Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Derde deel

Part 12

Chapter 123,881 wordsPublic domain

„Ga,” zeide zij vervolgens, „en haal eenige dragers, om dezen schat naar uwe woning over te brengen. Als gij mij slechts zoo veel laat, dat ik elders afgezonderd kan leven, zal ik u dankbaar zijn.” Mijn broeder liet zich dit geen tweemaal zeggen. Zijn droombeeld was verwezentlijkt, hij zou plotseling een schatrijk man zijn. Of hij daarbij ook weder dacht, om de dochter van den groot-vizier ten huwelijk te vragen, heeft hij mij nooit verteld; maar wel dat hij zich haastte met een tiental gespierde mannen, die hij weldra bijeen had, terug te komen. Hij was echter niet weinig verwonderd, de deur open te vinden, en nog hooger klom zijne verbazing, toen hij op de kamer kwam, waar hij de koffers met goud had gezien, en daarvan niets meer te vinden was. De jonge dame, beter voor deze zaak berekend en vlugger dan mijn broeder, had ze reeds laten weghalen, en was ook zelve verdwenen. Bij gebrek van beter, en om niet met ledige handen van daar te gaan, liet nu mijn broeder het kostbaarste huisraad, en alles wat waarde had, bijeenpakken en naar zijne woning brengen. De waarde van een en ander bedroeg veel meer, dan de vijf-honderd stukken goud, die hem ontroofd waren. Het huis verlatende, vergat hij echter de deur te sluiten. Dit, en de haastige manier van verhuizen, waarvan zij getuigen waren, kwam aan de buren verdacht voor. Zij gaven er den regter kennis van. Mijn broeder bragt dien nacht in onverstoorde rust door, maar des morgens willende uitgaan, vond hij zijne deur bezet met een twintigtal geregtsdienaars, die hem staande hielden, en tot hem zeiden: „Ga eens met ons; onze meester moet u spreken.” Mijn broeder bad hun een oogenblik geduld te hebben, en bood hun geld aan, om hem te laten ontkomen. Zij wilden hiernaar echter niet hooren, maar bonden hem de handen op den rug, en dwongen hem in hun midden mede te gaan In zekere straat ontmoette Alnaschar een' ouden vriend, die hem staande hield, en naar de reden vroeg, waarom hij dus behandeld werd. Hij bood den geregtsdienaars eene vrij aanzienlijke geldsom aan, indien zij mijn' broeder in vrijheid wilden stellen, en aan den regter zeggen, dat zij hem niet hadden kunnen vinden: maar ook hij kon niets van hen verkrijgen.

Toen de geregtsdienaars,”” vervolgde de barbier; „„Alnaschar voor den regter gebragt hadden, zeide deze tot hem: „Ik wil gaarne van u weten, van waar gij al die meubelen hebt, welke gij gisteren naar uwe woning hebt laten overdragen?” „Heer,” antwoordde Alnaschar, „ik ben bereid u de volle waarheid te zeggen; maar vooraf neem ik de vrijheid mij op uwe goedertierenheid te beroepen, en u te smeeken mij uw woord te geven, dat mij geen leed zal wedervaren.” „Dat geef ik u,” zeide de regter. Nu verhaalde mijn broeder, zonder iets achter te houden, alles wat hem was overkomen, en wat hij gedaan had, sedert de oude bij hem was binnengedrongen, tot zijne laatste ontmoeting met de jonge dame, die hij in het leven had gespaard, na den zwarte, de Grieksche slavin en het verraderlijke oude wijf aan zijne billijke wraak te hebben opgeofferd. Met betrekking tot het door hem weggedragen huisraad, smeekte hij den regter, hem daarvan althans een gedeelte te laten behouden, als vergoeding voor de vijf-honderd goudstukken, welke hem ontstolen waren.

De regter, zonder iets te beloven, zond nu eenige van zijne dienaren naar mijn broeders woning, om alles weg te halen. Nadat zij hem berigt hadden, dat het huis leeg was, en alles zich ten zijnent bevond, beval hij Alnaschar om onmiddelijk de stad te verlaten, en daarin zijn leven lang niet weder terug te keeren. De regter deed dit uit vrees, dat mijn broeder, indien hij te Bagdad bleef, hem wegens zijne onregtvaardigheid bij den kalif mogt aanklagen. Intusschen gehoorzaamde Alnaschar zonder morren aan dit onregtvaardige en harde bevel. Hij verliet de stad, om zich naar eene andere plaats te begeven; maar onder weg werd hij door roovers overvallen, die hem geheel uitschudden. Ik had naauwelijks van deze laatste ramp kennis gekregen, of ik nam een kleed mede, en ging hem opzoeken. Na den ongelukkigen Alnaschar zoo veel in mijn vermogen was, getroost te hebben, bragt ik hem langs zijwegen in stilte weder in de stad, waar ik zoowel voor hem als voor zijn andere broeders zorg droeg.

GESCHIEDENIS VAN DEN ZESDEN BROEDER VAN DEN BARBIER.

Er blijft mij thans niets meer u te verhalen over, sire,”” ging de barbier in een' adem voort, „„dan de lotgevallen van mijn' zesden broeder, genaamd Schacabac met de gespleten lippen. Hij wist in den aanvang met de honderd drachmen, welke hem even als zijne andere broeders als erfdeel waren te beurt gevallen, zeer wel zijn voordeel te doen, zoodat hij goede zaken maakte; maar de fortuin keerde hem den rug toe, en spoedig zag hij zich genoodzaakt, zijn brood te gaan bedelen. Hij kweet zich hiervan met behendigheid, en legde het er vooral op toe, zich in de gunst van dienstboden te dringen, ten einde den vrijen toegang tot hunne meesters te hebben, wier medelijden hij dan wist gaande te maken. Mijn broeder Schacabac was dus, zelfs als bedelaar, in zijn vak een knap man.

Eens nu, dat hij voorbij een prachtig huis kwam, waarvan de groote hooge poort open stond, en hem het gezigt vrij liet tot op de ruime binnenplaats, waar eene menigte rijk uitgedoste dienstboden en slaven op en neêr liepen, naderde hij een' van dezen en vroeg hem, aan wien dit prachtige gebouw behoorde. „Goede man,” antwoordde de bediende, „uit welken hoek der wereld komt gij, dat gij mij zulk eene vraag doet? Kunt gij uit alles, wat gij hier ziet, niet opmaken, dat dit het verblijf is van een' Barmeyer?” Mijn broeder, aan wien de edelmoedigheid en milddadigheid der Barmeyers niet onbekend was, wendde zich nu tot een' der portiers, want er waren er verscheidenen, en verzocht hem om eene aalmoes. „Ga naar binnen,” zeiden zij, „niemand weêrhoudt u, en vervoeg u in persoon bij den meester des huizes; hij zal u niet onvoldaan laten heengaan.”

Schacabac had zulk eene vriendelijke behandeling niet verwacht; hij bedankte er den portier voor, en trad het hôtel binnen, hetgeen zoo groot was, dat hij een geruimen tijd noodig had, om de vertrekken van den Barmeyer te bereiken. Eindelijk kwam hij aan een vierkant gebouw van de schoonste bouworde, en trad een met wit marmer bevloerd voorportaal binnen, dat in een' zeer fraaijen tuin uitzigt gaf. Links en regts waren de deuren, die tot de benedenvertrekken toegang gaven. Mijn broeder trad op goed geluk af eene van deze kamers binnen, en werd getroffen door de hier heerschende pracht; vooral trok het behangsel van hemelsblaauwe zijde, met gouden bladeren doorweven, zijne bewondering. Hij had echter den tijd niet, om zijn schoonheidsgevoel den vrijen loop te laten, want zich omkeerende, zag hij op eene prachtige sofa een' man met een' langen sneeuwwitten baard zitten, van een indrukwekkend voorkomen. Zijn vermoeden, dat dit de meester des huizes zou zijn, was gegrond. Op verpligtende wijze heette deze hem welkom, en vroeg hem, wat hij verlangde. „Heer,” antwoordde mijn broeder, op klagenden toon, „ik ben een arm mensch, die behoefte heeft aan de hulp van vermogende en edelmoedige menschenvrienden zooals gij.”

De grijsaard scheen verwonderd over het antwoord van mijn' broeder, en de beide handen op de hoogte van zijne maag brengende, als wilde hij tot een teeken van droefheid zijne kleederen verscheuren, riep hij uit: „Is het mogelijk dat, terwijl ik in Bagdad woon, een man als gij zich in zulke behoeftige omstandigheden bevindt, zooals gij mij daar gezegd hebt? Ziedaar iets, dat ik niet kan, noch wil dulden.” Deze uitval deed mijn' broeder verwachten, dat hij hem van zijne milddadigheid een uitstekend blijk wilde geven, en daarom wenschte hij hem reeds bij voorraad duizend zegeningen en alles goeds toe. „Het zal niet gezegd worden,” hernam de grijsaard, „dat ik u aan uw lot overlaat; en ik zal evenmin gedoogen, dat gij mij verlaten zult.” „Heer,” hervatte mijn broeder, „ik bezweer u, dat ik heden nog niets gegeten heb.” „Kan het waar wezen,” hernam hij, „dat gij op dit ver gevorderd uur van den dag nog nuchteren zoudt zijn? Ach, gij arme man, gij zult nog van honger omkomen. Hola! jongen,” ging hij met stemverheffing voort, „dat men spoedig een bekken en water brenge, opdat wij onze handen kunnen wasschen.”

Hoewel er geen jongen kwam opdagen, en mijn broeder noch bekken, noch water zag, liet echter de grijsaard niet na zijne handen te wrijven, even als iemand daarover water had gegoten, en dit doende zeide hij tot mijn' broeder: „Kom toch hier, en wasch u met mij.” Schacabac besloot hieruit, dat deze oude man veel van eene grap hield. Daar ook hij, als het op gekscheren aankwam geen kind was, en bovendien zeer wel wist, dat de arme lieden inschikkelijk moeten zijn en zich voegen naar de grillen der rijken, willen zij hun eigen voordeel behartigen, trad hij nader, en deed zooals hem gezegd werd.

„Men brenge het eten op,” riep vervolgens de grijsaard, „en late ons niet wachten.” Dit zeggende, zette hij zich aan tafel, en ofschoon er nog niets was opgedragen, deed hij alsof hij iets uit eenen schotel nam, bragt dit aan den mond, en begon te kaauwen, terwijl hij tot mijn' broeder sprak: „Ik bid u, eet dan, mijn gast, en ontzie u niet, doe alsof gij ten uwent waart; voor een uitgehongerd mensch eet gij als zeer weinig en langzaam, naar het mij voorkomt.” „Verschoon mij heer,” antwoordde Schacabac zijne bewegingen navolgende, „gij ziet, dat ik geen' tijd verlies en mijn uiterste best doe.” „Wat zegt gij van dit brood,” vroeg de oude man, „vindt gij het niet lekker?” „Wat dat betreft, heer,” hernam mijn broeder, die noch brood noch vleesch zag, „ik moet u betuigen nooit zulk wit en heerlijk brood gegeten te hebben.” „Doe er u dan te goed aan,” sprak hij weder, „ik verzeker u, dat ik de slavin, welke mij dit keurige brood bakt, met vijf honderd stukken goud betaal.”

De Barmeyer,”” vervolgde de barbier, „„liet het echter bij brood alleen niet blijven. „Jongen,” riep hij, „breng ons een' anderen schotel. Mijn beste gast,” vervolgde hij, zich tot mijn' broeder wendende, „neem dan toch iets van deze nieuwe spijze, en zeg mij openhartig of gij ooit van een schaap hebt gegeten, dat zoo keurig was toebereid als dit?”. „Het is overheerlijk,” zeide mijn broeder, „en daarom zal ik zoo vrij zijn, er goed van te eten.” „Dat zal mij een groot vermaak zijn,” hernam hij, „en daar dit geregt zoo zeer in uwen smaak schijnt te vallen, zoo bid ik u, er niets van over te laten.” Een oogenblik daarna riep hij om eene gans, toebereid met azijn, honig, erwten en gedroogde rozijnen en vijgen. „De gans is ter dege vet,” bemerkte de grijsaard, ofschoon deze hem evenmin gebragt was, als vroeger het schapenvleesch, „eet dus alleen een' vleugel of een stukje van de borst. Gij moet op éénmaal niet te veel van uwe maag vergen, want er zullen ons nog verscheidene andere spijzen worden voorgezet.”

Werkelijk vroeg hij nog om verschillende schotels, waarvan mijn broeder, hoewel bijna flaauw van honger, zich nogtans hield, iets te nemen en te eten. Maar wat de Barmeyer boven alles aanprees, was een lam opgevuld met pimpernoten, dat hij nu beval op te dragen, maar dat evenmin op tafel werd gebragt als de vorige spijzen. „Wat dit kostje aangaat,” zeide hij, „ik wil, dat gij er genoeg van eet.” Dit zeggende, deed hij weder alsof hij een stuk in de hand nam en voor den mond van mijn' broeder bragt. „Neem en proef,” vervolgde hij, „en gij zult kunnen oordeelen of ik ongelijk heb, u dezen schotel aan te prijzen.” Schacabac rekte den hals uit, opende den mond, veinsde het stuk aan te nemen, te kaauwen, en met een onbeschrijfelijk genoegen door te slikken. „Niets ter wereld kan overheerlijker zijn,” sprak mijn broeder, „ronduit gesproken, uwe tafel is onovertreffelijk in uitgezochte spijzen.” „Dat men thans de ragout opdrage,” schreeuwde de oude, „ik vlei mij, gij daarover niet minder zult te vreden zijn, dan over het lam. Welnu! wat zegt gij?” „Die ragout is onverbeterlijk,” antwoordde mijn broeder, „men proeft er den amber, de kruidnagelen, de gember, de peper en andere geurige kruiden uit. Welk eene lekkernij!” „Doe mijne ragout dan eer aan,” hernam de man met den grijzen baard, „eet er goed van, als ik u bidden mag. Hola! jongen,” vervolgde hij, „dat men eene andere ragout opdrage!” „Neen, liefst niet,” viel mijn broeder in, „waarlijk heer, het is mij onmogelijk meer te eten.”

„Dat men dan afneme,” beval de Barmeyer, „en fruit opzette!” Hij wachtte een oogenblik, als om aan de bedienden den tijd te geven het dessert op te dragen, waarna hij het woord weder opnam. „Bedien u van deze amandelen,” vervolgde hij, „zij zijn goed en versch geplukt.” Beiden deden nu, alsof zij amandelen pelden en aten. Hierop noodigde de grijsaard mijn' broeder uit, zich ook van de andere schotels te bedienen. „Zie hier,” zeide hij, „alle soorten van vruchten, versche en gedroogde oranje-appelen, perziken, rozijnen en bovendien confituren. Kies naar uwen smaak. Doch laat mij eerst u dit eens aanbieden,” vervolgde hij, eene beweging met de hand makende, alsof hij iets opnam en het hem aanbood. „Deze tabletten zijn uitnemend, om de spijsvertering te bevorderen.” Schacabac maakte de beweging er van te nemen en te eten. „Heer,” zeide hij, „de muskaat ontbreekt er niet in.” „Deze soort van kruidkoekjes worden hier gemaakt,” antwoordde de Barmeyer; „en daarbij, gelijk trouwens met alles wat in mijn huis is toebereid, wordt niets gespaard. Voor een man,” vervolgde hij, „die nog nuchteren was, toen hij aan tafel ging, dunkt mij, dat gij bijna niets gegeten hebt.” „Heer,” sprak mijn broeder, wiens kakebeenen reeds zeer deden van het kaauwen met een' ledigen mond, „ik verzeker u, mijne maag zoo goed voorzien is, dat het mij niet mogelijk zou zijn, nog een enkel stukje te gebruiken.”

„Mijn gast,” hernam de Barmeyer, „ik zal u dan het eten niet verder opdringen; maar na zoo goed gespijsd te hebben, zal het drinken niet te onpas komen. Gij drinkt immers wel een glas wijn?” „Heer,” antwoordde mijn broeder, „met uw goedvinden, zal ik geen' wijn gebruiken, daar onze wet mij dit verbiedt.” „Gij zijt al te gemoedelijk,” meende de grijsaard, „doe zoo als ik.” „Ik zal dan uit beleefdheid voor u een glas drinken,” hernam Schacabac, „want ik bemerk, dat gij niet wilt, er iets aan uw feestmaal zal ontbreken; maar daar ik niet gewoon ben wijn te drinken, zoo vrees ik, hij mij naar het hoofd zal stijgen, en ik dan welligt tegen de wellevendheid zondigen, of zelfs den eerbied vergeten zou, die ik u verschuldigd ben. Uit dien hoofde verzoek ik u nogmaals, mij van het wijndrinken te verschoonen; ik zal mij met water vergenoegen.” „Neen, neen,” riep de Barmeyer, „zoo laat ik u niet gaan; gij moet wijn drinken.” Te gelijker tijd beval hij wijn aan te brengen, maar deze was niet beter te zien dan het vleesch en de vruchten. Toch maakte hij de beweging van in te schenken, en het eerst te drinken; daarna deed, hij alsof hij ook voor mijn' broeder inschonk, en hem het glas aanbood. „Drink op mijne gezondheid,” zeide hij, „en proef tevens, of gij dezen wijn goed vindt.” Mijn broeder hield zich, het glas aan te nemen, en dat van nabij te bekijken, als om te zien of de wijn eene schoone kleur had; hij bragt het onder den neus om te ruiken, of ook de geur aangenaam was. Daarna eene diepe hoofdbuiging makende, ten teeken dat hij de vrijheid zou nemen, op de gezondheid van zijn' gastheer te drinken, bootste hij de bewegingen na van iemand, die met smaak zijn glas leêg drinkt. „Heer,” zeide hij toen, „ik vind dezen wijn uitmuntend; maar, naar het mij voorkomt, is hij niet zeer krachtig.” „Indien gij krachtiger wijn begeert,” antwoordde de Barmeyer, „gij hebt dit slechts voor het zeggen, mijn wijnkelder is goed voorzien. Proef eens, of gij met dezen tevreden zijt?” Bij deze woorden maakte hij de beweging, uit eene andere flesch in te schenken, eerst voor zich zelven en daarna voor mijn' broeder. Hij herhaalde dit zoo dikwijls, dat Schacabac, dit spel moede wordende, veinsde te veel gedronken te hebben, en terwijl hij de bewegingen van een dronken mensch nabootste, ligtte hij de hand op, en gaf zijn' gastheer zulk een duchtige oorveeg, dat deze over den grond tuimelde. Hij wilde hem nu verder zijne plagerijen betaald zetten, maar de Barmeyer, wien dit spel te grof ging, stak de hand uit, om de slagen af te weren, en riep: „Wordt gij gek?” Mijn broeder zich toen oprigtende, zeide: „Heer, gij hebt de goedheid gehad uwen slaaf bij u te ontvangen, en hem een groot feestmaal te geven; gij hadt u daarmede moeten vergenoegen, en mij niet moeten dwingen wijn te drinken, want ik heb u vooraf gewaarschuwd, dat ik dan wel eens den eerbied zou kunnen vergeten, dien ik u verschuldigd ben. Ik heb er veel spijt van, en vraag u duizendmaal om verschooning.”

Naauwelijks had mijn broeder deze woorden geëindigd of de Barmeyer, in plaats van zich boos te maken, begon hartelijk te lagchen. „Ik zoek reeds sedert lang,” riep hij uit, „een' man van uwe geaardheid.” Hij bewees aan Schacabac duizend vriendelijkheden. „Niet alleen,” sprak hij, „dat ik u den mij toegebragten slag vergeef, ik wil, dat wij van stonden aan vrienden zullen zijn, en dat gij geen ander thuis zult hebben dan het mijne. Gij hebt de inschikkelijkheid gehad; u naar mijne luimen te voegen, en het geduld ons gekscheren ten einde toe vol te houden; ofschoon ik erkennen moet, dat de doorgestane proef voor een hongerig mensch niet van de prettigsten was. Daarom zullen wij nu in werkelijkheid maaltijd houden.” Vervolgens klapte hij in de handen, en beval aan den toeschietenden bediende, de tafel te dekken en op te dragen. Hij werd in een' oogwenk gehoorzaamd, en mijn broeder kon zich thans verzadigen aan dezelfde spijzen, die hij eerst slechts denkbeeldig genoten had. Nadat er was afgenomen, bragt men wijn op, en te gelijker tijd traden eene menigte slavinnen, allen van groote schoonheid en rijk gekleed, met muzijkinstrumenten de eetzaal binnen, en verlustigden onze twee vrienden met muzijk, zang en dans. Schacabac had dus alle reden, over het onthaal van den Barmeyer voldaan te zijn, die hem op zeer gemeenzamen voet behandelde, en hem uit zijne eigene kleêrkamer een nieuw kleed liet geven.

De Barmeyer vond in mijnen broeder zoo veel verstand en zoo veel schranderheid in alle zaken, dat hij, reeds na weinige dagen, hem het beheer over zijn huis en al zijne bezittingen opdroeg. Schacabac kweet zich van zijne vereerende betrekking, gedurende twintig jaren, zeer wel, tot den dood van zijn' edelmoedigen meester. Daar de Barmeyer geene erfgenamen naliet, werden al zijne goederen ten voordeele van den vorst verbeurd verklaard. Men ontnam zelfs mijn' broeder alles, wat hij in zijne twintigjarige dienst had opgespaard; zoodat hij weder tot armoede verviel, en zich voegde bij eene karavaan van pelgrims, die naar Mekka ging, daarbij rekenende op de milddadigheid zijner meer gegoede togtgenooten.

Tot zijn ongeluk werd deze karavaan door eene bende zwervende Arabieren aangevallen en uitgeplunderd. Mijn broeder werd als slaaf weggevoerd, door zijn' meester zeer wreed behandeld, en kreeg dagelijks stokslagen, om hem dus te nopen zich los te koopen. Schacabac betuigde, dat hij hem te vergeefs mishandelde. „Ik ben,” zeide hij, „uw slaaf; gij kunt met mij naar willekeur handelen, maar ik verklaar u, dat ik doodarm en niet bij magte ben mij los te koopen.” Mijn broeder mogt zich echter op zijne armoede beroepen en trachten, zijn meester door smeeken en schreijen te vermurwen, de Arabier bleef onverbiddelijk. Spijtig, zich in zijne verwachting op een welligt aanzienlijk losgeld teleurgesteld te zien, nam hij zijn mes, en spleet den armen Schacabac de lippen vaneen, ten einde zich door deze onmenschelijke daad te wreken over het verlies, dat hij meende geleden te hebben.

[Illustratie: De Zesden Broeder van den Barbier.

Dl. III, pag. 147.]

Deze woeste man had eene schoone vrouw, en het was geene zeldzaamheid, dat hij, op zijne rooftogten uitgaande, mijn' broeder met haar alleen te huis liet. Alsdan trachtte deze vrouw Schacabac zoo veel in haar vermogen was, over zijne harde slavernij te troosten. Dit wekte al spoedig jaloerschheid bij den Arabier op. Op zekeren keer te huis komende, ontstak hij in hevige woede, wierp zich op mijn' broeder, mishandelde hem op eene verschrikkelijke wijze, zette hem toen op een' kameel, en bragt hem op den top van eenen hoogen en woesten berg, waar hij hem achterliet. Deze berg lag gelukkig aan den weg van Bagdad, zoodat eenige reizigers, die Schacabac daar ontmoet hadden, mij berigtten, waar mijn broeder zich ophield. Ik begaf mij zonder tijdverzuim derwaarts, en vond den ongelukkige in eenen beklagenswaardigen toestand. Ik bewees hem de hulp, waaraan hij behoefte had, en bragt hem weder in de stad.”

Ziedaar mijne heeren,” vervolgde de barbier, „de geschiedenissen, die ik de eer had aan den kalif Mostanser Billah te verhalen. Deze vorst gaf mij zijne tevredenheid door een schaterend lagchen te kennen. „Ik moet toegeven,” zeide hij tot mij, „dat men u met het grootste regt den bijnaam van „den zwijger” heeft gegeven; niemand zal daarvan het tegendeel kunnen beweren. Om zeker bijzondere redenen echter beveel ik u onmiddelijk de stad te verlaten. Ga, en zorg dat ik nimmer meer van u hoor spreken.” Ik bukte voor de noodzakelijkheid, en heb vele jaren in vreemde landen omgezworven. Eindelijk kwam mij ter ooren, dat de kalif Mostanser Billah overleden was. Ik keerde daarop naar Bagdad terug, waar ik niet een' van mijne broeders meer in leven vond. Het was bij mijne terugkomst in deze stad, dat ik in de gelegenheid kwam aan den jongen kreupele de gewigtige dienst te bewijzen, waarvan gij gehoord hebt. Gij zijt echter tevens getuige geweest van zijne ondankbaarheid en van de beleedigende wijze, waarop hij mij behandeld heeft. In plaats van mij zijne erkentelijkheid te betoonen, heeft hij integendeel besloten, mij te ontwijken en zijn vaderland te verlaten. Toen ik nu vernam, dat hij niet meer in Bagdad was, heb ik, hoewel geheel in het onzekere waarheen hij zich had begeven, niet geaarzeld op reis te gaan, om hem op te zoeken. Lang heb ik van de eene plaats naar de andere gereisd, zonder zijn spoor te kunnen vinden; totdat ik hem heden, terwijl ik daar het minst op verdacht was, hier mogt aantreffen. Ik was er niet op gewapend, hem zoo vertoornd op mij te zien.”

* * * * *

Toen de barbier,” zoo vervolgde de snijder tot den sultan van Cachgar, „aldus zijne geschiedenis geëindigd had, waren wij éénstemmig van oordeel, dat de jonge kreupele geen ongelijk had hem te beschuldigen een groote prater te zijn. Niettemin wilden wij hem wel toestaan, dat hij in ons gezelschap bleef, en deel nam aan het ons toebereide feestmaal. Wij gingen aan tafel, en bragten den tijd in vrolijkheid door tot één uur vóór zonsondergang. Daarna scheidden wij van elkander, en ik ging naar mijn' winkel om nog te werken, tot dat de tijd daar zou zijn, in mijne woning terug te keeren.