Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Derde deel
Part 14
Zoodra de prins van Perzië Schemselnihar gewaar werd, had hij slechts oogen voor haar. „Men vraagt niet naar bekende zaken,” zeide hij tot Ebn Thahar, „en men twijfelt niet aan hetgeen men met eigen oogen ziet. Moet gij niet erkennen, dat er geen bekoorlijker wezen op den geheelen aardbodem leeft? Zie daar de oorzaak van mijn lijden; een lijden dat ik zegen, en zal blijven zegenen, hoe zwaar of lang het ook wezen mag! In dit opzigt ben ik mij zelven geen meester; het verstand zwijgt, alleen mijn gevoel spreekt, en het is mij onmogelijk hierin verandering te brengen, zelfs al kon ik er het paradijs mede verdienen. Mijn hart is geschokt, mijne zinnen zijn verward, en gij wreede Ebn Thahar draagt daar de schuld van. Gij hebt gemeend mij genoegen en eene groote dienst te doen, door mij hier te brengen; ik zie dat het slechts zijn zal, om mij geheel van het verstand te berooven. Maar neen,” vervolgde hij, op zijne woorden terugkomende, „vergeef mij, _ik_ heb het zoo gewild, en alles aan mij zelven te wijten?” Bij deze laatste woorden smolt hij in tranen weg. „Ik ben zeer blijde,” antwoordde Ebn Thahar, „dat gij mij regt laat wedervaren. Toen ik u zeide, dat Schemselnihar de beminde van den kalif was, heb ik dat gedaan, met oogmerk om een noodlottigen hartstogt te voorkomen, welken gij in uw hart tracht te voeden en levendig te houden. Alles, wat gij hier ziet moet strekken, om er u van los te maken, en gij behoort aan geene andere gevoelens plaats te geven, dan alleen aan de dankbaarheid voor de u te beurt gevallen eer. Bereid er u op voor, in hare tegenwoordigheid te verschijnen, zoo als de wellevendheid dit vordert. Zie, daar komt zij reeds! Indien het mij nu nog mogelijk ware, ik zou andere maatregelen nemen, doch daartoe is het thans te laat. Dat het mij maar niet berouwe, u hier te hebben gebragt. Vergeet niet,” vervolgde hij, „dat de liefde verraderlijk is, en dat de bloemen, welke zij ons aanbiedt, dikwijls aan den rand van een' afgrond groeijen, waarin men, die plukkende, ligtelijk kan nederstorten.”
Ebn Thahar had den tijd niet, met zijne zedeles voort te gaan, daar Schemselnihar op dat oogenblik naderde. Zij plaatste zich op den troon, en groette beiden met eene hoofdbuiging; maar zij bleef daarbij haren blik vestigen op den prins van Perzië, en zwegen ook hunne lippen, hunne oogen zeiden des te meer. Hoe meer Schemselnihar den prins aanzag, des te vaster werd hare overtuiging, dat zij beminde en bemind werd. Zij liet hare oogen niet van hem af gaan, dan om aan de haar omringende vrouwen eenige bevelen te geven. Deze stonden op, en terwijl zij heengingen, kwamen de zwarte slavinnen uit den tuin, en plaatsten zich regt tegenover het venster, waar Ebn Thahar en de prins zich bevonden; dusdanig, dat het geheel een' halven cirkel vormde, waarvan de troon, waarop Schemselnihar gezeten was, het middelpunt uitmaakte.
De beminde van den kalif gaf nu een teeken aan eene harer slavinnen, welke daarop een minnelied speelde en zong, van twee gelieven wier harten als het ware ineensmolten, en telkens, wanneer zich eenige hinderpalen opdeden, slaakte zij de teederste verzuchtingen. Gelijk meestal gebeurt, kreeg het noodlot de schuld van hunne dwaasheid. Schemselnihar begeleidde met hare oogen en gebaren de woorden van het lied, voor zoo verre deze op haar en op den prins toepasselijk waren. Zij deed dit met zoo veel gevoel, dat de prins buiten zich zelven van verrukking was. Hij boog zich over de balustrade, en wenkte eene der slavinnen, welke zich in zijne nabijheid bevonden. „Wees zoo goed,” zeide hij, „de woorden, welke ik u zal doen hooren, met uwe luit te accompagneren.” Daarop zong hij een lied, zoo teeder en hartstogtelijk, dat de hevigheid van zijne liefde daardoor volkomen werd te kennen gegeven. Zoodra hij geëindigd had, volgde Schemselnihar zijn voorbeeld, zeggende tot eene van hare vrouwen: „Luister naar mij, en begeleid mijne stem met uw speeltuig.” Vervolgens zong zij op eene wijze, dat de prins er geheel door betooverd werd, en haar met een ander lied antwoordde, nog veel hartstogtelijker dan het eerste.
Zoo hadden deze gelieven elkander door oogenspraak en door liederen hunne wederkeerige genegenheid te kennen gegeven. Schemselnihar, eindelijk geheel buiten zich zelve, stond op van haren troon, en begaf zich naar de deur der koepelzaal. De prins, haar oogmerk gissende, haastte zich ook, derwaarts te gaan. Naauwelijks waren zij beide daar, of zij omhelsden elkander met zulk een innig vreugdegevoel, dat zij geheel buiten kennis geraakten. Zij zouden gewis gevallen zijn, indien niet de slavinnen, welke Schemselnihar gevolgd waren, hen ondersteund hadden. Deze droegen de verliefden naar eene sofa, en bragten hen met welriekende wateren weder bij. Schemselnihar, de oogen openende, vatte de hand van den prins van Perzië, en zag vervolgens naar Ebn Thahar om. Hij was verdwenen, en niemand kon haar zeggen, waar hij gebleven was.
De drogist had zich alleen uit eerbied verwijderd, teneinde aan de vrouwen vrijheid te laten hare meesteres te helpen. Hij was bevreesd, dat deze dwaze liefdes-geschiedenis een slecht einde zou nemen, en dit niet zonder grond. Toen hij evenwel hoorde, dat Schemselnihar naar hem vroeg, trad hij nader, en stelde zich vóór haar.
Schemselnihar was zeer verblijd, Ebn Thahar weder te zien. Zij betuigde hem daarover hare vreugde. „Ebn Thahar,” sprak zij, „ik weet niet, hoe ik de verpligting zal kunnen erkennen, welke ik u verschuldigd ben. Zonder u, zou ik met den prins van Perzië niet in kennis gekomen zijn, noch hem bemind hebben, die op deze wereld het meest beminnenswaardig is. Gij kunt echter zeker wezen, dat ik niet als eene ondankbare sterven zal, en dat, indien mogelijk, mijne erkentelijkheid de weldaad zal evenaren, die ik u te danken heb.” Ebn Thahar antwoordde hierop met eene diepe hoofdbuiging en met den wensch, dat nimmer iets de vervulling harer begeerten in den weg mogt staan.
Schemselnihar wendde zich nu weder tot den prins, die nog steeds aan hare zijde was gezeten, en hem met verwarring aanziende, zeide zij: „Naar hetgeen tusschen ons is voorgevallen, mijn prins, ben ik ten volle overtuigd, dat gij mij met geheel uw hart bemint, en gij kunt er niet aan twijfelen, dat de liefde, welke ik u toedraag, even sterk is als de uwe. Maar vleijen wij ons niet; hoezeer ook onze harten en onze gevoelens mogen overeenstemmen; ik voorzie, voor u en voor mij, niets dan moeijelijkheden, onvervulde wenschen, en een doodelijk verdriet. Tegen deze kwalen is geen ander middel, dan dat wij elkander blijven beminnen, met onderwerping aan den wil des hemels, en in afwachting van hetgeen aan Allah zal behagen over ons te beschikken.” „Mevrouw,” antwoordde de prins van Perzië, „gij zoudt mij groot ongelijk aandoen, indien gij ook slechts een oogenblik kondet twijfelen aan de standvastigheid mijner liefde. Zij is met mijne ziel vereenzelvigd, en zal dit blijven tot aan mijn' laatsten ademtogt. Moeiten, kwellingen, hinderpalen, niets zal in staat zijn, mij te beletten om u te beminnen.” Bij het spreken dezer woorden vloeiden tranen over zijne wangen; ook Schemselnihar kon de hare niet weêrhouden.
„Mevrouw,” zeide op dit oogenblik Ebn Thahar tot de beminde van den kalif, „dat het mij geoorloofd zij, u te doen opmerken, dat gij, in plaats van tranen te storten, u moest verblijden bij elkander te zijn. Ik begrijp niets van uwe droefheid; want wat moet het dan worden, als de noodzakelijkheid u tot scheiden zal dwingen? Maar wat zeg ik, dat oogenblik nadert. Wij zijn reeds lang hier geweest, en gij weet, dat het voor ons tijd is, heen te gaan.” „Ach, wat zijt gij wreed!” hernam Schemselnihar. „Gij kent de oorzaak van mijne tranen, en zoudt gij dan geen medelijden hebben met den ongelukkigen toestand, waarin gij mij ziet? Droevig noodlot! Wat heb ik misdaan, om door eene harde wet veroordeeld te zijn, niet te kunnen genieten, wat mijne eenige begeerte is?”
Daar echter Schemselnihar begreep, dat Ebn Thahar alleen uit vriendschap en met een goede bedoeling aldus gesproken had, duidde zij het hem niet ten kwade, maar maakte zelfs gebruik van den haar gegeven wenk. Zij gaf een teeken aan hare vertrouwde slavin, die zich dadelijk verwijderde. Kort daarop kwam zij terug, en zette een' gouden schotel met de fijnste vruchten op eene kleine zilveren tafel, die zij tusschen hare meesteres en den prins van Perzië plaatste. Schemselnihar zocht het beste uit, en bood het den prins aan, met de bede dit ter liefde van haar te eten. Hij nam het, en bood nu op zijne beurt iets aan Schemselnihar aan. Nadat er was afgenomen, bragt men eene gouden watervaas en een zilveren bekken, waarin zij te zamen de handen wieschen. Vervolgens kwamen drie zwarte slavinnen, elk een' met den fijnsten wijn gevulden bokaal dragende, en zetten die voor Schemselnihar, voor den prins en voor Ebn Thahar neder. Muzijkinstrumenten werden aangebragt, en de twee verliefden betuigden elkander bij muzijk en zang nogmaals herhaalde malen hunne wederkeerige liefde, tot dat de vertrouwde hun geluk eensklaps kwam storen, geheel ontsteld hun mededeelende, dat Masrour en nog twee officieren zich aan de poort van het paleis bevonden en, in naam van den kalif, Schemselnihar vroegen te spreken. De prins van Perzië en Ebn Thahar verbleekten, hunnen ondergang reeds zeker meenende, hoewel Schemselnihar hen met eenen glimlach gerust trachtte te stellen.
Aan hare vertrouwde slavin beval zij, Masrour en de andere officieren van den kalif bezig te houden, totdat zij in staat zou zijn hen te ontvangen. Vervolgens gaf zij last de luiken der koepelzaal te sluiten, en de gordijnen aan den tuinkant te laten vallen, terwijl zij den prins en Ebn Thahar verzocht, daar zonder vrees te blijven. Toen hare bevelen uitgevoerd waren, verliet zij de zaal door de deur, die in den tuin uitkwam, en sloot die af. In den tuin werden de zitplaatsen onder het raam van de koepelzaal weggenomen, waarna Schemselnihar zich op den troon plaatste, en hare vertrouwde slavin liet aanzeggen, dat zij gereed was den opperste der gesnedenen en de beide hem ondergeschikte officieren te ontvangen. Zij verschenen voor haar, gevolgd door twintig kostbaar gekleede zwarte slaven. Zoodra zij Schemselnihar zagen, maakten zij eene diepe buiging, die deze van haren troon met een hoofdknikken beantwoordde. Toen de stoet naderbij gekomen was, stond zij op, en Masrour eenige schreden te gemoet gaande, vroeg zij hem, wat hij haar had mede te deelen. „Mevrouw,” antwoordde hij, „de Beheerscher der geloovigen, die mij tot u zendt, heeft mij gelast u te betuigen, dat hij niet langer kan leven, zonder u te zien. Hij heeft plan u dezen avond een bezoek te brengen; ik kom u daar kennis van geven, opdat gij u op zijne ontvangst kunt voorbereiden. Hij hoopt, mevrouw, dat gij hem met het zelfde genoegen zult verwachten, als zijn ongeduld is, om bij u te zijn.”
Op deze aanspraak van Masrour boog Schemselnihar zich met het hoofd ter aarde, ten einde daardoor de onderworpenheid te doen blijken, waarmede zij het bevel van den kalif ontving. „Ik verzoek u,” sprak zij, zich weder oprigtende, „aan den Beheerscher der geloovigen te zeggen, dat ik er steeds de hoogste eer in zal stellen, mij te voegen naar de bevelen van zijne majesteit, en dat zijne slavin zich zal beijveren, hem te ontvangen met al den eerbied, welken zij hem verschuldigd is.” Te gelijk gelastte zij hare vertrouwde, door de zwarte slavinnen het paleis in gereedheid te brengen, om den kalif waardig te kunnen ontvangen, en vervolgde tot Masrour: „Gij ziet, dat er eenigen tijd noodig zal zijn, om alles tot de ontvangst van den kalif in orde te brengen. Bewerk dus, dat zijne majesteit nog eenige uren geduld oefent, opdat hij bij zijne komst ons niet ongereed vinde.”
Zoodra de opperste der gesnedenen en zijn gevolg vertrokken waren, keerde Schemselnihar naar de zaal terug, zeer mismoedig, dat zij genoodzaakt was den prins van Perzië vroeger weg te zenden, dan zij zulks gaarne wilde. Met tranen in de oogen trad zij binnen, hetgeen de onrust van Ebn Thahar nog vermeerderde, die een voorgevoel had, dat het niet goed zou afloopen.
„Dierbare,” zeide inmiddels de prins, „ik zie wel, dat gij mij onze scheiding komt aanzeggen. Daar ik nu niets ergers te duchten heb, zoo hoop ik, dat de hemel mij genoeg kalmte zal schenken, om in uwe afwezigheid te kunnen leven.” „Helaas! mijn geliefde,” viel de al te teedere Schemselnihar in, „wat zijt gij gelukkig, en wat ben ik zelve ongelukkig, indien ik uw lot vergelijk met mijne treurige bestemming! Gij zult ongetwijfeld lijden, door van mijn bijzijn verstoken te zijn, maar dat is dan ook alles, en gij kunt u troosten met de hoop, mij terug te zien. Maar ik, geregte hemel, tot welke wreede proef zie ik mij veroordeeld? Ik zal niet slechts verstoken zijn te zien, wat ik alleen liefheb, ik zal nog bovendien de tegenwoordigheid moeten dulden van een wezen, dat mij door u onverschillig is geworden! Zal de komst van den kalif mij niet herinneren aan uw vertrek? En hoe zal ik, terwijl mijne denkbeelden geheel met u bezig zijn, aan dien vorst de vrolijkheid kunnen toonen, die hij gewoon was, zoo dikwijls hij mij kwam bezoeken, in mijne oogen te lezen? Terwijl ik met hem spreek, zal mijn geest elders zijn, en de minste inschikkelijkheden, welke ik voor zijne liefde mag hebben, zullen zoo vele dolksteken zijn, die mij het hart doorboren. Zal ik zijne liefkozingen kunnen verdragen, zonder te sterven? Oordeel zelf prins, aan welke folteringen ik gedurende uwe afwezigheid zal zijn prijs gegeven!” Schreijen en snikken beletten haar met spreken voort te gaan. De prins wilde antwoorden, maar had er de kracht niet toe; zijne droefheid en de diepe smart, waarvan zijne geliefde blijken gaf, deden de woorden op zijne lippen wegsterven.
Ebn Thahar stond inmiddels op heete kolen; hij verlangde naar niets anders, dan ten spoedigste het paleis te verlaten, en terwijl hij de treurende gelieven zocht te troosten en hen vermaande zich in de noodzakelijkheid te schikken, maakte hij tevens de juiste opmerking, dat de tijd niet stil stond en zij op hunne veiligheid bedacht moesten zijn. Terwijl hij nog sprak, kwam de vertrouwde slavin binnen. „Mevrouw,” sprak zij, „er is geen tijd te verliezen; de gesnedenen komen reeds, en gij weet, dat de kalif dan ook weldra hier zal zijn.” „Hemel, welk eene wreede scheiding!” klaagde Schemselnihar. „Haast u,” sprak zij tot de vertrouwde slavin, „breng beiden naar de galerij, welke aan de eene zijde in den tuin, aan de andere op den Tigris het uitzigt heeft, en laat hen, zoodra de nacht het aardrijk in duisternis zal hullen, door de achterpoort heengaan, opdat zij in veiligheid mogen zijn.” Dit zeggende, omhelsde zij den prins van Perzië, zonder een woord tot hem te kunnen zeggen, en spoedde zich, in eene ligt te begrijpen verwarring heen, om den kalif te ontvangen.
Inmiddels bragt de vertrouwde slavin den prins en Ebn Thahar naar de galerij, waarvan Schemselnihar gesproken had; zij bemoedigde hen, zeide tegen den avond terug te zullen komen, en ging vervolgens heên, na de deur achter zich gesloten te hebben.
Niettegenstaande deze verzekering waren Ebn Thahar en de prins verre van gerust. Zij onderzochten de galerij aan alle kanten, en schrikten niet weinig, toen zij bespeurden, dat er volstrekt geene mogelijkheid bestond om te ontkomen, indien de kalif of een zijner officieren mogt goedvinden de galerij te bezoeken.
Eensklaps deed een helder licht, dat hen door de jalousiën aan den tuinkant in de oogen scheen, hen naar het venster gaan, om te zien van waar dit mogt komen. Het licht werd te weeg gebragt door een honderdtal flambouwen, gedragen door even zoo vele jonge zwarte gesnedenen, die door meer dan honderd anderen, allen met sabels gewapend, gevolgd werden. Daarna zagen zij den kalif, tusschen Masrour, aan zijne regter- en Vassief, aan zijne linkerhand.
Schemselnihar wachtte den kalif op aan den ingang van eene laan, vergezeld door een twintigtal harer vrouwen, allen zeer bekoorlijk uitgedost en schitterende van paarlen en diamanten, waarmede hare kleederen en hoofdsieraden als bezaaid waren. Zij zongen op de maat harer instrumenten, en maakten te zamen een heerlijk concert. Schemselnihar zag niet zoodra den kalif verschijnen, of zij trad toe, en wierp zich aan zijne voeten, met haar hoofd de aarde aanrakende. Maar dit doende, zeide zij in zich zelven: „Prins van Perzië, indien uwe oogen van dit tooneel getuige zijn, zoo oordeel over de wreedheid van mijn lot. Alleen voor u zou ik mij dus willen vernederen, en dit kunnen doen, zonder dat mijn hart er tegen opkomt.”
De kalif was zeer verrukt Schemselnihar te zien. „Sta op Mevrouw,” zeide hij, „en voeg u bij mij. Ik kan het mij zelven niet vergeven, dat ik mij zoo lang heb verstoken van het vermaak, bij u te zijn.” Dit zeggende, nam hij haar bij de hand, en geleidde haar tot aan den voet van den troon, waarop hij zich plaatste, terwijl Schemselnihar op eenen lageren zetel, regt tegenover hem, zich nederzette. De twintig vrouwen vormden een' cirkel om hen heen, terwijl de jonge gesnedenen, die flambouwen droegen, zich door den tuin verspreidden, opdat de kalif het frissche van de avondlucht zou kunnen genieten, zonder van den walm der toortsen hinder te hebben.
Toen de kalif op zijnen troon was gezeten, zag hij om zich heen, en bespeurde met zigtbaar welgevallen, dat de geheele tuin met duizende lampions verlicht was. Hij gaf echter zijne verwondering te kennen, dat de vensters der groote koepelzaal allen gesloten waren. Men had dit opzettelijk gedaan, om hem eene verrassing te verschaffen; want naauwelijks had hij uitgesproken, of alle vensters werden als met een' tooverslag geopend, en de zaal, van binnen en van buiten verlicht, toonde zich schitterender dan ooit te voren aan zijne oogen. „Bekoorlijke Schemselnihar,” riep hij op dit gezigt verrast uit, „ik begrijp u. Gij hebt mij indachtig willen maken, dat er even schoone nachten, als dagen zijn. En bij hetgeen ik hier aanschouw, kan ik het u niet tegenspreken.”
Doch keeren wij terug tot den prins van Perzië en tot Ebn Thahar, die wij op de galerij gelaten hebben. Ebn Thahar kon zich niet genoeg verwonderen over alles, wat zich aan zijne oogen vertoonde. „Ik ben niet jong meer,” zeide hij, „en heb vele groote feesten bijgewoond, maar nooit heb ik iets gezien, dat daarbij in pracht en luister kan worden vergeleken. Alles wat men ons verhaalt van betooverde paleizen, moet achterstaan bij het grootsche schouwspel, dat zich hier in werkelijkheid aan onze oogen voordoet. Welk een' rijkdom en welk eene pracht gaan hier hand aan hand!”
De prins van Perzië bleef echter gevoelloos voor alles, waarin Ebn Thahar een zoo groot vermaak vond. Hij had slechts oogen voor Schemselnihar, en de tegenwoordigheid van den kalif dompelde hem in eene diepe neêrslagtigheid. „Ach, mijn vriend,” zeide hij tot Ebn Thahar, „mogt het den hemel behagen, dat ik mij met u in al dit schoone kon verheugen. Maar helaas! mijne ziel is daar niet toe gestemd! Die rijkdom en die pracht, alles wat gij zoo heerlijk vindt, strekt slechts, om mijne foltering te verhoogen. Kan ik den kalif zien bij haar, die ik bemin, zonder van wanhoop te sterven? Moest eene liefde, zoo teeder als de mijne, verstoord worden door een' zoo magtigen medeminnaar! Goede hemel, wat is mijn lot zonderling en wreed! Slechts voor weinige oogenblikken mogt ik mij den gelukkigsten minnaar denken en thans..., thans wordt mijn arm hart door een' doodelijken slag getroffen. Ik kan er geen weêrstand aan bieden; mijn geduld is ten einde, mijn lijden overstelpt mij, en mijn moed is bezweken.” Bij het uiten dezer laatste woorden zag hij in den tuin iets, dat in hooge mate zijne aandacht trok, en hem deed zwijgen.
De kalif had aan eene der vrouwen bevolen, op de luit te spelen en daarbij te zingen. De woorden, waarvan zij zich bediende waren zeer hartstogtelijk, en de kalif, meenende dat zij aldus zong op last van Schemselnihar, die hem meermalen langs dezen weg hare liefde had te kennen gegeven, paste alles natuurlijk op zich zelven toe. Ditmaal echter lag zulks niet in de gedachten van Schemselnihar. Die woorden waren gerigt tot haren teeder geliefden Hassan, en zij gaf zich zoo zeer aan hare smart over, dat zij in zwijm viel. Zij sloeg achterover, en zou gevallen zijn, indien niet eenige harer vrouwen haar dadelijk te hulp waren gesneld. Deze namen haar op, en droegen haar naar de zaal.
Ebn Thahar, door dit voorval verrast, draaide het hoofd naar de zijde, waar de prins van Perzië zich bevond; maar in plaats van dezen tegen de jalousiën te zien leunen om, gelijk hij, gade te slaan wat er in den tuin voorviel, zag hij hem tot zijne groote verwondering buiten kennis op den grond liggen. Hij schreef dit toe aan de groote mate van liefde, welke de prins voor Schemselnihar moest gevoelen, en verbaasde zich over dit zonderling zamentreffen. Hij wendde alles aan, om den prins weder bij te brengen, maar te vergeefs! Zijne verlegenheid nam nog toe, toen de vertrouwde van Schemselnihar de deur van de galerij opende, en in de grootste verwarring, naar adem hijgende, binnentrad. „Kom spoedig,” riep zij, „opdat ik u uitlate. Alles is hier in rep en roer, en ik vrees, dat onze dagen geteld zijn!” „Maar hoe wilt gij, dat wij vertrekken zullen?” gaf Ebn Thahar ten antwoord. „Ik bid u, kom hier, en zie in welk een' toestand de prins van Perzië zich bevindt!” Toen de vertrouwde zag, dat hij in zwijm lag, ging zij dadelijk water halen, zonder tijd met praten te verliezen.
Het water deed hier goede dienst; de prins kwam weldra weder tot bewustzijn, doch gevoelde zich zeer zwak. Eene nieuwe verlegenheid voor Ebn Thahar! Maar er was geen' tijd te verliezen. „Prins,” zeide hij, „indien wij langer hier blijven, loopt ons leven gevaar, herneem dus de heerschappij over u zelven, en laat ons zonder verwijl vertrekken.” Aboul-Hassan was echter zoo zwak, dat zij hem moesten overeind helpen. Nu namen zij hem elk bij eene hand, ondersteunden hem zoo veel mogelijk, en bereikten zoo het poortje, dat op den Tigris uitkwam. Zij gingen voort tot aan een klein kanaal, dat met de rivier gemeenschap had. De vertrouwde klapte in de handen, en dadelijk vertoonde zich een klein schuitje, slechts door een' enkelen roeijer bestuurd. Aboul-Hassan en zijn vriend gingen aan boord, de vertrouwde bleef aan den oever achter. Zoodra de prins gezeten was, strekte hij de hand uit naar den kant van het paleis, en de andere op zijn hart leggende, riep hij met zwakke stem: „Beminde van mijne ziel, ontvang met deze hand de belofte van eeuwige trouw, terwijl ik met de andere zweer, dat het voor u in mijn hart brandend vuur onuitbluschbaar is, tot aan zijn laatsten ademtogt!”
Inmiddels trachtte de roeijer met den meesten spoed vooruit te komen, terwijl de vertrouwde van Schemselnihar het bootje langs den oever van het kanaal volgde, totdat het den Tigris bereikt had. Eerst hier nam zij afscheid van Ebn Thahar en van den prins van Perzië.
Aboul-Hassan gevoelde zich nog altijd zeer zwak, hoewel Ebn Thahar hem zoo veel mogelijk troostte en aanspoorde moed te houden. „Bedenk,” zeide hij, „dat wij, van af de plaats, waar het bootje zal aanleggen, tot mijne woning, nog een goed eind weegs zullen moeten loopen; want om u naar uw huis te brengen, daar is, in uwen tegenwoordigen toestand en in dit nachtelijk uur, volstrekt geen denken aan. Wij zouden ook gevaar loopen, door de wacht ontmoet en aangehouden te worden.”