Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Derde deel

Part 18

Chapter 184,040 wordsPublic domain

De tien mannen ontvingen den juwelier zonder veel pligtplegingen. Zij zeiden alleen, dat hij zich zou nederzetten, hetgeen hij deed. De arme man was zoo vermoeid, dat hij naauwelijks op zijne beenen meer staan kon. Ook bevond hij zich geenszins op zijn gemak in het gezelschap van lieden, wier voorkomen verre van gunstig was. Zij schenen met eten op zijn' leidsman gewacht te hebben, want nu deze terug was, werd de maaltijd dadelijk opgedragen. Zij waschten hunne handen, lieten den juwelier het zelfde doen, en noodigden hem, zich met hen aan tafel te zetten. Na afloop van den maaltijd vroegen zij, of hij ook wist, in welk gezelschap hij zich bevond? Hij antwoordde, dit niet te weten, en dat hij zelfs met het oord en de plaats, waar hij zich zag heengebragt, onbekend was. „Verhaal ons hetgeen u dezen nacht bejegend is,” zeiden zij nu, „en verzwijg niets.” De juwelier was verwonderd over dit bevel. „Mijne heeren,” antwoordde hij, „als ik mij niet vergis, dan zijt gij daar reeds mede bekend.” „Dat is de waarheid,” hernamen zij, „de heer en de jonge dame, die gisteren avond bij u waren, hebben er ons reeds over gesproken; maar wij willen het uit uw' eigen mond weten.” Meer was er niet noodig, om den juwelier te overtuigen, dat hij sprak met de dieven, die zijn huis overweldigd en geplunderd hadden. „Mijne heeren!” riep hij uit, „ik ben zeer bekommerd over het lot van dien heer en van die jonge dame; kunt gij mij daaromtrent ook iets zeggen?” „Verontrust u over hen niet langer,” antwoordden de dieven, „zij zijn goed bewaard en bevinden zich zeer wel.” Dit zeggende, wezen zij hem op twee deuren, die tot twee verschillende vertrekken geleidden, en verzekerden hem, dat zij in veiligheid en welvarend waren. „Zij zeiden ons,” vervolgden zij, „bij u goed bekend te zijn. Zoodra wij dat vernamen, hebben wij hen uit achting voor u met onderscheiding behandeld. Wel verre van eenig geweld te plegen, hebben wij hun alles goeds bewezen, en niemand van ons zou hun het minste leed hebben willen aandoen. Ook gij hebt voor uw' persoon niets te vreezen, en kunt u op onze goede gezindheid verlaten.”

De juwelier, door deze verzekering gerustgesteld en zeer verblijd, dat de prins van Perzië en Schemselnihar niets te duchten hadden, werd er op bedacht, de roovers zou veel mogelijk in den goeden wil te versterken, dien zij jegens hem aan den dag legden. Hij prees en vleide hen, en gaf hun duizend zegenwenschen. „Mijne heeren,” sprak hij tot hen, „ik heb de eer u niet te kennen; maar het is een groot geluk voor mij, bij u niet onbekend te zijn; en ik kan u niet genoeg bedanken, voor de goede gezindheid, die gij mij betoont. Zonder zelfs te spreken van uwe zoo menschlievende handelwijze, blijkt het mij, dat alleen bij lieden, als gij zijt, een geheim veilig bewaard is, en ik in moeijelijke en gevaarvolle omstandigheden nu niet beter kan doen, dan ze u toe te vertrouwen. Gij zult die altijd, door uwen ijver, moed en onverschrokkenheid, tot een goed einde weten te brengen. Mij verlatende op deze goede eigenschappen, waarop gij aanspraak kunt maken, vind ik er geene zwarigheid in, u mijne geschiedenis te verhalen, en die van de twee personen welke gij ten mijnent hebt gevonden; ik beloof u, niets te zullen verzwijgen.” Na deze voor de roovers vleijende inleiding, gaf de juwelier hun eene getrouwe beschrijving der minnarijen van den prins van Perzië met Schemselnihar, van derzelver ontstaan af, tot op de zamenkomst toe, welke hij hun in zijne woning verschaft had.

De dieven legden eene groote verwondering aan den dag, bij het hooren van deze roerende liefdesgeschiedenis. „Wat,” riepen zij, toen de juwelier had geëindigd, „die heer zou de beroemde Aboul-Hassan, prins van Perzië, en die jonge dame de schoone en vermaarde Schemselnihar zijn?” De juwelier zwoer, dat hetgeen hij hun gezegd had de zuivere waarheid was.

Op deze verzekering gingen de dieven zich man voor man aan de voeten werpen van den prins van Perzië en van Schemselnihar. Zij smeekten allen om vergiffenis, en betuigden, dat van dit alles niets gebeurd zou zijn, indien zij geweten hadden, wie zich in het huis van den juwelier bevonden. „Wij zullen echter trachten,” voegden zij er bij, „den misslag te herstellen, dien wij onwetend begaan hebben.” Zij gingen daarop naar den juwelier terug. „Het doet ons zeer leed,” zeiden zij, „u niet alles te kunnen wedergeven, wat uit uw huis werd gedragen; een gedeelte daarvan is niet meer ter onzer beschikking. Wij verzoeken u dus, u te vergenoegen met het goud- en zilverwerk, dat wij u weder ter hand zullen stellen.”

De juwelier achtte zich hiermede reeds zeer gelukkig. Nadat de roovers hem het goud en zilver hadden teruggegeven, lieten zij ook den prins van Perzië en Schemselnihar binnen komen, en zeiden hun, dat zij bereid waren, hen en ook den juwelier op eene plaats te brengen, van waar zij zich naar hunne woningen zouden kunnen begeven, maar dat zij eerst moesten zweren, hen niet te zullen verraden. De prins van Perzië, Schemselnihar en de juwelier legden éénparig den eed af, niets te zullen ontdekken.

Onder weg maakte de juwelier zich ongerust, dat hij de vertrouwde en de twee slavinnen niet in hun gezelschap zag; hij verzocht Schemselnihar hem te zeggen, wat er van deze geworden was. „Ik kan u niets zeggen,” antwoordde zij, „dan dat men mij en den prins weggevoerd, ons beiden over den Tigris gezet, en vervolgens in het huis gebragt heeft, waar gij ons hebt aangetroffen.” Dit onderhoud van Schemselnihar met den juwelier had echter nog niet lang geduurd, toen zij reeds aan den oever van den Tigris kwamen. De dieven maakten eene schuit los, scheepten zich met hen in, en bragten hen aan den overkant.

Op het oogenblik, dat de prins van Perzië, Schemselnihar en de juwelier aan land gingen, hoorden zij de ruiterwacht in galop aankomen. De roovers staken haastig van wal, en zochten door kracht van roeijen het gevaar te ontkomen. Zij waren dan ook reeds in veiligheid, toen onze drie nachtwandelaars door de wacht omsingeld en aangehouden werden. De kommandant vroeg hun, wie zij waren, en van waar zij zoo laat kwamen. De schrik en de vrees iets te zeggen, dat hun schadelijk kon zijn, deed alle drie verstomd staan. Op de herhaalde vraag van den kommandant, nam echter de juwelier, die nog de meeste tegenwoordigheid van geest had behouden, het woord op. „Heer,” gaf hij ten antwoord, „ik kan u in de eerste plaats verzekeren, dat wij rustige burgers dezer stad zijn. De lieden, die zich in de boot bevinden, waarmede zij ons hier hebben gebragt, zijn dieven, die in den voorgaanden nacht het huis, waarin wij waren, overweldigd hebben. Zij plunderden het, en voerden ons met zich naar hun verblijf, aan gene zijde van den Tigris. Door ons smeeken en de goede woorden, welke wij hun gaven, hebben wij echter onze vrijheid herkregen; en hebben zij ons hierheen gebragt. Zelfs gaven zij ons een groot gedeelte van den geroofden buit terug, gelijk gij zelf zien kunt.” Dit zeggende, vertoonde hij aan den kommandant het pak met zilverwerk, dat hij onder den arm droeg.

Deze hield zich echter niet tevreden met dit antwoord van den juwelier; hij naderde hem en den prins van Perzië, en nam hen naauwkeurig op. „Zegt mij naar waarheid,” sprak hij nu tot hen, „wie is deze dame, hoe kent gij haar, en in welke wijk woont zij?”

Deze vragen bragten de beide heeren in groote verlegenheid, en zij wisten niet, wat daarop te antwoorden. Schemselnihar hief echter deze moeilijkheid uit den weg; zij nam den kommandant ter zijde, en naauwelijks had zij hem een paar woorden ingefluisterd, of hij steeg met alle teekenen van beleefdheid en eerbied van het paard, en gaf terstond bevel aan zijne lieden, dat zij twee booten zouden doen komen.

Toen deze waren aangebragt, hielp de kommandant Schemselnihar in de eene, en deed hij den prins van Perzië en den juwelier in de andere gaan, plaatste twee krijgslieden in elke boot, en gaf hen bevel, de beide booten tot aan de plaats harer bestemming te vergezellen. De twee vaartuigen namen daarop elk een' verschillenden koers.

Wij zullen eerst spreken van de boot, waarin de prins van Perzië en de juwelier zich bevonden. Aboul-Hassan, het zijnen geleiders gemakkelijk willende maken, zeide dat zijn metgezel dien nacht bij hem zou blijven, zoodat zij hem alleen naar zijn huis behoefden te brengen; hij gaf hun tevens de wijk op, waar hij woonde. Op deze aanwijzing deden de geleiders de boot aanleggen voor het paleis van den kalif. De prins van Perzië en de juwelier werden hierdoor zeer verschrikt, zonder dat zij dit durfden doen blijken. Want ofschoon zij het bevel, door den kommandant gegeven, hadden aangehoord, beeldden zij zich desniettemin in, dat men hen op de wacht wilde brengen, om den volgenden morgen voor den kalif te verschijnen.

Dit was intusschen de bedoeling van hunne geleiders niet. Zij gaven hen alleen aan den bevelvoerenden officier van de wacht des kalifs over, met verzoek, dat deze hun twee van zijne onderhoorigen mogt mede geven, om hen naar de woning van de prins van Perzië te brengen, daar deze zeer ver van de rivier was verwijderd. De prins van Perzië en de juwelier kwamen dus ditmaal met den schrik vrij, en bereikten, door de soldaten begeleid, in veiligheid het hotel van den eerstgenoemde. Zij waren zoo vermoeid en afgemat, dat zij hunne leden naauwelijks meer konden bewegen.

Behalve deze groote afmatting was de prins van Perzië zeer ontstemd over de ongelukkige ontmoeting, die hem en Schemselnihar was overkomen, en waardoor hem alle hoop op eene nieuwe zamenkomst scheen ontnomen. Hij trok zich dit zoo sterk aan, dat hij op de sofa nederzakte en in zwijm viel. Terwijl nu eenige van zijne bedienden zich beijverden, om hem bij te brengen, omringden de overigen den juwelier, en smeekten hem, hun te zeggen, wat er met den prins gebeurd was, wiens lange afwezigheid hen in eene onuitsprekelijke ongerustheid had gebragt.

De juwelier was wel zoo voorzigtig, zich niets te laten ontvallen, dat zij niet noodig hadden te weten. Hij gaf alleen een ontwijkend antwoord, zeggende, dat de zaak zeer buitengewoon was, maar er nu geen tijd was, die te verhalen, en dat zij liever bedacht moesten zijn, om hun' meester te helpen. Gelukkig kwam de prins van Perzië op dat oogenblik weder bij, waardoor aan de nieuwsgierigen den mond werd gestopt, daar zij zich uit ontzag voor hunnen heer van verdere vragen onthielden.

Hoewel Aboul-Hassan thans weder tot bewustzijn was gekomen, gevoelde hij zich nog zoo zwak, dat hij zelfs den mond niet kon openen, om te spreken. Vroeg men hem iets, dan antwoordde hij slechts door teekens. In dien toestand verkeerde hij nog, toen de juwelier den volgenden morgen afscheid van hem nam. Aboul-Hassan antwoordde alleen door eene beweging met de oogen, en door hem de hand toe te reiken, en daar hij zag, dat de juwelier met het pak zilver was beladen, gaf hij een' wenk aan een' zijner slaven, dit voor hem te dragen en naar zijn huis te brengen.

Intusschen had men ook ten huize van den juwelier, reeds op den dag, toen hij met den onbekende was medegegaan, met ongeduld zijne terugkomst verbeid, en toen hij nu ook des nachts uitbleef, vreesden allen, dat hem een ongeluk zou zijn bejegend, misschien nog grooter dan het eerste. Geen wonder dus, dat hij zijne vrouw en kinderen bij zijne tehuiskomst in tranen vond. Zij waren zeer verheugd hem weder te zien, maar tevens trof hen de in het oog vallende verandering, die met hem had plaats gegrepen. De vermoeijenissen van den vorigen dag, de slapeloos doorgebragte nacht, en de schrik, dien hij had uitgestaan, hadden hem zoodanig aangegrepen, dat hij bijna onkenbaar was. Daar hij zelf zich ook zeer afgemat gevoelde, bleef hij twee dagen te huis rust nemen, en er werd niemand bij hem toegelaten, dan eenige weinige zijner vertrouwde vrienden.

Op den derden dag was de juwelier in zoo verre hersteld, dat hij naar buiten kon gaan, om de versche lucht te genieten. Hij wandelde naar den winkel van een' zijner vrienden, een' rijken koopman, bij wien hij zich vrij lang ophield. Toen hij opstond, om van zijn' vriend afscheid te nemen, werd hij eene vrouw gewaar, die den winkel voorbij ging, en hem een teeken gaf. Hij herkende haar voor de vertrouwde van Schemselnihar. Geslingerd door vrees en hoop, wat zij hem berigten zou, haastte hij zich heen te gaan en verliet den winkel, zonder door iets te laten blijken, dat hij de slavin kende. Omdat de plaats hem daar tot een onderhoud niet geschikt voorkwam, stapte hij stevig door. De vertrouwde volgde hem, zooals hij wel gedacht had, en riep van tijd tot tijd, dat hij haar zou wachten. Hij hoorde haar wel, maar na al hetgeen gebeurd was, achtte hij het niet raadzaam, zich op den openbaren weg met haar in te laten, ten einde geene vermoedens te geven, dat hij met Schemselnihar in betrekking stond. En in waarheid, men kende haar algemeen in Bagdad, als de vertrouwde slavin van de beminde des kalifs, voor wie zij gewoonlijk boodschappen of inkoopen deed. De juwelier stapte dus zonder om te zien voort, totdat hij eene moskee bereikte, die hij wist, dat op dien tijd van den dag niet of zeldzaam bezocht werd. Hij ging daar binnen; zij volgde hem, en daar er werkelijk op dat oogenblik niemand anders aanwezig was, hadden zij goede gelegenheid in volle vrijheid te kunnen spreken.

Beiden waren zij verheugd, dat zij elkander, na het gebeurde met de roovers, in welstand terugzagen. De juwelier vroeg haar, hoe zij met de twee slavinnen uit de handen der dieven was ontkomen, en tevens naar berigten omtrent hare meesteres, nadat zij van hem en van den prins van Perzië gescheiden was geworden. Maar de slavin liet een zoo sterk verlangen blijken, te mogen weten hoe het hem en den prins van Perzië was gegaan, dat hij haar daaromtrent eerst moest inlichten. Toen hij aan hare begeerte voldaan had, verhaalde zij hem op hare beurt het volgende.

„Zoodra ik de roovers zag komen”, zeide de vertrouwde, „geloofde ik niet anders, of het waren soldaten, tot de wacht van den kalif behoorende. „Hij zal,” dacht ik, „het uitgaan van Schemselnihar en hare geheime liefde ontdekt, en nu zijne wacht gezonden hebben, om haar, den prins en ons allen ter dood te brengen.” Met dit denkbeeld vervuld, nam ik de vlugt naar het platte dak boven uwe woning, op het zelfde oogenblik, dat de dieven de kamer binnendrongen, waar de prins van Perzië en Schemselnihar zich ophielden. De twee slavinnen draalden niet mij te volgen. Wij klommen van het eene plat op het andere over, totdat wij aan een huis kwamen, waarvan de bewoners ons met liefde ontvingen, en waar wij den nacht doorbragten.

Den volgenden morgen keerden wij vroegtijdig naar het paleis van Schemselnihar terug. Wij waren zeer onthutst en bedroefd, daar wij niet wisten, wat lot aan onze ongelukkige meesteres was ten deel gevallen. De andere vrouwen van Schemselnihar toonden zich zeer verwonderd, ons zonder haar terug te zien komen. Wij vertelden haar, zooals wij overeengekomen waren, dat Schemselnihar bij eene harer vriendinnen was gebleven, en dat zij ons eene boodschap zou zenden, wanneer wij haar moesten terughalen. Met deze mededeeling stelden zij zich tevreden. Ik begreep nu wel,” vervolgde de vertrouwde, „dat de gewapende mannen, die ik, zonder ze goed gezien te hebben, in mijn' schrik, voor soldaten van de wacht des kalifs had gehouden, dieven moesten geweest zijn, maar dit nam niet weg, dat ik omtrent het lot van Schemselnihar in groote ongerustheid bleef verkeeren. Mijn angst nam nog toe, toen de dag voorbij ging, zonder dat zij iets van zich had laten hooren. Zoodra het donker werd, opende ik het achterpoortje, en eene boot in het kanaal ziende, riep ik den roeijer. Ik verzocht hem de rivier op te varen, en mogt hij aan eene der beide oevers eene dame bespeuren, haar dan in het schuitje te nemen en bij mij te brengen.

Terwijl ik met de twee slavinnen, die even bekommerd waren als ik, de terugkomst van het bootje verbeidde, en het reeds bij middernacht was, zagen wij eene andere boot naderen, waarin zich, behalve de roeijers, twee mannen van de ruiterwacht des kalifs bevonden, benevens eene vrouw welke op den achtersteven lag. Toen de boot had aangelegd, hielpen de beide mannen de vrouw op, en waren haar behulpzaam, om aan wal te gaan. Ik slaakte een' vreugdekreet; het was mijne dierbare meesteres! Wij snelden dadelijk toe, om haar alle mogelijke hulp te verleenen, en zij had die noodig, want zij moest op mijnen schouder leunen, om zich op de been te houden. Zij fluisterde mij met eene zwakke stem in het oor, eene beurs met duizend goudstukken te halen, en aan de beide ruiters te geven, die haar vergezeld hadden. Ik gaf mijne meesteres over aan de beide slavinnen, om haar te ondersteunen; en na aan de ruiters gezegd te hebben, dat zij een oogenblik moesten wachten, ging ik de beurs halen, en kwam daarmede dadelijk terug. Ik gaf deze aan de beide ruiters, betaalde den eigenaar van het bootje, en sloot de poort. Vervolgens ontkleedden wij Schemselnihar, en bragten haar te bed. Zij zonk dadelijk half dood in de kussens neder, en in dien toestand bragt zij den ganschen nacht door. Den volgenden morgen gaven de andere vrouwen haar verlangen te kennen, Schemselnihar te mogen zien, maar ik zeide tot haar, dat onze meesteres zeer vermoeid te huis was gekomen, en thans rust behoefde, om zich te herstellen. De beide slavinnen en ik pasten haar intusschen met de grootste zorgvuldigheid op, zooals zij trouwens van ons mogt verwachten. In het eerst weigerde zij halstarrig eenig voedsel te gebruiken, en wij begonnen aan haar leven te wanhopen. Op ons aanhoudend smeeken nam zij echter nu en dan eene teug wijn, en dit deed hare levensgeesten terugkeeren. Eindelijk gebruikte zij ook een weinig voedsel. Zij had tot dus verre alleen gejammerd, gezucht en geweend; doch toen ik bemerkte dat zij weder kon spreken, bad ik haar mij te willen zeggen, door welk geluk zij uit de handen der roovers was ontkomen. „Waarom verlangt gij,” sprak zij met een' diepen zucht, „dat ik dit treurig voorval mij op nieuw voor den geest zal roepen? Mogt het Allah behaagd hebben, dat de roovers mij het leven hadden benomen, in plaats van mij te sparen; mijne rampen zouden dan een einde hebben, want mijn leven is slechts een zwaar lijden.”

„Mevrouw,” hernam ik, „ik smeek u, mij zulks niet te weigeren. Het zal u niet onbekend zijn, dat het voor ongelukkigen een' troost is, de rampen die hen drukken aan anderen te kunnen mededeelen. De mededeeling zal ook u verligten, indien gij de goedheid hebt aan mijn verzoek te voldoen.”

„Verneem dan,” zeide zij, „het treurigste lot, dat iemand kan overkomen, die als ik hartstogtelijk bemint, en meent het doel bereikt te hebben. Toen ik de dieven met den dolk in de hand zag binnenkomen, dacht ik dat mijn laatste oogenblik en ook dat van den prins van Perzië slaan zou; maar ik vreesde den dood niet, omdat ik met hem zou sterven. In plaats echter van ons den dolk in het hart te stooten, zooals ik verwachtte, vergenoegden zij zich, ons door twee hunner te doen bewaken, terwijl de overigen zich bezig hielden, alles in te pakken. Zij bragten hier eene geruimen tijd mede door, en eindelijk gereed zijnde, laadden zij die pakken op hunne schouders, en voerden ons mede.

Onderweg vroeg een van onze bewakers mij naar mijn' naam en woonplaats. Ik zeide hem, dat ik eene danseres was. Hij deed daarop de zelfde vraag aan den prins, die zich voor een eenvoudig burgerman uitgaf.

Toen zij ons in hun verblijf hadden gebragt, werden wij door een' nieuwen schrik bevangen. De dieven vormden eenen kring om mij, en als zij mijne kostbare kleeding en juweelen zagen, twijfelden zij er niet aan, of ik had mijn' waren stand verzwegen en hen misleid. „Eene danseres ziet er niet uit als gij,” zeiden de dieven, „zeg ons dus naar waarheid, wie gij zijt.”

Daar ik het zwijgen bewaarde, rigtten zij zich tot den prins van Perzië. „Maar wie zijt gij dan toch?” zeiden zij, „want dat gij meer zijt, dan waarvoor gij u uitgeeft, een eenvoudig burgerman, kunnen wij wel aan u zien.” De prins beantwoordde hunne vraag evenmin als ik; hij zeide slechts, dat hij bij den juwelier, wien het huis, waar men ons had aangetroffen, toebehoorde op eene partij was geweest.

„Ik ken dien juwelier,” sprak nu een hunner, waarschijnlijk het hoofd van de bende, „en heb, zonder dat hij zulks kan weten, eenige verpligting aan dien heer; ook weet ik, dat hij buiten zijne woning nog een ander huis bezit; ik neem op mij, hem morgen hier te doen komen. Wij laten u niet los,” vervolgde hij, „vóór dat wij van hem vernomen hebben, wie gij zijt. In dien tusschentijd zal u echter hier geen leed geschieden.”

De juwelier kwam werkelijk den volgenden dag, en denkende zulks niet anders dan in ons belang kon zijn, openbaarde hij aan de dieven, wie wij waren, die mij daarop vergiffenis kwamen vragen. Ik geloof dat zij met den prins van Perzië even zoo gehandeld hebben, die zich in een ander vertrek bevond. De dieven verzekerden mij, dat zij het huis niet zouden hebben geplunderd, als zij geweten hadden, dat het den juwelier toebehoorde. Zij bragten nu den prins van Perzië, den juwelier en mij, naar de oevers van den Tigris. Hier deden zij ons in eene schuit gaan, en bragten ons naar den overkant. Maar naauwelijks waren wij aan wal gegaan, of de ruiterwacht naderde in galop regt op ons af. Ik nam den kommandant ter zijde, maakte mij bekend, en deelde hem mede, dat ik den vorigen avond, van eene vriendin komende, door de dieven, die van de overzijde kwamen, werd aangehouden en naar hun verblijf gebragt; doch dat zij, vernemende, wie ik was, mij weder hadden losgelaten, en tevens op mijn verzoek, aan de twee personen, die bij mij waren, de vrijheid hadden geschonken, toen ik zeide, dat het bekenden van mij waren. De kommandant steeg dadelijk van zijn paard, om mij de verschuldigde eer te bewijzen. Hij betuigde mij zijne vreugde, dat hij zich in de gelegenheid bevond, mij van dienst te kunnen zijn. Hij liet twee schuiten komen, deed mij in de eene gaan, en gaf mij twee manschappen tot geleide mede. Wat den prins van Perzië en den juwelier aangaat, deze liet hij in eene andere boot gaan, en gaf hun insgelijks twee mannen mede, die last hadden, hen naar hunne woningen te vergezellen.

Ik heb grond te vertrouwen,” besloot mijne goede meesteres, in tranen losbarstende, „dat hen na onze scheiding geene verdere onheilen zullen hebben getroffen; maar ben tevens overtuigd, dat de prins van Perzië even bedroefd zal zijn als ik. De juwelier, die ons zoo veel belangstelling bewezen, en uit genegenheid voor ons, een zoo zwaar verlies geleden heeft, verdient daarvoor schadeloos te worden gesteld. Blijf dus niet in gebreke morgen ochtend twee beurzen te nemen, elk met duizend stukken goud, hem die uit mijnen naam te overhandigen, en te vragen, hoe het den prins van Perzië gaat.”

Toen mijne goede meesteres met spreken ophield,” vervolgde de vertrouwde, „maakte ik haar opmerkzaam op het groote gevaar, waaraan zij als door een wonder was ontkomen, haar smeekende zich zelve te beheerschen, en van eene zoo gevaarvolle liefde af te zien. „Bemoei u daar niet mede,” sprak zij met een gestreng gelaat, „en doe wat u bevolen is.” Ik zag mij gedwongen te zwijgen, en om haar te gehoorzamen, ben ik naar uwe woning gegaan. Ik trof u niet te huis, maar men zeide mij, waar ik u waarschijnlijk zou kunnen vinden. In de onzekerheid of ik u niet zou misloopen, stond ik in bedenking, om naar den prins van Perzië te gaan; dit durfde ik echter niet wagen. De twee beurzen heb ik bij eene mijner kennissen in bewaring gegeven; wacht mij hier, ik zal ze halen, en ben dadelijk terug.”