Dubbele Twee: Leesboek voor het vierde leerjaar

Chapter 3

Chapter 34,159 wordsPublic domain

Maar gelukkig dacht hij verkeerd. Z'n helper sneed heel voorzichtig wat hout uit den boom, zoodat de opening ruimer werd. Het duurde heel lang, maar eindelijk....

»Probeer nou nog eens,« zei de man.

Jo trok, en...., gelukkig, daar schoot z'n hand naar buiten. Nog nooit in z'n leven was de jongen zoo blij geweest, als op dat oogenblik.

Met tranen in de pogen bedankte hij z'n redder.

»Ja, ja, al lang goed. Je moet ook geen vogelnestjes uithalen, 't is zonde,« zei de goede man. En meteen keerde hij terug naar z'n woning.

[Illustratie]

De kinderen dachten aan geen spelen meer; stilletjes keerden ze naar het dorp terug.

Af en toe voelde Klaas eens naar z'n schouders, maar nog vaker keek hij naar de hand van Jo.

Die was vreeselijk rood en dik.

»Mijn schuld,« dacht Klaas, »mijn schuld....!«

XIV.

Het witje.

Eindelijk waren de vier kinderen weer thuis.

Nel deed een opgewonden verhaal over wat gebeurd was.

»Die kinderen, je kunt ze haast geen oogenblik vertrouwen,« zei moe, terwijl ze druk bezig was Jo's hand te betten met koud water.

Ze had diep medelijden met haar jongen.

Pa ook wel, maar die zei niet veel. Hij mompelde iets van »kwaad, dat zich zelf straft.«

Nel hoorde het. En die had toch ook zoo'n medelijden met Jo!

»Nou, pa,« zei ze een beetje snibbig, »Jo deed toch geen kwaad. 't Was een musschennest, en musschen zijn schadelijke vogels.«

»Dat zijn ze.«

Meteen stond pa op en ging den tuin in.

En wien trof hij daar aan bij de achterdeur? Klaas!

Maar de jongen was niet alleen. Op z'n arm droeg hij een snoezig beestje, een konijntje, z'n mooie witje.

»Meneer....,« stotterde hij, »'t was.... was.... mijn.... mijn schuld. En nou wou..... wou ik..... Jo dit.....«

[Illustratie]

»Hoe kom je er bij, ventje. Jo is toch even oud als jij, en jij behoeft niet op hem te passen!«

Dat was waar en toch.... toch gevoelde Klaas schuld. Hij kon het niet zeggen, maar zie je.... Jo was hier vreemd en kende geen nesten en geen boomen.... En dan had Klaas hem ook meegelokt.... bij z'n Dik Trom vandaan....

»Toe meneer, mag ik hem dit geven?« vroeg hij smeekend.

Meneer Veenhof keek den jongen even ernstig aan.

»Wou je 't werkelijk graag doen, en mag het van je vader en moeder?«

»Ja, meneer, ik heb het gevraagd. En ik wil het graag missen....«

Toen hij dat zei, kreeg Klaas een hoogroode kleur.

»Kleine jokkebrok,« dacht meneer, »je hebt je konijntje veel te lief om het weg te geven.«

»Neem het maar weer mee, Klaas,« zei hij. »En zet het maar in z'n hokje.«

Toen sprongen er een paar tranen in de oogen van den jongen.

Meneer zag het.

»Wacht even«, zei hij. En meteen riep hij naar binnen:

»Jo, kom eens hier!«

Jo kwam. Of de jongen ook verwonderd was, toen Klaas hem het mooie witje aanbood. Hij vroeg niet: »Wil je 't wel missen?«

Met z'n handen nam hij 't diertje van Klaas over en drukte het tegen z'n wangen. O, wat voelden die fijne haartjes heerlijk zacht! En wat keken die roode oogjes vriendelijk en wat ging dat beweeglijke neusje leuk heen en weer!

»Dat vind ik mooi van je«, riep hij. »Ik wou het al zoo lang héél graag hebben.«

En opnieuw drukte hij 't beestje tegen z'n gezicht; en hij vergat z'n pijnlijke hand en z'n pa en Klaas.... Hij liep met z'n schat naar binnen.

[Illustratie]

»Moe, Nel, zie eens!«

Moe vond het een prachtig geschenk en Nel werd bijna jaloersch.

En Dina dan!

Dina vond het witje het mooiste konijntje van de heele wereld.

»Dat is het ook«, dacht Jo, en hij danste weer naar buiten.

»Nu moeten we een hokje voor 't diertje maken«, zei pa. »Morgen zullen we er mee beginnen; vandaag kun je 't wel in dit bakje zetten.«

Maar Jo dacht er nog niet aan. Hij liep met z'n konijntje heen en weer en zette het dan weer eens in het gras. En hij kon haast niet verdragen, dat Nel het ook even droeg.

»Pas op, pas op, je doet het pijn«, riep hij dan. »Och, dat arme beestje, kijk eens, 't is bang voor jou! Zie z'n haartjes nou eens zitten!«

En toch had Nel heel zachte vingers.

Maar Jo had z'n konijntje erg lief.

»Ik had het nooit weggegeven«, zei Nel tegen Klaas.

»Och....«, zei Klaas.

Toen keek hij naar de dikke, bloedroode hand van Jo.

En hij voelde geen spijt, dat hij z'n liefste konijntje aan z'n vriendje gegeven had. Hij hield nog vier bonte over, en Jo had zich zoo bezeerd....

XV.

Vogelgeluk.

Meneer Veenhof had een nestje gevonden. 't Zat verscholen in een hazelaar heel achter in den tuin, en er lagen vijf jongen in. 't Was een aardig gezicht, dat wriemelende goedje.

»Dat moest »dubbele twee« nu eens zien«, dacht hij. »Wacht, daar zijn de kinderen juist.«

Hij wenkte met de handen en daar kwamen ze aanhollen.

»Wat is er, pa; wat is er, meneer?«

»Sst, sst«, en meneer hief waarschuwend den vinger op.

»Voorzichtig zijn, heel zachtjes loopen«, zei hij.

Op de teenen kwamen de kinderen nader.

»Wat is er, pa«, fluisterde Nel.

»Zie eens hier!«

En pa schoof voorzichtig een takje op zij.

»Och, een nestje. Wat leuk!«

»Je ziet alleen wat kopjes en wat nestharen, hé? En kijk, de pennen van de vleugels beginnen te groeien.«

»Ze zijn heelemaal geel om den bek«, fluisterde Jo.

»Piep«, zei Klaas met z'n lippen.

[Illustratie]

Ineens gingen de geelomrande bekjes de hoogte in.

»Piep-piep-piep«, riepen de vogeltjes.

Ze dachten, dat d'r moeder gekomen was met voer.

»Laten we nu een beetje op zij gaan; misschien komt de moeder dan wel naar d'r kindertjes toe. Kijk, daar zit ze. Ze is erg onrustig.«

De vijf menschen stapten bij het boompje weg. Maar kort duurde het of »pjiet« zei het vogeltje en daar vloog het een beetje nader bij het nestje.

»Pjiet, pjiet!«

En toen hipte 't weer een paar takjes verder.

De kleine kraaloogjes gluurden haastig wat rond en toen ineens.... rrrrt.... daar zat 't vogeltje bij het nest.

»Hoort dat jonge goed nu eens druk wezen«, zei pa.

»Krijgen ze nu wat, pa?« vroeg Nel.

»Ja, zag je dan niet, dat de oude wat in den snavel had?« riep Jo.

»Kijk«, riep Klaas ineens, »daar heb je 't mannetje ook!«

»Wat is het leuk goedje«, zei Nel.

De andere kinderen vonden 't ook. Zoo'n vogelhuishouding was toch maar gezellig. Nog langen tijd bleven ze staan kijken; en toen de oude vogels weer weggevlogen waren, gluurden ze ook nog even in 't nestje.

»Piep, piep!«

En dan kwamen de kopjes allemaal vlug in de hoogte. Maar toen de bekjes te vergeefs naar voedsel zochten, kropen de naakte lichaampjes weer dicht tegen elkaar aan.

Alle dagen gingen de vier kinderen het nest bespieden. Ze zagen de jongen al grooter en grooter worden. En ze bemerkten, hoe gelukkig de ouders waren met d'r kindertjes; hoe goed ze er op pasten.

»Die vinkenfamilie achter in den tuin moet ook maar eens opgeruimd worden«, zei pa op zekeren dag.

»Opgeruimd?« vroegen vier kinderstemmen tegelijk.

»Ja, natuurlijk; 't zijn schadelijke vogels, wat doen we er mee?«

»U wilt ze toch geen kwaad doen?« riep Nel angstig uit.

»Wat hindert dat; 't zijn immers schadelijke vogels!«

»Maar ze doen ons geen kwaad, ze moeten toch eten.... U mag ze niet hinderen, dat zou.... zou....«

Jo kon haast geen woorden vinden, zoo opgewonden werd hij.

»Wat zeg jij, Kee«, vroeg pa, »moet het nest hier blijven?«

»Ja, meneer«, antwoordde het meisje.

»En jij Klaas?«

»Ja, meneer!«

»Kijk, dat begrijp ik niet. Weet je nog wel van dat musschennest? Waarom wou jelui die vogeltjes dan wel plagen en ongelukkig maken?«

De kinderen zwegen alle vier.

Maar ze dachten wel wat. Nou vonden ze gemeen, wat ze toen hadden willen doen. Gelukkig, dat ze de eitjes niet hadden kunnen rooven....

* * * * *

»Ga jelui mee naar dien boom met het musschennest?« vroeg Klaas een poosje later. »Ik ben er nooit weer geweest, maar ik wou wel eens zien, of er ook jongen in liggen.«

»Ja, dat doen we!« riepen de andere drie.

Twintig minuten later beurde Jo Klaas op. De jongen keek in het gat en zag de eitjes nog liggen.

»De vogels hebben 't nest verlaten«, zei hij.

't Was een groote teleurstelling voor de vier kinderen.

Ze gevoelden, dat ze veel geluk hadden verstoord. Toen ze terug keerden, waren ze een heelen tijd erg stil.

XVI.

Nestje.

In 't hazelarenhout Daar is een nest gebouwd Van mos en veer en strootjes; 't Schuilt onder 't groene dak, 't Rust op een slanken tak, 't Wiegt boven 't blanke vlak Der sloot--met lichte stootjes.

Het is een koningshuis Bij 't zachte windgeruisch, Dat gaat door struik en boomen; Vijf koningskindren gaan Zacht deinend af en aan, Terwijl vier oogen staan Te waken voor hun droomen.

XVII.

Kinderverdriet.

In de schoolkast van meester Fransen stond een blikken sigarenkistje. Als meester 't opnam en even schudde, rammelde het verschrikkelijk. Want er zat geld in, veel geld: guldens en dubbeltjes, maar vooral centen.

»Ik ben maar goed af«, zei meester. »De kinderen zorgen, dat ik een vetten spaarpot krijg.«

»Dat zou u wel willen, dat hij van u was«, zei dan soms zoo'n brutale jongen. »Maar hij is lekkertjes van ons.«

En dat was de waarheid ook. De kinderen spaarden voor een schoolreisje: elke week gaven ze een halven stuiver.

Dit jaar zouden ze naar Zwolle gaan.

En--wat het mooiste was--, alle kinderen gingen mee. Niet één behoefde er thuis te blijven, omdat vader en moeder geen halven stuiver konden missen.

Dat meende de meester, en dat meenden de kinderen ook allemaal. En toch dachten ze verkeerd.

Want op een morgen, toen meester bezig was de borden te beschrijven, kwam er een meisje het lokaal binnen.

Ze schreide.

»Wat mankeert er aan, Roelofje?« vroeg meester.

[Illustratie]

»Meester...., ik wou.... wou.... graag mijn geld.... terug hebben«, snikte ze.

»Je geld terug, wàt geld?«

»Van het schoolreisje...., en dat van Jacob ook, meester.«

»Ga jelui dan niet mee naar Zwolle?«

»Nee meester; we mogen niet.... Vader is ziek, en.... nu heeft moeder 't geld noodig.«

Meester wist wel, dat de vader van Roelofje en Jacob ziek was. De man had longontsteking gehad en was nog niet heelemaal genezen. Hij begreep best, dat de vrouw nu 't reisgeld voor haar kindertjes niet missen kon.

Hij reikte Roelofje 't geld over en vroeg: »Wat zegt de dokter van je vader?«

»Vader moet nog een paar weken rust nemen, meester.«

»Zoo, zoo; nu ik zal eens bij jelui aanloopen, hoor!«

Denzelfden dag wist de heele school al, dat twee kinderen niet mee gingen naar Zwolle. De tranen van Roelofje en van Jacob hadden 't half verteld, de twee stakkers zelf de rest.

En iedereen begreep wel, waarom ze niet mee mochten. 't Huisgezin was arm, en nu de vader ziek!

»Hè, wat jammer«, fluisterden een paar stemmen.

Menig gezichtje stond ernstig, omdat er nu twee thuisblijvers zouden zijn. O, er waren ook wel kinderen, die alleen aan zich zelf dachten! Maar de meesten hadden graag de helft van d'r pleizier aan Roelofje en Jacob willen geven.

Als 't maar gekund had.

Toen Jo en Nel des middags thuis kwamen, vertelden ze alles aan moe. Pa was voor zaken op reis en zou een paar dagen in de provincie Groningen vertoeven.

»Vindt u 't niet naar, moe, dat ze nou moeten thuisblijven?« vroeg Jo.

»Ja, dat is wel naar«, zei moe. »Nu gaan jelui allemaal pret maken, en zij alleen mogen niet mee.«

»Meester kon ze ook wel zoo laten, meegaan, zonder betalen«, meende Nel.

»'t Zou kunnen«, zei moe, »maar 't is toch beter, dat ze wel betalen.«

»Maar dat kunnen ze niet«, riep Jo. En toen keek hij moe ineens ernstig aan en zei: »Toe moe, laten wij ze helpen.«

»Ja, toe moe«, vleide Nel met haar liefste stemmetje. »Geef ons straks geld mee, dan zullen wij dat aan den meester geven.«

»Nee, daar kan niets van komen«, zei moe.

Over de gezichten van Jo en Nel gleed een schaduw; en d'r oogen werden een beetje vochtig.

»Dwaze kinderen, vertrouw je nu je eigen moeder niet meer?«

Moe lachte.

»'t Komt wel goed, hoor; weest maar gerust!«

't Kwam goed.

Des middags wandelde moe naar het huisje, waarin de ouders van Roelofje en Jacob woonden.

Wat ze er deed?

Niemand, die het gewaar werd. Maar alle kinderen uit het lokaal van meester Fransen zouden Zwolle zien: Roelofje en Jacob ook. En als later de moeder van dat tweetal over mevrouw Veenhof sprak, weet je wat ze dan zei?

»Beter mensch is er niet; vraag dat maar eens aan mijn man en mijn kinderen!«

[Illustratie]

XVIII.

Hoera! daar gaan ze.

't Was nog vroeg in den morgen.

Toch was het erg druk op het schoolplein. Daar hadden zich alle kinderen uit de hoogste klassen verzameld. En daar stonden ze nu, en maakten lawaai en wachtten--ja, wachten deden ze vooral.

»Daar komt er een; daar komt er een«, klonk het ineens.

»Waar, waar?« gilden enkele stemmen.

»Kijk, daar om den hoek!«

Ja, daar kwam een wagen aanrollen.

»Wie is het?« vroeg Jo.

»Jan Harms; kijk de bruine eens loopen,« zei Klaas.

Snel naderde de wagen; daar ging hij over de brug met een vreeselijk geweld.

»Ho«, riep Harms, en Bruin bleef snuivend staan.

»Hoera!« riepen de kinderen.

»Harms, wat heb je den wagen mooi versierd!«

»Vind je?« lachte de boer.

»Prachtig,« riepen de kinderen.

»Daar komt er weer een aan!« schreeuwden een paar stemmen.

»En van dien kant ook een,« klonk het.

»Allebei versierd; kijk toch eens, wat mooi!«

De boeren hadden werkelijk d'r best gedaan om hun wagens mooi te maken. Met groen en bloemen waren ze getooid en de paarden droegen kleurige kwasten aan het hoofdstel en strikken op den staart.

Elke wagen werd door de kinderen met luide »hoera's« begroet. Eindelijk waren er zes.

[Illustratie]

»Nou komt de meester niet,« riepen een paar ongeduldige kinderen. »Als hij zich maar niet verslaapt....«

»En de juffrouw is er ook nog niet. We komen nog te laat aan den trein.«

Nu, daar behoefden ze niet bang voor te zijn.

Daar was de meester al.

»Wat ben jelui allemaal vroeg,« zei hij. »We hadden immers afgesproken zes uur, en 't is er nog tien minuten voor. En de wagens zijn ook al present?«

»Ja meester, wij komen op tijd,« zei Harms. »De bruine wordt al ongeduldig; zullen we maar beginnen met die bengels in te laden?«

»Gaat je gang maar, mannen!«

Toen liet meester de kinderen bij groepjes van vijf of zes door 't hek gaan. Zoo ging het ordelijk en ieder kreeg een plaats.

Klaas en Jo en Nel en Kee bleven naast elkaar staan en zoo raakten ze in denzelfden wagen.

»Gelukkig, we zitten bij Harms,« zei Klaas.

»Waarom gelukkig?« vroeg Jo zacht.

»Nou, dat is zoo'n aardige man; ik wed, dat we straks ook wel eens mogen mennen.«

Daar kwam de juffrouw aan.

»Bijna te laat, juffrouw,« riep Harms.

»Mooi op tijd, Harms,« zei ze. En meteen stapte ze bij hem in den wagen.

»Alles klaar, ja?« vroeg de meester. »Vooruit dan maar!«

De paarden bogen de halzen voorover en zetten aan.

[Illustratie]

»Hoera, hoera!« riepen de kinderen Ze wuifden met handen en zakdoeken naar familieleden en vrienden, die achter bleven.

Daar ging het heen in fikschen draf.

»Zingen, jongens!« riep Harms.

De kinderen zongen hun hoogste lied. Maar hun stemmen bibberden zoo op den stootenden wagen, dat ze gauw moe werden.

Daar gingen ze voorbij het huis van meneer Veenhof.

»Hoera, hoera!« riep »dubbele twee.«

»Veel plezier,« hoorden ze meneer en mevrouw roepen.

Daar stonden de kleine huisjes, waarin Klaas en Kee woonden.

»Hoera, hoera!« klonk het opnieuw.

»Hoera!« schreeuwden de broertjes en zusjes terug, en ze wuifden, evenals de ouders, met de handen.

Joelend, lachend, zingend reden de kinderen naar het naaste station.

En, wat het mooiste was: de jongens mochten mennen ook.

Bruin was erg mak en liep rustig achter den voorgaanden wagen. En Harms hield in elk geval 't eind van 't leidsel vast. Hij was er toch niet zeker van, dat de kleine handen het niet even zouden laten glippen.

't Was een heerlijke tocht, die reis naar 't station.

De zon scheen helder, de morgen was frisch, en de blaadjes glommen van den dauw.

In de struiken en boomen langs den weg hipten en wipten de vogels.

In de weilanden sprongen paarden en koeien en schapen verschrikt weg, als ze de ratelende wagens hoorden.

't Was een pracht van een tocht, dien de kinderen maakten.

En toch waren ze ook al weer blij, toen ze de spoorlijn zagen. Want nu.... ja, nu zouden ze met den trein reizen, met den trein, die er zoo holderdebolder van door ging....!

Dat was nog wat anders dan met een wagen; nou, of!

XIX.

Meesters voorspelling.

»Hoera, hoera!« jubelden alle kinderen, toen de trein het station verliet.

»Dag Harms, tot van avond!« riepen twee jongens- en twee meisjesstemmen.

»Veel plezier!« schreeuwde de boer. Maar de kinderen verstonden hem niet meer.

»Daar gaan we heen,« zei Nel, en haar oogen schitterden. Het landschap scheen voorbij te vliegen.

Alle kinderen keken naar de telegraafpalen en de draden. Wat bogen die prachtig; kijk, tot onder de raampjes. Maar dan ineens: roef, daar glierden ze de hoogte in.

De zon scheen heerlijk boven de lage graslanden, waarin bonte koeien langzaam liepen. Ze holden niet op een drafje weg: ze waren al gewend aan den rammelenden trein.

Elk station werd door de kinderen met gejubel begroet. De reizigers, die in- of uitstapten, lachten en wuifden met de handen. Ze waren allemaal even aardig; en de conducteur niet minder. Zelfs de courantenjongen trok een grappig gezicht.

[Illustratie]

»Wat is het toch heerlijk om zoo te reizen; vind je niet?« vroeg Kee.

»Nou!« antwoordde Nel.

Samen stonden ze voor een portierraam.

»Voorzichtig, Kee; straks waaien je krullen weg,« zei meester. Meteen voelde hij eens, of 't portier wel goed gesloten was.

»Hoe vind je de wereld?« vroeg hij.

»Mooi, prachtig, heerlijk,« riepen eenige stemmen door elkaar.

»Maar Jo moet een beetje z'n hoofd naar binnen trekken. Kom eens hier, kameraad!« zei meester.

Jo kwam.

»Geef me je hand eens! Ja, dat had je niet gedacht, hé, dat ik de toekomst voorspellen kon.«

»Dat kan u ook niet,« lachte Jo.

Een stuk of wat neuzen werden naar meester en Jo toegedraaid.

»Of ik dat kan! Je hebt een verkeerde lijn in je hand, baasje. Je verliest je geld, of je scheurt je broek, of je loopt in een sloot.... Wees maar voorzichtig!«

De kinderen lachten.

»U weet er niets van,« riepen ze.

»'t Gebeurt vast,« zei meester. Maar hij trok daarbij zoo'n lachend gezicht, dat toch niemand hem geloofde.

»Kijk, nu gaan we om Zwolle heen; daar heb je den watertoren!«

Alle oogen gluurden weer naar buiten.

De trein draaide, en draaide, maar eindelijk stoomde hij tusschen een massa rails door.

»Rrrrrrr« deden de remmen. Een schok en »Zwolle, Zwolle«, riep de conducteur.

Even later stonden meester en juffrouw met d'r kinderen op het perron. En nog wat later trokken ze door de stad. »Mooi«, riepen de jongens en meisjes, en ze bewonderden de Sassenpoort.

»Mooi«, herhaalden ze, en ze wandelden door de Diezerstraat. Toen ze de stad bekeken hadden, kuierden ze naar buiten. Want ze wilden naar den IJsel.

Ze gingen door een prachtig park: het Engelsche werk heette het. Allemaal vijvers en brugjes en eilandjes en boomen!

Daar kwamen ze op een hoogte aan.

»Om 't hardst, jongens; wie 't eerst bij dat brugje is!«

En meteen zette Jo het op een loopen; en Klaas volgde hem en al de andere jongens ook. Zelfs sommige meisjes holden achter hen aan.

Dat was me een gedraaf!

En schreeuwen, dat de bengels deden!

Jo bleef voor. Vlak achter zich hoorde hij z'n kameraden hijgen en razen.

Nog een paar stappen, dan had hij 't gewonnen.

»Hoera!« riep hij, en meteen zou hij de leuning van het brugje grijpen.

Maar op hetzelfde oogenblik kwam z'n voet tegen den grasrand. Hij struikelde, verloor het evenwicht, en....

»Ploemp«, klonk het in den vijver.

»Help!« schreeuwde een jongensstem.

»Help, help!« riepen al de andere, zoodat de meester en de juffrouw op een draf kwamen aanloopen.

Gelukkig was de vijver erg ondiep.

Jo scharrelde overeind, terwijl hij een deuntje huilde.

Het kroos plekte op z'n kleeren en kleefde aan z'n haren.

Klaas stak hem een hand toe, en trok hem tegen den graswal op.

Het water droop den jongen overal uit; geen wonder, hij was kopjen onder geweest.

»Daar staan we nu«, zei meester. »Wat nu?«

[Illustratie]

Ja, wat moesten ze nu doen?

De een keek den ander aan, maar niemand wist het.

Zoo stonden ze rondom den druipenden drenkeling heen.

En die drenkeling keek wèl zoo bedroefd. Al zijn plezier was verdwenen.

XX.

Niet in z'n bloote velletje.

»'t Best zal wel zijn, dat je alles uittrekt«, zei meester eindelijk.

»En dan in je bloote velletje met ons mee«, riep een van de jongens.

Nou, dat was toch al te gek, vonden de kinderen. En allemaal lachten ze, zoo hard ze konden. Jo zelf kon zich niet goed houden; hij proestte het ineens uit. Maar dadelijk keek hij weer ernstig, want het geval was naar genoeg.

»Nee«, zei meester, en hij lachte ook eventjes, »dat niet. Maar als Jo z'n kleeren uittrekt daar achter dat boschje, dan kan ik ze voor hem uitwringen. Als ze dan een uurtje in de zon liggen, zijn ze droog. Jullie kunt wel doorgaan, want de juffrouw kent den weg evengoed als ik.«

»Ja«, zei de juffrouw, »zoo kan het. En dan komen we straks weer hier bij u langs.«

»Maar meester, dan ziet Jo den IJsel niet«, riep Klaas.

»Nee, maar 't kan niet anders, ventje!«

»Hij kan mijn jas wel aandoen, meester. Ik draag er nog een blouse onder, zie maar!«

Klaas trok z'n jasje los.

»Aan een jas alleen heeft hij niet veel.«

Dat was waar.

»Maar als een ander hem nou ook wat geeft!«

Dat was een idee!

»Wie heeft wat over?« vroeg meester.

Een jongen was er, die z'n vestje wel een poos missen kon. Ook was er een, die twee paar kousen droeg, omdat z'n schoenen wat groot waren.

»Maar een broek?«

Ja, die had niemand te veel.

»Als we deze goed uitwringen, kan ik ze wel dragen,« zei Jo.

»Laten we beginnen,« riep meester. »Geeft op, wat jullie over hebt.«

Toen gebeurde er wat vreemds. Een paar jongens trokken d'r kleeren gedeeltelijk uit, net of ze naar bed gingen.

Even later verdween meester met Jo achter een boschje.

't Was een prachtig kleedkamertje. Zoo een had Jo nog nooit gehad.

Daar verscheen 't gezicht van meester om een hoekje.

»Maak z'n schoenen wat droog,« riep hij; »hier zijn ze.«

Klaas veegde ze met gras zoo goed mogelijk uit.

En een andere jongen droogde Jo's hoed wat af.

Daar kwam meester aan.

»Kan ook een van de meisjes haar schort missen?«

»Ik wel, meester,« riepen tien stemmen.

»O, Nel is er immers bij. Geef jij me jou schort maar!«

Nel deed het en meester verdween opnieuw in het groene kleedkamertje.

»Daar komen we aan,« riep hij na een poosje.

»Hoera!« riep een jongen.

»Hoera!« schreeuwden alle kinderen hem na.

En toen lachten ze, dat ze schudden.

Erg verlegen kwam Jo te voorschijn met z'n geleende kousen, z'n natte broek, z'n te ruime jas. Maar het mooist was de schort, die hij droeg. Die had meester om hem heen geslagen en nu kwamen de kantjes boven den kraag van het jasje uit.

»Wat ben je deftig«, lachte Klaas.

»Een piekfijn heertje«, riep een groote jongen.

»Loop heen,« bromde Jo.

Maar al spoedig lachte hij met z'n reisgenooten mee.

»Maar nu de natte kleeren,« zei meester. »Weet je wat, we nemen elk iets mee, en dan leggen we dat straks op den IJseldijk. Daar willen jullie toch wel graag een poosje spelen, en dan kunnen de natte kleeren intusschen droog worden.«

Zoo gebeurde het.

Een jongen liep met Jo's kousen, en een ander met z'n hemd, en nog een ander met z'n jas.... 't Was een prachtige optocht, waarbij vroolijk gezongen werd.

En weet je wat ze zongen?

Een liedje, dat ze zelf gemaakt hadden.

»Niet in z'n bloote velletje, Maar in de schort van Nelletje, Ha--hi, ha--ha, ha--hi, ha--ha, Ha--hi, ha--ha!«

Op den dijk langs den IJsel lag spoedig alles uitgespreid. Het zonnetje brandde er lekker op los en na korten tijd waren de kleeren droog.

[Illustratie]

Jo dacht er niet eens meer aan. Hij speelde en joelde en draafde met de anderen mee.

En daarbij staken hem steeds de kanten van Nels schort deftig boven z'n jaskraag uit.

Meester en juffrouw zaten lekker in het gras. Toen Jo moe was, rolde hij naast hen neer.

»Hè, ik zweet er van,« zuchtte hij.