Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Derde deel

Part 13

Chapter 133,820 wordsPublic domain

Het was toen, dat de kleine gebogchelde half beschonken zich voor mijne werkplaats liet zien, en zoo mooi zong en op de tambourijn speelde, dat het een lust was hem aan te hooren. Ik meende daarom mijne vrouw een genoegen te verschaffen, door hem mede te nemen naar mijn huis. Dit deed ik. Mijne vrouw zette ons een' schotel met visch voor, en ik diende daarvan een stuk aan den gebogchelde toe, die dit gretig binnenslokte, zonder te letten dat er eene graat in zat. Wij wenden alles aan, om hem te helpen, maar niets mogt baten; hij was aan de graat gestikt en dood. In de verlegenheid, waarin dit treurige voorval ons bragt, en bevreesd voor de gevolgen, werden wij er op bedacht ons van het lijk te ontdoen. Wij wisten dit op eene behendige wijze aan den Joodschen doctor in handen te spelen. De Joodsche geneesheer liet het door den schoorsteen in de kamer van den magazijnmeester zakken. Deze laatste bragt het op de straat, ter plaatse waar men meende, dat de Christenkoopman den armen gebogchelde versloeg. Dit is het, sire,” vervolgde de kleêrmaker, „wat ik te zeggen heb, om uwe majesteit tevreden te stellen. Het staat thans aan u, ons genade te verleenen of uwen toorn te doen ondervinden.”

Bij deze woorden vertoonde zich op het gelaat van den sultan van Cachgar een trek van tevredenheid, die aan den armen kleêrmaker en zijne lotgenooten goede hoop deed koesteren. „Ik kan niet ontkennen,” sprak de sultan, „meer getroffen te zijn door de mij verhaalde geschiedenissen, dan door het ongelukkig lot van mijn' hofnar. Maar alvorens u alle vier te laten heêngaan, en vóór dat men het lijk van den gebogchelde begraaft, begeer ik dien barbier te zien, aan wien gij hoofdzakelijk uwe vergiffenis te danken hebt. En daar hij zich in mijne hoofdstad bevindt, is het eene gemakkelijke zaak mijne nieuwsgierigheid te bevredigen.” Te gelijker tijd beval hij een' zijner dienaren met den snijder, die wist waar de barbier zich doorgaans ophield, hem herwaarts te brengen.

De bode en de snijder kwamen reeds spoedig terug, en bragten den barbier mede, dien zij aan den sultan voorstelden. De barbier was reeds een grijsaard van negentig jaar, zijn baard en zijne wenkbraauwen waren zoo wit als sneeuw, zijn neus was buitengewoon lang, en de oorlellen hingen hem tot op de schouders. De sultan sprak hem aldus aan: „Zwijgend mensch,” zeide hij, „ik heb vernomen, dat gij zulke verwonderlijke geschiedenissen kunt vertellen; zoudt gij er mij wel eene willen verhalen?” „Sire,” antwoordde de barbier, „dat wij met uw goedvinden de geschiedenissen voor het tegenwoordige laten rusten. Ik smeek uwe majesteit zeer nederig, mij te veroorloven haar te vragen, wat deze Christen, deze Jood, deze Muzelman en deze doode gebogchelde, dien ik daar op den grond zie liggen, hier te maken hebben.” De sultan glimlachte om de vrijheid, die de barbier zich veroorloofde, en zeide tot hem: „Wat belang hebt gij daarbij?” „Sire,” hernam de barbier; „ik wil uwe majesteit toonen, dat ik niet, gelijk sommigen mij ten onregte nageven, een groote prater ben, maar een man, die met het volste regt den naam draagt van „den zwijger.””

De sultan van Cachgar moest op nieuw lagchen; hij beval echter aan de nieuwsgierigheid van den barbier te voldoen, door hem de geschiedenis van den kleinen bogchel mede te deelen. Toen de barbier ze had aangehoord, schudde hij zijne lange ooren, alsof hij te kennen wilde geven, dat er in die geschiedenis iets lag opgesloten, daar hij geene hoogte van kon krijgen. „Waarlijk,” schreeuwde hij, „deze gebeurtenis is zeer verwonderlijk; maar ik ben blijde den doode van nabij te kunnen onderzoeken.” Hij naderde het lijk; ging op den grond zitten, nam het hoofd op zijne knieën, en beschouwde dit met opmerkzaamheid. Eensklaps borst hij nu in lagchen uit, en dit met zoo weinig terughouding, dat hij zich achterover op den grond liet vallen, zonder in aanmerking te nemen, zich voor den sultan van Cachgar te bevinden. Daarna zich weder oprigtende, zonder evenwel zijn lagchen te staken, riep hij uit: „Men zegt, en niet zonder reden, dat de dood eene oorzaak moet hebben. Indien ooit eene geschiedenis waardig is geweest, in gouden letteren beschreven te worden, zoo is het deze van den gebogchelde.”

Op zulk eenen zoo weinig betamenden uitroep zag ieder den barbier voor een' spotvogel aan, of voor een' grijsaard, die kindsch was. „Zwijgend mensch,” zeide de sultan tot hem, „zeg mij, wat hebt gij, dat u zoo onzinnig doet lagchen?” „Sire,” antwoordde de barbier, „ik zweer u, dat deze bogchel niet dood is. Hij leeft nog, en ik wil voor krankzinnig doorgaan, als ik u dit niet op het oogenblik doe zien.” Dit zeggende, kreeg hij uit zijn medicijn-kistje, dat hij altijd bij zich droeg, een klein fleschje met olie, waarmede hij eenen geruimen tijd den hals van den gebogchelde inwreef. Vervolgens nam hij uit zijnen koker een zeker instrument, dat hij hem tusschen de tanden zette, om den mond open te houden, en trok met een tangetje, dat hij hem diep in de keel bragt, het stuk visch met graat en al er uit. Terstond daarop begon de bogchel te niezen, rekte de armen en beenen uit, opende de oogen, en gaf andere teekenen, dat hij in het land der levenden was teruggekeerd.

De sultan van Cachgar en allen, die van deze goed gelukte operatie getuige waren, wisten niet waarover zij zich het meest moesten verwonderen, over het herleven van den bogchel, die nu bijna vier-en-twintig uren voor dood had gelegen, of over den barbier, die hem weder tot bewustzijn had teruggebragt, en dien men thans, niettegenstaande zijne gebreken, voor een groot man begon aan te zien. De sultan, opgetogen van vreugde en bewondering, gaf bevel, dat de geschiedenis van den barbier, te gelijk met die van den kleinen bogchel, zou worden beschreven, opdat de herinnering daaraan mogt bewaard blijven. Hij liet het daarbij echter niet: de snijder, de Joodsche geneesheer, de Muzelmansche magazijnmeester en de Christenkoopman moesten eene blijde herinnering hebben aan de gebeurtenis, die hen door de gulzigheid van den bogchel was bejegend. De sultan liet hen niet van zich gaan, zonder aan elk hunner een zeer rijk kleed te geven, dat zij in zijne tegenwoordigheid moesten aantrekken. Wat de barbier betreft, aan dezen gaf hij een groot pensioen, en hield hem aan zijn hof.

GESCHIEDENIS VAN ABOUL-HASSAN ALI EBN BECAR EN SCHEMSELNIHAR, BEMINDE VAN DEN KALIF HAROUN-AL-RASCHID.

Onder de regering van den kalif Haroun-al-Raschid woonde er te Bagdad een drogist, Aboul-Hassan Ebn Thahar genaamd. Deze man was zeer rijk, en welgemaakt van persoon, aangenaam in den omgang, geestig en wellevend, terwijl zijne eerlijkheid, rondborstigheid en vrolijk gestel hem bij een ieder bemind maakten. De kalif stelde in dezen man een blind vertrouwen. Hij achtte hem zoo hoog, dat hij aan hem overliet, de dames van het serail van al het noodige te voorzien. Ebn Thahar moest haar kleederen, juweelen, meubelen enz. kiezen, en hij kweet zich van zijne taak uitmuntend.

Deze goede eigenschappen van Ebn Thahar en de gunst, waarin hij bij den kalif stond, gaven aanleiding, dat zijn gezelschap gezocht werd door de zonen der emirs en van andere hooggeplaatste personen. Zijn huis werd als het ware de verzamelplaats van alle hovelingen. Onder de jongelieden, die hem dagelijks bezochten, bevond er zich een, die boven alle anderen in zijne achting stond aangeschreven, en met wien hij eene bijzondere vriendschap onderhield. Deze jonge man heette Aboul-Hassan Ali Ebn Becar, en stamde af van eene oude koninklijke familie in Perzië. Die familie bestond nog te Bagdad, nadat de Muzelmannen met geweld van wapenen het koningrijk Perzië veroverd hadden. De natuur scheen er vermaak in te scheppen onzen jongen prins met hare schoonste gaven te bedeelen, zoowel naar den geest als naar het ligchaam. Zijn gelaat was zoo fraai en fijn gevormd en zijne gestalte zoo edel, dat de grootste schoonheidkenners in zijn' persoon geene enkele fout konden aanwijzen. Hij had tevens iets zoo innemends, dat men hem niet kon zien en niet tevens liefhebben. De klank van zijne stem was zeer welluidend, en de woorden die hij sprak, droegen steeds het kenmerk van een juist oordeel, zooals men dit weinig bij jongelieden van zijne jaren aantreft. Bij al deze uitstekende hoedanigheden bezat hij de zeldzame deugd, zich daarop volstrekt niets te laten voorstaan.

Het is dus niet te verwonderen dat Ebn Thahar, bekend met zijne uitstekende hoedanigheden, aan dezen jongeling de voorkeur gaf, boven andere jongelieden, die voor het meerendeel meer ondeugden dan deugden bezaten. Eens nu, dat deze prins weder bij Ebn Thahar was, zagen zij eene dame aankomen, op een' half witten en half zwarten muilezel gezeten, omgeven door tien slavinnen, die alle te voet gingen en zeer rijk gekleed waren. De dame droeg een' prachtigen rooskleurige gordel, bezet met diamanten en paarlen van buitengewone grootte. Hare schoonheid, voor zoo ver geen nijdige sluijer ze bedekte, deed vermoeden, dat ze die harer slavinnen verre overtreffen moest. Zij had eenige bestellingen te doen, waarover zij Ebn Thahar wilde spreken; zij liet zich daarom van haar muildier glijden, en trad den ruimen en prachtigen winkel binnen. Ebn Thahar groette haar en ontving haar met den diepsten eerbied. Hij verzocht de schoone aan het hooger einde op eene met zijden kussens belegde sofa plaats te nemen.

Inmiddels liet de prins van Perzië deze gelegenheid, om aan eene dame van rang een bewijs van zijne wellevendheid te geven, niet ongebruikt voorbijgaan. Hij schudde het met gouddraad doorweven rugkussen, dat haar tot steun moest dienen, op, en trad toen met eene buiging terug, ten einde voor haar plaats te maken. Daarop groette hij door het tapijt te kussen, waarop hare voeten rustten, rigtte zich vervolgens weder op, en bleef voor haar staan aan het lager einde der sofa. Daar deze dame met Ebn Thahar zeer bekend was, deed zij haren sluijer af, en liet aan den prins van Perzië een paar oogen zien, van een' zoo schitterenden gloed, dat hij er tot in het hart door getroffen werd. Van haren kant, kon ook de dame zich niet onthouden den prins aan te zien, wiens beminnelijk voorkomen op haar een' gelijken indruk maakte. „Heer,” zeide zij op eene verpligtende wijze, „ik bid u, ga zitten.” De prins van Perzië gehoorzaamde, en zette zich op den rand der sofa. Hij kon de oogen niet van haar afwenden, en zoog het zoete vergif der liefde met lange teugen in. Zij bemerkte weldra, wat er in zijne ziel omging, en deze ontdekking deed ook hare liefde voor hem te meer ontvlammen. Zij stond op, naderde Ebn Thahar, zeide hem fluisterend, wat zij te bestellen had, en vroeg vervolgens naar den naam van den prins van Perzië. „Mevrouw,” antwoordde Ebn Thahar, „deze jongeling heet Aboul-Hassan Ali Ebn Becar, en is een prins van koninklijk bloed.”

De dame was verrukt te vernemen, dat de persoon dien zij beminde van zulke hooge afkomst was. „Gij wilt ongetwijfeld zeggen,” hernam zij, „dat hij afstamt van de oude koningen van Perzië.” „Ja Mevrouw,” antwoordde hij, „de laatste Perzische koningen zijn zijne voorouders, en na den ondergang van dat rijk, hebben hunne vorsten zich aan het hof van den kalif steeds door hunne deugden achtenswaardig gemaakt.” „Gij verschaft mij een groot genoegen,” zeide zij, „mij met dezen jongen prins in kennis te brengen. Indien ik deze vrouw bij u zend,” vervolgde de dame, op eene harer slavinnen wijzende, „om u te zeggen, wanneer ik u bij mij wensch te zien, zoo verzoek ik u hem mede te brengen. Ik ben verlangend hem de pracht van mijne woning te doen zien, opdat hij zich overtuige, dat onder de aanzienlijken te Bagdad de gierigheid geene heerschappij voert. Gij hebt wel verstaan, wat ik u gezegd heb. Blijf dus niet in gebreke; anders zou ik zeer boos op u zijn, en in uw leven zoudt gij mij niet weder hier zien.”

Ebn Thahar had te veel doorzigt, om niet uit deze woorden tot de gevoelens, welke de schoone koesterde, te besluiten. „Mijne prinses, mijne koningin,” hernam hij, „Allah beware mij, dat ik u immer reden zou geven om verstoord op mij te worden! Het zal mij steeds eene wet zijn, uwe bevelen na te komen.” Bij dit antwoord nam de dame met eene ligte hoofdbuiging afscheid van Ebn Thahar; en, na aan den prins van Perzië een' welwillenden blik te hebben toegeworpen, besteeg zij haar muildier en vertrok.

De prins van Perzië reeds tot gek wordens toe verliefd, volgde de dame met zijne oogen, zoo lang hij haar zien kon, en zelfs nog eenen geruimen tijd daarna stond hij te turen naar den kant, waar zij verdwenen was. Ebn Thahar waarschuwde hem ten laatste, dat hij de aandacht der voorbijgangers trok, die hem stonden aan te gapen, en hij lachte om het dwaze figuur dat de prins maakte. „Ach!” zuchtte deze, „gij zoudt mij veeleer beklagen, indien gij wist, dat die schoone dame mijn hart heeft gestolen. Ik bezweer u, zeg mij,” vervolgde de verliefde prins, „wie is zij toch, die de mannen dwingt haar te beminnen, zonder hun tijd van bedaard overleg te laten.” „Heer,” antwoordde Ebn Thahar, „het is de om hare schoonheid alom bekende Schemselnihar, beminde van den kalif.” „Zij wordt teregt zoo genoemd,” viel de prins in, „daar zij inderdaad schooner is, en de glans harer behoorlijke oogen meer kracht uitoefent, dan de middagzon aan een' onbewolkten hemel.” „Dat is waar,” hernam Ebn Thahar, „en om die reden wordt zij ook door den Beheerscher der geloovigen boven al zijne andere vrouwen bemind, ja aangebeden. Hij heeft mij bevolen, haar alles te verschaffen, wat hare oogen begeeren, en zoo mogelijk hare wenschen te raden en te voorkomen.”

Hij zeide dit met het oogmerk, om den jongen prins terug te houden, aan eene liefde toe te geven, die slechts zijn ongeluk ten gevolge kon hebben, maar het was olie in het vuur gegoten. „Ik had er reeds een voorgevoel van, bekoorlijke Schemselnihar,” riep hij uit, „dat het mij niet geoorloofd zou zijn, de oogen tot u op te heffen. Ik gevoel echter dat, hetzij dan ook zonder hoop uwe liefde te verwerven, ik nimmer zal ophouden u te beminnen. Ik wil u liefhebben en mijn noodlot zegenen, dat mij tot den slaaf heeft gemaakt van het schoonste wezen op den aardbodem.”

Terwijl de prins van Perzië zoo sprak over de schoone Schemselnihar, dacht ook zij in het naar huis gaan aan niets anders, dan aan een middel om den prins bij zich te zien en zich met hem te onderhouden. Zoodra zij zich ten harent bevond, zond zij de door haar aangeduide vrouw naar Ebn Thahar, met bevel haar met den prins te komen bezoeken. De slavin kwam dus reeds in den winkel van Ebn Thahar terug, toen deze nog met den prins aan het praten was, en hem zocht terug te brengen van de dwaasheid, om zijne liefde te vestigen op de beminde van den Beheerscher der geloovigen. Daar de slavin hen bij elkander vond, sprak zij beiden aan, zeggende: „Mijne heeren, de door mij hooggeschatte Schemselnihar, de beminde van den beroemden kalif Haroun-al-Raschid laat u verzoeken in haar paleis te komen, waar zij op u wachtende is.” Ebn Thahar stond dadelijk op, en toonde zich gereed de slavin te volgen, hoewel de zaak als zaak hem geheel niet naar den zin was. Wat de prins betreft, hij dacht volstrekt niet aan het gevaar, waarmede een dergelijk bezoek vergezeld ging. Een minnaar is zelden vreesachtig; en de tegenwoordigheid van zijn' vriend, die vrijen toegang in het serail had, verminderde ook het gevaar aanmerkelijk. Beide volgden dus op staanden voet de slavin, welke voor hen uitging. Zij kwamen even na haar aan het paleis van den kalif, en haalden haar in bij het kleine paleis van Schemselnihar, waarvan de poort reeds open stond. De slavin bragt hen nu in eene groote zaal, waar zij hen verzocht plaats te nemen.

De prins van Perzië meende zich in een der paleizen te bevinden, zooals deze aan de Muzelmannen in een volgend leven beloofd zijn. Hij had nog nooit iets gezien, dat te vergelijken was met de hier heerschende pracht. De tapijten, de kussens op de sofa's, en alle andere meubels waren even rijk als smaakvol. Zij hadden nog niet lang daar vertoefd, toen eene zwarte slavin eene tafel dekte, en de keurigste geregten opdroeg, hen uitnoodigende daarvan gebruik te maken. Zoodra de maaltijd afgeloopen was, gaf men aan beide gasten een gouden bekken en eene met water gevulde vaas, om de handen te wasschen. Vervolgens bragt men reukwerk en aloéhout op draagbare gouden komforen, om hunnen baard en hunne kleederen te berooken. Ook de welriekende wateren werden niet vergeten; men goot hun het reukwater in beide handen, waarmede zij, volgens Oostersch gebruik, den baard en geheel het gelaat inwreven. Toen namen zij hunne plaats weder in, maar zij waren naauwelijks gezeten, of de slavin verzocht hun op te staan en haar te volgen. Zij ontsloot voor hen eene deur in het vertrek, waar zij zich bevonden, en nu kwamen zij in eene veel grootere prachtig ingerigte zaal. Honderd marmeren kolommen, in glans en witheid aan het zuiverste albast gelijk, schraagden het koepelvormig verwulfsel. Tusschen elke kolom was eene kleine sofa, terwijl de oogen als het ware verblind werden door een ontelbaar aantal groote met goud en edelgesteenten versierde vazen van porselein, kristal, jaspis, albast, porphyr en agaatsteen. De zaal had het uitzigt in den bekoorlijksten tuin, welken men zich kan voorstellen. De lanen waren ingelegd met steentjes van verschillende kleuren, terwijl het oog getrokken werd door eene rots waaruit twee beken vloeiden, welke haar helder en doorschijnend water als twee zilveren armen, over een bruin veld, in eene marmeren kom uitstortten. Duizende vogels lieten van tusschen het loover hun betooverend gezang hooren.

Ofschoon al die pracht en al het schoone, dat zich hier aan hen voordeed, voor Ebn Thahar niet geheel nieuw was, deelde hij toch in de bewondering van den prins van Perzië, wiens blik spoedig een ander rustpunt vond. Wat zijne aandacht trok, waren eenige rijk gekleede slavinnen, van verschillende muzijkinstrumenten voorzien, die zich in de nabijheid van de koepelzaal nederzetten, en slechts op een teeken schenen te wachten, om met spelen te beginnen.

De prins en Ebn Thahar plaatsten zich bij een der ramen, waar zij de slavinnen regt voor zich hadden. Maar, waar het den prins om te doen was, de schoone Schemselnihar zag hij niet. Aan haar alleen denkende, zeide hij tot Ebn Thahar: „Wat u aangaat, gij zijt een man van verstand en van een onbevangen oordeel. Uw gevoel voor schoonheid kan dus in al deze pracht voedsel en voldoening vinden. Wat echter mij betreft, ook ik vind dit alles verwonderlijk fraai; maar indien ik daarbij bedenk, dat dit prachtige gebouw tot verblijf verstrekt aan de al te beminnelijke Schemselnihar, en dat het de magtigste monarch der geheele aarde is, die haar hier houdt, zoo moet ik u bekennen, dat ik mij te midden van al deze schoonheid zeer ongelukkig gevoel. Is er wel een wreeder lot dan het mijne, haar te beminnen, die zich geheel in de magt bevindt van een' alles vermogenden mededinger; zoo magtig, dat ik, bij eene ontdekking van mijn vertoeven alhier mijn leven niet zeker acht.”

„Heer,” zeide Ebn Thahar, den prins aldus hoorende spreken, „mogt het in mijne magt staan, u zoo gelukkig te doen zijn in uwe liefde, als ik u de verzekering kan geven betreffende de veiligheid van uw leven! Hoewel dit prachtige gebouw het eigendom van den kalif is, die het voor Schemselnihar heeft laten optrekken, onder den naam van _Paleis van het altoosdurende vermaak_, en hoewel het aan zijn eigen paleis grenst, zoo moet gij tevens weten, dat deze dame hier in volle vrijheid leeft. Zij wordt niet bewaakt door gesnedenen, die op hare handelingen moeten letten, maar is geheel vrij in al haar doen en laten. Zij kan uitgaan en te huis komen wanneer zij wil; en nooit brengt de kalif haar een bezoek, zonder haar daarvan vooraf verwittigd te hebben door Masrour, den opperste zijner gesnedenen, teneinde haar den tijd te laten, zich daarop voor te bereiden. Stel u dus gerust, en schenk uwe onverdeelde aandacht aan de muzijk, waarmede ik bemerk, dat Schemselnihar u wil verrassen.”

Terwijl Ebn Thahar dus sprak, zagen zij de vertrouwde slavin komen, die aan de andere slavinnen het bevel van hare meesteres overbragt, om met spelen een' aanvang te maken. Dadelijk begonnen allen gelijktijdig hunne instrumenten te stemmen. Hiermede gereed, trad eene harer vooruit, en zong, daarbij op de luit spelende, een lied, waarvan de woorden en de uitdrukking geheel toepasselijk waren op den gemoedstoestand van den prins van Perzië. Hij kon zich dan ook niet onthouden, haar toe te juichen en aldus aan te spreken: „Is het mogelijk, dat gij de gave zoudt bezitten, om in de harten te lezen? Ik zou mij van geene andere woorden bediend hebben.” De slavin antwoordde op deze toespraak niet. Zij ging voort met spelen, en zong nog verscheidene coupletten, waardoor de prins zich zoo getroffen gevoelde, dat hij de woorden daarvan met tranen in de oogen herhaalde, en zoo zijne goedkeuring blijken liet.

Toen zij haar lied geeindigd had, stonden ook al hare gezellinnen op, en zongen in koor, door hunne woorden te kennen gevende, dat de volle maan weldra in al haren luister aan den hemel zou verschijnen, en de zon zou naderen, hetwelk in Oostersche beeldspraak zoo veel beteekende, dat Schemselnihar zich weldra vertoonen, en de prins van Perzië het genoegen smaken zou, haar te aanschouwen.

Ebn Thahar en de prins van Perzië nu den blik naar het voorhof wendende, zagen werkelijk de vertrouwde van Schemselnihar verschijnen, gevolgd door een tiental zwarte slavinnen, die met groote moeite eenen kunstig bewerkten troonzetel van massief zilver droegen, en dien op eenigen afstand van de koepelzaal nederzetten, waarna zij tusschen het geboomte verdwenen. Zij werden gevolgd door twintig blanke slavinnen, alle op de zelfde wijze zeer rijk gekleed, welke den troon naderden, en zich in twee rijen aan weêrszijden schaarden. Vervolgens zag men tien andere, even prachtig uitgedoste slavinnen, met muzijkinstrumenten in de hand, verschijnen, welke bij de poort post vatten, waarschijnlijk om hare meesteres, de beminde van den kalif, op te wachten, die zich ook weldra vertoonde en zich in haar midden plaatste. Men kon in haar gemakkelijk de gebiedster erkennen, zoowel aan haar fier en majestueus voorkomen, als aan eenen hemelsblaauwen met gouden sterren bezaaiden mantel, welke zij aan den schouder gehecht had, en die in bevallige plooijen over haar niet minder prachtig opperkleed afhing. Hare versierselen in paarlen, diamanten en robijnen waren minder in groote menigte, maar meer met smaak aangebragt en van eene onschatbare waarde. Zij ging met statigen tred voorwaarts, niet ongelijk aan de zon, welke de wolken, die haar bij haren loop omgeven, met hare stralen verlicht, en zette zich op den zilveren troon, welken men aldaar voor haar geplaatst had, neder.

[Illustratie: Aboul-Hassan en Schemselnihar.

Dl. III, pag. 161.]