Dubbele Twee: Leesboek voor het vierde leerjaar
Chapter 4
»Wees maar wat rustig, anders gebeuren er nog meer ongelukken,« zei meester. »Laat me je hand nog eens zien.«
»Nee, nee,« lachte Jo, en meteen rolde hij den dijk af.
»Maar ik heb toch gelijk gekregen,« riep meester.
»Dat hebt u,« zei Jo, »dat hebt u.«
En hij wentelde zich al verder en verder naar beneden, terwijl hij zong:
»Niet in z'n bloote velletje, Maar in de schort van Nelletje, Ha--hi, ha--ha, ha--hi, ha--ha, Ha--hi, ha--ha!«
XXI.
Twee neuzen te zoek.
Toen de kinderen den IJseldijk een poosje op- en afgerend waren, gingen ze naar het Katerveer. Ze voeren ook even over de rivier heen.
»Nu staan we op de Veluwe,« zei meester.
»Leuk,« dachten de kinderen. »Nou zijn we daar ook geweest.«
En meteen stormden ze weer naar de pont.
Even later waren ze teruggekeerd in Overijsel.
In een speeltuin dronken ze chocolade en toen speelden ze er een paar uren. En Jo verwisselde er van kleeren en gaf terug, wat hij geleend had.
Ziezoo, nu was alles weer in orde!
»Vooruit«, riep meester eindelijk, »naar Zwolle terug. We moeten de groote kerk nog zien.«
Het gebeurde en alle kinderen stonden verbaasd over den mooien preekstoel. En nog meer over de wonderbaarlijke trap, die er was.
»Brr«, zei Nel, »'t lijkt wel een afgrond. Ik zou door zoo'n koker niet graag omhoog klimmen.«
»Dat mag je ook niet eens«, zei Kee. »Nietwaar, meester?«
»Ik denk ook van niet. En als de koster 't hebben wou, dan stond ik het nog niet toe. 't Is veel te gevaarlijk, en ik wil jullie mee terug nemen naar Breedega, hoor!«
»Geloof maar niet, dat wij achterblijven«, riep Nel.
»Dus bevalt het je nog al in Breedega?«
»Nou, òf!«
De tijd schoot intusschen op.
»Kinderen, we moeten naar huis terug«, zei meester. »Als we nu nog een paar straten bezien, komen we op tijd aan 't station.«
Allemaal verlieten ze de kerk en gingen in de richting van de spoorlijn. Na een klein half uur bereikten ze het station.
Gelukkig, de trein stond gereed. Maar er was tijd genoeg, om een plaatsje te zoeken.
»Haast u maar niet«, zei een conducteur. »'t Duurt nog wel een minuut of tien voor we vertrekken.«
Meester telde z'n kindertjes eens na. Hij wist wel, dat er niet een ontbrak, maar toch.... Je kon nooit weten!
Dus telde hij.
Wat was dat? Twee te weinig?
Nog eens geteld!
Opnieuw telde meester twee neuzen minder, dan er moesten zijn.
Hij schrok.
»Juffrouw, telt u ook eens! Er ontbreken twee kinderen, geloof ik.«
»Dat zult u wel mis hebben. Ik heb altijd goed opgelet, maar niemand bleef achter, of ging vooruit.«
De juffrouw telde.... Twee te weinig!
Het zweet brak den meester uit.
»Wie mist er?« riep hij. »Die moet den vinger opsteken! Och nee...., toe kinderen, kijkt eens goed rond!«
Nu zocht en telde iedereen.
»Meester, Nel is er niet,« schreeuwde Jo zoo hard hij kon.
»En Kee ook niet,« riep Klaas.
De oogen van meester en juffrouw gleden over het groepje kinderen heen. Geen Nel.... geen Kee!
»Meneer, 't wordt tijd om in te stappen,« zei de conducteur.
Meester wist niet, wat hij doen zou.
»Kinderen, stapt in,« riep hij eindelijk. »Vlug!«
Heel ordelijk ging alles toe. Zelfs de drukste jongen was nu onder een pijpedopje te vangen. Want iedereen dacht: »Hoe zal dat afloopen?«
»Juffrouw, nu gaat u met deze kinderen naar huis,« zei meester. »Ik ga de stad in om Kee en Nel te zoeken. Als ik ze gevonden heb, stuur ik dadelijk een telegram. En dan komen we met den laatsten trein terug.«
»Klets, klets,« deden de portieren.
[Illustratie]
»Past er op; klets, klets!«
De conducteur zette z'n fluitje aan de lippen....
En wie kwamen daar op het aller-laatste oogenblik nog aanstormen....?
Nel en Kee!
»Gelukkig!« riep meester.
»Gelukkig!« zuchtten een heele boel monden.
»Vlug wat!« riep de conducteur. Hij ontsloot een portier, meester en de twee meisjes stapten in, en....
Daar gilde het fluitje, daar steunde de locomotief, en daar reed de trein heen.
»Waar komen jullie van daan?« vroeg meester. Hij was kwaad.
Kee begon te stotteren: »Meester...., we...., we....«
»Vooruit, zeg op!«
»We.... we.... zijn in een.... winkel geweest....«
»In een winkel! Schaam je je niet? Begrijp je niet, hoe ongerust we waren? En jij.... jij....«
Meester begon ook te stotteren.
»En wat moest je in dien winkel? Snoepen?«
»Nee, meester,« klonk het zacht en half schreiend.
»Ja, nou zit je allebei met tranen in je oogen. Nou heb je spijt; maar je had eerder moeten nadenken. 't Is geen manier van doen. Maar je hebt nog niet geantwoord: wat moest je in dien winkel?«
»We hadden..... hadden..... nog..... niets..... voor moeder..... en toen..... toen..... hebben we.....«
»Nou, nou, houd maar op, ik hoor het al,« zei meester.
Een poosje nog bleef het stil en drukkend in den wagen.
Toen zei meester: »Nu praten we er maar niet meer over....., omdat het voor jullie moeders was..... Vooruit kinders, zingen!« Hij zelf zette in en weldra stroomde een krachtig gezang uit de openstaande portierramen.
XXII.
De terugkomst.
Bij het station stonden de wagens al gereed.
De kinderen zagen ze in de verte reeds staan.
»Hoera, hoera, hoera!« riepen ze en ze wuifden tegen de wachtende boeren.
Daar knarsten de remmen, een schok--en de trein stond stil.
»Welkom thuis,« zei Harms. »Hebben jullie plezier gehad?«
»Ja,« riepen verscheiden monden. En toen haastten alle kinderen zich een plaats te zoeken.
»Wij komen weer bij u,« zei Jo tegen Harms.
»Wel, wel, halve dubbele twee, dat doet me plezier. Is de andere helft misschien verloren gegaan?«
»Nee,« zei Kee, »hier zijn we al.«
En meteen stapte ze in den wagen.
»Ze waren bijna in Zwolle gebleven, Harms.« En Klaas vertelde, wat er gebeurd was.
»Jonge, jonge, jonge,« zei de boer. »Zulke ondeugende nesten. Ja, ja, die dames....!«
En hij schudde het hoofd,--maar hij lachte meteen.
Alle kinderen hadden een plaats gevonden.
»Klaar?« vroeg meester. »Ja! Vooruit dan maar!«
Meteen wipte hij op een wagen en daar ging het heen.
't Was een prachtige rit in den stillen avond.
De zon naderde de kimmen en bescheen alles met een rood licht.
Zelfs de weiden leken niet groen meer.
Het rosse licht flikkerde in de ruiten van de huizen langs den weg.
't Was eenig mooi.
En daarbij streelde een frisch windje de warme gezichten van de kinderen.
»Hoe komt het, zal er niet gezongen worden? Of zijn jullie treurig, omdat je naar huis teruggaat?« vroeg Harms.
»Nee, dat niet«, riepen de kinderen.
[Illustratie]
En, ze zongen op den stootenden, ratelenden, wagen tot ze niet meer konden.
Eindelijk bereikten ze Breedega. Het geheele dorp was op de been. Want iedereen wou zien, hoe vroolijk de kinderen terugkeerden.
Voor elke woning bijna werd »hoera« geroepen. En de dorpelingen riepen even luid terug: »hoera, hoera!«
»Ziezoo, we zijn er«, zei Harms.
Alle wagens bleven stil staan en de kinderen stapten op den grond.
»Allemaal op de speelplaats«, riep meester. »We willen nog één liedje zingen.«
Een paar minuten later stonden jongens en meisjes in twee groepen en zongen met vroolijke stemmen een lied.
»Terugkomst« heette het.
En toen dat uit was, riep meester:
»Nu bedanken we nog even de mannen, die ons gebracht en gehaald hebben.«
Daar daverde het heen:
»Lang zullen ze leven, Lang zullen ze leven, Lang zullen ze leven in de gloria.«
En toen zocht elk kind z'n eigen huis op, moe--maar tevreden.
[Illustratie]
XXIII.
Terugkomst.
Hoera, hoera, daar zijn we weer; Geen onzer, die er mist: De meester, die ons telde, heeft Zich stellig niet vergist. De juffrouw is steeds voorgegaan, De meester, die kwam achteraan; Zoo trokken wij vol blijden zin De wijde wereld in.
Hoera, hoera, daar zijn we weer; Wij hebben pret gehad: Het weer was goed, de lucht was klaar, En prachtig was de stad. Wij hadden alles graag gekocht, Wat daar te zamen was gezocht; Maar meester zei: »Dat 's al te kras, Zoiets komt niet te pas.«
Hoera, hoera, daar zijn we weer, Vol chocolade en koek; Geen onzer heeft, geloof het maar, Een vlek op schort of broek. Precies als we zijn heengegaan, Zoo komen we hier bij u aan; Ons mist geen nagel of geen haar, 't Is eerlijk, eerlijk waar.
Hoera, hoera, daar zijn we weer, Blij na deez' blijden dag; Straks zeggen w' in ons eigen huis, Wat elk wel hoorde en zag. Hebt nog een oogenblik geduld, Wij wedden, dat ge hooren zult: »'t Was eenig mooi; een volgend keer Dan gaan we graag eens weer.«
+------------------------------------------------------+ | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | De volgende correcties zijn in de tekst aangebracht: | | | | Plaats Bron Correctie | | | | Regel 141 ' « | | Regel 461 ' « | | Regel 803 [Niet in bron] . | | Regel 1316 toen.. toen.... | | Regel 2549 , . | | Regel 2780 we, , we | | Regel 2787 [Niet in bron] « | | | +------------------------------------------------------+