Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Derde deel
Part 16
_Toen mij uw brief overhandigd werd, verkeerde ik in eene doodelijke droefheid. Het gezigt daarvan vervulde mij echter met eene onuitsprekelijke blijdschap, en bij het aanschouwen der letters, door uwe schoone hand voortgebragt, ontvingen mijne oogen een nieuw licht, schitterender dan hetgeen zij hadden verloren, toen de uwen sloten aan de voeten van mijnen medeminnaar. Ieder woord van uwen brief werd een lichtstraal, eene flonkerende ster in de nachtelijke duisternis, waarin mijne ziel gehuld was. Zij onderrigtten mij, hoeveel gij uit liefde tot mij hebt geleden, en geven mij tevens de overtuiging, dat gij niet onbekend zijt met mijne liefde voor u. Nu eens doen zij mijne tranen bij stroomen vloeijen, dan weder ontsteken zij in mijn hart een' vuurgloed, die het doet branden zonder het te verteren, en mij behoeden om van droefheid te sterven. Sedert onze scheiding heb ik geen rustig oogenblik gehad; mijne ziel is bekommerd over u; hoe kan zij dan rust vinden? Uw brief echter geeft mij eenige verligting. Ik was wanhopend; hij heeft mijne hoop eenigzins doen herleven. Ik lag in diepe droefheid ter neêr gedompeld, hij heeft mijn hart van vreugde doen kloppen, blijdschap schittert uit mijne oogen en blinkt op mijn gelaat. Ja, mijne verrassing is zoo groot, dat ik niet wist, hoe te moeten beginnen, om er u mijnen dank voor te betuigen. Ik bragt uwe letteren aan mijne lippen, ik kuste ze als een waardig pand van uwe liefde; ik heb ze gelezen en herlezen, en ben opgetogen over de grootheid van mijn geluk! Gij wilt weten, of ik u voor altoos bemin? O! is het wel noodig u dit te zeggen, na al de blijken, die gij mij geeft van eene liefde, waarop ik niet durfde hopen. Ja, ik bemin u, mijne tweede ziel, en ik zal er mijn' hoogste roem in stellen, mijn leven lang het vuur te onderhouden, dat gij in mijn hart ontstoken hebt. Ik zal mij nimmer beklagen, wat mij daardoor ook moge overkomen. Eeuwig zal ik u liefhebben! Dat gij mij uwe wederliefde niet onwaardig keurt, aanbiddelijke Schemselnihar, dat zal mij kracht geven, ook het zwaarste lijden met geduld te dragen. Slechts als gij kondet ophouden mij lief te hebben, dan zou mijn doodvonnis geveld zijn, want ik zou den hemel zien instorten, dien gij in uwen brief voor mij geopend hebt. Ach, ware het oogenblik reeds daar, dat ik in uwe schoone oogen de bevestiging kon lezen, van hetgeen uwe hand mij schrijft. Ja mogt het den hemel behagen, dat mij dit geluk nog heden te deel viel, en dat, in plaats van u mijnen brief te zenden, het mij geoorloofd werd u in persoon de verzekering te geven, dat ik van liefde voor u sterf! Mijne tranen beletten mij voort te gaan. Vaarwel.”_
Ebn Thahar kon bij het lezen van deze regels zijne tranen niet bedwingen. Hij gaf den brief aan den prins terug, met de verzekering, dat hij er niets in vond te verbeteren. De prins wenkte nu de vertrouwde van Schemselnihar, dat zij bij zijn bed zou komen. „Ziehier,” zeide hij, „het antwoord op het schrijven van uwe beminnelijke meesteres; stel haar dit ter hand, en breng haar mijne groete over.” De vertrouwde slavin boog zich voor den prins, en vertrok te gelijk met Ebn Thahar.
Toen de drogist te huis kwam, en ernstig nadacht over de minnarijen, waarin men hem gewikkeld had, begon hij zich daarover zeer ongerust te maken. Hij vreesde, dat de prins van Perzië en Schemselnihar, door de hevigheid hunner hartstogten medegesleept, eene onvoorzigtigheid begaan mogten, waardoor hunne wederkeerige liefde aan den kalif ontdekt werd. Hij maakte, als een met zijn verstand raadplegend man, hieruit deze gevolgtrekking op: „Ware Schemselnihar,” zeide hij tot zichzelven, „eene gewone vrouw, ik zou er geene zwarigheid in vinden, hun beider geluk te bevorderen; maar zij is de beminde van den kalif, en niemand zal zich ongestraft kunnen verstouten, het oog op de uitverkorene van den sultan te werpen. Bij eene ontdekking zal zijn toorn in de eerste plaats Schemselnihar treffen, en vervolgens aan den prins van Perzië het leven kosten, terwijl ik in zijn ongeluk betrokken zal worden. En echter heb ik mijne eer, mijne rust, mijne familie en mijne goederen te bewaren; het is daarom zaak, nu dit nog in mijne magt is, mij aan zulk een groot gevaar te onttrekken.”
Dergelijke gedachten maalden hem den geheelen dag door het hoofd. Den volgenden morgen ging hij naar den prins van Perzië, met het doel nog eene laatste poging aan te wenden, om dezen van zijne gevaarvolle liefde te doen afzien. Hij stelde hem ten dien einde nogmaals al de bezwaren voor oogen, die hij reeds vroeger te vergeefs had aangevoerd, en hield hem voor, dat hij veel beter zou doen al zijne krachten aan te wenden, om zijne hartstogtelijke liefde voor Schemselnihar te onderdrukken, dan daaraan voedsel te geven, en dat deze zijne neiging te gevaarlijker was, door de onbeperkte magt van zijnen medeminnaar, die zich gewis niet ongestraft zou laten honen. „Om kort te gaan, heer,” vervolgde hij, „indien gij mij gelooven, en den raad van een' man van ondervinding, die tevens uw vriend is, aannemen wilt, zoo wees op niets anders bedacht, dan uwe liefde te overwinnen. Doet gij dit niet, dan zult gij niet slechts u zelven in het verderf storten; maar ook Schemselnihar, wier leven en geluk u boven alles dierbaar behooren te zijn. Ik geef u dezen raad als vriend, en de dag zal komen, dat gij dit erkennen en er mij voor danken zult.”
De prins van Perzië hoorde Ebn Thahar met blijkbaar ongeduld aan. Hij liet hem echter uitspreken, maar nu op zijne beurt het woord opnemende, zeide hij: „Ebn Thahar, gelooft gij werkelijk, dat ik zou kunnen ophouden Schemselnihar te beminnen, die mij zoo teeder liefheeft? Zij ontziet zich niet, haar leven voor mij in gevaar te stellen, en gij wilt, dat ik bezorgd zal zijn voor het mijne? Neen, wat rampen daaruit ook voor mij zullen kunnen voortspruiten, ik wil Schemselnihar beminnen tot mijn' laatsten ademtogt.”
Ebn Thahar, verstoord over de halstarrigheid van den prins van Perzië, ging in drift heen, en keerde naar zijne woning terug. De denkbeelden van den vorigen dag kwamen hem nu weder voor den geest, en hij dacht er ernstig over na, wat hem thans, in zijn eigen belang en in dat van zijn huisgezin, te doen stond. Daarmede bezig, kwam een zijner beste vrienden, een juwelier, hem bezoeken. Deze had opgemerkt, dat de vertrouwde van Schemselnihar zeer dikwijls bij Ebn Thahar kwam, en dat de laatste dan altijd den prins van Perzië ging bezoeken, over wiens ziekte vele praatjes gingen, zonder dat men echter met de ware oorzaak bekend was. De juwelier wilde hier meer van weten, vermoedende, dat er achter dat alles een gewigtig geheim schuilde. Om daar achter te komen, begon hij een onderwerp aan te roeren, dat naar zijn oordeel welligt doel zou treffen. „Wat moet toch,” vroeg hij regt op den man af, „de vertrouwde van Schemselnihar van u hebben; ik zie haar bijna dagelijks hier ingaan?” Deze vraag bragt Ebn Thahar in verlegenheid, en niet voor de waarheid willende uitkomen, zeide hij, dat zij, wel is waar, dikwijls daar kwam, doch in den regel slechts over nietige zaken te spreken had. „Gij zijt heden niet opregt met mij,” hernam de juwelier, „en door uwe omwegen zult gij mij doen gelooven, dat die nietigheden zaken van veel grooter gewigt zijn, dan ik mij eerst had voorgesteld.”
Ebn Thahar, dus in de engte gedreven, erkende thans, dat de zaak werkelijk van het hoogste gewigt was. „Ik had besloten,” zeide hij, „daaromtrent het striktste stilzwijgen in acht te nemen, doch daar ik weet, dat gij een opregt belang stelt in alles wat mij aangaat, wil ik u de zaak liever mededeelen, dan dat gij, door daar naar te raden, er een onjuist denkbeeld van zoudt opvatten. Geheimhouding wil ik u zelfs niet aanbevelen, daar gij zelf van de noodzakelijkheid daarvan overtuigd zult worden.” Na deze voorafspraak deelde hij hem de minnarijen van Schemselnihar en den prins van Perzië mede. „Gij weet,” vervolgde hij, „hoezeer ik aan het hof en in de stad gezien ben; welk eene schande zou het dan voor mij zijn, indien deze liefdesgeschiedenis bekend werd? Wat zeg ik! Zou ik niet verloren zijn, en mijne geheele familie met mij? Ziedaar, wat mij de meeste zorg baart, en een besluit heeft doen nemen, zooals ik dit aan mij zelven en aan mijn gezin verschuldigd ben. Ik zal mijne zaken vereffenen, mijne goederen in zekerheid brengen, en naar Balsora vertrekken, om aldaar te blijven tot het onweder, dat ik zie opkomen, zal zijn voorbij gedreven. De vriendschap, welke ik voor den prins van Perzië en voor Schemselnihar koester, maakt mij zeer gevoelig voor het ongeluk, dat hen dreigt. Ik zal Allah bidden, hun het gevaar te doen inzien en hen te bewaren; maar is het de wil van hun kwaad gesternte, dat de kalif met hunnen minnehandel bekend wordt, zoo zal _ik_ althans in veiligheid zijn.”
De juwelier hoorde deze mededeeling van Ebn Thahar met verbazing aan. „Wat gij mij daar verhaalt,” zeide hij, „is van zoo groot gewigt, dat ik mij niet kan begrijpen, hoe Schemselnihar en de prins van Perzië zich zoo blindelings door hunnen hartstogt laten leiden; hoe sterk die ook wezen moge, zij hadden daaraan weêrstand moeten bieden, en, in plaats van zich er lafhartig aan over te geven, een beter gebruik van hun verstand behooren te maken. Moesten zij niet gedacht hebben aan de te geduchte gevolgen van zulke ongeoorloofde minnarijen. Hoe betreurenswaardig is hunne verblinding! Ik zie daarvan met u de gevolgen in. Maar gij zijt een wijs en voorzigtig mensch, en ik moet uw besluit goedkeuren, daar dit de eenigste weg is, om u te onttrekken aan de noodlottige gebeurtenissen, welke gij anders te vreezen hebt.” Na dit onderhoud stond de juwelier op, maar alvorens hij heenging, bezwoer Ebn Thahar, hem bij hunne wederzijdsche vriendschap, zich toch aan niemand een woord te laten ontvallen van alles, wat hij gehoord had. „Wees daaromtrent gerust,” zeide de juwelier, „ik zal uw geheim bewaren, zelfs met gevaar van mijn leven.”
Twee dagen na deze zamenkomst kwam de juwelier voorbij den winkel van Ebn Thahar, en ziende dat deze gesloten was, twijfelde hij niet, of zijn vriend had aan zijn voornemen gevolg gegeven. Om daar zeker van te zijn, vroeg hij echter aan een' der buren, of deze hem ook wist te zeggen, waarom de winkel van den drogist gesloten was. De buurman antwoordde, daarvan niets anders te weten, dan dat Ebn Thahar zich op reis had begeven. De juwelier wist nu genoeg, en dacht daarbij aan den prins van Perzië. „Ongelukkige prins,” sprak hij bij zich zelven, „hoe zeer zal het u bedroeven, indien u deze tijding ter ooren komt! Door wiens tusschenkomst zult gij nu uwe liefdesbetrekkingen met de bekoorlijke Schemselnihar voortzetten! Ik vrees, dat gij van wanhoop zult sterven; ik heb mededoogen met u, en wil trachten u te vergoeden, wat gij verloren hebt aan eenen al te vreesachtigen vriend en vertrouweling.”
De zaak, waarvoor de juwelier was uitgegaan, had niet veel te beduiden; hij liet die op haar beloop, en begaf zich naar den prins van Perzië, hoewel hij met dezen niet verder bekend was, dan dat hij een of twee malen eenige edelgesteenten aan hem had verkocht. Hij gaf aan den portier zijn' naam op, en verzocht hem aan zijn' meester te willen zeggen, dat hij hem over eene zaak van het uiterste gewigt wenschte te spreken. De bediende kwam weldra terug, zeide den juwelier hem te volgen, en bragt hem in de kamer van den prins. Aboul-Hassan lag in half zittende houding op eene sofa, met het hoofd in de kussens. Toen de juwelier binnentrad, rigtte hij zich op, heette hem welkom, en vroeg hem naar de reden van zijne komst. „Prins,” antwoordde de juwelier, „ofschoon ik de eer niet heb, u persoonlijk bekend te zijn, zoo is het toch alleen belangstelling in uw lot, dat mij de vrijheid heeft doen nemen hier te komen, om u eene tijding mede te deelen, die u treffen zal. Ik vlei mij, dat gij, om mijne goede bedoelingen daarmede, mijne stoutmoedigheid vergeven zult.”
Vervolgens ging de juwelier tot de zaak zelve over. „Er bestaat,” sprak hij verder, „tusschen Ebn Thahar en mij, eene zeer naauwe vriendschap. Ik weet, dat hij ook uw vriend is, en dat hij zich tot dus verre beijverd heeft, u waar hij kon, van dienst te zijn; zooals ik uit zijn' eigen mond heb vernomen; want wij hebben geene geheimen voor elkander. Zoo even kwam ik voorbij zijnen winkel, en tot mijne verwondering zag ik, dat deze gesloten was. Ik vervoegde mij tot een' zijner buren, om dezen naar de oorzaak daarvan te vragen. Hij antwoordde mij, dat Ebn Thahar voor een paar dagen bij hem en de andere buren was geweest, om afscheid te nemen, en tevens om hun zijne diensten aan te bieden, indien zij te Balsora iets te bestellen hadden, daar hij voor eene belangrijke zaak derwaarts op reis wilde gaan. Ik was met dit antwoord niet voldaan, en het belang, dat ik in Ebn Thahar stel, doet mij de vrijheid nemen u te vragen, of gij mij ook iets anders omtrent dit overhaast vertrek zoudt kunnen mededeelen.”
Op deze toespraak, welke de juwelier dus had ingerigt, om tot zijn doel te geraken, veranderde de prins van Perzië van kleur, en de droefheid was op zijn gelaat te lezen. „Hetgeen gij mij daar zegt,” zeide hij, „verrast mij; er zou mij geen grooter ongeluk kunnen treffen. Ja,” vervolgde hij, terwijl de tranen hem in de oogen schoten, „indien het waar is, wat gij mij daar verhaald hebt, dan is het met mij gedaan. Ebn Thahar, mijn eenigste troost, hij, in wien ik al mijne hoop stelde, zou mij verlaten hebben? Na zulk een' wreeden slag, heeft het leven voor mij geene waarde meer!” De juwelier behoefde niets meer, dan aan te hooren, om overtuigd te zijn, hoe hevig de hartstogt van den prins was, waarvan Ebn Thahar hem gesproken had. Bloote vriendschap spreekt zulk eene taal niet; het is alleen de liefde, welke ons dergelijke levendige gevoelens kan inboezemen.
De prins verzonk na deze kortstondige overspanning in een droefgeestig gepeins; doch spoedig daarna het hoofd opheffende, riep hij een' zijner bedienden. „Ga,” zeide hij tot dezen, „naar het huis van Ebn Thahar; spreek met een der dienstboden, en vraag of het waar is, dat zijn heer naar Balsora is vertrokken. Loop zoo hard gij kunt, en breng mij spoedig berigt daaromtrent.” Gedurende de afwezigheid van den bediende, trachtte de juwelier den prins over onderscheidene zaken te onderhouden; maar Aboul-Hassan gaf daar naauwelijks acht op. Hij was ten prooi aan eene doodelijke ongerustheid, nu eens kon hij niet gelooven, dat Ebn Thahar op reis gegaan was, dan weder twijfelde hij daar niet aan, zich het laatste gesprek herinnerende, dat die goede vriend met hem gehouden had, en zijn daarop gevolgd haastig vertrek.
Eindelijk kwam de bediende terug, en berigtte, dat een der knechten van Ebn Thahar hem gezegd had, zijn heer niet meer te Bagdad was, maar zich op reis bevond naar Balsora. „Terwijl ik nu,” vervolgde hij, „het huis van Ebn Thahar verliet, hield eene slavin mij staande; zij vroeg of ik niet uw dienaar was. Ik beäamde dit, en toen verzocht zij, met mij te mogen gaan, daar zij u wenschte te spreken. Zij is in de voorkamer, en ik geloof, dat zij aan u een' brief van eene aanzienlijke persoon te overhandigen heeft.” De prins beval om haar dadelijk bij hem te laten; hij twijfelde niet of het zou de vertrouwde slavin van Schemselnihar zijn, en zij was het inderdaad. De juwelier herkende haar als degene, welke hij meermalen bij Ebn Thahar had zien binnengaan. Zij zou op geen geschikter oogenblik hebben kunnen komen, om den prins van Perzië van wanhopige uitersten terug te houden. Binnentredende groette zij hem.
Aboul-Hassan beantwoordde haren groet, terwijl de juwelier was opgestaan en zich eenigzins ter zijde had begeven, om haar vrijheid tot spreken te laten. De prins onderhield zich eenige oogenblikken met de slavin, waarna zij afscheid nam en vertrok. Zij verliet hem echter geheel anders, dan hij vóór hare komst was. Zijne oogen hadden hunnen glans hernomen, en zijn gelaat stond vrolijker, hetgeen den juwelier deed veronderstellen, dat zij hem eene voor zijne liefde gunstige tijding had gebragt.
Nadat de juwelier zijne vorige plaats weder had ingenomen, zeide hij met een' glimlach op het gelaat: „Naar ik zie, prins, hebt gij gewigtige zaken aan het paleis van den kalif.” Verwonderd en ontsteld over dezen uitval van den juwelier, gaf Aboul-Hassan hem ten antwoord: „Waaruit maakt gij op, dat ik zaken heb in het paleis van den Beheerscher der geloovigen?” „Ik besluit daartoe,” hernam de juwelier, „uit de slavin, welke zoo even heenging.” „En aan wie gelooft gij, dat die slavin behoort,” vroeg de prins. „Aan Schemselnihar, de beminde van den kalif,” antwoordde de juwelier. „Ik ken,” vervolgde hij, „deze slavin en ook hare meesteres, welke somtijds in mijn' winkel komt, om edelgesteenten te koopen. Ik weet ook, dat Schemselnihar geene geheimen heeft voor deze slavin, welke ik in de laatste dagen meermalen op de straat heb zien omdwalen, en zulks, naar het mij toescheen, in eene zeer verlegene houding. Dit doet mij denken dat het voor eene belangrijke zaak is, welke hare meesteres aangaat.”
Deze gezegden van den juwelier bragten den Prins van Perzië in groote verlegenheid. „Hij zou aldus niet spreken,” dacht hij bij zich zelven, „indien hij niet eenige vermoedens omtrent mijn geheim had, of daar niet mede bekend was.” Niet wetende, hoe in dit geval te moeten handelen, bewaarde hij een oogenblik het stilzwijgen, doch zich daarop tot den juwelier wendende, zeide hij: „Gij zegt mij daar zaken, die mij doen vermoeden, dat gij nog meer weet, dan gij gezegd hebt. Het is intusschen voor mijne rust noodzakelijk, dat ik daaromtrent in het zekere ben. Verberg dus, als ik u bidden mag, niets voor mij?”
De juwelier wenschte niets liever, en deelde nu aan den prins het onderhoud mede, dat hij met Ebn Thahar gehad had. Hij vergat daarbij niet, hem te zeggen dat Ebn Thahar, bevreesd door het gevaar dat ook hij door hunne liefdesbetrekkingen liep, hem zijn plan had medegedeeld, om naar Balsora te vertrekken, en aldaar te blijven tot het onweder, dat hij zag opkomen, zou zijn overgedreven. „Hieraan,” vervolgde de juwelier, „heeft hij thans gevolg gegeven. Het bevreemdt mij, dat hij heeft kunnen besluiten, u te verlaten in den toestand, waarin gij u bevondt. Wat mij betreft, prins, ik moet u bekennen, dat ik medelijden met u gevoel. Ik kom u daarom mijne diensten aanbieden, en wilt gij mij uw vertrouwen schenken, dan zal ik u nog meer getrouwheid toonen dan Ebn Thahar. Ik beloof u daarenboven meer standvastigheid, en ben gereed niet alleen mijne goederen, maar zelfs mijn leven voor u op te offeren! En opdat gij aan mijne opregtheid niet moogt twijfelen, zoo zweer ik u bij het heiligste, dat onze godsdienst heeft, dat ik uw geheim ongeschonden zal bewaren. Wees dus verzekerd, prins, dat gij in mij den vriend zult terugvinden, dien gij aan Ebn Thahar hebt verloren.” Dit gesprek boezemde den prins van Perzië moed in, en troostte hem over het gemis van zijn' vorigen vertrouweling. „Ik ben regt verblijd,” zeide hij tot den juwelier „in u den man te vinden, door wien ik het door mij geleden verlies kan herstellen, of althans minder zal gevoelen. Ik weet geene uitdrukkingen te vinden, voldoende om u mijnen dank te betuigen voor uw verpligtend aanbod, en zal Allah bidden, dat hij die edelmoedigheid vergelde. Kunt gij gelooven,” ging hij voort, „dat de vertrouwde van Schemselnihar mij reeds over u gesproken heeft? Zij heeft mij gezegd, dat gij het waart, die aan Ebn Thahar den raad gaaft, Bagdad te verlaten. Zij zeide mij dit bij haar vertrek, en scheen zeker van hare zaak te zijn. Maar men laat u geen regt wedervaren; ik ben thans ten volle overtuigd, dat zij zich moet bedrogen hebben.” „Prins,” hernam de juwelier, „ik heb u mijn gesprek met Ebn Thahar medegedeeld; het is waar dat ik, toen hij mij verklaarde naar Balsora te willen gaan, mij tegen dat plan niet verzet heb, en dat ik hem als een wijs en voorzigtig man prees; maar dit moet u niet terughouden mij uw vertrouwen te schenken. Ik ben bereid u met ijver van dienst te zijn. Mogt gij er echter anders over denken, dit zal mij niet beletten uw geheim heilig te bewaren, gelijk ik u gezworen heb.” „Ik heb u reeds gezegd,” hernam de prins, „dat ik geen geloof hecht aan hetgeen de vertrouwde mij dienaangaande gezegd heeft. Het is haar ijver, welke haar dit ongegrond vermoeden heeft doen opvatten, en gij moet haar dit met mij vergeven.”
Dit gesprek werd nog eenigen tijd voortgezet. Te zamen beraadslaagden zij over de geschiktste middelen, om de briefwisseling van den prins met Schemselnihar te onderhouden. Daarin stemden zij overeen, dat er moest worden begonnen, om de vertrouwde slavin van hare dwaling terug te brengen. De prins beschouwde dit als eene gemakkelijke zaak, waarmede hij zich belastte; zelfs zou hij haar verzoeken de brieven of boodschappen, welke zij voor hem mogt hebben, voortaan bij den juwelier te bezorgen. Want kwam de vertrouwde van Schemselnihar te dikwijls ten huize van den prins, dit zou ligt tot vermoedens en tot eene ontdekking kunnen leiden. Eindelijk stond de juwelier op, en na den prins nogmaals verzocht te hebben het volste vertrouwen in hem te stellen, vertrok hij.
In het naar huis gaan zag hij een' brief voor zijne voeten liggen, die de een of ander daar moest hebben verloren. Hij nam dien op, en daar hij niet verzegeld was, maakte hij hem open, en las hetgeen volgt:
_„Schemselnihar aan den prins van Perzië._
_Mijne vertrouwde deelt mij daar een nieuws mede, dat mij even als u veel reden tot bezorgdheid geeft. Wij verliezen aan Ebn Thahar in waarheid zoo veel, maar dit, mijn waarde prins moet u niet beletten op uwe gezondheid bedacht te zijn; gij moet het u dus niet te sterk aantrekken. Indien onze vertrouweling door vrees aangetast, ons heeft verlaten, het is iets dat wij niet konden voorkomen, en waarover wij ons moeten troosten. Ik stem toe, dat Ebn Thahar ons ontvalt op een tijdstip, dat wij de meeste behoefte aan zijne hulp hebben; maar dat wij ons bij dezen onverwachten slag met geduld wapenen, en in onze liefde standvastig blijven. Versterk uw hart in dezen tegenspoed; wat men wenscht wordt zelden zonder moeite verkregen. Laat u dus niet ontmoedigen. Neen, dierbare prins, laat ons veeleer hopen, dat de hemel ons gunstig zal zijn, en dat wij na zoo veel lijden eindelijk de gelukkige vervulling van onze begeerten zullen zien. Vaarwel.”_
Terwijl de juwelier zich met den prins onderhield, had de vertrouwde den tijd gehad naar het paleis terug te keeren, en aan hare meesteres het treurige nieuws aangaande het vertrek van Ebn Thahar mede te deelen. Schemselnihar schreef daarop dadelijk den bewusten brief, en zond hare vertrouwde op staanden voet terug, om dien aan den prins te overhandigen; doch in den haast was haar den brief ontvallen.