# Drie Vertellingen

## Part 8

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/drie-vertellingen-8804/index.md

Het waren de woorden der oude Profeten. Jaokanann zond ze, het een na het andere, over hen als harde slagen.

Maar de stem werd zachter, welluidender en zangerig. Hij boodschapte een verlossing, glanzende verheerlijking aan het uitspansel, den nieuw-geborene die een arm stak in het hol van den draak, goud voor leem, de woestijn openbloeiend als een roos.

"En wat nu zestig sikkels waard is, zal geen obool meer kosten. Melkbronnen zullen uit de rotsen vloeien; in de wijnpersen zal men zich verzadigd te slapen leggen! Wanneer komt gij, gij die de hope zijt van mijn hart? Reeds knielen alle volkeren, en uw heerschappij duurt in eeuwigheid, Zoon van David!"

De Viervorst deinsde verschrikt terug, het bestaan van een Zoon Davids bedreigde hem als een smaad. Jaokanann tastte hem aan in zijn koningschap.

"Geen andere Koning bestaat er dan Hij, die eeuwig is! en met uw tuinen, met uw standbeelden, met uw meubels van ivoor, zal het u vergaan als den goddeloozen Achab!"

Antipas rukte het koord stuk van het zegel op zijn borst, en wierp het in den put, zwijgen gebiedend.

De stem antwoordde:

"Als een beer zal ik roepen, als een woudezel, als een vrouw in barensnood!

"Reeds treft de straffe uw bloedschande. God straft met onvruchtbaarheid den bastaard."

Gelach ging er op, dat geleek op gekabbel van water tegen den oeverrand.

Vitellius bleef halsstarrig staan. Onbewogen herhaalde de tolk, in de taal der Romeinen, al de hoon-schreeuwen, die Jaokanann in zijn eigen taal uitstootte. De Viervorst en Herodias waren genoodzaakt ze twee keeren aan te hooren. Zijn borst zwoegde, terwijl zij staroogend bleef neerzien naar de diepte van den put.

De verschrikkelijke man wierp het hoofd achterover, en de tralies vastgrijpend, hief hij het vlakke gelaat tegen den rooster, het geleek een warrige ruigte, waarin twee vurige kolen gloeiden.

"Ha! zijt gij het, Jezabel! Ge hebt zijn hart u toegeëigend met het gekraak uwer schoenzolen. Als een merrie hebt ge gehinnikt. Uwe legerstede spreidet ge op de bergen, om uw offeranden te volbrengen. Afrukken zal de Heer u uwe oorhangers, uwe purperen gewaden, uw linnen sluiers, de gouden banden uwer armen, de ringen uwer voeten, de kleine gouden maansikkels die op uw voorhoofd trillen, uw zilveren spiegels, uw waaiers van struisvederen, de parelmoeren zolen die uw gestalte verhoogen, den pronk uwer edelsteenen, het reukwerk van uw haren, de beschildering uwer nagels, al de kunstige verzinsels uwer weelderigheid, en keien zullen er niet genoeg gevonden worden om de echtbreukige te steenigen!"

Haar blik zocht-om naar hulpe. De Farizeërs sloegen huichelachtig de oogen neer. De Sadduceërs, die vreesden den Pronconsul te beleedigen, wendden het hoofd af. Antipas scheen den dood nabij. De stem werd sterker, zette zich uit, bulderde als het geweld van den donder, en door de echo der bergen weergalmd, deed ze Machaerous in haar telkens herhaalde uitbarstingen op zijn grondvesten schudden.

"Strek u uit in het stof, dochter van Babylon! Laat koren tot meel malen! Maak uw schoenen los, schort uw kleeren op, en doorwaad de stroomen! uw smaad zal aan den dag komen! uw snikken zullen u de tanden verbrijzelen. De Eeuwige verafschuwt de walg uwer misdaden! Vervloekte! vervloekte! Kom om als een hond!"

Het luik viel toe, het deksel sloot zich. Manaeï zou Jaokanann willen verworgen.

Herodias verdween. De Farizeërs waren geërgerd. In hun midden stond Antipas zich te verdedigen.

"Ongetwijfeld", begon Cleazar, "men moet zijn broeders vrouw huwen, maar Herodias was geen weduwe, en had daarenboven een kind,--daarin is de schande!"

"Dwaling! dwaling!" wierp de Sadduceër Jonathas er tegen in. "De wet veroordeelt dergelijke huwelijken, zonder ze met duidelijke termen te verbieden."

"Het doet er niet toe! Men oordeelt over mij zeer onrechtvaardig," zei Antipas.

Aulus die geslapen had, kwam op dit oogenblik ook naderschrijden. Toen hij van de zaak op de hoogte was gesteld, viel hij den Viervorst bij. Over dergelijke dwaasheden moest men geen drukte maken, en hij lachte luid over den hoon der priesters en den toorn van Jaokanann.

Herodias, die midden op het terras stond, keerde zich tot hem.

"Ge hebt ongelijk, Heer! Hij gebiedt het volk de belasting te weigeren!"

"Is dat waar?" vroeg toen de tollenaar dadelijk.

De antwoorden waren eenstemmig bevestigend. De Viervorst bekrachtigde ze.

Vitellius meende, dat de gevangene wel eens kon ontsnappen; en daar het gedrag van Antipas hem onbetrouwbaar toescheen, zette hij wachten uit bij de poorten en langs de muren van het binnenplein.

Toen ging hij naar zijn vertrekken. De afgevaardigden der priesters vergezelden hem, en zonder de vraag van de offer-waardigheid aan te roeren, legde ieder zijn grieven bloot.

Ze verveelden hem allen te saam. Hij zond ze weg.

Toen Jonathas hem verliet, zag hij op de borstwering, tusschen twee kanteelen door, Antipas in gesprek met een man, die het haar lang droeg en in het wit gekleed ging, een Esseër, en hij had spijt den Viervorst te hebben verdedigd.

De Viervorst had zich met de gedachte getroost, dat Jaokanann nu niet meer van hém afhing: de Romeinen hadden zich met hem belast! wat een verlichting!

Juist toen had hij Phanuel over den omgang der wallen zien drentelen. Hij riep hem, en zeide, terwijl hij naar de soldaten wees:

"Zij daar hebben de macht, ik kan hem niet loslaten! 't Is mijn schuld niet!"

Het binnenplein was ledig.

De slaven lagen te rusten. Tegen het avond-rood, dat de kim in vlammen deed oplaaien, teekenden de kleinste rechtstandige voorwerpen zich zwart af. Antipas onderscheidde de zoutpannen aan de overzijde der Doode Zee, maar de tenten der Arabieren zag hij niet meer. Waren ze wellicht heengetogen?

De maan ging op. Rust daalde in zijn hart.

Phanuel bleef neerslachtig staan, met de kin op de borst. Eindelijk uitte hij, wat hem op het het hart lag:

Sinds het begin der maand bestudeerde hij, vóór den dageraad, het uitspansel wijl het sterrenbeeld van Perseus het zenith had bereikt. Agalah was nauwelijks te onderscheiden, Algol flikkerde zwakker, Mira-Coeti was verdwenen; hieruit las hij den dood van een man van beteekenis, dezen nacht nog, en binnen Machaerous.

"Wie zou dat kunnen zijn? Vitellius werd te goed bewaakt. Jaokanann zou men niet ter dood brengen.

"Aldus ben ik het zelf!" dacht de Viervorst.

Zouden de Arabieren misschien weerkeeren? De Proconsul zou zijn betrekkingen met de Parthen kunnen ontdekken! Of sluipmoordenaars uit Jeruzalem waren wellicht met de priesters meegekomen; ze droegen dolken onder hun kleeren; de Viervorst twijfelde niet aan Phanuels kunde.

Het viel hem in zijn toevlucht te zoeken bij Herodias. Toch haatte hij haar. Maar ze zou hem moed inspreken, en de tooverbanden waarin ze hem vroeger verstrikt had waren nog niet alle gebroken! Myrrhe rookte er in een kom van porfier toen hij haar kamer binnentrad, en poeders, zalven, wolken van luchtige weefsels, ragfijne borduursels lichter dan veeren, lagen er verspreid.

Hij zei niets van Phanuels voorzegging, noch van zijn vrees voor de Joden of de Arabieren: een lafaard zou ze hem noemen!

Alleen over de Romeinen sprak hij; Vitellius had hem niets toevertrouwd van zijn krijgs-plannen. Hij veronderstelde dat hij met Cajus bevriend was, die op zijn beurt weer omgang had met Agrippa; en hij, Antipas, zou in ballingschap worden gezonden, waar ze hem misschien zouden verwurgen.

Herodias trachtte hem met kleinachtende welwillendheid gerust te stellen. Eindelijk haalde ze uit een kistje een vreemdsoortige medaille, die den beeldenaar van Tiberius droeg. Dat volstond om de lictoren te doen verbleeken, en de aanklachten te smoren.

Ontroerd van dankbaarheid vroeg Antipas haar, hoe ze dien talisman verworven had.

"Hij werd me gegeven!" hernam ze.

Onder een voorhang, vlak tegenover hen, strekte zich een arm uit, een jeugdige arm, bekoorlijk en zoo schoon alsof Polycletus zelf hem uit ivoor gerond had. Met een wat linksch maar toch bevallig gebaar, wiekte die arm in de lucht, om een tunica te grijpen, welke op een bankje was blijven liggen.

Een oude vrouw gaf ze zachtjes over, den voorhang terzijde schuivend.

De Viervorst had een vage herinnering, aan iets dat hij zich niet omschrijven kon.

"Is dat eene van uw slavinnen?"

"Wat kan u dat schelen?" antwoordde Herodias.

III

De gasten vulden de feestzaal.

Ze had, als een basiliek, drie beuken die door zuilen van algumimhout met gebeeldhouwde bronzen kapiteelen gescheiden werden. Ze schraagden twee open galerijen, en een derde van gouden filigraan rondde zich achter in de zaal-diepte, recht tegenover een reusachtige wulfsel-poort, open in den voorwand.

Op de tafels, die door de geheele lengte van het middenschip stonden aaneengerijd, brandden de luchters als kleine bosschen van vuur, midden tusschen de beschilderde aarden schalen en de koperen schotels, de sneeuw-blokken en de opgetaste druiven. Maar onder het hooge gewelf zweemde die roode klaarte langzaam in schemers weg, en lichtpunten tintelden daar, als des nachts de sterren door takken heen. Door den boog van het wijd-open poortvak kon men de toortsen zien vlammen op de huis-terrassen,--want Antipas onthaalde zijn volk, en allen die zich aangemeld hadden. Slaven, geschoeid met vilten sandalen, liepen rap als honden om, en droegen de schotels.

De tafel van den Proconsul stond onder de vergulde galerij, op een verhevenheid van sycomore-planken, Babylonische tapijten omsloten haar als met een tente.

Vitellius, diens zoon en Antipas namen de drie ivoren ligbedden in, die daar opgesteld stonden, één recht in 't midden, met de twee andere terzijde; de Proconsul lag links, dicht bij de deur, Aulus aan den rechterkant, de Viervorst op het middelste.

Hij was gehuld in een zwaren zwarten mantel, welks weefsel geheel schuil ging onder kleurige ophechtsels. Hij droeg den baard waaiervormig, had blanketsel op de kaken, en azuurpoeder in het haar, dat omsloten werd door een diadeem van edelsteenen. Vitellius had den purperen bandelier niet afgelegd, die schuin over de linnen toga plooide.

Aulus had de mouwen van zijn paars-zijden met zilverdraad doorweven opperkleed op den rug laten vastknoopen. Zijn tot rollen gekamde haren waren trapsgewijze op zijn hoofd getast, en een halssnoer van saffieren glinsterde op zijn borst, rond en blank als die eener vrouw. Dicht naast hem zat een heel mooi knaapje neergehurkt op een mat. Het glimlachte aldoor. Aulus die het straks in de keukens voor 't eerst had gezien, kon niet meer buiten hem, en daar hij moeielijk zijn Chaldeeuwschen naam kon onthouden, noemde hij hem eenvoudig-weg "den Aziaat". Van tijd tot tijd strekte Aulus zich in zijn volle lengte uit op het triclinium. Dan zagen de mede-aanliggenden tegen zijn naakte voetzolen op.

Aan dat tafeleinde waren de priesters en Antipas' officieren geplaatst, de oppersten uit de Grieksche steden; aan des Proconsuls zijde: Marcellus met de tollenaars, vrienden van den Viervorst, aanzienlijke lieden uit Cana, uit Ptolemaïde en Jericho, dan in bonte rijen: bergbewoners van den Libanon en de oude soldaten van Herodes: twaalf Thraciërs, een Galliër, twee Germanen, gazellen-jagers, Idumeesche herders, de sultan van Palmyra, zeelieden van Eziongaber. Ieder had een weeken deeg-koek vóór zich om de vingers af te wisschen, en de armen, die zich als gieren-halzen rekten, namen olijven, pistaches en amandelen. Aller aangezicht glansde blij onder een krans van bloemen.

De Farizeërs hadden hun kransen weggestooten als een Romeinsche onbetamelijkheid. En ze huiverden wanneer men ook hen met galbanum en rosmarijn besproeide, een mengsel dat uitsluitend gebruikt mocht worden in den Tempel.

Aulus wreef er zich de oksels mede, en Antipas beloofde hem er een heele lading van, met drie zakken vol van dien onvervalschten balsem, die Cleopatra's begeerte naar het bezit van Palestina had opgewekt.

Een hoofdman van zijn Tiberiaansch garnizoen, kwam tot achter zijn ligbed getreden, om hem over buitengewone gebeurtenissen te spreken. Maar zijn aandacht werd verdeeld tusschen den Proconsul en de gesprekken aan de nabije tafels.

Men praatte daar over Jaokanann en lieden van zijn soort; Simon van Gittoï louterde de zondaars met vuur. Een zekere Jezus...

"De ergste van allen," riep Eleazar uit "wat een lage goochelaar!" Achter den Viervorst richtte een man zich op, bleek als de rand van zijn chlamys. Hij daalde van de estrade, den Farizeërs toeroepend: "Leugens! Jezus doet wonderen!"

Antipas zou er willen zien.

"Ge had hem mede moeten brengen! Vertel ons eens alles over hem!"

Toen verhaalde hij, dat hij-zelf, Jacob, zich naar Capharnaüm begeven had toen zijn dochtertje ziek lag, om den Meester te vragen haar te genezen.

De Meester had geantwoord: "Keer terug naar uwe woning, uw dochtertje is genezen!" En hij had haar op den drempel gevonden, opgestaan van haar sponde, toen de zonne-wijzer van het paleis het derde uur aanwees, het eigen oogenblik, waarop hij Jezus had aangesproken.

"Natuurlijk," wierpen de Farizeërs hem tegen, "er bestaan zekere praktijken en geneeskrachtige kruiden. Hier op de eigen plek, te Machaerous, vond men wel de baäras, die onkwetsbaar maakt. Maar genezen zonder zien of aanraken, was een onmogelijkheid, zoo Jezus ten minste niet de booze geesten tot handlangers had.

En de vrienden van Antipas, de oppersten van Galilea, herhaalden hoofdschuddend:

"De booze geesten,--dat is klaarblijkelijk!"

Jacob, die tusschen hun tafels en die der priesters stond, bleef hooghartig maar zachtmoedig zwijgen. Ze vorderden hem tot spreken op:

"Rechtvaardig zijn macht!"

Hij boog zich wat voorover en met gedempte stem begon hij langzaam als verschrikt door zijn eigen woorden:

"Weet ge dan niet, dat hij de Messias is?" Alle priesters blikten elkaar aan, en Vitellius vroeg uitleg van het woord. Zijn tolk draalde een wijle met antwoorden.

Ze noemden zoo een verlosser, die het volle bezit van alle goed en de onderwerping van alle volkeren zou brengen. Eenigen zelfs beweerden dat men op twee zulken moest rekenen. De eerste zou door Gog en Magog, de booze geesten van het Noorden, overwonnen worden; maar de tweede zou den vorst van het kwade verdelgen; en sinds eeuwen wachtten zij hem ieder oogenblik.

Toen de priesters beraadslaagd hadden, nam Eleazar het woord. Vooreerst zou de Messias de zoon van David zijn, en niet die van een timmerman; hij zou de wet bevestigen. Die Nazarener schond ze. En wat nog sterker bewijs was, de komst van Elias moest aan hem voorafgaan.

Jacob antwoordde: "Elias! maar die is reeds gekomen!"

"Elias! Elias!" herhaalde de menigte, tot in het andere einde der zaal. In hun verbeelding zagen allen een grijsaard oprijzen, een vlucht raven streek om zijn hoofd. Een bliksemschicht zette een altaar in vlammen; afgodendienaars werden meegesleept door een stroom. De vrouwen op de galerijen dachten aan de weduwe van Sarepta.

Jacob werd niet moede te herhalen, dat hij hem kende! Hij zelf had hem gezien! en het volk ook had hem gezien!

"Zijn naam?"

Toen riep hij zoo luid hij vermocht: "Jaokanann!"

Antipas viel achterover als door een stoot midden in het hart. De Sadduceërs hadden zich op Jacob gestort. Eleazar begon een redevoering om gehoor te krijgen.

Toen de stilte gezonken was, plooide hij zijn mantel terecht, en stelde als een rechter zijn vragen:

"Daar de Profeet dood is..."

Gemompel onderbrak hem. Men geloofde dat Elias slechts tijdelijk ten hemel opgenomen was.

Eleazar toornde tegen de menigte, en zette zijn ondervraging voort:

"Meent ge, dat hij verrezen is?

"Waarom niet?" zei Jacob.

De Sadduceërs haalden de schouders op. Jonathas sperde zijn oogjes wijd open en deed moeite om als een nar te lachen:

"Niets dwazer dan de aanspraak van het lichaam op de onsterfelijkheid;" en, voor den Proconsul, haalde hij een vers aan van een toenmalig dichter:

Nec crescit, nec post mortem durare videtur.

Maar Aulus had zich over den rand van het ligbed heengebogen, het zweet stond hem op het voorhoofd, zijn gelaat was groen, de vuisten drukte hij tegen de maag.

De Sadduceërs veinsden groote ontroering; (den volgenden dag kregen ze de offer-waardigheid terug), Antipas deed alsof hij wanhopig was; Vitellius leek onbewogen. Toch doorstond hij groote angsten; met zijn zoon immers zou hij zijn schoone kans verliezen. Nauwelijks had Aulus met braken opgehouden, of hij wilde weer aan 't eten.

"Laat ze me raspsel van marmer geven, aardolie van Naxos, zeewater, of wat dan ook! Als ik eens een bad nam?"

Hij kauwde sneeuw, weifelde voor een schotel rose merels, en nam ten laatste honingpompoenen. De kleine Aziaat zag bewonderend naar hem op; die zwelgers-aanleg verried een wonderbaar en bovenaardsch wezen.

Men diende stier-nieren op, marmotten, nachtegalen, gehakt vleesch in wingerdbladeren; en de priesters redetwistten over de verrijzenis. Ammonius, leerling van den Platonicus Philon, vond dat ze dwazen waren, en zei het tot eenige Grieken die over de orakels lachten. Marcellus en Jacob hadden elkaars gezelschap gezocht. De eerste verhaalde aan den tweede over zijn geluk bij het doopsel van Mithra, en Jacob ried hem Jezus te volgen.

Wijn uit palmsap en tamariskenschors getrokken, wijnen van Safet en Byblos stroomden uit de amphoren in de mengvaten, uit de mengvaten in de drinkschalen, uit de drinkschalen de kelen in.

Er werd druk gepraat, en de harten begonnen zich te openen.

Jacim was een Jood, maar hij hield het niet langer geheim dat hij de sterren aanbad. Een koopman uit Aphaka verblufte de nomaden door hun de wonderen van den tempel van Hiërapolis, in de kleinste bijzonderheden, voor oogen te tooveren. Ze vroegen hem hoeveel een beevaart daar heen zou kosten. Anderen hielden het bij den godsdienst waarin ze geboren waren. Een bijna blinde Germaan zong een hymne ter eere van dat Scandinavische voorgebergte, waar de goden verschijnen omstraald door den glans van hun aangezicht, en lieden van Sichem aten geen tortels uit eerbied voor de duif Azima. Verschillende gasten stonden midden in de zaal te praten, en hun adem wademde, met den rook der luchters, als een nevel in de ruimte. Phanuel kwam langs de muren gegleden. Nogmaals had hij zooeven het uitspansel bestudeerd, maar hij durfde den Viervorst niet naderen, bang voor olievlekken, die de Esseërs als een groote smet beschouwden.

Er vielen slagen op de burchtpoort.

Men wist thans dat Jaokanann hier gevangen werd gehouden. Mannen met flambouwen klommen het bergpad op, een zwarte menigte krioelde in het ravijn, en van tijd tot tijd schreeuwden ze daar:

"Jaokanann! Jaokanann!"

"Alles brengt hij in de war!" zei Jonathas.

"Als hij doorgaat, krijgt het rijk geen geld meer!" voegden de Farizeërs er aan toe.

De verwijten kwamen los: "Bescherm ons!"

"Laat ze ophouden!"

"Ge zijt een afvallige!"

"Goddeloos als Herodes en de zijnen!"

"Minder goddeloos dan gij!" antwoordde Antipas. "Mijn vader was het, die uw tempel bouwde!"

Toen begonnen de Farizeërs, de zonen der bannelingen, aanhangers van Matathias, den Viervorst te beschuldigen van de misdaden, door zijn verwanten bedreven.

Ze hadden spitse schedels, een stekeligen baard, slappe en boosaardige handen, of wel een plat gelaat, dog-achtig, met groote ronde oogen. Een twaalftal schriftgeleerden en tempeldienaars, gevoed door den afval der offeranden, sprongen op de estrade aan, en dreigden Antipas met messen. Hij sprak hen toe, terwijl de Sadduceërs hem zwak verdedigden. Hij zag Mannaeï wel, maar gaf hem een teeken liever maar weer heen te gaan, daar Vitellius door zijn houding deed uitkomen, dat de dingen hem niet aangingen.

De Farizeërs, die nog op hun ligbedden gebleven waren, raasden in duivelsche woede, ze sloegen de schotels stuk die vóór hen stonden. Men had hun Mecena's geliefkoosd gerecht opgediend, vleesch van den woudezel, een onreine spijze.

Aulus dreef den spot over den ezelskop, dien zij, volgens de verhalen, zouden vereeren, en verkocht ook geestigheden over hun weerzin tegen varkens. Zeker was die haat ontstaan omdat dit vette beest hun Bacchus gedood had, en daar men in den tempel een gouden wijnstok ontdekt had, hielden ze zooveel van wijn!

De priesters begrepen zijn woorden niet. Phineas, een Galileër van afkomst, wilde ze niet vertolken. Toen kende de toorn van Aulus geen grenzen meer, te erger omdat de kleine Aziaat, door vrees bevangen verdwenen was; en het maal stond hem niet aan, de spijzen waren te alledaagsch, niet kunstig genoeg verwerkt! Hij kwam tot kalmte, toen hij staarten van Syrische schapen zag opdragen, louter rollen van vet.

De aard der Joden leek Vitellius een gruwel. Moloch, wien hij langs den weg altaren had zien opgericht, kon best hun god zijn; en het viel hem te binnen, hoe ze den naam hadden kinderen ten offer te brengen. Ook de geschiedenis van den man, dien ze op geheimzinnige wijze zouden vetmesten, kwam hem in de gedachten. Hij, de Latijn, voelde zijn hart walgen van hun onverdraagzaamheid, hun beelden-vernielende furie, hun afstuitende ruwheid.

De Proconsul wilde heengaan. Aulus weigerde hem te vergezellen.

Hij lag achter een hoop etenswaren, te verzadigd om er nog van te gebruiken, maar te koppig om ze in den steek te laten.

De opwinding van het volk werd steeds grooter. Ze gingen op in plannen voor hun onafhankelijkheid. De herinnering aan Israëls glorie werd opgeroepen. Alle veroveraars hadden ze afgeslagen: Antigonus, Crassus, Varus...

"Ellendelingen!" zei de Proconsul. Want wel verstond hij de Syrische taal: zijn tolk diende slechts om hem tijd tot antwoorden te laten.

Antipas trok haastig de medaille van den Keizer te voorschijn, en, bevend hem bespiedend, hief hij haar op, den beeldenaar naar hem toewendend.

Daar plotseling werden de vleugels der gouden galerij opengeworpen; en in den luister der toortsen, tusschen haar slaven die festoenen van anemonen droegen, trad Herodias te voorschijn,--een Assyrische mijter stond, met een kinneband, op haar hoofd bevestigd; haar spiraal-vormige lokken hingen over een scharlaken peplum, waaruit door wijde armsgaten de mouwen plooiden. Twee steenen monsters, gelijk aan die bij den schat der Atriden, stonden tegen de deurposten opgesteld, en ze geleek op Cybele tusschen haar leeuwen. Hoog van de balustrade boven Antipas' hoofd, de offerschaal op de handen, riep ze: "Dat Cesar leve!"

Die hulde werd herhaald door Vitellius, Antipas en de priesters. Maar uit de diepte der zaal drong een gemompel aan van verrassing en bewondering. Een jong meisje was zooeven binnengekomen.

Onder een blauwachtigen sluier, die haar de borst en het hoofd verhulde, onderscheidde men den boog harer oogen, de chalcedoon-steenen in haar ooren, de blankheid harer huid. Een lap van weerschijnende zijde bedekte haar schouders en was op de heupen bevestigd door een fijn-gesmeden gouden gordel. Haar zwarte beenbekleedsels waren met mandragoren bezaaid, en als voor evenveel liet ze haar muiltjes van colibri-dons over den grond klapperen.

Op de estrade gekomen wierp ze haar sluier af: het scheen Herodias, zooals die was in haar jeugd. Ze begon te dansen.

Haar voeten hieven zich, de een voor den ander, op het rhythme van een fluit en een paar ratels. Haar gebogen armen riepen iemand, die altijd weer vluchtte. Lichter dan een vlinder achtervolgde ze hem, als een nieuwsgierige Psyche, als een zwervende geest, en ze scheen gereed om weg te vliegen.

De rouwklanken van den gingras vervingen de ratels. Neerslachtigheid had de hoop vervangen. Haar gebaren werden als verzuchtingen, en in geheel haar wezen lag zulk een smachtend verlangen, dat men niet weten kon of ze een god beweende of duizelde in een droom van liefde.

Met half-geloken wimpers boog ze en wiegde ze zich met deinende golvingen, haar boezem trilde, haar gelaat bleef onbewogen en haar voeten hielden niet stil. Vitellius vergeleek haar bij Mnester.

Aulus braakte nog altijd.

De Viervorst zat in een droom verloren en dacht niet meer aan Herodias. Toen hij haar meende te zien, in de nabijheid der Sadduceërs, verzwond zijn visioen.

Het was geen visioen.

