# Drie Vertellingen

## Part 9

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/drie-vertellingen-8804/index.md

Ver van Machaerous had ze Salome, haar dochter,--die de Viervorst eenmaal lief moest hebben,--laten opvoeden. En het was een goede toeleg geweest. Thans wist ze het zeker!

Nu werd het de vervoering der liefde die bevrediging zoekt. Ze danste zooals de Indische priesteressen, gelijk de Nubische vrouwen die bij de watervallen wonen, als de bacchanten van Lydië. Ze wierp zich naar alle zijden om, gelijk een bloem, die door den storm wordt bewogen. De schitter-steenen in haar ooren dansten mede, de glanzende kleuren der zijden stoffe, die haar rug verhulde, wisselden; uit haar armen, haar voeten, uit haar gewaad, sprongen onzichtbare vonken, die het hart der mannen deden ontvlammen. Een harp zong; de menigte jubelde ze na, ontsteld van bewondering, zoowel de nomaden, die aan versterving gewoon waren, als de Romeinsche soldaten zoo deskundig in uitspattingen, de gierige tollenaars en de oude priesters verbitterd door 't levenslang redetwisten.

Zonder de knieën te buigen bukte ze zich zoo diep dat haar kin den vloer raakte. Vervolgens wentelde ze om Antipas' tafel heen in dolle vaart, wervelend als de draaischijf der tooverkollen, en met een stem, door snikken van wellust onderbroken, riep hij haar toe:

"Kom! Kom!" Ze wendde en wentelde al voort; zoo luid klonken de tympans alsof ze scheuren zouden, de menigte joelde. Maar nog luider riep de Viervorst: "Kom! Kom! Capharnaüm zult ge hebben, de vlakte van Tiberias! mijn burchten! de helft van mijn koninkrijk!" Ze wierp zich op de handen, de hielen omhoog, liep zoo als een groote tor de estrade over, en hield plotseling stil.

Haar nek en haar rug vormden een rechten hoek. De kleurige schachten die haar beenen omsloten, rondden als regenbogen boven haar schouders uit, en gingen, een armlengte hoog van den bodem, met haar gelaat in ééne richting mede. Haar lippen waren gekleurd, haar wenkbrauwen zeer zwart, haar oogen bijna verschrikkelijk, en de zweetparels op haar gelaat schenen een dauw over wit marmer.

Ze sprak niet. Ze zagen elkaar aan.

Een vinger-klap klonk van de tribune. Ze klom daarheen, kwam weer te voorschijn, en met eene wat lispelende stem zei ze kinderlijk:

"Ik wil, dat ge me op een schotel, het hoofd geeft van..." Ze was den naam vergeten, maar met een glimlach hernam ze: "het hoofd van Jaokanann!"

De Viervorst zakte ineen van ontzetting.

Zijn woord moest hij gestand doen, en het volk wachtte.

Maar zoo de dood, die voorspeld was, een ander werd aangedaan,--zou de zijne dan niet afgewend worden?

Indien Jaokanann wezenlijk Elias was, kon hij zelf er zich aan onttrekken, zoo niet dan beduidde de moord niet veel! Mannaeï stond naast hem en begreep zijn bedoeling.

Vitellius riep hem terug om hem het wachtwoord te geven, daar er soldaten bij het kerkerhol stonden opgesteld.

Het was een verademing: binnen een oogenblik zou alles gedaan zijn.

Maar het werk ging Mannaeï niet vlug van de hand.

Ontdaan kwam hij weer binnen.

Sinds veertig jaar oefende hij het beuls-bedrijf uit. Hij was het die Aristobulos verdronken had, Alexander gewurgd, Matathias levend verbrand, die Zosima, Pappus, Josephus en Antipater onthoofd had; en Jaokanann durfde hij niet dooden! Hij klappertandde, en rilde over zijn geheele lichaam.

Vóór den kerker-kuil had hij den grooten Engel der Samaritanen zien staan geheel met oogen overdekt, zwaaiend met een reusachtig zwaard, rood en gekarteld als een vuurvlam.

De twee wachten tot getuigen meegebracht, zouden het staven.

Ze hadden niets gezien, dan alleen een Joodschen legerhoofdman, die zich op hen gestort had, en die thans niet meer tot de levenden behoorde.

De toorn van Herodias barstte los in een stortvloed van platte en bloeddorstige verwenschingen. Ze scheurde zich de nagels aan de tralies der tribune, en de twee gebeeldhouwde leeuwen leken in haar schouders te bijten en te brullen als zij.

Antipas schreeuwde, de priesters, de soldaten, de Farizeërs, allen riepen ze om wraak en ook de anderen, verontwaardigd dat men hen op dat nieuwe tijdverdrijf liet wachten.

Mannaeï ging heen met bedekt gelaat.

Den gasten viel de tijd nog langer dan eerst. Ze verveelden zich.

Eensklaps klonken er voetstappen op in de gangen. Het weeë ongeduld werd onhoudbaar!

Het hoofd kwam.

Mannaeï hield het bij de haren aan zijn gestrekten arm, trotsch op het gejubel.

Hij legde het op een schotel en bood het Salome aan.

Snel klom ze de tribune op. Na een lange pooze werd het hoofd teruggebracht door de oude vrouw, die de Viervorst's morgens was gewaar geworden op het platform van een huis, en straks in Herodias' kamer.

Hij deinsde terug om het niet te zien. Vitellius wierp er een onverschilligen blik op.

Mannaeï daalde van de estrade af, en toonde het aan de Romeinsche hoofdlieden, die langs deze zijde aanzaten.

Ze bekeken het met onderzoekende blikken.

De scherpe snede van den bijl had het van boven naar beneden gekloofd, en de kaak gespleten. Een stuiptrekking trok de mondhoeken neer. Stollend bloed vlekte den baard. De gesloten oogleden waren bleek als schelpen; rondom straalden de luchters. Het hoofd kwam bij de tafel der priesters. Een Farizeër keerde het nieuwsgierig om en om, en Mannaeï zette het weer stevig recht en plaatste het vóór Aulus, die er door ontwaakte. Tusschen hun even open wimpers schenen de doode oogappels en de verwaterde oogappels elkaar iets te zeggen.

Toen bood Mannaeï het Antipas aan. Tranen stroomden den Viervorst over de wangen.

De toortsen smeulden uit. De gasten vertrokken, en niemand bleef er in de zaal dan Antipas, die met de handen tegen de slapen staag naar het afgehouwen hoofd zat te staren, terwijl Phanuel, halverwegen het groote middenschip, met uitgestrekte armen gebeden stond te prevelen.

In het uur van zonsopgang, kwamen de twee mannen, die laatst door Jaokanann uitgezonden waren, met het lang verhoopte antwoord.

Ze vertrouwden het Phanuel toe, die het in zielsvervoering aanhoorde.

Toen toonde hij hun het gruwelijk voorwerp op den schotel, tusschen de resten van het feestmaal.

Een der mannen zeide:

"Troost u! Hij is nedergedaald tot de dooden, om Christus te verkondigen!"

Thans begreep de Esseër de woorden: "Hij moet grooter, maar ik kleiner worden!"

En het hoofd van Jaokanann met zich nemend, gingen ze met hun drieën den kant van Galilea uit.

Daar het zeer zwaar was, droeg ieder het op zijn beurt.

