Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Derde deel

Part 15

Chapter 153,739 wordsPublic domain

Eindelijk werden zij aan land gezet, maar de prins had zoo weinig kracht, dat hij volstrekt niet kon loopen, hetgeen Ebn Thahar op nieuw in groote verlegenheid bragt. Gelukkig herinnerde hij zich, dat daar in de nabijheid een zijner vrienden woonde; met veel moeite sleepte hij den prins derwaarts. Ebn Thahar's vriend ontving hen zeer voorkomend, deed hen plaats nemen, en vroeg van waar zij zoo laat kwamen. Ebn Thahar zeide hem: „Ik vernam dezen avond, dat iemand, van wien ik eene aanzienlijke som gelds moest hebben, plan had, om voor geruimen tijd buitenslands te gaan. Ik spoedde mij dadelijk naar zijne woning, maar onderweg ontmoette ik dezen jongen man, aan wien ik veel verpligting heb. Daar hij mijn schuldenaar kende, besloot hij met mij te gaan. Eerst vonden wij den man niet te huis, doch na eenigen tijd wachtens, kwam hij eindelijk, en kostte het mij veel moeite, mijne schuld binnen te krijgen. Zoo doende is het veel later geworden, dan wij gedacht hadden. In het naar huis gaan werd mijn jonge vriend plotseling ongesteld, en daar wij hier digt bij waren, heb ik de vrijheid genomen aan te kloppen. Ik vlei mij, dat gij ons voor dezen nacht wel zult willen herbergen.”

De vriend stelde zich met dit vertelseltje tevreden, heette hen welkom, en bood den prins alle hulp aan, welke hij mogt verlangen. Ebn Thahar verklaarde echter, dat voor diens kwaal alleen rust noodig was. De vriend wees hun daarop terstond eene slaapkamer aan, waarna zij zich spoedig te bed begaven. De prins van Perzië bragt den nacht zeer onrustig door, en kon den slaap niet vatten. Sluimerde hij even in, dan werd hij gekweld door akelige droomen, die hem Schemselnihar voorstelden, zooals zij daar in zwijm lag voor de voeten van zijn medeminnaar den kalif, die haar door zijne liefkozingen in het leven trachtte terug te roepen. Ebn Thahar sliep ook weinig, bedenkende dat zijne huisgenooten over zijn lang uitblijven zeer ongerust zouden zijn. Hij kleedde zich aan, zoodra het dag werd, nam van zijnen vriend, die ook reeds was opgestaan om zijn morgengebed te verrigten, afscheid, en spoedde zich met den prins naar zijne woning. Aboul-Hassan was zoo vermoeid, dat hij terstond op eene sofa nederzeeg, en Ebn Thahar dadelijk eene kamer voor hem in gereedheid liet brengen, terwijl hij iemand naar des prinsen woning zond, om zijne bedienden omtrent zijn lang uitblijven gerust te stellen. Inmiddels wendde hij alles aan, om den prins tot kalmte te brengen, en verzocht dezen, over hem en zijn huis vrijelijk te beschikken. „Ik neem uw vriendelijk aanbod met vreugde aan,” zeide Aboul-Hassan, „maar ik moet u wederkeerig verzoeken, u om mij volstrekt geene moeite te geven, noch u daardoor van uwe zaken te laten afhouden; want dat zou mij een groot verdriet zijn.”

Zoodra Ebn Thahar een oogenblik tijd kon vinden, deelde hij aan zijne huisgenooten het gebeurde van dien nacht mede, en eindigde met den hemel te danken, dat hij aan een zoo dreigend gevaar was ontkomen. Aboul-Hassan wilde nog dien avond van zijn' vriend afscheid nemen, en zich naar zijne woning laten overbrengen, maar Ebn Thahar zijne zwakheid in aanmerking nemende, liet dit niet toe, en dwong hem dien nacht nog te blijven. Den volgenden morgen liet hij hem in een draagstoel naar zijn huis vervoeren, en toen hij zich vervolgens met den prins alleen bevond, hield hij hem nogmaals voor oogen, hoezeer het zaak was eene liefde te bestrijden, waardoor hij zich zelven en Schemselnihar in het ongeluk zou storten. „Ach! mijn beste Ebn Thahar,” riep de prins, „het is voor u gemakkelijk, mij dezen raad te geven, maar voor mij hoogst moeijelijk dien op te volgen! Ik erken de gegrondheid uwer redeneringen, zonder ze ten nutte te kunnen maken, en heb u reeds gezegd, dat ik de liefde, welke ik Schemselnihar toedraag, met mij in het graf zal nemen.”

Als Ebn Thahar zag, dat hij den prins niet tot andere gedachten kon brengen, nam hij afscheid van hem, en wilde heengaan. Maar Aboul-Hassan hield hem terug. „Beste Ebn Thahar,” zeide hij tot hem, „indien ik u gezegd heb, dat het niet in mijne magt staat, uwe wijze raadgevingen te volgen, zoo smeek ik u, mij dit niet aan te rekenen als eene misdaad, en niet op te houden, mij blijken te geven van uwe belangelooze vriendschap, waarop ik zoo hoogen prijs stel. Ik moet nu reeds eenen nieuwen dienst van u vergen; gij zult mij geen grooter genoegen kunnen doen, dan mij, indien gij daaromtrent iets verneemt, tijdingen te brengen, betreffende het lot van mijne geliefde Schemselnihar. De onzekerheid, waarin ik omtrent haar ben, de treurige vermoedens, die ik daaromtrent koester, houden mij in den staat van moedelooze neêrslagtigheid, die gij mij ten kwade duidt.” „Heer!” antwoordde Ebn Thahar, „gij kunt verwachten, dat die bezwijming geene noodlottige gevolgen zal hebben gehad, en dat hare vertrouwde slavin niet zal dralen mij te komen vertellen, hoe alles zich verder heeft toegedragen. Zoodra ik daarvan onderrigt ben, zal ik niet in gebreke blijven, er u mededeeling van te doen.”

Ebn Thahar liet den prins in deze hoop, en ging naar zijn huis, waar hij het overige van dien dag te vergeefs op eenige tijding van Schemselnihar wachtende bleef. Ook den volgenden morgen zag hij haar niet. De ongerustheid, waarin hij omtrent den toestand van den prins verkeerde, deed het hem noodzakelijk achten, niet langer te wachten, om hem te bezoeken. Hij vond zijn' jongen vriend te bed, omringd door een groot aantal vrienden en geneesheeren, die al hunne bekwaamheid in het werk stelden, om de oorzaak zijner ziekte op te sporen. Toen de prins Ebn Thahar bespeurde, zag hij hem glimlagchend aan, om hem twee zaken te kennen te geven; ten eerste, dat hij verblijd was hem te zien, en ten andere, hoe de doctors zich te vergeefs vermoeiden zijne ziekte te raden, en hoe zij zich in hunne gissingen bedrogen.

Zoodra Ebn Thahar zich alleen met den prins zag, naderde hij zijne legerstede, en vroeg hem, hoe hij zich bevond. „Ik zal u alleen zeggen,” zeide de prins, „dat mijne nog steeds aanwakkerende liefde en de onzekerheid omtrent het lot van de beminnelijke Schemselnihar, mijne ongesteldheid steeds doen toenemen, en mij in een' toestand brengen, die mijne bloedverwanten en vrienden bedroeft, en mijne geneesheeren geheel in de war brengt. Gij zult niet kunnen gelooven,” vervolgde hij, „hoe het mij hindert, zoo vele menschen om mij te zien, die het mij slechts lastig maken, en die ik toch niet goedschiks kan verwijderen. Gij zijt de eenigste, wiens gezelschap mij verligting aanbrengt; maar ik bezweer u, verberg mij niets. Welke berigten brengt gij mij van Schemselnihar? Is hare vertrouwde bij u geweest? Wat heeft zij tot u gezegd?” Ebn Thahar antwoordde, dat hij haar tot heden niet had gezien. Naauwelijks vernam de prins dit droevig nieuws, of de tranen kwamen hem in de oogen, en zijn hart klopte zoo hevig, dat hij geen woord meer kon spreken. „Prins,” hernam nu Ebn Thahar, „veroorloof mij u te doen opmerken, dat gij al te gereed zijt, om u zelven te kwellen. Bij Allah, droog uwe tranen af; een uwer huisgenooten zou op dit oogenblik kunnen binnenkomen, en op uw gelaat de ziekte lezen, welke het zoo zeer in uw belang is verborgen te houden.” Maar wat ook deze trouwe vriend mogt zeggen, het was den prins niet mogelijk, zijn schreijen te weêrhouden. „Wijze Ebn Thahar,” sprak hij, „ik kan wel mijne tong bedwingen, dat zij het geheim van mijn hart niet verraadt, maar over mijne tranen heb ik geene heerschappij, zoo lang ik eene zoo groote vrees koester voor Schemselnihar. Indien dit aanbiddelijk voorwerp mijner liefde niet meer in deze wereld was, zoo zou ik haar geen oogenblik overleven.” „Zet die zoo droevige gedachte van u,” bragt Ebn Thahar in, „Schemselnihar leeft nog, twijfel daar zelfs niet aan. Heeft zij nog niets van zich laten weten, het zal haar daartoe aan de gelegenheid hebben ontbroken; en ik heb goeden moed, dat deze dag niet zal voorbijgaan, of gij zult iets van haar vernomen hebben.” Hij voegde hier nog verscheidene andere troostredenen bij, waarna hij vertrok.

Ebn Thahar was nauwelijks ten zijnent teruggekeerd, of de vertrouwde van Schemselnihar trad zijn' winkel binnen. Haar uitzigt was neêrslagtig, hetgeen hem een slecht voorteeken toescheen. Hij vroeg haar naar den toestand harer meesteres. „Vertel mij eerst, hoe het den prins van Perzië gaat,” antwoordde zij, „want de omstandigheden, waarin hij zich bij uw vertrek bevond, hebben mij veel onrust gebaard.” Ebn Thahar deelde haar mede, wat hij noodig achtte, en toen hij geëindigd had, nam de vertrouwde het woord aldus op: „Indien de prins van Perzië,” zeide zij, „geleden heeft en nog lijdt om mijne meesteres, zij heeft om hem niet minder doorgestaan. Nadat ik u verlaten had, keerde ik terug naar de zaal, waar ik Schemselnihar in nog bewusteloozen toestand aantrof, wat moeite men zich ook gegeven had, om haar bij te brengen. De kalif was bij haar. Hij gaf blijken van wezentlijke droefheid, en vroeg aan al hare vrouwen, en in het bijzonder aan mij, of wij ook met de oorzaak van hare ongesteldheid bekend waren; doch wij bewaarden allen het geheim, en zeiden hem geheel iets anders, dan de ons maar al te zeer bekende waarheid. Wij verzuimden intusschen niets, om haar uit hare bedwelming op te wekken, wat ons eindelijk omstreeks middernacht gelukte. De kalif, die gedurende al dien tijd bij haar gebleven was, liet hierover eene groote vreugde blijken, en vroeg met belangstelling aan Schemselnihar, waardoor deze plotselinge ongesteldheid haar was overkomen. Zoodra zij zijne stem hoorde, spande zij zich in, ging overeind zitten, en kuste zijne voeten. „Heer,” sprak zij vervolgens, „ik heb mij over den hemel te beklagen, dat mij de gunst niet is te beurt gevallen, aan de voeten van uwe Majesteit den geest te geven, om u daardoor het bewijs te leveren, hoezeer ik door uwe goedheid getroffen ben.”

„Ik ben overtuigd, dat gij mij bemint,” zeide de kalif, „maar ik begeer, dat gij u uit liefde tot mij zult sparen. Gij hebt heden waarschijnlijk te veel aan uw teeder gevoel voor mij toegegeven, en u daardoor deze ongesteldheid berokkend. Ik bid u, u daarvoor in het vervolg te wachten. Ik ben zeer verheugd, u nu iets beter te zien, en raad u den nacht hier door te brengen, in plaats van naar uwe slaapvertrekken te gaan; de beweging mogt u nadeelig zijn.” Hierop beval hij wijn te brengen, waarvan hij haar eenige teugen te drinken gaf, om hare krachten te doen herleven; en nam eindelijk afscheid met den wensch, dat zij spoedig geheel hersteld mogt zijn.

Zoodra de kalif vertrokken was, gaf mijne meesteres mij een teeken, dat ik bij haar zou komen. Zij vroeg met ongerustheid naar u beiden. Ik verzekerde haar, dat gij reeds sedert geruimen tijd het paleis hadt verlaten, en stelde haar alzoo op dat punt gerust. Ik wachtte mij wel, haar van de bezwijming van den prins van Perzië te spreken uit vrees, dat zij daardoor weder mogt instorten; maar mijne voorzorg baatte mij niet, gelijk gij nu zult hooren. „Prins,” riep zij uit, „ik doe afstand van alle vermaken, zoo lang ik uwe tegenwoordigheid zal moeten missen. Indien ik uw hart goed doorgrond heb, zal ik hierin slechts uw voorbeeld volgen. Gij zult niet ophouden tranen te storten, totdat gij mij zult hebben wedergevonden en het is dus billijk, dat ik ween en mij bedroef, totdat gij aan mij zult zijn teruggegeven.” Bij het eindigen dezer woorden, waaruit de hevigheid van hare liefde bleek, viel zij op nieuw bewusteloos in mijne armen.

Het duurde lang,” vervolgde de vertrouwde van Schemselnihar, „alvorens wij er in slaagden, haar weder bij te brengen. „Mevrouw,” zeide ik toen, „hebt gij dan besloten, u zelve te dooden, en ons met u te doen sterven! Ik smeek u, in naam van den prins van Perzië, uwe gezondheid te sparen. Verhoor mijn smeeken, laat u raden, tracht uwe droefheid te overwinnen, gelijk gij dit aan u zelve, aan de liefde, welke de prins u toedraagt, en aan onze genegenheid voor u verschuldigd zijt.” „Ik ben zeer dankbaar,” hernam zij, „voor uwe zorgen, voor uwe getrouwheid en voor uwen raad; maar helaas, kunnen zij mij van nut zijn? Er bestaat voor ons niet de minste hoop; het is alleen in het graf, dat wij het einde van ons lijden kunnen verwachten!” Eene van mijne gezellinnen wilde haar eene afleiding verschaffen, door op de luit te spelen en te zingen, maar zij legde haar het zwijgen op, en beval haar zich, gelijk de anderen, te verwijderen. Zij hield alleen mij gedurende den nacht bij zich. O, hemel, welk een' nacht! Zij bragt dien schreijende en zuchtende door, noemde zonder ophouden den prins van Perzië, en beklaagde zich over de wreedheid van het noodlot, dat haar voor den kalif bestemd had, dien zij niet kon beminnen, en niet voor hem, wien zij radeloos liefhad.

Daar,” vervolgde de vertrouwde, „mijne meesteres zich in de zaal niet genoeg op haar gemak bevond, ging zij den volgenden morgen, op mijnen arm leunende, naar haar vertrek. Naauwelijks waren wij daar, toen, op bevel van den kalif, alle geneesheeren van het paleis haar kwamen bezoeken. Niet lang daarna kwam ook de kalif zelf. De middelen, welke de doctors aan Schemselnihar voorschreven, hadden volstrekt geene uitwerking, daar zij met de oorzaak van hare kwaal onbekend waren, terwijl de tegenwoordigheid van den kalif hare ongesteldheid nog deed toenemen. Evenwel heeft zij dezen nacht eenige uren geslapen. Bij haar ontwaken gelastte zij mij, naar u te gaan, ten einde eenig berigt omtrent den prins van Perzië in te winnen.”

„Ik heb u reeds medegedeeld, in welken toestand hij zich bevindt,” hernam Ebn Thahar, „keer dus terug naar uwe meesteres, en verzeker haar, dat de prins met even groot verlangen naar tijding van haar uitziet, als zij die van hem verwacht. Spoor haar echter in het bijzonder aan, hare gemoedsbewegingen te matigen en te bedwingen, opdat haar niet welligt een woord ontvalle, dat ons allen in het verderf zou kunnen storten.” „Wat mij betreft,” hernam de vertrouwde, „ik zal niet ontkennen, dat ik voor haar het ergste vrees, zooals ik haar ook reeds gezegd heb, en ik ben overtuigd, dat zij het niet kwalijk zal opnemen, wanneer ik haar nogmaals uit uwen naam tot kalmte aanspoor.”

Ebn Thahar, door belangrijke zaken opgehouden, die hij onmogelijk kon uitstellen, wachtte tot den avond om den prins het ontvangen berigt mede te deelen. Hij vond hem alleen, en niet beter, dan hij hem dien morgen had verlaten. „Ebn Thahar,” sprak Aboul-Hassan, „gij hebt zeker vele vrienden, maar zij kennen uwe waarde niet, gelijk mij die blijkt uit uwen ijver, en uit de moeite, die gij u geeft, om mij van dienst te zijn. Ik ben verlegen over al de zorg, welke gij u om mijnentwil getroost, en weet niet, hoe ik u dit immer zal kunnen vergelden.” „Prins,” antwoordde Ebn Thahar, „ik bid u, laat ons daarover niet spreken; ik ben niet alleen bereid een mijner oogen te missen, om er u een te doen behouden, maar zelfs zou ik mijn leven voor het uwe willen opofferen. Doch daarvan is op dit oogenblik geen sprake. Ik kom u alleen berigten, dat Schemselnihar hare vertrouwde tot mij heeft gezonden om naar u te vragen, en tevens om mij van haren toestand berigt te geven. Gij kunt wel denken, dat ik haar niets anders gezegd heb, dan hetgeen haar moet bevestigen in hare overtuiging van de innigheid uwer liefde en van de standvastigheid, waarmede gij haar bemint. Ik had geene vrees, daaromtrent te veel te zeggen.”

Verder deelde hij den prins mede, alles wat hij nog aan de vertrouwde slavin gezegd had. De prins hoorde hem met verschillende aandoeningen van vrees, jalousie, teederheid en mededoogen aan, naarmate het gesprek van Ebn Thahar daartoe aanleiding gaf. Nu eens kwam hij met ontmoedigende, dan weder met troostrijke opmerkingen tusschenbeide, zooals men dit van zulk een' hartstogtelijken minnaar moest verwachten. Het onderhoud duurde tot diep in den nacht, en de prins van Perzië dwong zijn' vriend, bij hem te overnachten.

Den volgenden morgen naar huis gaande, zag Ebn Thahar eene vrouw loopen, in welke hij de vertrouwde van Schemselnihar meende te herkennen. Hij bedroog zich niet; zij kwam naar hem toe, en zeide: „Mijne meesteres laat u groeten; ik kom u uit haren naam verzoeken mij gelegenheid te geven, dezen brief aan den prins van Perzië ter hand te stellen.” De getrouwe en ijverige vriend bedacht zich niet lang, maar keerde op staanden voet door de slavin vergezeld naar Aboul-Hassan terug.

Toen Ebn Thahar de woning van den prins van Perzië binnentrad, liet hij de vertrouwde van Schemselnihar in de voorkamer gaan, en verzocht haar, daar een oogenblik te wachten. Zoodra de prins hem zag, vroeg hij met drift, wat nieuws hij te brengen had. „Het beste, dat gij zoudt kunnen verlangen,” antwoordde Ebn Thahar, „zij bemint u even zeer, als gij haar bemint. De vertrouwde van Schemselnihar is in uwe voorkamer, zij heeft een' brief van hare meesteres voor u, en wacht slechts op uwe bevelen, om voor u te verschijnen.” „Laat zij binnen komen!” riep de prins in geestverrukking, en dit zeggende ging hij overeind zitten, om haar te ontvangen.

De bedienden van Aboul-Hassan hadden, toen zij Ebn Thahar zagen binnentreden, het vertrek verlaten, teneinde hem in vrijheid met hunnen meester te laten spreken. Ebn Thahar deed dus zelf de deur open, en liet de vertrouwde binnen komen. De prins herkende haar terstond, en ontving haar zeer vriendelijk. „Heer,” zeide zij tot hem, „ik weet alles, wat gij geleden hebt, sinds ik de eer had u de boot aan te wijzen, die u in veiligheid moest brengen; maar ik hoop, dat de brief, welken ik voor u medebreng, in staat zal zijn uwe genezing te bewerken.” Dit zeggende, reikte zij hem den brief over; hij nam dien, drukte er duizend kussen op, opende hem, en las als volgt:

_„Schemselnihar aan den prins van Perzië._

_De persoon, welke u dezen brief zal ter hand stellen, kan u beter van mijnen toestand onderrigten dan ik zelve, want sedert ik u niet meer bij mij mag zien, ben ik geen mensch meer. Verstoken van uw bijzijn, tracht ik mij zelve te misleiden, door mij schriftelijk met u te onderhouden, met hetzelfde vermaak alsof ik het geluk had, persoonlijk met u te spreken._

_Men zegt, dat het geduld een geneesmiddel voor alle kwalen is, niettemin worden de mijnen er niet door verligt, maar integendeel verergerd. Hoewel uwe beeldtenis in mijn hart staat gegrift, wenschen toch mijne oogen onophoudelijk de persoon zelf te aanschouwen, en zij zullen, daarvan lang verstoken blijvende, al hun' glans verliezen. Mag ik mij vleijen, dat de uwen met een gelijk ongeduld begeeren mij te zien? Ja, dat kan ik; zij hebben mij dit genoeg te kennen gegeven! Wat zou Schemselnihar, en wat zoudt gij, mijn waarde prins, gelukkig wezen, indien aan mijne wenschen, die zoo zeer met de uwe instemmen, geene onoverkomelijke hinderpalen in den weg stonden! Die moeijelijkheden bedroeven mij te meer, daar zij ook voor u zoo smartelijk zijn._

_Deze gevoelens, welke mijne hand nederschrijft, en die ik met een ongeloofelijk zielsgenot op het papier stel, ja die ik honderdmalen zou kunnen herhalen, komen voort uit het diepste van mijn hart en uit de ongeneeselijke wond, welke uwe liefde daarin veroorzaakt heeft; eene wond die ik duizendmalen zegen, hoe wreed zij mij ook kwelt. Ik zou al wat zich verzet tegen onze liefde gering achten, indien het mij slechts veroorloofd ware, u nu en dan in volle vrijheid te zien. Gij zoudt daardoor geheel de mijne zijn; en wat zou ik meer kunnen verlangen?_

_Geloof niet, dat mijne woorden meer zeggen, dan ik gevoel. Neen in tegendeel, zij zijn te zwak om u mijne gedachten geheel te doen kennen! Mijne oogen waaruit onophoudelijk tranen vloeijen, mijn treurend hart, dat niets begeert dan alleen u, de zuchten die mijne borst ontsnappen, mijne verbeelding, die zich met niets dan met mijn' geliefden prins bezighoudt, en de droefheid, de bekommernissen, de folteringen, die mij geen oogenblik rust laten, sedert ik uw dierbaar bijzijn missen moet, dat alles getuigt van mijne onuitsprekelijke liefde._

_Ben ik niet diep ongelukkig, geboren te zijn om te beminnen, zonder hoop hem, dien ik bemin den mijnen te mogen noemen? Deze treurige gedachte overstelpt mij en zou mij dooden, indien ik niet verzekerd ware, dat gij mij bemint. Deze zoete troost matigt mijne wanhoop, en doet mij nog aan het leven hechten. Schrijf mij, dat gij mij altoos zult blijven liefhebben. Ik zal uwen brief als een talisman op mijn hart dragen en bewaren; ik zal hem elken dag duizendmaal lezen, en mijn lijden met minder ongeduld dragen. Ik smeek den hemel, ons gunstiger te zijn, en ons de gelegenheid te doen vinden, elkander in vrijheid te kunnen zeggen, hoe teeder wij elkaar beminnen en lief zullen hebben tot in het graf. Vaarwel, mijn prins! Groet Ebn Thahar, aan wien wij beiden eene zoo groote verpligting hebben.”_

De prins van Perzië stelde zich niet tevreden dezen brief éénmaal te lezen, hij herlas dien nog verscheidene malen, en naarmate hij door de daarin voorkomende woorden getroffen werd, zag men hem schreijen of glimlagchen, gaf hij teekenen van droefheid of van vreugde. Hij kon niet ophouden op de woorden te turen, die eene hem zoo dierbare hand geschreven had, en hij zou daarmede niet hebben geëindigd, indien niet Ebn Thahar hem herinnerd had, dat de tijd van de vertrouwde slavin beperkt was, en hij er dus aan moest denken den brief te beantwoorden. „Ach!” riep de prins, „hoe wilt gij, dat ik zal antwoorden? Hoe zal ik mij geregeld kunnen uitdrukken in de verwarring, waarin zich mijne ziel bevindt? Mijn geest wordt geschokt door duizenderlei wreede gedachten; en mijne zinnen zijn verward. Ook mijn ligchaam lijdt daaronder, mijne bevende hand kan geene pen besturen!” Dus sprekende, nam hij echter een blad papier met eene pen, en ving aan te schrijven, hoewel de tranen, die op het papier vielen, hem meermalen verpligtten, de pen voor een oogenblik te laten rusten. Eindelijk kwam hij met zijn' brief klaar, en dien aan Ebn Thahar gevende, sprak hij: „Lees dit, als ik u verzoeken mag, en zeg mij of de verwarring, waarin zich mijn geest bevindt, mijn antwoord niet onverstaanbaar heeft doen worden.” Ebn Thahar nam den brief en las als volgt:

_„Antwoord van den prins van Perzië aan Schemselnihar._