Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Derde deel

Part 1

Chapter 13,857 wordsPublic domain

+----------------------------------------------------------------+ | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, | | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te | | moderniseren. | | | | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het | | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Voetnoten zijn | | verplaatst naar het eind van de alinea met de verwijzing. | | | | De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als | | _cursief_. Uitgespatieerde tekst is weergegeven als | | ~uitgespatieerd~; vette tekst als #vet#. | | | | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn | | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden: met/zonder | | accent, met/zonder koppelteken, met/zonder extra spatie). | | | | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de | | aangebrachte correcties. | | | | De illustraties zijn beschikbaar bij de html-versie van dit | | e-boek op https://www.gutenberg.org/ | | | | Van „Duizend en één Nacht” zijn ook 3 andere delen als e-boek | | beschikbaar via Project Gutenberg: | | #45875, Eerste deel: https://www.gutenberg.org/ebooks/45874 | | #45876, Tweede deel: https://www.gutenberg.org/ebooks/45875 | | #45877, Vierde deel: https://www.gutenberg.org/ebooks/45877 | | | +----------------------------------------------------------------+

DUIZEND EN ÉÉN NACHT.

Duizend en één Nacht.

ARABISCHE VERTELLINGEN.

NAAR DE BESTE BRONNEN VOOR ONZEN TIJD BEWERKT.

_DERDE DEEL._

AMSTERDAM, Gebrs. KOSTER. 1882.

GESCHIEDENIS VAN DEN KLEINEN GEBOGCHELDE.

Te Cachgar, aan de Zuidelijke grenzen van Groot-Tartarije, woonde voor vele jaren een kleêrmaker, die eene zeer schoone vrouw had. Deze echtelingen beminden elkander hartelijk, en leefden te zamen zeer eendragtig. Op zekeren dag, dat de kleêrmaker op zijne snijderstafel met ijver zat te werken, trad een kleine gebogchelde man binnen, zette zich voor de tafel, en begon bij de muzijk van eene tambourijn te zingen. De kleêrmaker hoorde hem met vermaak aan, en kwam op het denkbeeld, hem naar zijn huis mede te nemen, opdat ook zijne vrouw in zijn genoegen zou kunnen deelen. „Hij kan ons,” sprak hij bij zich zelven, „dezen avond met zijne kluchtige zangstukjes regt vermaken,” en hij deed hem het voorstel daartoe. Toen zulks door den gebogchelde aangenomen werd sloot hij zijne werkplaats en nam hem mede naar zijne woning.

De vrouw van den snijder had bij hunne aankomst het avondeten gereed, en zette een' schotel met visch op, welke zij zeer smakelijk had toebereid. Men plaatste zich aan tafel, doch de gebogchelde at zoo gulzig, dat hem eene groote graat in de keel bleef zitten, waardoor hij stikte. De kleêrmaker en zijne vrouw zagen zich hierdoor in groote verlegenheid gebragt. Zij waren zeer ontsteld, omdat dit ongeval binnen hunne woning had plaats gehad, en er dus, indien de zaak ruchtbaar werd, bij het geregt ligtelijk het vermoeden kon ontstaan, dat zij hem vermoord hadden. Na eenig nadenken vond echter de man een middel, om zich van het lijk te ontdoen. Hij wist dat er in de nabijheid een Joodsch geneesheer woonde, en daarop grondde hij zijn plan. Hij nam met zijne vrouw den gebogchelde op, de eene bij het hoofd, de andere bij de voeten. Zoo droegen zij hem naar de woning van den geneesheer. Deze woonde op een bovenhuis, waarheen men met een' buitentrap moest opgaan. De snijder liet zijne vrouw en het lijk beneden, klom den trap op en klopte aan. Eene meid deed dadelijk open, zonder dat zij zich den tijd had gegund licht mede te nemen, en vraagde, wat men verlangde. „Wees zoo goed,” sprak de kleêrmaker, „en zeg uw' meester, dat wij een' zieke bij ons hebben, voor wien wij een geneesmiddel verlangen. Zie daar,” vervolgde hij, haar een geldstuk in de hand drukkende, „geef dit vooraf aan uwen heer, opdat hij weten moge, dat wij geene onbetaalde diensten van hem begeeren.” Terwijl de meid naar binnen ging, om den geneesheer dit goede nieuws over te brengen, droegen de snijder en zijne vrouw het lijk van den gebogchelde den trap op, lieten hem daar, en spoedden zich weg.

Intusschen had de meid hare boodschap aan den geneesheer overgebragt, waarbij zij hem het ontvangen geld overgaf. Op het gezigt dezer vooruitbetaling, werd de doctor zeer verblijd. „Zulk een begin,” dacht hij, „voorspelt wat goeds! Neem haastig een licht en volg mij,” zeide hij tot het dienstmeisje. Hij had echter geen geduld genoeg om te wachten, spoedde zich in het donker vooruit, en den trap willende afgaan, gaf hij door den haast den gebogchelde zulk een' harden schop, dat deze van den trap afrolde, en op de straat te regt kwam. Het scheelde niet veel of de doctor ware hem even spoedig komen narollen, doch hij greep zich nog aan de leuning vast. „Breng toch spoedig licht, Abigaël!” schreeuwde hij, „er lag iets op den trap, en ik heb bijna den hals gebroken.” De meid kwam nu met het licht aanloopen. Zij gingen den trap af, en vonden, dat hij niets meer of minder dan een lijk den trap had afgeschopt. Hierop verschrikte de man zoo hevig, dat hij Mozes, Aäron, Josua, en alle andere profeten van het Oude Verbond aanriep. „Ongelukkige, die ik ben!” jammerde hij, de handen wringende, „waarom moest ik ook zonder licht naar beneden gaan? Ik heb den zieke gedood, dien men ter genezing tot mij bragt! ik ben oorzaak van zijn' dood, en een verloren man. O hemel! O hemel! Ach, Mozes! kom mij te hulp! Weldra zal het geregt komen, en ik gehangen worden als iemand, die een' doodslag begaan heeft.”

Doch hoe ontsteld ook de Joodsche geneesheer was, hij behield nog genoeg tegenwoordigheid van geest, om den gebogchelde naar binnen te slepen en zijne deur te sluiten, daar hij vreesde, dat, zoo een der voorbijgangers bemerkte, wat er was voorgevallen, hij hem bij het geregt mogt aanklagen. Daarna nam hij het lijk op zijne schouders en bragt het in de kamer van zijne vrouw, die, toen zij hem met zulk een' zonderlingen last zag binnenkomen, van schrik in flaauwte meende te vallen. „Vader Abraham, vader Izaäk, vader Jacob! wat zal ons nu overkomen,” gilde zij, „een lijk! Indien de dag aanbreekt, de politie onderzoek doet, en het lijk bij ons vindt, dan zijn wij verloren. Welk eene ramp! Hoe zijt gij er toe gekomen, man, om dezen mensch te dooden?” „Dat is thans de vraag niet,” hernam de Jood, „de hoofdzaak is om een middel tegen het ons dreigend gevaar te vinden.”

De geneesheer en zijne vrouw beraadslaagden nu, hoe zich gedurende den nacht van het lijk te ontdoen. De eerste wist hierop niets te vinden, doch zijne vrouw, vindingrijker dan hij, zeide: „Daar valt mij iets in. Laat ons het lijk op het platte dak van ons huis brengen, en vervolgens neêrlaten door den schoorsteen van onzen buurman, die een goed Muzelman is. Deze zal wel een middel weten, om er zich door te redden, terwijl men ons, integendeel, in dit heidensche land met alle gestrengheid zal behandelen. Wat denkt gij daarvan, man?” „Gij zijt waardig, vrouw!” sprak de doctor, „om in goud te worden beslagen. Uw raad zullen wij volgen. Onze buurman is koopman in olie, boter en smeer, en klaagt er vreeselijk over, dat de ratten en de muizen zoo bij hem huishouden; als hij nu den doode ziet, zal hij denken dat het eene rat op twee beenen is, die hem heeft willen bestelen, maar die door den schoorsteen is gevallen, en zijne onderneming met den dood heeft bekocht.” Zoo gezegd zoo gedaan. De geneesheer en zijne vrouw bragten den gebogchelde op het plat van hunne woning, deden hem een touw onder de armen, en lieten hem door den schoorsteen in de voorraad-kamer van den koopman afzakken, zoodat hij op zijne voeten te staan kwam, regt tegen den muur. Daarna trokken zij de touwen weder omhoog, en lieten het aan den koopman over, zich met den doode te verstaan; hij mogt hem dan voor een' dief of voor een' schoorsteenveger aanzien.

Naauwelijks waren zij weder op hunne kamer, toen de koopman te huis kwam. Hij was op eene vrolijke partij geweest, en had eene lantaarn in de hand. Toen hij zijne kamer opende en het licht op den gebogchelde viel, was de goede man niet weinig verbaasd, een' vreemden gast in zijn huis te vinden, die zijne plaats onder den schoorsteen had genomen, waardoor hij waarschijnlijk, toen hij de voordeur gesloten vond, was binnengekomen. Doch hoe verwonderd de koopman was, greep hij toch, daar het hem niet aan moed ontbrak en daar hij dacht een' dief voor zich te hebben, een' dikken stok, ging regelregt op den gebogchelde af en zeide: „Ha, ha, kameraad! Ik heb gemeend, dat het de ratten en muizen waren, die zoo met mijne boter en mijn vet huis hielden; maar zijt gij het, die door den schoorsteen komt om mij te bestelen? Ik beloof u, dat gij er voor den tweeden maal geen lust toe zult krijgen.” Dit zeggende sloeg hij dapper op den gebogchelde toe, zoo lang, tot dat deze zijn evenwigt verloor en op den grond viel. De koopman hield echter niet op met slaan, tot dat hij eindelijk bemerkte, dat er in den man geene beweging meer was. Hij onderzocht den ongelukkige nader, maar er was geen leven meer in te vinden. Nu kreeg de vrees de overhand op zijn' toorn. „Wat heb ik gedaan?” klaagde hij, „ik heb een mensch omgebragt! Ach! ik ben te ver gegaan in mijne gramschap. O Allah! O Mohamed! indien gij geen mededoogen met mij hebt, is het met mijn leven gedaan. Duizendmaal verwenscht zijn het vet, de olie en de boter, die de oorzaak zijn, dat ik zulk eene strafwaardige daad begaan heb.” Bleek en ontdaan van schrik bleef hij als roerloos staan; in zijne verbeelding zag hij reeds de geregtsdienaars komen, die hem naar de strafplaats zouden slepen. Het klamme zweet brak hem uit, en hij wist niet wat te doen.

Nogmaals onderzocht hij het lijk, en nu ontdekkende, dat hij met een' gebogchelde had te doen gehad, borst hij in nieuwe verwenschingen uit, zonder te bedenken, dat alleen zijn verregaande toorn er de schuld van was. „Verwenschte bogchel!” riep hij, „haddet gij maar, al wat ik heb, gestolen, en hadde ik u hier maar niet ontmoet, dan zou ik mij niet in deze verlegenheid bevinden. Lichten des hemels,” vervolgde hij, „laat uw licht in dit dreigende gevaar alleen voor mij schijnen.” Dit zeggende, laadde hij het lijk op zijne schouders, ging tot aan het einde der straat en plaatste het overeind tegen een der winkels, die op dat uur allen nog gesloten waren. Daarop keerde hij naar zijne woning terug, zonder achterom te zien.

Eenige oogenblikken vóór dat de dag aanbrak, wilde een rijke Christen koopman, die den nacht in zwelgerij had doorgebragt, zich naar het bad begeven. Hoewel half beschonken, bemerkte hij echter, dat de nacht ten einde spoedde en men de geloovige Muzelmannen weldra tot het morgengebed zou oproepen. Dit deed hem zijne schreden verhaasten, uit vrees dat hij door een' Muzelman, die naar de Moskee ging, ontmoet, door dezen als een' dronkaard aangehouden en aan de politie overgeleverd zoude worden; want het was te Cachgar, op straffe van gevangenschap, verboden, zich in beschonken toestand op straat te vertoonen.

Toevallig bleef hij echter bij den winkel, waartegen het lijk was neergezet, een oogenblik staan, en wel met het ongelukkig gevolg, dat hij tegen den doode stiet, en deze hem tegen het lijf viel. De koopman denkende, dat hij door een' straatroover werd aangevallen, gaf het lijk een' zoo geduchten vuistslag, dat dit ter aarde viel, en zich daarna al slaande op hetzelve werpende, begon hij te roepen: „Dieven! Dieven!”

De wacht uit die buurt kwam op zijn geschreeuw toeschieten, en bemerkende dat het een Christen was, die een' Muzelman mishandelde, vroeg men hem wat daartoe aanleiding gaf. „Hij wilde mij berooven,” gaf de koopman ten antwoord, „en wierp zich op mij, om mij bij de keel te vatten.” „Dan hadt gij regt,” sprak de wacht, „doch laat de man nu met rust; gij hebt u genoeg gewroken.” Dit zeggende, trok hij hem bij een' arm terug. Daarna stak hij de hand uit om den gebogchelde op de been te helpen; maar dit was onnoodig; de man was dood. „Niet van deze plaats!” riep thans de wacht, terwijl hij den koopman in de borst greep, „ik moet u voor den regter brengen. Het zal u duur te staan komen, Christenkind! dat gij een' Muzelman gedood hebt.”

Men liet den koopman in de gevangenis brengen, tot dat het den regter gelegen zou komen, hem in verhoor te nemen. De schrik had den koopman nuchter gemaakt, maar hoe meer hij over de zaak nadacht, hoe minder hij kon begrijpen, dat eenige vuistslagen een mensch het leven hadden benomen; iets, wat volstrekt zijne bedoeling niet geweest was.

Toen de regter de wacht gehoord had, liet hij het lijk van den verslagene voor zich brengen. Daarna moest de Christen koopman voorkomen, en ondervroeg men hem. Deze kon de misdaad, waarvan men hem betigtte, niet ontkennen, ofschoon hij die inderdaad niet begaan had. Daar de gebogchelde herkend werd als een' der hofnarren van den sultan achtte de regter het zijn pligt, om, eer hij den koopman ter dood deed brengen, deswege den wil van zijn' vorst te vernemen. Hij begaf zich te dien einde naar het paleis en deelde den sultan den gepleegden doodslag door den Christen koopman aan zijn' hofnar mede. De sultan, die veel van zijn' nar hield, ontstak in hevigen toorn! „Ga,” zeide hij, „en doe uw' pligt. Voor een' Christen, die een' Muzelman gedood heeft, heb ik geene genade.” Hiermede was het doodvonnis van den Christen koopman geveld. Men liet eene galg oprigten, en de omroepers door de geheele stad bekend maken, dat een Christen, die een' Muzelman gedood had, zou worden opgehangen.

Men haalde den koopman uit de gevangenis, en zette hem onder de galg, met den strop om den hals, ten toon. De beul wachtte slechts op een teeken van den regter om het vonnis te voltrekken, toen een koopman in boter buiten adem kwam aanloopen en zich een' weg door de volksmenigte baande, terwijl hij luidkeels riep: „Houd op, houd op, overhaast u niet! Deze mensch is onschuldig; ik ben de man, die den doodslag begaan heeft.” De regter deed den koopman voor zich komen, en deze verhaalde hem zeer naauwkeurig, op welke wijze hij den gebogchelde aangetroffen, met stokslagen afgemaakt, en vervolgens het lijk van den verslagene voor een' winkel geplaatst had, waar het door den Christen koopman was gevonden. „Gij zoudt dus,” vervolgde hij, „een' onschuldige doen sterven, daar hij onmogelijk een lijk kon dooden. Wat mij betreft, het is mij reeds smartelijk genoeg in mijn' toorn een' Muzelman verslagen te hebben, en wensch niet daarbij den dood op mijn geweten te laden van dezen Christen koopman, die geene misdaad heeft begaan.”

Daar de koopman alzoo zich zelven in het openbaar aanklaagde, en zijne misdaad genoeg had gestaafd, kon de regter niet wel anders doen, dan aan den Christen regt te doen wedervaren. „Laat,” zeide hij tot den scherpregter, „dien Christen gaan, en neem dezen man in zijne plaats, daar het uit zijne eigene bekentenis blijkt, dat hij de schuldige is.” De beul liet den Christen los en deed den strop om den hals van den Muzelman; doch op het oogenblik, dat hij hem wilde optrekken, drong de Joodsche doctor door tot aan den voet van de galg, verhief zijne stem en smeekte, dat men het vonnis zou opschorten, tot dat men ook hem zou gehoord hebben. Voor den regter gebragt, sprak de Jood hem aldus aan: „Gestrenge Heer! De Muzelman, dien gij wilt doen hangen, heeft niets gedaan, waardoor hij den dood verdiend heeft; ik alleen ben schuldig. Gisteren nacht kwamen twee onbekende lieden, een man en eene vrouw, aan mijne deur kloppen, en bragten mij een' zieke. Mijne dienstmeid ging zonder licht naar voren, en ontving een stuk geld, met last mij dit te geven en te verzoeken, dat ik zou afkomen om den zieke te zien. Terwijl zij mij deze boodschap overbragt, moeten zij den zieke den trap opgedragen hebben en daarna vertrokken zijn, want toen ik in haast naar beneden ging, zonder te wachten tot de meid het licht had ontstoken, schopte ik tegen iets zwaars, dat den trap afrolde, en zoo ik mij niet aan de leuning vastgegrepen had, zou ik mede gevallen zijn. Bij onderzoek bleek mij, dat ik den zieke naar beneden had geschopt, en dat hij dood was. De vrees voor de gevolgen van dit ongeval deed mijne vrouw eene list uitvinden om ons van het lijk te ontdoen. Wij bragten den doode op het plat van ons huis, en lieten het lijk in den schoorsteen van onzen buurman den koopman afzakken. Deze meende een' dief voor zich te hebben, heeft den doode op stokslagen onthaald, en verkeerde in den waan hem gedood te hebben, hetgeen echter, gelijk uit mijn verhaal blijkt, eene vergissing is. Ik alleen ben, hoewel zonder mijne schuld, de oorzaak van den dood des gebogchelden; en ik wil mijn geweten niet bezwaren met een ander voor mijne onvoorzigtigheid te laten boeten. Moet er dus een offer zijn, zoo laat dezen onschuldige gaan, en neem mij in zijne plaats.” „Dat zal geschieden,” sprak de regter, wien het misschien niet ongevallig was een' Jood in plaats van een' Muzelman, zijn' geloofsgenoot, te kunnen doen ophangen.

Reeds had de beul den Jood den strop om den hals gedaan, toen de snijder kwam aanloopen en voor den regter trad. „Heer,” sprak hij, „het scheelde weinig, of gij zoudt drie onschuldige menschen het leven hebben doen verliezen; doch indien gij zoo goed wilt zijn mij aan te hooren, zoo zal ik u de waarheid doen kennen. Moet de dood van dezen gebogchelde met het leven van iemand geboet worden, dan zal het met het mijne zijn. Gisteren avond, terwijl ik vrolijk in mijn' winkel op mijne werktafel zat te naaijen, zette de gebogchelde, in half beschonken toestand, zich bij de deur neder. Hij zong eenige vrolijke liederen, waarin ik behagen vond, en ik noodigde hem uit, den avond in mijn huis door te brengen. Hij stemde daarin toe, en ik nam hem, na mijn' winkel gesloten te hebben, mede naar mijne woning. Wij zetten ons aan tafel, waarop onder anderen een schotel met visch kwam. Hiervan at onze gast zoo gulzig, dat hem eene graat in de keel bleef zitten, en hij daarin stikte. Mijne vrouw en ik zochten hem te helpen, maar hij stierf in onze armen. Wij waren zeer ontsteld over zijn' dood, en de vrees, dat wij zouden verdacht worden daaraan schuldig te zijn, deed ons het lijk voor de deur van den Joodschen geneesheer brengen. Ik klopte aan en zeide tot de meid, die open deed, dat zij spoedig naar haren meester zou gaan, om hem te verzoeken, dat hij mogt afkomen, om naar een' zieke te zien, dien wij hadden medegebragt. Opdat wij hieraan te gereeder zouden voldoen, gaf ik haar een stuk geld, met last hem dit onmiddelijk, bij wijze van vooruitbetaling, ter hand te stellen. Zoodra de meid vertrokken was, plaatste ik het lijk op de bovenste trede van den trap en maakte mij met mijne vrouw uit de voeten. Toen de doctor den trap wilde afgaan, deed hij den gebogchelde, zoo als ik zeer goed kan begrijpen, naar beneden rollen, en hem dood vindende, moest dit hem in den waan brengen, dat de val, dien hij hem had laten doen, daarvan de oorzaak was. Daar nu de zaak zich heeft toegedragen, zoo als ik u verhaald heb, zoo laat den Jood gaan, en indien men des doods schuldig is, omdat iemand, dien men te gast heeft genoodigd, aan eene vischgraat stikt, zoo ben ik de man, die sterven moet.”

Zoowel de regter als de omstanders konden zich niet genoeg verwonderen over de vreemde gebeurtenissen, welke de dood van den gebogchelde ten gevolge had gehad. „Laat dan,” zeide de regter tot den beul, „den Jood los, en hang den snijder op, daar hij zelf zijne misdaad heeft beleden. Ik moet echter toestemmen, dat deze geschiedenis zeer buitengewoon is, en waardig met gouden letters te worden opgeschreven. Het regt moet zijn' loop hebben.” Toen dus de beul den doctor los gemaakt had, deed hij het touw om den hals van den kleêrmaker.

Terwijl nu de scherpregter aanstalten maakte om den kleêrmaker de doodstraf te doen ondergaan, was het den sultan van Cachgar ter oore gekomen, dat zich, buiten den Christen koopman, nog drie anderen hadden opgedaan, die allen verklaarden den gebogchelde gedood te hebben. Dit kwam hem zoo zonderling voor, dat hij besloot zelf onderzoek naar die zaak te doen. „Ga,” sprak hij tot een' der wachten van het paleis, „ga, in alle haast en beveel den regter, dat hij onmiddelijk de beschuldigden voor mij brenge en ook het lijk van den armen gebogchelde, dat ik nog eenmaal zien wil.” De wachter vertrok en kwam op de strafplaats aan, toen de beul het koord reeds in de hoogte trok, om den snijder op te hangen. De dienaar des sultans schreeuwde uit al zijne magt, en de beul, hem herkennende, had den moed niet met zijn werk voort te gaan; hij liet den snijder weder zakken, en maakte het touw los van zijn' hals, om hem adem te doen scheppen. De vorstelijke bode naderde nu den regter en maakte hem met den wil des sultans bekend. De regter, hieraan onmiddelijk gevolg gevende, begaf zich op weg naar het paleis, met den snijder, den Joodschen geneesheer, den Muzelman en den Christen koopman; hij liet het lijk van den gebogchelde door vier van zijne dienaren derwaarts overbrengen.

Zoodra zij voor den sultan kwamen, wierp de regter zich aan de voeten van dezen monarch, en zich weder oprigtende, deelde hij hem alles mede wat met den gebogchelde na diens dood had plaats gehad. De sultan vond dit zoo merkwaardig, dat hij zijn' bijzonderen geschiedschrijver last gaf, alles naauwkeurig te boek te stellen; en zich vervolgens tot al de aanwezenden rigtende, zeide hij: „Heeft wel iemand uwer ooit iets zonderlinger gehoord?” De Christen koopman, zich met het voorhoofd ter aarde buigende, nam toen het woord. „Magtige monarch!” zeide hij, „mij is eene geschiedenis bekend, nog wonderlijker, dan die van uw' hofnar; indien uwe majesteit mij daartoe verlof geeft, zal ik de eer hebben, haar die te verhalen. De daarin voorkomende gebeurtenissen zijn van dien aard, dat niemand ze kan aanhooren, zonder er door getroffen te worden.” De sultan stemde in zijn verzoek toe, en de koopman ving aldus aan.

GESCHIEDENIS, VERHAALD DOOR DEN CHRISTEN KOOPMAN.

„Sire! alvorens een' aanvang te maken met het verhaal, dat uwe majesteit mij veroorlooft haar mede te deelen, moet ik doen opmerken, dat ik de eer niet heb in dit rijk geboren te zijn. Ik ben een vreemdeling, geboortig van Caïro in Egypte, een Copt en belijder van de Christelijke godsdienst. Mijn vader was makelaar en liet mij bij zijn overlijden een aanzienlijk vermogen na. Ik volgde hem op in zijn beroep. Op zekeren dag, dat ik mij te Caïro in eene herberg bevond, waar de graanhandelaars zich gewoonlijk verzamelden, kwam een jonge koopman, wel gekleed en van een zeer gunstig voorkomen, naar mij toe. Hij groette mij zeer beleefd, en zijn zakdoek openende, waarin hij een monster Turksch koren had, zeide hij: „Hoeveel geldt de groote maat Turksch koren van dezelfde soort, als gij hier ziet?”