Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Derde deel
Part 11
Alnaschar was, zoo lang onze goede vader leefde, een regte luiaard. In plaats van den kost met werken te verdienen, schaamde hij zich niet des avonds te gaan bedelen, en leefde dan den volgenden dag van de giften, die hij ontvangen had. Onze brave vader stierf in hoogen ouderdom aan verval van krachten, en liet ons niet meer na dan zevenhonderd zilveren drachmen. Wij verdeelden deze som onder elkander, zoodat ieder onzer honderd drachmen voor zijn erfdeel bekwam. Alnaschar, nooit zoo veel geld op éénmaal in zijn bezit gehad hebbende, bevond zich in groote verlegenheid over het gebruik, dat hij daarvan zoude maken. Hij overlegde dit een' langen tijd, en besloot ten laatste zijn geld aan flesschen en ander glaswerk te besteden, 't welk hij bij een' grossier in dat vak ging halen. Hij pakte zijne koopwaar in eene traliemand en huurde een' zeer kleinen winkel, waarin hij zich nederzette, met de mand voor zich en met den rug tegen den muur geleund, in afwachting dat er koopers zouden komen. In deze gemakkelijke houding, met de oogen op zijn glaswerk gevestigd, geraakte hij aan het mijmeren, en in zijne wakende dromerij hield hij de volgende alleenspraak, luid genoeg, dat daarvan voor zijn' buurman, een schoenmaker, geen enkel woord verloren ging. „Deze mand met glas,” zeide hij, „kost mij honderd drachmen, en dat is mijn geheele rijkdom in de wereld. Ik zal daarvoor, door bij het stuk uit te verkoopen, wel twee-honderd drachmen maken, en met die twee-honderd drachmen, die ik weder aan glaswerk wil besteden, zal ik er vier-honderd verkrijgen. Dus voortgaande, zal ik het door den tijd wel tot vier-duizend drachmen brengen. Van vier-duizend drachmen kom ik ligt tot acht-duizend, en wanneer ik tien-duizend drachmen bij elkander heb, laat ik mijn' glashandel varen, om juwelier te worden. Ik zal dan handel drijven in diamanten, paarlen en allerlei edelgesteenten. Na korten tijd in het bezit van een' aanzienlijken schat, zal ik een fraai huis en landgoed koopen, ik zal mij slaven, gesnedenen en paarden aanschaffen, op eenen grooten voet leven, vertooning in de wereld maken, muzijkanten, dansers en danseressen aan mijne woning laten komen, en mijne vrienden prachtig onthalen. Ik zal het echter bij dat goede leven niet laten blijven, maar als het Allah behaagt, mijn kapitaal tot honderd-duizend drachmen op voeren, mij zelven gelijk achten met een' prins, en de dochter van den groot-vizier ten huwelijk vragen. Indien de vizier, dat echter niet denkbaar is, onwellevend genoeg mogt zijn, mij zijne dochter te weigeren, zoo zal ik haar met geweld doen ontvoeren, en zijns ondanks naar mijne woning laten brengen.
Zoodra ik de dochter van den groot-vizier gehuwd heb, geef ik haar tien zwarte gesnedenen, de jongste en welgemaaktste, die er te krijgen zijn. Ik zal mij kleeden als een vorst, en, gezeten op een schoon paard, met gouden zadel, bezet met paarlen en edelgesteenten, zal ik door de stad rijden, vergezeld voor en achter mij door een groot aantal kostbaar uitgedoste slaven. Zoo zal ik mij naar het hôtel van den groot-vizier begeven, ten aanzien der geheele bevolking van Bagdad, die voor mij in het stof zal buigen. Ik zal afstijgen voor de woning van den vizier, en deze binnentreden te midden van mijne bedienden, die aan twee rijen aan mijne regter- en linkerhand zullen geschaard staan. De groot-vizier zal niet aarzelen, mij als zijn' schoonzoon te ontvangen en zijne plaats af te staan, ten einde mij zoo de meeste eer te bewijzen. Indien dat, zooals ik bijna niet twijfel, gebeurt, zoo zal ik uit de handen van een' mijner slaven twee beurzen elk van duizend goudstukken nemen en ze den vizier aanbieden. „Ziehier,” zal ik tot hem zeggen, „twee-duizend goudstukken, omdat ik uwe dochter tot vrouw genomen heb.” Na zulk eene daad kan het niet wel anders, of een ieder zal den mond vol hebben van mijne edelmoedigheid.
Ik zal vervolgens met de zelfde statie naar mijne woning terugkeeren. Nog niet lang daar, of mijne vrouw zal mij door een' harer slaven laten bedanken voor het bezoek, dat ik mij verwaardigd heb, aan den vizier haar' vader te brengen. Ik zal den slaaf een kostbaar kleed doen geven, en hem met een zeer rijk geschenk voor mijne vrouw terugzenden. Indien zij zich mogt verpligt achten, mij een tegengeschenk te doen, zoo zal ik dat niet aannemen, als voor mij te vernederend, en er den brenger mede terugsturen.
Ik zal niet toestaan, dat zij haar vertrek verlaat, om welke reden zulks ook zijn moge, zonder dat ik daarvan kennis draag. En indien ik haar daar met mijn bezoek zal willen vereeren, zoo zal dit zijn op eene wijze, welke haar ontzag voor mij zal inboezemen. In één woord, er zal geene beter ingerigte huishouding zijn dan de mijne. Ik zal altijd rijk gekleed gaan. Wanneer mijne vrouw des avonds aan mij wordt voorgesteld, neem ik de eereplaats in; ik zal een ernstig gelaat zetten, zonder het hoofd regts of links te wenden. Ik zal weinig spreken, en terwijl mijne echtgenoote in alle pracht uitgedost, als eene Oostersche vorstin voor mij staat, zal ik mij houden, alsof ik haar zelfs niet opmerk. Hare vrouwen, welke haar omgeven, zullen dan tot mij zeggen: „Goede heer en meester, zie hier uwe echtgenoote, uwe zeer nederige dienares voor u staan; zij wacht, dat het u behagen moge, tot haar te spreken, zij is zeer ter neêrgeslagen dat gij haar zelfs met geen' blik verwaardigt, en vermoeid van het lange staan. Zeg haar ten minste, dat zij zich kan nederzetten.” Ik zal op dat verzoek geen antwoord geven, hetgeen hare verwondering en droefheid nog zal verhoogen. De slavinnen zullen zich voor mijne voeten werpen, en eerst nadat zij mij oneindig lang gesmeekt en gebeden zullen hebben, zal ik het hoofd opligten, een' vlugtigen blik op haar werpen, en daarna mijne vorige houding hernemen. Zij zullen nu in het denkbeeld verkeeren, dat mijne vrouw in de kleeding, waarin zij aan mij werd voorgesteld, mij niet behaagt; zij zullen haar met zich nemen, en haar van kleederen doen verwisselen. Zij zal vervolgens nog prachtiger dan de eerste maal voor mij verschijnen. Intusschen zal ook ik een nog kostbaarder kleed aantrekken, en mij als een vorst op een' troon nederzetten. Zij zullen dan met mijne vrouw terugkomen, mij op nieuw smeeken en bidden, en eerst nadat dit lang genoeg geduurd zal hebben, zal ik mijne vrouw aanzien. Reeds op den eersten dag van mijn huwelijk zal ik een' aanvang maken haar te leeren, op welke wijze ik verlang, gedurende het overige van haar leven, met haar om te gaan.
Na afloop der huwelijksplegtigheid,” vervolgde Alnaschar zijne alleenspraak, „zal ik uit de hand van een' mijner bedienden, die bij mij zal staan, eene beurs met vijf-honderd goudstukken nemen, en die aan de kameniers geven. Zoodra deze zich zullen verwijderen, zal ik mij met mijne vrouw te bed begeven, maar haar dadelijk den rug toekeeren, en den nacht voorbij laten gaan, zonder haar een enkel woord toe te spreken. Zij zal niet nalaten, den volgenden morgen over mijne versmading en hoogmoed zich bij hare moeder, de vrouw van den groot-vizier, te beklagen, en in mijn hart zal ik daarover juichen. Hare moeder zal mij dan een bezoek brengen; mij eerbiedig de handen kussen, en tot mij zeggen: „Heer” (want om mij schoonzoon te noemen, zal zij niet durven, uit vrees mij door die gemeenzaamheid te beleedigen), „ik smeek u, mijne dochter niet te versmaden; ik verzeker u, dat zij niets anders zoekt dan u te behagen, en dat zij u bemint met geheel haar hart.” Mijne schoonmoeder zal echter goed praten hebben, ik zal mijnen ernst behouden, en haar geene' lettergreep antwoorden. Dan zal zij zich aan mijne voeten werpen, die bij herhaling kussen, en tot mij zeggen: „Laat toch af mijne dochter dus te grieven, bewijs uwe vrouw de gunst haar aan te zien, tot haar te spreken, en haar te versterken in de goede voornemens, welke zij heeft, u in alles te voldoen en te behagen.” Hierdoor zal ik mij echter niet laten bewegen, en mijne schoonmoeder zal vervolgens een glas wijn nemen, dit aan hare dochter in de hand geven, en tot haar zeggen: „Mijn lief kind, bied dezen beker wijn uwen man aan; hij zal waarschijnlijk de wreedheid niet hebben, zulk eene schoone hand af te wijzen.” Mijne vrouw zal dan met het glas naar mij toekomen, en al bevende voor mij blijven staan. Als zij zal zien, dat ik mijn gelaat van haar afwend en volhoud haar te versmaden, zoo zal zij, met tranen in de oogen, tot mij zeggen: „Mijne geliefde, mijn tweede ziel, mijn beste heer, ik bezweer u, mij de gunst te bewijzen dit glas wijn te ontvangen uit de hand van uwe zeer onderdanige dienstmaagd.” Ik zal mij wel in acht nemen, haar ook dan nog aan te zien of te antwoorden. „Mijn allerliefste echtgenoot,” zal zij voortgaan, terwijl hare tranen verdubbelen en zij mij het glas aan den mond brengt, „ik zal niet aflaten, vóórdat gij drinkt.” Dan, vermoeid door hare beden, zal ik haar een' vreeselijken blik toewerpen, haar een' slag op den wang geven, en een' zoo krachtigen schop toebrengen, dat zij als een bal over den grond zal rollen. Zoo zal ik doen!” vervolgde mijn broeder, de daad bij de gedachten voegende; maar tot zijn ongeluk daarbij niet de dochter van den vizier, waarvan hij droomde, maar de mand met glas, waarvan hij niet droomde en die voor hem stond, aanrakende. De schop was zoo krachtig, dat de mand van zijne uitstalling op de straat viel, en al het glaswerk in duizend stukken brak.
Zijn buurman, de schoenmaker, die zijn zot geklap van woord tot woord had afgeluisterd, borst, toen hij de mand zag vallen, in een schaterend lagchen uit. „Aha!” zeide hij tot mijn' broeder, „dat is loon naar werken, zoo moest gij juist varen. Zijt gij een kerel, gij moest u dood schamen, eene jonge en schoone vrouw, die u niet de minste reden tot klagen gaf, zoo barbaarsch te willen mishandelen; gij moet wel wreed van aard en hardvochtig zijn, om dus te kunnen spotten met de tranen van zulk een beminnelijk wezen. Indien ik in de plaats was van den groot-vizier, uw' ingebeelden schoonpapa, ik zou u honderd stokslagen doen geven, en u door de stad laten rondvoeren, met het lofschrift op de borst: „Zie hier den grootsten vrouwenbeul!””
Mijn broeder kwam inmiddels van schrik tot zich zelven, en ziende wat hem door zijn' hoogmoed was overkomen, sloeg hij zich voor het hoofd, scheurde zijne kleederen, en jammerde over zijn ongeluk. Dit deed de voorbijgangers stilstaan, en daar het Vrijdag was en velen tot het gebed opgingen, was de toeloop zeer groot. De een had medelijden met Alnaschar, een ander lagchte slechts om zijne dwaasheid. Zijn hoogmoed was echter te gelijk met het verlies van zijn goed geweken. Hij zat zijne droomerij en zijn treurig lot nog bitter te beweenen, toen eene aanzienlijke dame, op een' muilezel gezeten, voorbij reed. De toestand, waarin zij mijn' broeder zag, wekte haar mededoogen op. Zij vroeg, wie die man was, en waarom hij zoo bitter schreide. Men zeide haar alleen, dat het een ongelukkige was, die al zijn geld, zijn geheel klein vermogen besteed had, om glaswerk in te koopen, en dat de mand, waarin hij zijne koopwaar gepakt had, was omgevallen, waardoor er geen stuk heel was gebleven. De dame wendde zich daarop tot den gesnedene, die haar vergezelde. „Geef hem,” zeide zij, „'t geen gij bij u hebt.” De gesnedene voldeed aan dezen last, en stelde aan mijn' broeder eene beurs met vijf-honderd goudstukken ter hand. Alnaschar was van vreugde buiten zich zelven. Hij gaf de dame duizend zegenwenschen, en na zijn' winkel, waar zijne tegenwoordigheid thans gemist kon worden, gesloten te hebben, ging hij naar zijn huis.
Nog zat mijn broeder in zijne woning te peinzen over het gebeurde, toen er aan de deur werd geklopt. Hij deed open, en zag eene bejaarde vrouw voor zich staan. „Mijn zoon,” sprak zij, „ik heb eene gunst van u te vragen. Het is tijd, om tot het gebed op te gaan; ik zou mij gaarne willen wasschen, ten einde daaraan te kunnen deelnemen. Heb dus de goedheid mij binnen te laten, en mij eene vaas met water te doen geven?” Mijn broeder zag de vraagster aan, en bemerkte, dat zij reeds hoog bejaard was. Ofschoon hij haar nu volstrekt niet kende, bewilligde hij echter in haar verzoek. Hij gaf haar eene vaas met water, ging toen, steeds met zich zelven bezig, weder zitten, en deed zijn goud in eene lange en naauwe beurs, geschikt om die aan zijn' gordelriem vast te maken en te dragen. De oude deed inmiddels haar gebed, en toen dit ten einde was, ging zij naar mijnen broeder, wierp zich ter aarde, en wenschte hem alle mogelijke zegeningen toe.
Daar die vrouw vrij armoedig gekleed was, en zij zich zoo nederig aanstelde, dacht Alnaschar dat het hare bedoeling was, hem eene aalmoes te vragen. Hij bood haar daarom twee goudstukken aan. De oude deed eene trede achterwaarts, en hield zich over die gift verbaasd, even alsof zij zich daardoor beleedigd achtte. „Wat zal dit beteekenen?” zeide zij. „Zou het mogelijk zijn, heer, dat gij mij aanziet voor eene van die ellendigen, welke zich niet ontzien in de huizen binnen te dringen, ten einde eene aalmoes te vragen? Neem uw geld terug, ik heb daar, Allah zij geloofd, geene behoefte aan; ik behoor bij eene jonge dame die niet alleen met eene uitstekende schoonheid is bedeeld, maar tevens zeer rijk is, en het mij aan niets laat ontbreken.”
Mijn broeder was niet geslepen genoeg, om de slechte oogmerken van de oude te vatten, die de twee goudstukken slechts had geweigerd, om op eene andere wijze meer te bekomen. Hij vroeg haar, of zij hem niet de gelegenheid zou kunnen verschaffen om die dame te zien? „Gaarne,” antwoordde zij, „mijne meesteres zal waarschijnlijk wel met u willen huwen, en u daardoor in het bezit stellen van al hare goederen. Neem dus uw geld, en volg mij.” Opgetogen over zijn geluk van dien dag (eerst eene groote som gelds, welke hem als in den schoot werd geworpen, en nu eene jonge, schoone en rijke vrouw, die om te trouwen, slechts op hem scheen gewacht te hebben), was hij doof en blind voor elke verstandige overweging en liep als eene mol in den val. Hij nam de beurs met vijf-honderd goudstukken, hing die aan zijnen gordel, en liet zich door de oude geleiden.
Zij ging vóór hem tot aan de poort van een groot huis, waar zij aanklopte. Eene jonge Grieksche slavin deed open. De oude liet Alnaschar het eerst binnengaan, en bragt hem over het met marmeren steenen belegde voorhof, in eene zaal, waarvan het huisraad hem moest versterken in de gunstige gedachte, welke zij hem van den rijkdom der eigenares had ingeboezemd. Terwijl de oude hem bij hare meesteres ging aandienen, nam Alnaschar op de sofa plaats, en verhit van het loopen, ontdeed hij zich van zijnen tulband. Niet lang daarna zag hij eene jonge dame binnenkomen, wier schoonheid hem nog meer verbaasde, dan hare rijke kleeding. Hij stond dadelijk op, om haar te begroeten. De dame verzocht hem met een vriendelijk lachje zijne plaats te hernemen, en nam naast hem plaats. Zij betuigde hem hare verrassing over zijn frisch en mannelijk voorkomen. „Maar,” vervolgde zij, „wij zijn hier niet genoeg op ons gemak, geef mij den arm, dan zal ik u in eene andere kamer brengen.” Dit zeggende, geleidde zij Alnaschar naar een afgelegen vertrek; waarna zij hem alleen liet, belovende binnen ééne minuut terug te zullen komen. Mijn broeder wachtte met reikhalzend verlangen, doch in plaats van zijne schoone trad een reusachtige zwarte slaaf met ontbloote sabel in de hand binnen. Hij zag mijnen broeder met een' vreeselijken blik aan, en zeide op barschen toon: „Wat hebt gij hier te doen?” Alnaschar was zoo verschrikt, dat hij niet kon antwoorden. De slaaf greep hem aan, ontnam hem het goud, dat hij bij zich had, kleedde hem geheel uit, en bragt hem vervolgens verscheidene sabelhouwen toe. Mijn ongelukkige broeder viel, in zijn bloed wentelende, ter neder, en bleef zonder beweging liggen, hoewel hij nog bij kennis was. De slaaf meende nu hem gedood te hebben, doch zich daarvan willende verzekeren, riep hij om zout. De Grieksche slavin kwam met een' grooten bak vol aandragen. Zij wreven hiermede de wonden van Alnaschar in, die, niettegenstaande een' onuitstaanbaren pijn, de tegenwoordigheid van geest bezat, niet het minste teeken van leven te geven. Nadat de zwarte slaaf en de Grieksche slavin hun werk verrigt en zich verwijderd hadden, kwam de oude, welk hem in den val gelokt had, binnen, nam het gewaande lijk bij de beenen, sleepte het naar een valluik, dat zij opligtte, en wierp het naar beneden. De zware val bedwelmde in den beginne mijn' broeder. Toen hij weder tot bewustzijn kwam, zag hij zich in een' diepen kelder, te midden van de gedeeltelijk ontbonden lijken der ongelukkigen, die vóór hem in dit moordhol gelokt en omgebragt waren. De wonden, die hij ontvangen had, waren niet verder dan het vleesch doorgedrongen, en daar het bloeden door het zout gestremd was, had mijn broeder aan die pijnlijke inwrijving het behoud van zijn leven te danken. Van lieverlede keerden zijne krachten terug, zoodat hij zich kon oprigten, en na verloop van twee dagen 's nachts den trap opkomen, en het valluik opligten. In het donker rondtastende, vond hij eindelijk eene plaats, waar hij zich tot het aanbreken van den dag meende te kunnen verbergen. Zoodra het licht werd, zag hij het verwenschte oude wijf voorbijgaan; zij begaf zich naar de poort, ontgrendelde deze, en ging de straat op, waarschijnlijk om eene nieuwe prooi te zoeken. Zij liet de deur aan staan, en toen mijn broeder oordeelde, dat zij ver genoeg zou zijn, om hem niet te zien, verliet hij het huis, en kwam bij mij zijne toevlugt nemen.
Door de krachtige en onfeilbare geneesmiddelen, welke ik hem toediende, was Alnaschar na verloop van eene maand van al zijne wonden genezen. Hij besloot nu zich op de oude, welke hem zoo snood had bedrogen, te wreken. Tot dat einde maakte hij eene beurs van de grootte van vijf-honderd goudstukken, en vulde die met rond afgesneden glasscherven.
Mijn broeder,”” vervolgde de barbier, „„maakte de beurs met glas aan zijnen gordelriem vast, verkleedde zich als eene bejaarde vrouw, hing een' sluijer over zijn gelaat, en verborg een scherp zwaard tusschen de plooijen van zijne rokken. Dus vermomd had hij reeds op den derden dag, het was nog vroeg in den morgen, het geluk de oude te ontmoeten, terwijl zij door de stad slenterde, naar gelegenheid zoekende, om den een' of anderen onnoozele eene poets te spelen. Hij klampte haar aan, en eene vrouwenstem nabootsende, vroeg hij: „Zoudt gij mij ook kunnen zeggen, waar ik eene goudschaal koopen of leenen kan? Ik ben eene hier onbekende Perzische vrouw, en zou gaarne willen weten of de vijf-honderd goudstukken, die ik uit mijn land heb medegebragt, allen het goede gewigt hebben.” „Goede vrouw,” gaf de oude minzaam ten antwoord, „gij kunt u niet beter vervoegen, dan tot mij. Ik heb een' zoon, die geldwisselaar is; hij zal het goud met liefde voor u willen wegen, en u zoo de moeite besparen, dit zelve te doen. Laat ons dus geen' tijd verliezen, ten einde hem te huis te treffen, alvorens hij naar zijn kantoor gaat.” Mijn broeder volgde zijne oude bekende naar het zelfde huis, waar zij hem de eerste maal gebragt had; ook de poort werd door de zelfde Grieksche slavin geopend.
De oude bragt mijn' broeder in de zaal, waar zij hem verzocht een oogenblik te wachten, terwijl zij haren zoon zou waarschuwen. De voorgewende zoon verscheen dan ook weldra, maar in de gestalte van den boosaardigen zwarten slaaf. „Verwenscht oud wijf,” sprak hij norsch tot mijn' broeder, „sta op, en volg mij!” Dit zeggende ging hij vooruit, om Alnaschar naar de plaats te brengen, waar hij hem wilde dooden. Alnaschar stond op, en volgde den zwarte; doch naauwelijks hadden zij de moordkamer bereikt, of hij haalde zijne sabel plotseling van onder zijn kleed te voorschijn, en bragt zijn' vijand een' zoo welgerigten slag in den hals toe, dat het hoofd er afvloog. Nu nam hij het lijk en het hoofd, sleepte ze naar het valluik, en wierp ze in den kelder. De Grieksche slavin, daarop afgerigt, kwam weldra met een' bak zout aandragen; maar toen zij Alnaschar, die den sluijer had afgerukt, daar zag staan met de sabel in de vuist, wierp zij den bak neder en nam de vlugt. Mijn broeder haalde haar spoedig in, en sloeg ook haar het hoofd af. Op het gemaakte gerucht kwam de oude toeloopen; mijn broeder greep haar dadelijk bij de keel. „Verraderlijk wijf,” schreeuwde hij, „herkent gij mij?” „Ach! Heer,” antwoordde zij bevende, „wie zijt gij? Ik herinner mij niet, u ooit gezien te hebben.” „Ik ben,” sprak Alnaschar, „degene, bij wien gij u voor eenige weken vervoegdet, om uwe handen te wasschen en uw huichelachtig gebed te doen; herinnert gij het u thans?” De oude vrouw wierp zich nu op de knieën en had om genade, maar Alnaschar hieuw haar in vier stukken.
Er bleef thans niemand over dan de jonge dame, welke nog niets wist, van hetgeen er in huis voorviel. Mijn broeder zocht het geheele gebouw door, en vond haar op hare slaapkamer. Toen zij Alnaschar zag, verschrikte zij hevig. Zij bad hem haar leven te sparen, en hij had de edelmoedigheid zulks te doen. „Mejufvrouw,” zeide hij, „hoe kondet gij zamen wonen met zulke booze menschen, als die, waarop ik mij zoo even vreeselijk gewroken heb?” „Ik was,” antwoordde zij hem, „de gade van een' eerlijken koopman, en deze ondeugende oude vrouw, wier boosaardigheid mij onbekend was, kwam mij dikwijls bezoeken. „Mevrouw,” zeide zij op zekeren keer tot mij, „mijn zoon houdt morgen bruiloft, en indien gij ons dan met uw bijzijn wilt vereeren, zult gij u regt vermaken.” Ik liet mij overhalen, trok mijn beste kleed aan, stak eene beurs met honderd goudstukken bij mij, en ging met haar mede. Zij bragt mij in dit huis, waar ik dezen zwarte aantrof, die mij met geweld hier heeft gehouden; het is nu drie jaar, dat ik tot mijn groot verdriet gevangen ben.” „Te oordeelen naar de snoode handelingen, waarvan die verwenschte zwarte zich bediende,” hernam mijn broeder, „moet hij groote schatten hebben verzameld.” „Er is hier zoo veel,” antwoordde zij, „dat gij voor altoos rijk zult zijn, indien gij ze kunt medenemen. Kom, en zie zelf.” Zij bragt hem nu in eene kamer, waar zij verscheidene koffers aanwees, die allen met goud gevuld waren.