Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Derde deel
Part 10
Twee andere blinden, die op dat oogenblik daar voorbij kwamen, en mijnen broeder aan zijne stem herkenden, bleven staan, en vroegen, waarom hij dus klaagde en steunde. Hij verhaalde hun, wat hem bejegend was, en dat hij den ganschen dag nog niets had ontvangen. „Ik verzoek u dus,” vervolgde hij, „met mij naar mijne woning te gaan, opdat ik in uwe tegenwoordigheid eenig geld neem uit onze gemeenschappelijke kas, ten einde daarvoor mijn avondmaal te kunnen doen.” Zijne kameraden bewilligden hierin; en hij bragt hen naar zijne kamer.
Het verdient hier opmerking, dat de bewoner van het huis, bij wien mijn broeder een zoo slecht onthaal had gevonden, een boosaardig mensch en een afgeriste dief was. Hij hoorde, uit zijn raam leggende, alles aan wat Bakbac tot zijne makkers zeide, waarop hij naar beneden ging, hen van nabij volgde, en te gelijk met hen de onaanzienlijke woning binnendrong, waar mijn broeder zijnen intrek had. De blinden gingen dadelijk zitten, maar Bakbac zeide; „Niet zoo haastig broeders, laat ons eerst de deur sluiten, en ons overtuigen, dat zich geen onbekende hier bevindt.” Hierop was de dief niet verdacht geweest, en geraakte in groote verlegenheid; maar een touw ziende, dat tot het een of ander doeleinde aan de zoldering hing, klom hij daartegen op, en hield zich zoolang in de hoogte, totdat de blinden de deur gesloten en het vertrek, met hunne stokken rondtastende en voelende, onderzocht hadden. Toen dit onderzoek was afgeloopen en de blinden zich weder ter neder gezet hadden, liet ook de dief zich om laag zakken, en nam koelbloedig plaats aan de zijde van mijn' broeder. Bakbac geene andere gedachten hebbende, dan dat hij zich met de beide blinden alleen bevond, nam nu het woord op, en sprak hen aldus toe: „Broeders, daar gij mij tot bewaarder hebt gekozen van onze gemeenschappelijke kas, zoo zal ik u het bewijs geven, dat ik het vertrouwen, hetwelk gij in mij gesteld hebt, niet onwaardig ben. Gij weet, dat toen wij de laatste maal onze rekening opmaakten, er tien duizend drachmen in kas waren, en dat wij die in tien zakken deden. Ik zal u overtuigen, dat zij nog ongeschonden zijn.” Dit zeggende, tastte hij met de hand onder een' hoop oude kleêren, haalde de zakken één voor één te voorschijn, en gaf die aan zijne makkers. „Hier zijn ze alle tien,” vervolgde hij, „hunne zwaarte zal u overtuigen, dat zij nog vol zijn, of zoo gij dit verlangt, dan zullen wij den inhoud natellen.” Zijne kameraden zeiden echter, dat zij hem genoeg vertrouwden. Hierop maakte mijn broeder een' der zakken open, en nam daar tien drachmen uit; de beide andere kregen ieder voor hun aandeel evenveel.
Mijn broeder borg nu de zakken weder op hunne oude plaats, en wilde zich verwijderen om zijn' avondmaaltijd te gaan nuttigen, maar een der blinden hield hem daarvan terug, zeggende, dat dit niet noodig was, daar hij dien dag, door de liefdadigheid van goede lieden, zooveel had opgedaan, dat er meer dan genoeg zou zijn voor hun drieën. Te gelijker tijd haalde hij uit zijn' bedelzak brood, kaas en eenige vruchten te voorschijn, en spreidde dat alles op de tafel uit; waarna zij begonnen te eten. De dief, aan de regterhand van mijn' broeder gezeten, deed als de anderen, doch zorgde het beste voor zich uit te kippen. Hoe voorzigtig hij echter ook te werk ging, Bakbac hoorde hem kaauwen en riep dadelijk: „Wij zijn verraden; er is een vreemdeling bij ons!” Te gelijker tijd stak hij de hand uit, en greep den dief bij den arm. Deze trachtte zich los te rukken, maar mijn broeder wierp zich op hem, overlaadde den schelm met vuistslagen, en riep uit alle magt: „Een dief, een dief!” De andere blinden riepen even hard, en sloegen mede dapper op den dief los, die van zijnen kant zich kloekmoedig te weêr stelde. Daar hij sterk en vlug was, en het gezigt in zijn voordeel had, bragt hij nu aan den eenen, dan aan den anderen blinde zeer gevoelige slagen toe, en riep, zoo dikwijls hij de keel vrij had, nog harder dan zijne aanvallers: „Help, help! Dieven, dieven!” De buren kwamen weldra op dit geschreeuw toeschieten; zij liepen de deur open, en trachtten de vechters te scheiden. Dit had niet zonder veel moeite plaats, want zij schenen allen razend. Naar de oorzaak van dezen hevigen twist vragende, riep mijn broeder, die den dief nog steeds vasthield: „Mijn vrienden, de kerel dien ik bij den kraag heb, is een dief, en hier met ons binnen geslopen, om ons te berooven van het weinige geld, dat wij hebben.” De dief, die zoodra hij de buren zag binnenkomen, de oogen had gesloten, en zich als blind hield, riep nu op zijne beurt: „Ik zweer u mijne vrienden, bij onzen grooten Profeet, en bij het hoofd van den kalif, dat het onwaar is, wat deze man daar zegt. Ik behoor tot hun gezelschap, maar zij willen mij mijn regtmatig aandeel in onze gemeenschappelijke kas onthouden, en ten dien einde hebben zij alle drie tegen mij zamengespannen.” De buren wilden zich in dezen moeijelijk te beslissen twist niet mengen, en bragten hen alle vier voor den regter.
Zoodra zij daar gekomen waren, nam de dief, steeds den blinde spelende, zonder dat hem iets gevraagd werd, het woord: „Heer,” sprak hij, „daar gij zijt aangesteld, om het regt te handhaven in naam van den kalif, wiens magt Allah moge uitbreiden over geheel de bewoonde aarde, zoo dringt mijn geweten mij, u te verklaren, dat wij allen, zooals wij hier voor u staan, mijne drie makkers en ik, even zeer misdadig zijn. Maar daar wij ons onderling door een' eed verbonden hebben, niets te zullen bekennen dan onder den stok, zoo hebt gij, om met onze misdaad bekend te worden, niets anders te doen, dan te bevelen dat men ons stokslagen geve, en met mij een begin te maken.” Mijn broeder wilde nu ook spreken, doch hem werd het zwijgen opgelegd.
Intusschen werd de dief, volgens zijn verlangen, onder den stok gelegd. Hij had de standvastigheid zich twintig of dertig slagen te doen geven. Toen echter veinsde hij zich door de smart te laten overwinnen, deed eerst het eene oog, en kort daarna ook het andere open, terwijl hij luide om genade riep, en den regter smeekte, de strafoefening te doen ophouden. Dezen bevreemdde het zeer, dat de gewezen blinde hem met twee goede oogen aanstaarde. „Deugniet!” zeide hij, „wat moet dit zoogenaamde wonder beteekenen?” „Heer,” antwoordde de dief, „dit staat in verband met een gewigtig geheim; wanneer gij mij straffeloosheid toezegt, en zulks bevestigt door mij uwen zegelring, dien gij aan den vinger draagt, tot pand te geven, zoo zal ik u alles ontdekken.”
De regter deed de strafoefening staken, gaf den ring, en beloofde den dief, hem genade te zullen schenken. „In vertrouwen op uwe belofte van straffeloosheid, heer,” hernam deze, „zal ik u dan bekennen, dat mijne kameraden en ik, wij alle vier, zeer goed kunnen zien. Wij veinsden slechts blind te zijn, ten einde te vrijer in de huizen te worden toegelaten, in de vertrekken der vrouwen binnen te dringen, en met haar zwakheden ons voordeel te doen. Ik belijd u ook nog, dat wij door die veinzerij tien duizend drachmen hebben overgewonnen, die ons gezamentlijk eigendom zijn. Ik vroeg heden aan mijne makkers, om mijn aandeel ten bedrage van vijf en twintig honderd drachmen; zij weigerden mij dit uit te keeren, omdat ik mij van hen wilde scheiden, en zij dan bevreesd waren, dat ik hen zou verklappen. Ik bleef evenwel sterk aandringen. Zij wierpen zich toen alle drie op mij, en mishandelden mij, zooals deze lieden, die ons voor u gebragt hebben, kunnen getuigen. Ik verwacht van uwe regtvaardigheid, heer, dat gij zult zorgen, mij die vijf en twintig honderd drachmen geworden. Wilt gij, dat mijne kameraden de waarheid van mijne bekentenis zullen staven, doe hen dan driemaal zoovele stokslagen geven, als ik heb ontvangen, en gij zult zien, dat ook zij de oogen wel zullen open doen.”
Mijn broeder en de beide andere blinden wilden zich verdedigen en deze valsche beschuldigingen van zich afwerpen, maar de regter verwaardigde zich zelfs niet, hen aan te hooren. „Schelmen,” zeide hij tot hen, „het is dan op die wijze, dat gij de blinden speelt, om anderen te bedriegen, en allerlei slechte daden te bedrijven?” „Dat is niets dan logen en laster,” riep mijn broeder, „het is onwaar, dat wij niet blind zouden zijn. Wij nemen Allah daarbij tot getuige!”
Wat echter mijn broeder mogt inbrengen, 't hielp niet; hij en zijne makkers, zij ontvingen elk tweehonderd stokslagen. De regter verkeerde steeds in de verwachting, dat zij de oogen zouden openen, en schreef aan hardnekkigheid toe, 't geen hun onmogelijk was te doen. Intusschen zeide de dief tot de blinden, als gevoelde hij medelijden met hen: „Onnoozelen, die gij zijt, opent toch de oogen, en wacht niet, totdat gij onder de stokslagen zult bezwijken en sterven.” Na deze tergende en natuurlijk vruchtelooze aanmaning, wendde hij zich tot den regter. „Heer,” sprak hij, „ik zie wel, dat zij besloten hebben in hunne boosheid tot het uiterste te volharden; zij zullen zich liever dood laten slaan, dan de oogen te openen, en zich daardoor aan den spot en de verachting prijs geven van allen, die hen als blinden gekend hebben. Het zal dus wel het beste zijn, hen met de nu ontvangen gevoelige kastijding vrij te laten, en mij iemand mede te geven, om de tien duizend drachmen op te halen, die wij verborgen hebben.”
De regter leende hiernaar het oor; hij gaf den dief een' van zijne dienaren mede, en weldra kwamen zij terug met de tien zakken. Hij liet aan den dief twee-duizend vijf-honderd drachmen uittellen, en hield het overige van den buit voor zich zelven. Vervolgens vergenoegde hij zich, mijn' broeder en zijne makkers, nadat zij reeds half lam geslagen waren, uit de stad te verbannen, zonder verder onderzoek te doen, of zij werkelijk blind waren, of zien konden. Zoodra mij ter ooren kwam, wat den armen Bakbac overkomen was, ging ik hem opzoeken. Hij verhaalde mij zijn ongeluk, en ik bragt hem in stilte weder in de stad. Ik zou hem bij den regter misschien wel hebben kunnen regtvaardigen, en den dief naar verdienste doen straffen, maar ik durfde dat niet aan, uit vrees van mij zelven iets kwaad op den hals te halen. Ik begreep namelijk, dat de regter niet veel lust zou hebben, het gedeelte van den buit, dat hij zich reeds had toegeëigend weder af te staan; en in dergelijke gevallen is het gevaarlijk, met magtige heeren pruimen te eten; zij gooijen met de pitten.”
Zoo,” vervolgde de barbier, „eindigde ik het treurige verhaal van mijn' armen blinden broeder. De kalif moest hier niet minder om lagchen, dan om de beide verhalen, welke hij reeds gehoord had. Hij gaf andermaal bevel mij iets te geven; maar zonder aan hen, dien hij dit bevolen had, den tijd te laten, hunnen last te volbrengen, maakte ik een' aanvang met de geschiedenis van mijnen vierden broeder.
GESCHIEDENIS VAN DEN VIERDEN BROEDER VAN DEN BARBIER.
De naam van mijnen vierden broeder was Alcouz. Hij was van beroep slagter, en bezat de bijzondere gave, om rammen tot den strijd in het worstelperk af te rigten, waardoor hij in kennis kwam, en de toegenegenheid won van vele groote heeren, die vermaak vonden in dergelijke dierengevechten, en daartoe onderscheidene rammen aanhielden. Daarbij had hij vele klanten, en men vond in zijnen winkel steeds het beste vleesch, vermits hij zeer rijk was, en geen geld spaarde, om het schoonste slagtvee magtig te worden.
Op zekeren dag dat mijn broeder zelf in zijnen winkel was, kwam een grijsaard met eenen grooten witten baard zes pond vleesch halen, hetgeen hij met zilvergeld betaalde. Alcouz vond dat geld zoo fraai, zoo blinkend en zoo goed gemunt, dat hij het afzonderlijk in een koffertje wegsloot, om het te bewaren. Gedurende vijf maanden kwam de grijsaard dagelijks eene gelijke hoeveelheid vleesch halen, en betaalde steeds met de zelfde fraaije munt. Mijn broeder ging voort, dit geld steeds in het koffertje te bergen.
Na verloop van die vijf maanden kocht mijn broeder eene kudde schapen, en daar hij op dat oogenblik geld te kort kwam, besloot hij tot de opgespaarde fraaije muntstukken zijne toevlugt te nemen. Hoe groot was echter zijne verbazing, toen hij, het koffertje opensluitende, in plaats van geldstukken, niets anders vond dan een' hoop rond afgeknipte boombladeren. Hij sloeg zich met de vuist voor het hoofd, en schreeuwde zoo hard, dat de buren kwamen toeloopen. Deze waren niet minder ontsteld over zulk eene vreemde gedaante-verwisseling. „Mogt het Allah behagen,” riep mijn broeder in zijne woede, „dat die verraderlijke grijsaard met zijn huichelachtig gezigt thans eens hier kwam.” Naauwelijks had hij deze woorden gesproken, of hij zag hem in de verte aankomen. Alcouz ijlde den bedrieger te gemoet, en greep hem dadelijk bij den kraag. „Muzelmannen!” schreeuwde hij, „komt mij te hulp. Hoort het schelmstuk aan, dat deze oude booswicht aan mij bedreven heeft.” Hierop deed hij aan de hem omringende volksmenigte, een gelijk verhaal, als vroeger aan zijne buren. Toen hij met spreken ophield, zeide de grijsaard, zonder eenige verlegenheid aan den dag te leggen, op bedaarden toon tot hem: „Gij zult zeer wel doen, mij in vrede te laten gaan, en daardoor de beleediging te herstellen, die gij mij voor het oog van zoo vele menschen aandoet, uit vrees dat u niet iets ergers overkome, als ik op mijne beurt zou moeten spreken, hetgeen mij voor u leed zou doen.” „Wel! wat hebt gij op mij te zeggen, oude grijskop?” riep mijn broeder. „Ik ben in mijn beroep een eerlijk man, en volstrekt niet bang voor u!” „Gij wilt dus, dat ik uwe schande openbaar zal maken?” hernam de grijsaard op den zelfden vasten toon. „Weet dan,” vervolgde hij met stemverheffing, zich tot het volk wendende, „dat deze eerlijke man, in plaats van zooals zijn beroep medebrengt schapen te slachten, menschenvleesch verkoopt.” „Gij zijt een lasteraar!” riep mijn broeder. „Neen, neen!” hernam de grijsaard, „wat ik zeg, is waarheid; hoe durft gij het ontkennen, daar gij nog heden een' mensch geslagt, en als een schaap opgemaakt vóór uwen winkel ten toon hebt gehangen? Wie mij niet gelooven wil, moge er heen gaan, en zich met eigen oogen overtuigen, dat ik niet gelogen heb.”
Mijn broeder had dien morgen werkelijk een schaap geslagt, en dit naar gewoonte vóór zijnen winkel ten toon gesteld. Hij kon dus, zoo meende hij, met volkomen gerustheid staande houden, dat de grijsaard een aartsschelm en leugenaar was; maar wat hij ook mogt zeggen, de ligtgeloovige menigte liet zich gemakkelijk innemen tegen een' man, die van eene zoo afschuwelijke misdaad betigt werd, en wilde daaromtrent dadelijk ingelicht zijn. Men dwong mijn' broeder den grijsaard los te laten, maakte zich van hemzelven meester, en voerde hem onder een' geweldigen oploop mede, tot aan zijnen winkel. Hier meende men werkelijk een geslacht mensch te zien hangen; want de grijsaard een toovenaar zijnde, had de oogen van het volk begoocheld, gelijk hij die van mijn' broeder verblind had, als hij hem boombladeren voor echte zilveren munt deed aannemen.
Op dit ingebeeld zien van een geslagt mensch gaf een dergenen, die hem vasthielden, aan Alcouz een' geduchten vuistslag, zeggende: „Ha! booswicht, is het op deze wijze, dat gij ons menschenvleesch te eten geeft?” De grijsaard, die niet van de zijde mijns broeders was geweken, bragt hem een' slag in het gezigt toe, zoo dat het eene oog er uitspatte. Op deze wijze werd Alcouz door ieder mishandeld, die slechts tot hem kon doordringen, en hiermede nog niet tevreden, sleepten zij hem, ook het gewaande lijk medevoerende, tot voor het huis van den regter. „Heer,” zeide nu de toovenaar, voor allen het woord doende, „zie hier een' man die de barbaarschheid heeft, de menschen in zijnen winkel te lokken, als beesten te slagten, en hun vleesch voor schapenvleesch te verkoopen. Het volk hier tegenwoordig verlangt dat deze menschen-slagter, tot een' afschrik voor andere booswichten, streng gestraft zal worden.” De regter riep hierop mijn' broeder voor zich, en hoorde zijne verdediging met geduld aan; maar de geschiedenis van het geld, dat in bladeren was veranderd, kwam hem zoo weinig geloofwaardig voor, dat hij Alcouz voor een' listigen bedrieger hield, en zich verlatende op hetgeen zijne oogen zagen, liet hij hem vijfhonderd stokslagen geven.
Vervolgens dwong hij mijn' ongelukkigen broeder hem de plaats te zeggen, waar hij zijn geld had geborgen, beroofde hem daarvan, en verbande hem voor zijn leven, nadat men hem gedurende drie dagen, op een' kameel gezeten, tot een afschrikkend voorbeeld voor jong en oud door de stad had rondgeleid.
Toen dit treurige voorval met mijnen armen broeder plaats had,” vervolgde de barbier, „bevond ik mij niet te Bagdad. Hij zocht eene eenzame wijkplaats op, waar hij verborgen bleef tot dat zijn rug, die bijna geheel ontveld en bont en blaauw was van de ontvangen stokslagen, geheeld zou zijn. Zoodra hij zich weder in staat bevond, om te kunnen loopen, begaf hij zich langs binnenwegen naar eene stad, waar niemand hem kende, en nam zijn' intrek bij arme lieden, zonder bijna zijne ellendige woning te verlaten, zoo menschenschuw was hij geworden. Eindelijk echter verdroot het hem, steeds als een gevangene binnen vier muren te zitten, en waagde hij het eene wandeling in eene der voorsteden te doen. Plotseling werd hij verschrikt door het gerucht eener naderende ruiterbende, welke hem achterop kwam rijden. Hij bevond zich op dat oogenblik voor de deur van een groot huis; en daar hij, na het ongeluk dat hem had getroffen, overal gevaar zag, vreesde hij dat die ruiters hem achtervolgden en gevangen wilden nemen. In die vrees stootte hij de deur, die niet gesloten was, open, ten einde zich te verbergen, totdat de ruiters voorbij zouden zijn. Maar naauwelijks had hij de deur achter zich gesloten, en de voeten in het voorhof gezet, toen een tweetal bedienden kwamen toeschieten en hem bij den kraag pakten. „Allah zij geprezen!” riepen zij, „dat gij u dus zelven aan ons overlevert! Gij hebt ons reeds zoo veel zorg verwekt, dat wij de laatste drie nachten niet te bed zijn geweest; en hadden wij niet opgepast, gij zoudt ons nog om het leven hebben gebragt.”
Gij kunt wel denken, sire, dat mijn broeder over deze ontvangst zeer verwonderd was. „Goede lieden,” zeide hij tot hen, „ik weet niet wat gij van mij hebben wilt; gij hebt zeker een' verkeerde voor.” „Neen,” antwoordden zij, „wij weten zeer goed, dat gij tot eene bende straatroovers behoort. Het was u niet genoeg onzen meester te bestelen en tot armoede te brengen, gij wildet hem nu ook nog het leven benemen. Laat ons eens zien of gij het mes niet bij u draagt, dat gij in de hand hield, toen gij ons gisteren nacht achtervolgdet.” Dit zeggende betastten zij hem, en bevonden dat hij werkelijk een mes bij zich had. „Aha!” riepen zij, en ontnamen hem het mes, „durft gij thans nog zeggen geen straatroover en moordenaar te zijn?” „Nu nog fraaijer,” antwoordde mijn broeder, „kan men geen mes bij zich dragen, zonder een straatroover te zijn? Hoor mijne geschiedenis,” vervolgde hij, „en in plaats van zulke slechte gedachten van mij te koesteren, zult gij begaan zijn met mijn ongeluk.” Wel verre van hem aan te hooren, wierpen zij hem op den grond, en scheurden hem de kleêren van 't lijf. De lidteekens op zijnen rug vielen hen daarbij in het oog. „Ha, hond,” riepen zij nu, hunne slagen verdubbelende, „wilt gij ons nog vertellen, dat gij een eerlijk man zijt? Uw rug wijst het wel anders uit!” „Helaas,” kermde mijn broeder, „mijne zonden moeten wel groot wezen, dat ik, na reeds éénmaal zoo onregtvaardig mishandeld te zijn; dit nu voor de tweede maal ondervinden moet, zonder eenige schuld te hebben.”
De bedienden werden door zijne klagten niet het minst bewogen; zij bragten hem voor den regter, en deze zeide tot hem: „Wat heeft u zoo stout gemaakt, bij deze menschen in huis te dringen, en hen met het mes in de hand te vervolgen?” „Heer,” antwoordde de arme Alcouz, „zie in mij den onschuldigsten en tevens den ongelukkigsten mensch van den ganschen aardbodem. Indien gij geen mededoogen hebt, en mij niet geduldig wilt aanhooren zoo ben ik verloren.” „Heer,” viel thans een der bedienden in, „zult gij gehoor geven aan de woorden van een' lagen straatroover, die in de huizen sluipt, om de bewoners te berooven en te vermoorden? Indien gij ons niet wilt gelooven, zoo bezie slechts zijnen rug!” Dit zeggende ontblootte hij den rug van mijnen broeder, en liet dien aan den regter zien. Deze beval hierop, zonder dat hij in een nader onderzoek trad of op de herhaalde betuigingen van onschuld van mijn rampzaligen broeder verder acht sloeg, hem onmiddelijk honderd slagen op de schouders te geven. Hij liet hem vervolgens op eenen kameel door de stad rondleiden, terwijl een omroeper voor hem uitging en riep: „Zoo worden degenen getuchtigd, die met geweld of list in eens anders woning binnendringen.” Nadat men hem aldus had rondgevoerd, werd Alcouz buiten de stad gebragt, met streng verbod daarin immer weder terug te mogen komen. Eenige lieden, die mijn' broeder kenden en hem na dit tweede ongeluk ontmoetten, gaven mij berigt van de plaats, waar hij zich ophield. Ik ging hem daar opzoeken, en bragt hem in stilte weder te Bagdad, waar ik hem naar mijn beste vermogen ondersteunde.
De kalif Mostanser Billah,” vervolgde de barbier, „moest over deze geschiedenis niet zoo lagchen als over de vorigen. Hij had de goedheid den ongelukkigen Alcouz te beklagen, en wilde mij andermaal iets doen geven en mij heên laten gaan, maar zonder daarop acht te slaan, nam ik nogmaals het woord op en zeide: „Geëerbiedigd opperheer, gij zult nu de overtuiging hebben, dat ik karig in mijne woorden en in 't geheel niet praatziek ben; en daar uwe majesteit de goedheid heeft gehad, mij tot dus verre aan te hooren, zoo smeek ik haar, ook aan het verhaal der lotgevallen van mijne beide andere broeders een gunstig oor te verleenen. Ik hoop dat zij u niet minder genoegen zullen geven dan de voorgaanden. Zoo zult gij tevens in de gelegenheid worden gesteld, daarvan eene volledige geschiedenis te laten maken, die niet onwaardig zal zijn, als iets zeldzaams in uwen boekenschat te worden opgenomen, om voor het nageslacht bewaard te blijven. Ik zal dus de eer hebben u te zeggen, dat mijn vijfde broeder Alnaschar genoemd werd.
GESCHIEDENIS VAN DEN VIJFDEN BROEDER VAN DEN BARBIER.