Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Derde deel
Part 17
De juwelier was intusschen zeer in zijn' schik, dien gevonden te hebben, daar hij hem het middel aan de hand gaf, om zich bij de slavin te regtvaardigen en haar vertrouwen te winnen. Juist had hij den brief geheel gelezen, toen hij de vertrouwde reeds zag aankomen. Zij keek al voortgaande naar alle kanten, even als iemand, die iets heeft verloren en daar naar zoekt. De juwelier vouwde den brief haastig toe en verborg dien op zijne borst. De slavin scheen dit te hebben opgemerkt, en liep naar hem toe. „Heer,” sprak zij, „de brief dien gij daar hebt opgeraapt is mij ontvallen, wees dus zoo goed mij dien terug te geven?” De juwelier hield zich echter alsof hij dit niet hoorde, en vervolgde, zonder eenig antwoord te geven, den weg naar zijn huis. Hij liet de deur achter zich open staan, opdat de vertrouwde, die hem van nabij volgde, mogt binnenkomen. Zij bleef niet in gebreke, dit te doen, en volgde hem tot zelfs in zijne kamer. „Heer,” herhaalde zij nu, „de brief, dien gij gevonden hebt, is voor u van geen het minste belang, en indien gij wist, van wien hij komt, en aan wien hij gerigt is, zoo zoudt gij niet aarzelen, hem mij terug te geven. Veroorloof mij overigens, u te doen opmerken, dat gij het regt niet hebt, denzelven achter te houden.”
Alvorens te antwoorden, deed de juwelier de vertrouwde plaats nemen, waarna hij tot haar zeide: „Is de brief waarover gij mij aanspreekt niet van Schemselnihar, de beminde van den kalif, en is hij niet bestemd voor den prins van Perzië?” Deze vraag, waarop de slavin niet gerekend had, deed haar van kleur veranderen. „Mijne woorden schijnen u in verlegenheid te brengen,” vervolgde de juwelier, „vrees echter niet, dat ik van hetgeen ik weet, misbruik zal maken. Ik zou u den brief reeds op straat hebben gegeven, ware het niet, dat ik u ten mijnent wenschte te zien, teneinde eene opheldering van u te vragen. Zeg mij, is het billijk iemand te betichten van iets, waaraan hij volstrekt onschuldig is? Dit echter hebt gij gedaan, door aan den prins van Perzië te zeggen, dat ik aan Ebn Thahar, uit bezorgdheid voor zijne zekerheid, den raad heb gegeven Bagdad te verlaten. Ik acht het niet noodig, mij daaromtrent bij u te regtvaardigen; het is voldoende, dat de prins van Perzië van mijne onschuld overtuigd is. Ik wil u alleen zeggen, dat ik, wel verre van tot het vertrek van Ebn Thahar te hebben bijgedragen, zeer verslagen ben geweest, niet zoozeer uit vriendschap voor hem, dan wel uit mededoogen met den toestand, waarin hij den prins verliet, wiens liefde voor Schemselnihar, Ebn Thahar mij medegedeeld heeft. Zoodra ik zeker was, dat Ebn Thahar uit Bagdad was vertrokken, heb ik mij naar den prins begeven, om hem dit nieuws mede te deelen, en mij in zijne plaats aan te bieden. De prins van Perzië heeft mijn voorstel met vreugde aangenomen, en wanneer ook gij in mij het zelfde vertrouwen wilt stellen als in Ebn Thahar, dan zal het slechts van u afhangen, mijne tusschenkomst in uw voordeel te benuttigen. Berigt uwe meesteres, hetgeen ik u gezegd heb, en geef haar de verzekering dat, al moest ik ook in deze gevaarlijke zaak omkomen, het mij niet zou berouwen, mij zelven te hebben opgeofferd voor twee minnenden, welke elkander zoo zeer waardig zijn.”
De vertrouwde slavin hoorde den juwelier met blijdschap aldus spreken, en smeekte hem het haar te willen vergeven, dat zij, in haren ijver voor hare meesteres, hem te ligtvaardig had veroordeeld. „Het verschaft mij,” ging zij voort, „eene groote vreugde, dat Schemselnihar en de Prins van Perzië zoo gelukkig zijn, in u eenen waardigen plaatsvervanger voor Ebn Thahar te vinden. Ik zal niet nalaten mijne meesteres spoedig mede te deelen, hoe gaarne gij haar van dienst wilt zijn.” De juwelier haalde nu den brief te voorschijn, met de woorden: „Neem en breng dit schrijven haastig aan den prins van Perzië, kom dan weder bij mij aan, opdat ik zijn antwoord zal kunnen lezen. Vergeet ook niet, hem ons onderhoud mede te deelen.”
De slavin, verheugd dat de brief, dien zij had verloren, in zoo goede handen was geraakt, bedankte den juwelier, en spoedde zich naar den prins van Perzië. Deze beantwoordde dadelijk het schrijven van Schemselnihar, en de slavin, daartoe zijne goedkeuring gevraagd hebbende, verzuimde niet bij den juwelier aan te gaan, en hem die letteren te vertoonen. Zij luidden aldus:
_„Antwoord van den prins van Perzië aan Schemselnihar._
_Uwe mij zoo waarde letteren hebben mij zeer verblijd; doch niet zoo, als ik dit wel zou wenschen. Gij tracht mij te troosten over het verlies van Ebn Thahar. Ach! hoe gevoelig mij dit treft, het maakt slechts het kleinste deel van mijn lijden uit. Gij kent dat lijden, en gij weet, dat alleen uw bijzijn mij daarvan kan genezen. Wanneer zal de tijd nog eens komen, dat ik u zal wederzien, zonder vrees u op nieuw te moeten verliezen? Hoe ver verwijderd schijnt mij dat begeerde geluk toe! Of liever, mogen wij ons wel vleijen, het immer te zullen smaken? Gij zegt mij, om zorg voor mijne gezondheid te dragen; ik zal u gehoorzamen, daar ik mijn' eigen wil geheel aan den uwen onderworpen heb. Vaarwel.”_
Nadat de juwelier dezen brief gelezen had, gaf hij hem aan de vertrouwde van Schemselnihar terug. „Heer,” sprak zij, heengaande, „ik beloof u, het zoo te zullen aanleggen, dat mijne meesteres spoedig in u het zelfde vertrouwen zal stellen, als zij in Ebn Thahar had. Morgen zult gij meer van mij hooren.” En inderdaad den volgenden dag kwam zij terug, en haar opgeruimd gelaat voorspelde den juwelier alles goeds. „Alleen uit uw gezigt,” zeide hij, „moet ik reeds opmaken, dat gij bij uwe meesteres naar wensch geslaagd zijt.” „Dat ben ik,” antwoordde de vertrouwde, „gij zult thans vernemen, hoe ik mijn doel bereikt heb. Schemselnihar,” zoo vervolgde zij, „wachtte mij met ongeduld. Ik stelde haar den brief van den prins ter hand; zij las dien met tranen in de oogen, en toen zij geëindigd had, wilde zij zich als gewoonlijk aan hare droefheid overgeven. „Mevrouw,” zeide ik tot haar, „ongetwijfeld zijt gij zeer bedroefd over het vertrek van Ebn Thahar; maar ik smeek u, verontrust u daarover niet te zeer. Wij hebben voor hem een' plaatsvervanger gevonden, die zich aanbiedt, u met gelijken ijver te dienen; en, wat van niet minder belang is, meer moed bezit.” Daarop sprak ik haar over u, en deelde haar mede, wat u had bewogen den prins van Perzië te bezoeken. Eindelijk gaf ik haar de verzekering, dat gij haar geheim en dat van den prins heilig zoudt bewaren; en besloten hadt, hunne liefde naar uw beste vermogen te begunstigen. Schemselnihar schepte uit mijne woorden grooten troost. „O!” riep zij, „hoeveel verpligting hebben wij aan dien grootmoedigen man, waarvan gij mij gesproken hebt. Zonder ons te kennen of ons iets verschuldigd te zijn, trekt hij zich onze belangen aan. Zulk eene edelmoedigheid is zeldzaam, ja ongehoord. Hem te zien en te spreken, zal mij een waar genot zijn; ik wil hem persoonlijk mijnen dank voor zijne edelmoedigheid betuigen. Blijf niet in gebreke, hem morgen bij mij te brengen.” Wees dus zoo goed, heer,” vervolgde de slavin, „u de moeite te geven, met mij naar het paleis van mijne meesteres te gaan.”
Dit laatste verzoek van de vertrouwde bragt den juwelier in groote verlegenheid. „Uwe meesteres,” zeide hij, „veroorlove mij, haar te doen opmerken, dat zij niet genoeg heeft nagedacht, over hetgeen zij van mij eischt. De vrije toegang, welke Ebn Thahar bij den kalif had, was tevens een vrijpas voor hem, om te kunnen gaan, waar en wanneer hij wilde, en zijne zaken veroorloofden hem bij Schemselnihar te komen; maar met mij is dit het geval niet. Hoe zal ik mij dan verstouten, haar paleis binnen te treden? Gij moet zelve inzien, dat dit eene onmogelijke zaak is. Ik verzoek u derhalve aan Schemselnihar de redenen voor te dragen, die mij beletten aan haar verlangen te voldoen, en haar opmerkzaam te maken op de rampzalige gevolgen, welke mijn bezoek zou kunnen hebben. Indien zij daar wel over nadenkt, zoo zal zij zelve erkennen, dat ik mij door dat bezoek, zonder eenig nut, aan een zeer groot gevaar zou prijsgeven.”
De vertrouwde trachtte den juwelier gerust te stellen: „Gelooft gij dan,” zeide zij, „dat Schemselnihar zoo onverstandig zou zijn, hem, in wien zij thans hare hoop stelt, in haar paleis te laten komen, indien zij er gevaar in zag. Neen, gij hebt niets te vreezen, daarvoor blijf ik u borg.” De juwelier liet zich door de vertrouwde bepraten, en stond op, om met haar te gaan; maar de schrik had hem zoodanig bevangen, dat hij over zijn geheele ligchaam beefde. „In den toestand, waarin gij thans zijt,” sprak de slavin, „zal het werkelijk beter zijn, dat gij te huis blijft. Schemselnihar zal dan andere maatregelen moeten nemen, om u te zien en te spreken. Waarschijnlijk zal zij zelve hier komen. Reken daar maar op, en doe mij het genoegen, niet van huis te gaan; gij zult misschien niet lang op haar behoeven te wachten.”
De vertrouwde had goed geraden. Naauwelijks had zij hare meesteres haar wedervaren bij den juwelier medegedeeld, of Schemselnihar maakte zich gereed, hem een bezoek te brengen. De juwelier ontving haar met alle teekenen van onderdanigheid. Schemselnihar, eenigzins vermoeid van het gaan, nam op eene sofa plaats, ontdeed zich van haren sluijer, en liet den juwelier een gelaat zien, dat hem noopte, den prins van Perzië in zijne gedachten te verontschuldigen, omtrent zijne liefde voor de beminde van den kalif. „Zoodra ik bekend werd met uwen ijver om de belangen van den prins van Perzië en de mijnen te behartigen,” zeide zij, „besloot ik, u daarvoor in persoon mijne erkentelijkheid te betuigen. Ik dank er den hemel voor, dat hij ons het verlies, dat wij in Ebn Thahar geleden hebben, zoo spoedig vergoed heeft.” Na aldus eenigen tijd zich met den juwelier onderhouden te hebben, keerde Schemselnihar naar haar paleis terug.
De juwelier spoedde zich tot den prins van Perzië, om hem van het ontvangen bezoek van Schemselnihar kennis te geven; doch vóór hij nog den tijd had, hem die mededeeling te doen, sprak de prins hem dus aan: „Ik verwachtte u met ongeduld,” zeide hij, „de vertrouwde slavin heeft mij een' brief van hare meesteres gebragt; maar ik kan daar geen' troost in vinden. Wat de beminnelijke Schemselnihar mij ook mag schrijven, ik zie meer en meer in, dat ik niets te hopen heb, en mijn geduld loopt ten einde. Ik weet geen' raad; het vertrek van Ebn Thahar maakt mij wanhopig. Hij was mijn steun; ik heb in hem alles verloren. Ik kon mij nog met eenige hoop vleijen, daar hij den vrijen toegang tot Schemselnihar had; maar nu zal ik haar nimmer wederzien!”
„Prins,” zeide de juwelier, zoodra hij aan het woord kon komen, „niemand kan in uw lijden meer deelnemen dan ik; en indien gij het geduld wilt hebben mij aan te hooren, zoo ben ik overtuigd, u verligting te zullen verschaffen.” Bij deze toespraak zweeg Aboul-Hassan, en was geheel gehoor. „Ik zie wel”, ging de juwelier voort, „dat de eenigste weg om u tevreden te stellen deze is, dat ik u in de gelegenheid breng, u in volle vrijheid met Schemselnihar te onderhouden. Ik maak mij sterk, u dit genoegen te kunnen verschaffen, en zal daar reeds morgen werk van maken. Gij moet er u niet weder aan wagen, het paleis van Schemselnihar te betreden; gij weet bij ondervinding, dat dit eene zeer gevaarlijke zaak is. Ik ken eene andere, tot eene bijeenkomst met de beminde van den kalif geschikte plaats, waar gij niets te vreezen zult hebben.” Aboul-Hassan omarmde den juwelier in geestvervoering. „Door deze schoone belofte,” riep hij uit, „schenkt gij het leven weder aan een' ongelukkigen minnaar, die zich reeds op den dood voorbereidde. Thans moet ik zeggen, dat het verlies van Ebn Thahar mij meer dan vergoed is. Al wat gij doet, zal welgedaan zijn; ik verlaat mij geheel op u.”
Nadat de prins den juwelier nog met vele woorden voor zijnen ijver bedankt had, keerde de laatste naar zijne woning terug, waar reeds den volgenden dag de vertrouwde van Schemselnihar hem kwam bezoeken. Hij zeide haar, dat hij den prins van Perzië hoop had gegeven, dat deze weldra het geluk zou smaken, Schemselnihar te zien. „Ik kom juist hier,” gaf zij ten antwoord, „om over dat punt met u te spreken, en het komt mij voor, dat die zamenkomst zeer goed in uwe woning zou kunnen plaats hebben.” „Dat zou wel kunnen,” hernam de juwelier, „maar ik geloof, dat zij in een ander, thans onbewoond huis van mij meer vrijheid zullen hebben. Ik zal wel zorg dragen het spoedig in dien staat te brengen, als zulks voor hunne ontvangst noodig is.” „Ik ga mijne meesteres,” hernam de vertrouwde, „uw aanbod op staanden voet mededeelen, en u spoedig haar antwoord brengen.”
Inderdaad zij liet niet lang op zich wachten, en berigtte den juwelier, dat hare meesteres niet in gebreke zou blijven, zich nog dien eigen avond op de plaats van zamenkomst te laten vinden. Te gelijk stelde zij hem eene beurs ter hand, zeggende, dat dit geld moest dienen, om het collation te bekostigen, waarop Schemselnihar den prins wenschte te onthalen. De juwelier bragt haar dadelijk naar het bedoelde huis, opdat zij mogt weten, waarheen zij hare meesteres te brengen had. Daarna ging hij bij zijne vrienden datgene leenen, wat hij tot meubelering van het huis noodig had, zooals: tapijten, kostbare kussens, gouden en zilveren vazen, en ander prachtig huisraad. Hiermede gereed, begaf hij zich naar den prins van Perzië.
Stel u de vreugde van Aboul-Hassan voor, toen de juwelier hem mededeelde, dat hij kwam, om hem af te halen en naar zijn huis te geleiden, dat hij had laten inrigten, om er hem en Schemselnihar dien avond te ontvangen. Dit blijde nieuws deed hem op éénmaal droefheid en lijden vergeten. Hij trok een prachtig kleed aan, en ging daarna zonder gevolg met den juwelier uit. Deze bragt hem, langs een' grooten omweg en door verscheidene afgelegen straten, naar de plaats van zamenkomst; opdat zij niet bespied mogten worden. Hier aangekomen zetten zij zich op eene sofa neder, in afwachting dat Schemselnihar komen zou.
Zij behoefden niet zeer lang te wachten op deze al te hartstogtelijke minnares. Zij kwam reeds tijdens het avondgebed met zonsondergang, alleen vergezeld door hare vertrouwde en nog twee andere slavinnen. Het is onmogelijk, de blijdschap te schetsen der twee gelieven bij deze eerste ontmoeting, na eene zoo lange en treurige scheiding. Zij plaatsten zich op eene sofa, en zagen elkander eenen geruimen tijd zwijgend aan. Hunne harten waren te vol; zij konden in den beginne niet spreken van vreugde. Inmiddels zorgde de juwelier voor het collation, dat door hem zelven werd opgedragen. Aboul-Hassan en zijne beminde zetten zich wel aan tafel, maar aten en dronken zeer weinig. Zij hielden niet op elkander hunne wederkeerige liefde en oogenblikkelijk geluk te betuigen, en Schemselnihar was juist bezig met hare heerlijke stem een lied te zingen, waarin zij, met woorden van eigen vinding, den prins hare innige genegenheid te kennen gaf, toen zich buiten een groot geraas liet hooren. Op het zelfde oogenblik kwam de slaaf, dien de juwelier had medegenomen, geheel ontsteld binnen loopen. „Heer,” sprak hij, „men is bezig de deur open te breken. Op mijn vragen, wie er is, krijg ik geen antwoord, maar de slagen verdubbelen.” De juwelier, niet minder verschrikt dan zijn slaaf, verliet Schemselnihar en den prins, om zich te overtuigen, wat deze verontrustende tijding te beteekenen had. Hij had het voorhof reeds bereikt, toen hij in de duisternis een hoop mannen, met pieken en sabels gewapend, regt op zich zag afkomen. Hij drong zich tegen den muur, en zonder door hen te worden opgemerkt, liepen zij hem voorbij; hij had er tien kunnen tellen.
Daar hij tegen zulk eene groote overmagt niets kon uitrigten, en dus den prins van Perzië en Schemselnihar van weinig dienst zou kunnen zijn, vergenoegde hij zich hun ongelukkig lot te beklagen, en ontvlugtte. Hij verliet het huis en klopte bij een' der buren aan, die nog op was, en hem in zijne woning nam. De juwelier dacht niets anders, of deze onvoorziene stoornis had plaats op bevel van den kalif, die ongetwijfeld kennis moest hebben gekregen van de zamenkomst zijner beminde met Aboul-Hassan. Hij kon het zuchten en kermen in zijn huis tot middernacht toe duidelijk hooren. Toen werd alles stil, waarom de juwelier zijn' buurman verzocht, hem een sabel te leenen, en hiermede gewapend waagde hij het naar buiten te gaan. Hij vond de deur van zijn huis geheel vernield, en daardoor den toegang open; hij luisterde aandachtig, maar niet het minste gerucht vernemende, verstoutte hij zich het onderzoek voort te zetten. Op het binnenhof kwam hem echter een man tegen, dat hem hevig deed schrikken. Hij stond op het punt andermaal de vlugt te nemen, toen deze hem in den weg trad, en vroeg, wie hij was. De juwelier herkende de stem, het was zijn' slaaf. Zijn schrik ging nu in bevreemding over. „Hoe hebt gij het aangelegd,” vroeg hij, „dat de wacht u niet heeft opgepakt en medegenomen?” „Heer,” antwoordde de slaaf, „ik heb mij hier achter een' pilaar verborgen gehouden, totdat allen vertrokken waren, en ik geen gerucht meer vernam. Maar het is de wacht niet, die uw huis heeft overweldigd; het zijn dieven, die den vorigen dag in deze buurt nog een ander huis hebben uitgeplunderd. Gij behoeft er niet aan te twijfelen, of zij hebben opgemerkt welke rijke meubelen hier werden binnen gedragen; en dit heeft zeker hunne begeerlijkheid opgewekt.”
De juwelier vond deze opmerking van zijn' slaaf niet van schijn ontbloot. Hij doorliep zijn huis, en zag, dat de dieven de kamer, waarin hij Schemselnihar en haren minnaar had ontvangen, geheel leêg hadden gedragen. Ook de gouden en zilveren vazen, ja alles, wat slechts waarde bezat, hadden zij medegenomen. Hij was hierover zeer mistroostig. „O” Hemel!” riep hij uit, „ik ben een ongelukkig man! Wat zullen mijne vrienden zeggen? Zullen zij mij gelooven, en er in berusten, als ik hun vertel, dat de dieven alles hebben weggehaald? En al gelooven zij mij, zal ik het hun niet moeten vergoeden? Boven alles, wat is er geworden van Schemselnihar en van den prins van Perzië? Deze zaak zal eene zoo groote opspraak maken, dat ze noodzakelijk ter oore van den kalif moet komen. Hij zal kennis krijgen van deze zamenkomst, en ik zal het slagtoffer van zijn' toorn worden.” De slaaf, die zeer aan zijn' meester gehecht was, trachtte hem te troosten. „Wat Schemselnihar aangaat,” zeide hij, „de dieven zullen zich waarschijnlijk vergenoegd hebben, haar van hare kostbaarheden te berooven, en gij kunt gerust gelooven, dat zij ongedeerd met hare slavinnen naar haar paleis zal zijn teruggekeerd; ook de prins van Perzië zal wel reeds te huis zijn. Daarom kunt gij de hoop koesteren, dat de kalif nimmer iets van deze gebeurtenis zal vernemen. Wat nu het verlies uwer meubelen en kostbaarheden betreft, dit is een ongeluk, dat gij niet hebt kunnen voorkomen. Uwe vrienden weten, dat die dieven in zoo groote getale en zoo vermetel waren, dat zij, behalve het huis, waarvan ik u gesproken heb, nog vele anderen hebben uitgeplunderd, die aan de voornaamste hovelingen van den kalif behooren. Zij zullen ook wel weten dat, wat moeite de politie ook heeft aangewend, nog niet een enkele hunner gevat is geworden. Overigens zult gij, het ergste genomen, althans volstaan kunnen, met hun de waarde van het gestolene te vergoeden. U zal dan, Allah zij dank, toch nog genoeg overblijven, om in uwen stand voort te leven.”
De juwelier liet nu de deur door zijn' slaaf zoo goed mogelijk herstellen en sluiten. Door dezen bediende vergezeld, begaf hij zich vervolgens naar zijn woonhuis. Onder weg maakte hij allerlei treurige overwegingen omtrent het voorgevallene. „Ebn Thahar,” sprak hij in zich zelven, „is wijzer geweest dan ik; hij heeft het gevaar voorzien, waarin ik mij blindelings gestort heb. Mogt het Allah behaagd hebben, dat ik mij nooit bemoeid had met eene liefdesgeschiedenis, die mij misschien het leven zal kosten!”
De dag was naauwelijks aangebroken, of het gerucht van het geplunderde huis had zich reeds door de stad verspreid, en trok eene menigte vrienden en buren naar de woning van den juwelier. Allen betuigden hem hunne deelneming, en gaven hunne smart te kennen over het ongeluk, dat hem getroffen had; doch werkelijk was het den meesten der bezoekers slechts te doen, om meer van de zaak te hooren en hunne nieuwsgierigheid te bevredigen. De juwelier liet echter niet na, hen te bedanken voor de belangstelling, die zij hem toonden. Het was hem ook eene groote troost, dat niemand met een enkel woord van Schemselnihar of van den prins van Perzië gewaagde; hetgeen hem deed denken, dat zij reeds ten hunnent waren, of zich elders in eene veilige schuilplaats bevonden.
Omstreeks den middag zakten de bezoekers af, en werd het eten opgedragen. De juwelier zette zich aan tafel; doch de diefstal zat hem zoo in het hoofd, dat zijn eetlust zeer gering was. Hij had nog niet geëindigd, toen een zijner slaven hem kwam zeggen, dat zich aan de deur een man bevond, die hem verlangde te spreken. De juwelier had geen lust, een vreemdeling bij zich te ontvangen; hij stond dus op en ging naar voren, om te vernemen, wat men hem te zeggen had. „Ofschoon gij mij niet kent,” sprak de vreemdeling, „ken ik u des te beter, en ik kom hier, om u over een zaak van groot gewigt te spreken.” „Kom dan binnen,” hernam de juwelier. „Neen,” zeide de vreemdeling, „geef u, indien gij het goedvindt, liever de moeite met mij naar uwe andere woning te gaan.” „Hoe weet gij, dat ik buiten deze nog eene andere woning heb?” vroeg de juwelier met bevreemding. „Ik weet dat,” antwoordde de vreemdeling, „volg mij slechts en vrees niets, ik heb u iets mede te deelen, dat u groot genoegen zal doen.” De juwelier ging mede, en onderweg verhaalde hij zijn' geleider, dat zijn huis door dieven geplunderd was geworden, en dus niet geschikt, om iemand daar te ontvangen.
Toen zij voor het huis kwamen, en de vreemdeling zag, dat de deur half opengebroken was, zeide hij tot den juwelier: „Laat ons verder gaan! Ik zie wel, dat gij mij de waarheid hebt gezegd, en zal u ergens brengen, waar wij beter op ons gemak zullen zijn.” Dit zeggende ging hij verder, de eene straat uit, de andere in, tot de avond begon te vallen. De juwelier, vermoeid van het gaan, en verdrietig, dat de vreemdeling hem dus liet loopen, zonder te zeggen, waar hij hem wilde heenbrengen, begon zijn geduld te verliezen, toen zij eindelijk in eene straat kwamen, die op den Tigris uitliep. Den oever bereikt hebbende, lieten zij zich over de rivier zetten. Nu bragt de vreemdeling den juwelier door eene lange straat, waar hij zich niet kon herinneren, ooit geweest te zijn. Hij geleidde hem nog door verscheidene andere stegen en straten; totdat hij eindelijk voor de deur van een bouwvallig huis staan bleef en deze opende. Hij verzocht den juwelier binnen te gaan, deed vervolgens de deur achter zich digt, en er een' zwaren ijzeren grendel voor, waarna hij hem in eene kamer bragt, waar zich een tiental mannen bevonden, die aan den juwelier even weinig als zijn geleider bekend waren.