide. Op dit gezigt stortte hij op nieuw tranen, zonder haar echter in het minst toe te spreken. Hij ging zwijgend door naar zijne woning, waar de vertrouwde met hem binnenging.

Zij zetten zich neder, en de juwelier het eerst het woord opvattende, vroeg met een' diepen zucht aan de vertrouwde, of zij reeds bekend was met het overlijden van den prins van Perzië, en of zij daarom weende. „Helaas! neen,” riep zij, „is die goede prins dood? Hij heeft dan zijne lieve Schemselnihar niet lang overleefd. Reine zielen,” vervolgde zij, „waar gij thans zijt, moet gij wel gelukkig wezen, van elkander voortaan zonder hinderpalen te kunnen beminnen! Uwe ligchamen waren een struikelblok voor uwe wenschen; de hemel heeft u daarvan verlost, om u te vereenigen!”

De juwelier, die niets wist van den dood van Schemselnihar, en er nog geen acht op had geslagen, dat de vertrouwde rouwkleederen droeg, werd door dit nieuwe sterfgeval tot in de ziel getroffen. „Wat!” riep hij uit, „Schemselnihar ook dood!” „Zij heeft deze wereld verlaten,” hernam de vertrouwde, op nieuw in tranen losbarstende. „De omstandigheden, welke bij en vóór haren dood plaats hadden, zijn zeer merkwaardig, en verdienen, dat ik ze u mededeel; maar ik smeek u, mij eerst te verhalen, wat er bij den dood van den prins van Perzië heeft plaats gevonden.”

De juwelier voldeed aan het verlangen van de vertrouwde, en nadat hij haar alles verhaald had, tot aan het vertrek van de moeder van den prins van Perzië naar Ambar, om het lijk van haren zoon af te halen en naar Bagdad over te brengen, voldeed ook de vertrouwde aan hare belofte. „Gij weet,” ving zij aan, „dat ik u gezegd heb, de kalif Schemselnihar op zijn paleis deed komen. Wat wij vermoed hadden, bevestigde zich; de Beheerscher der geloovigen had de beide slavinnen, elk in 't bijzonder ondervraagd. Zij hadden hem niets verzwegen omtrent de minnarijen van Schemselnihar en den prins van Perzië. Gij zult nu, even als ook ik gedacht heb, meenen, dat hij aan zijne jalousie en zijnen toorn den vrijen teugel zou vieren, en slechts op eene bloedige wraak bedacht zijn. Niets van dit alles; aan den prins van Perzië scheen hij geheel niet te denken. Hij beklaagde alleen Schemselnihar; en het is te gelooven, dat hij het gebeurde geheel toeschreef aan de vergunning, die hij aan mijne meesteres had gegeven, om vrij door de stad te mogen gaan, zonder van hare gesnedenen vergezeld te zijn. Men kon althans geene andere reden vinden voor de buitengewone wijze, waarop hij de zaak behandelde, gelijk gij nu zult hooren.

De kalif ontving mijne meesteres met een vriendelijk gelaat, en toen hij hare droefgeestigheid zag, welke aan hare schoonheid evenwel geen nadeel toebragt, zeide hij met eene goedheid, zijner waardig: „Schemselnihar, ik kan niet dulden, dat gij in eene zoo treurige stemming voor mij verschijnt; dit bedroeft mij. Gij weet, dat ik u altoos hartstogtelijk bemind heb; de gegeven blijken mijner liefde moeten u daarvan overtuigd hebben. Ik ben niet veranderd ten dezen opzigte, en bemin u meer dan ooit. Gij hebt vijanden, en deze hebben mij uw gedrag als berispelijk voorgesteld, maar wat zij ook tot uw nadeel spreken mogen, het heeft op mij niet den minsten indruk gemaakt. Laat dus die treurigheid varen, opdat gij in staat moogt zijn mij dezen avond, volgens gewoonte, genoegelijk bezig te houden.” Hij liet haar daarop naar een prachtig vertrek gaan, dat aan het zijne grensde, met verzoek hem daar te wachten.

De treurende Schemselnihar was zeer gevoelig voor zoo vele blijken van zijne liefde en goedheid; hoe meer zij echter dacht aan de verpligting, welke zij aan den kalif had, te dieper gevoelde zij haar ongeluk, misschien voor altoos van den prins van Perzië gescheiden te zullen zijn, zonder wien zij niet meer kon leven.

Deze zamenkomst tusschen den kalif en zijne hem zoo dierbare Schemselnihar, had plaats in mijne afwezigheid, en ik vernam de bijzonderheden daarvan uit den mond van mijne vriendinnen, die er bij tegenwoordig waren. Maar zoodra ik terugkwam, voegde ik mij weder bij mijne meesteres, en was getuige, van hetgeen er dien avond verder voorviel. Ik vond haar in het vertrek, waarvan ik u zoo even sprak. Daar zij niet twijfelde, of ik was bij u geweest, wenkte zij mij bij haar te komen, en zonder dat iemand het hoorde, zeide zij tot mij: „Ik ben u zeer dankbaar voor den dienst, welken gij mij weder hebt bewezen; ik gevoel wel, dat dit de laatste zijn zal.” Verder liet zij zich niet uit, en het was daar de plaats ook niet, om te trachten haar een troostrijk woord toe te voegen.

De kalif kwam dien avond binnen, terwijl de vrouwen van Schemselnihar speelden. Men bragt terstond het collation op. De Beheerscher der geloovigen nam Schemselnihar bij de hand, en liet haar naast zich op eene sofa nederzitten. Zij deed dit; maar moest zich zoo veel geweld aandoen, dat zij weinige oogenblikken daarna den geest gaf. De kalif dacht, dat zij slechts eene flaauwte had, en wij allen meenden zulks, maar zij kwam niet weder tot zich zelve. Ziedaar, op welke wijze wij haar verloren.

De kalif weende bitter, en alvorens naar zijn paleis terug te keeren, gaf hij bevel al de muzijkinstrumenten stuk te breken, dat ook dadelijk geschiedde. Ik bleef den geheelen nacht bij het lijk, waschte het, en wond het in een laken, terwijl ik het met mijne tranen besproeide. Den volgenden morgen werd het laatste overschot van Schemselnihar, op bevel van den kalif, bijgezet in de prachtige graftombe, welke hij in den tuin van zijn paleis had laten zetten. Daar gij nu zegt,” vervolgde zij, „dat het lijk van den prins van Perzië naar Bagdad zal worden overgebragt, heb ik besloten mijn best te doen, dat dit in de zelfde graftombe worde gelegd, opdat deze gelieven, gescheiden gedurende hun leven, in het graf vereenigd mogen zijn.”

De juwelier was zeer verbaasd over dit besluit van de vertrouwde. „Denk daar niet aan,” zeide hij, „de kalif zal zulks nimmer dulden.” „Gij gelooft, dat de zaak onmogelijk is,” hernam de slavin, „maar zij is dit niet; gij zult mij dit zelf moeten toestemmen, als ik u zeg, dat de kalif aan al de slavinnen van Schemselnihar de vrijheid heeft geschonken, met een jaargeld, waarvan zij ruimschoots kunnen leven, en mij belast heeft met de zorg, om de graftombe te bewaken en in goeden staat te houden, waaraan een zeer aanzienlijk inkomen verbonden is. Bovendien zal de kalif, die, gelijk ik u gezegd heb, niet onbekend is met de liefde tusschen den prins van Perzië en Schemselnihar, en zich daarover niet verstoord heeft getoond, aan de dooden niet misgunnen, wat hij aan de levenden niet kon toestaan.” De juwelier moest dit alles toestemmen; hij verzocht tevens de vertrouwde, hem bij de graftombe van Schemselnihar te brengen, om daar zijn gebed te doen. Groot was zijne verwondering, toen hij bij zijne komst bijna de halve bevolking van Bagdad, zoo mannen als vrouwen, om de tombe verzameld zag. Hij kon die slechts van verre naderen, en na zijn gebed verrigt te hebben, zeide hij tot de vertrouwde: „Volbreng, wat gij zoo goed bedacht hebt. Wij hebben toch slechts den dood van den prins van Perzië bekend te maken, die bijna gelijk met Schemselnihar gestorven is, en geheel Bagdad zal den kalif smeeken, dat hunne lijken in het zelfde graf mogen rusten.”

Dit deden zij, en de uitkomst beantwoordde geheel aan hunne verwachting. Wat de gansche bevolking van Bagdad zoo vurig begeerde, en van hem verzocht, wilde Haroun-al-Raschid niet afwijzen; hij gaf zijne toestemming. Eene groote menigte ging nu het lijk van den prins van Perzië te gemoet; de vertrouwde wachtte het aan de poort van Bagdad op, en toen voor zijne moeder tredende, smeekte zij deze in naam van de gansche stad, dat ook zij mogt toestaan, de lijken der twee gelieven, die van het eerste oogenblik, dat zij elkander leerden kennen, slecht één hart en ééne ziel waren geweest tot aan hunnen dood toe, in het zelfde graf mogten rusten. Aboul-Hassan's moeder bewilligde, en het lijk werd naar de graftombe van Schemselnihar gebragt, begeleid door eene lange rij van Bagdads inwoners, en naast dat van Schemselnihar bijgezet. Van dat tijdstip af kwamen niet alleen de inwoners van Bagdad, maar ook vreemdelingen, uit alle oorden der wereld, waar Muzelmannen waren, op de tombe dezer minnenden, die elkander tot in den dood getrouw waren geweest, hunne gebeden doen.

INHOUD.

#DERDE DEEL.#