Part 7
"Neen!" hernam zij. "Ze buigen zich onder alle meesters en zijn niet in staat een eigen rijk te vormen!" En wat dengene betrof, die de gemoederen in beweging bracht door een hoop op te wekken, die sinds Nehemias voortleefde onder het Joodsche volk, was het niet 't meest doeltreffend hem uit den weg te ruimen?
Volstrekt geen haast had dit, volgens den Viervorst: Jaokanann gevaarlijk! Komaan nu! en hij deed alsof hij erom lachen moest. "Zwijg!" En zij herbegon het verhaal van de diepe vernedering, welke ze ondergaan had, op den dag toen ze naar Galaäd was getogen voor den balsem-oogst.
Er waren aan de rivier menschen die zich herkleedden. Terzijde, op een lagen heuvel, stond een man te spreken. Hij droeg een kemelshuid om de lenden, en zijn hoofd leek op dat van een leeuw. "Van 't eerste oogenblik dat hij me gewaar werd, wierp hij me alle vervloekingen der profeten toe. Zijn oogen schoten vlammen, zijn stem huilde, hij hief de armen als om den bliksem neer te halen. Geen mogelijkheid hem te ontvluchten, de raderen van mijn wagen waren tot de assen in het zand gezonken; en langzaam ging ik heen, me beschuttend met mijn mantel, verbijsterd door zijn hoon, die op me viel als een stortvlaag." Zij kon niet verder leven, zoolang Jaokanann bestond. Toen hij gevangen werd genomen en met koorden gebonden, was den soldaten bevolen hem te dooden, zoo hij zich verweren mocht; hij had zich zachtmoedig betoond. Men had slangen in zijn kerker gezet; ze waren er doodgegaan.
De nutteloosheid van die verraderlijke lagen bracht Herodias' geduld ten einde. En daarenboven, waarom zijn strijd tegen haar? Welk belang dreef hem aan? Zijn predikingen tot het volk hadden zich verspreid, gingen van mond tot mond; alom hoorde zij ze fluisteren, ze vervulden de lucht. Legioenen zou ze getrotseerd hebben. Maar deze macht, feller dan een tweesnijdend zwaard, en die zich niet aangrijpen liet, ze werkte geestverlammend. Bleek van woede, geen woorden meer vindend om uit te stooten wat haar den adem benam, schreed ze heen en weer over het terras.
En tegelijkertijd kwelde haar de gedachte, dat de Viervorst wellicht bezwijken zou voor des volks oordeel, en zoo ertoe gebracht worden haar te verstooten. Dan ware alles verloren! Sinds haar kinderjaren koesterde ze den droom van een groot keizerrijk. En om er toe te geraken, had ze haar eersten gemaal verlaten, om zich met Antipas te verbinden in wien ze zich bedrogen had, dacht ze.
"Ik koos een hechten steun, toen ik in uw familie trad!"
"Ze staat met de uwe gelijk!" zei de Viervorst kalm-weg.
Herodias voelde in haar aderen het bloed koken van de priesters en koningen, die haar voorvaders waren.
"Maar uw grootvader veegde den tempel van Ascalon! De anderen waren herders, roovers, karavaanleiders, een zwervende stam, schatplichtig aan Judea sinds koning David! Al mijn voorvaders hebben de uwe verslagen. De eerste der Makkabieten heeft u verjaagd van Hebron, Hyrcan dwong u tot de besnijdenis!" Het was de patricische vrouw die den peblejer haar verachting in 't aangezicht wierp, den haat van Jacob tegen Edom. Ze verweet hem zijn gevoelloosheid voor smaad en hoon, zijn lankmoedigheid jegens de Farizeërs die hem verrieden, zijn lafheid jegens het volk dat haar haatte.
"Ge zijt als zij, beken het! en ge betreurt het Arabische meisje dat rondom steenen danst. Neem haar weer tot u! Keer tot haar weer in haar linnen huis; verorber haar brood, dat onder de asch gebakken werd, zwelg de gestremde melk van haar schapen! kus haar blauwe wangen! en vergeet mij!"
De Viervorst luisterde niet meer. Hij tuurde uit naar het platform van een huis, waar zich een jong meisje bevond met een oude vrouw, die een zonnescherm ophield aan een rieten stok zoo lang als de hengelroe van een visscher. Midden op het vloer-tapijt stond een groote reismand met open deksel. Gordels en sluiers, hangers en ketens van goud warden er uit. Bij tusschenpoozen boog het meisje zich over die dingen heen om ze uit te slaan in de open lucht. Ze was als een Romeinsche gekleed, in een tunica die overplooid werd door een peplum, afgezet met akers van smaragd. Blauwe banden omsloten haar kapsel, dat te zwaar leek, want van tijd tot tijd bracht ze er de hand aan. De schaduw van het zonnescherm bewoog zich boven haar, en verhulde haar ten deele. Antipas onderscheidde twee of drie keeren de fijne lijnen van haar hals, den winkel van haar oog, den hoek van een kleinen mond. En geheel haar gestalte, van de heupen tot het hoofd, zag hij buigen en zich oprichten met veerkrachtige bewegingen. Nog eenmaal wilde hij dat gebaar zien, en terwijl hij het afwachtte, ging zijn adem zwaarder, en zijn oogen schitterden.
Herodias bespiedde hem.
Hij vroeg: "Wie is dat?" Ze zeide er niets vanaf te weten, en ging, plotseling gerustgesteld heen. Onder de zuilengangen werd de Viervorst door Galileërs opgewacht, zijn griffier, den opzichter van den veestapel, den rentmeester der zoutpannen, en een Babylonischen Jood die het bevel voerde over zijn ruiters. Hij werd met gejuich begroet, maar wendde zich af, heenschrijdend in de richting, der binnenzalen.
Phanuel dook op uit een hoek in een der gangen.
"Wat! nog hier? Ge komt zeker voor Jaokanann?"
"En voor U! ik moet U iets gewichtigs mededeelen."
En, zonder Antipas meer te verlaten, drong hij achter hem aan een duisterig vertrek binnen.
Het licht viel door tralies, die, onder de kroonlijst, den geheelen lengtekant innamen. De muren waren beschilderd in granaat-tint, op zwart af. In de kamerdiepte stond een ebbenhouten bed, welks ligmat uit riemen van ossenleder was gevlochten.
Er boven hing een gouden beukelaar, die glansde als een zon. Antipas ging dwars de zaal door en strekte zich uit op het bed.
Phanuel bleef opgericht staan. Hij hief den arm en sprak, als in bezieling:
"De Allerhoogste zendt bijwijlen een zijner zonen. Jaokanann is een van hen. Indien gij hem verdrukt, zult ge gestraft worden."
"Ik word door hém vervolgd!" riep Antipas uit. "Hij heeft van mij het onmogelijke gevergd! Sinds dat oogenblik kwelt hij me. En waarlijk, ik was niet hardvochtig in den beginne. Zelfs van Machaerous zendt hij mannen uit, die mijn provincies in beroering brengen. Vloek over zijn bestaan! Ik verweer me, waar hij me aanrandt!"
"Wat geeft het, al moge zijn gramschap te heftig zijn? Ge moet hem vrijlaten."
"Men laat geen dolle beesten los!" zei de Viervorst.
De Esseër antwoordde: "Verontrust u niet! Hij zal naar de Arabieren gaan, naar de Galliërs of de Scythen. Zijn arbeid moet zich uitstrekken tot des aardrijks einden!"
Antipas scheen verloren in een droomgezicht. "Wel groot is zijn macht!... ondanks me-zelf, heb ik hem lief."
"Welnu dan, laat hem!"
De Viervorst schudde het hoofd. Hij was bang voor Herodias, voor Mannaëi, en voor den onbekende.
Phanuel trachtte hem te overtuigen, door hem, ten rugsteun voor zijn plannen, de onderwerping der Esseërs aan de koningen voor te spiegelen.
Men had ontzag voor die mannen, arm aan aardsche goederen, die in ruw linnen gekleed gingen, door lijfstraffen niet te buigen waren en die de toekomst lazen uit de sterren.
Antipas herinnerde zich daar het woord van straks.
"En welk nu is het gewichtig nieuws, dat ge me zoudt mededeelen?"
Op hetzelfde oogenblik trad een neger het vertrek binnen. Zijn lichaam was wit bestoven. Hij hijgde schor en kon niets anders uitbrengen, dan:
"Vitellius!"
"Wat? Komt Vitellius?" "Ik heb hem gezien. Vóór het derde middaguur is hij hier."
Het was alsof een windvlaag door zalen en gangen toog en de voorhangsels in beweging bracht. Een luid gerucht vulde het paleis, geraas van af- en aandravende lieden, van versleepte meubelen, van ineen-rinkelende stapels zilverwerk, en hoog van de torens schalden de bazuinen, om de verspreide slaven te waarschuwen.
II
De wallen wemelden van menschen, toen Vitellius op het binnenplein kwam. Hij steunde op den arm van zijn tolk. Een groote roode draagstoel, met pluimen en spiegels versierd, volgde hem. Hij droeg de toga-laticlava en de sandalen der consuls en werd door bijldragers omgeven. Ze zetten hun roeden-bundels tegen de poort, twaalf door een riem saamgehouden staven, met een bijl in 't midden. En allen sidderden voor de majesteit van het Romeinsche volk.
De draagstoel, die door acht mannen gehanteerd werd, stond stil. Een zwaarlijvige jongeman steeg er uit, het gelaat vol puisten en de vingers vol paarlen. Hem werd een drinkschaal met wijn en aroma's aangeboden. Na ze geledigd te hebben, vroeg hij er nog eene.
De Viervorst had zich aan de knieën van den Proconsul neergeworpen, bejammerend, naar hij zeide, niet vroeger de gunst van zijn komst te hebben vernomen, anders zou hij zich beijverd hebben dat er op de wegen alles geweest ware, wat een Vitellius toekwam! Het geslacht Vitellius immers stamde af van de godin Vitellia. Een weg, die van den Janiculus naar zee leidde, droeg nog hun naam. Ontelbare keeren was aan de hunnen het quaestor-schap of het consulaat toevertrouwd geweest; en wat Lucius aanging, die thans zijn gast was, hem was men grooten dank verschuldigd als overwinnaar der Cliten, en als vader van den jongen Aulus, die hier in zijn eigen rijk scheen terug te keeren: want was het Oosten niet het vaderland der goden?
Deze hyperbolen werden in 't Latijn uitgesproken. Vitellius hoorde ze onbewogen aan. Hij antwoordde dat Herodes de Groote volstond voor den roem eener natie. Hem hadden de Atheners het oppertoezicht gegeven over de Olympische spelen. Tempels had hij gebouwd, Augustus ter eere, geduldig, vindingrijk en onverzettelijk was hij geweest, en altijd den Cesar getrouw.
Tusschen de zuilen met koperen kapiteelen zag men Herodias te voorschijn treden, fier als een keizerin, te midden harer vrouwen en eunuchen, die op vergulde schotels brandende reukwerken droegen.
De Proconsul trad haar drie schreden te gemoet, en toen hij haar met een hoofdbuiging begroet had, riep zij uit:
"Welk een geluk, dat het Agrippa, den vijand van Tiberius, voortaan onmogelijk is, kwaad te stichten!"
Vitellius wist niets van het gebeurde, en het leek hem gevaarlijk. Toen Antipas onder eeden begon te verzekeren, alles voor den Keizer veil te hebben, voegde Vitellius er aan toe:
"Zelfs ten koste van anderen?" Hij, Vitellius, had eens losgeld geïnd van den koning der Parthen, en de Keizer dacht er niet verder aan. Maar Antipas, die met hem aan een zelfde vergadering deelnam, begon er dadelijk ruchtbaarheid aan te geven. Vandaar een diepe wrok, en het getalm met den bijstand.
De Viervorst stotterde iets. Maar Aulus kwam er lachend tusschen:
"Wees maar bedaard, ik zal je beschermen!"
De Proconsul deed, alsof hij 't niet hoorde.
Het welslagen des vaders hing af van de verdorvenheid van den zoon; en die bloem van Capri's slijk gaf hem zulke aanzienlijke voordeelen, dat hij haar met zorgen omringde, hoe hij haar overigens ook wantrouwde om haar vergiftigheid.
Er ontstond gedruisch bij de poort. Men leidde een rij witte muildieren binnen, waarop mannen zaten in priestergewaad. Het waren Sadduceërs en Farizeërs, die door eenzelfde eerzucht naar Machaerous gedreven werden, de eersten om de waardigheid van offerpriester te erlangen, de anderen om die waardigheid te behouden. Hun gelaat stond somber, vooral dat der Farizeërs, want ze waren Rome en den Viervorst zeer vijandig gezind. De slippen van hun opperkleed hinderden hen in het gedrang, en de tiara waggelde hun op het voorhoofd, boven de perkamenten letterbanden.
Bijna tegelijkertijd kwamen de soldaten der voorhoede aanrukken. Ze hadden hun schilden, om ze te beschutten tegen het stof, in hoezen gehuld.
Achter hen volgde Marcellus, luitenant van den Proconsul, met verschillende tollenaars die houten schrijftabula's onder den arm droegen. Antipas noemde de voornaamsten zijner hofhouding: Tolmaï, Kanthera, Sehon, Amonius van Alexandrië, die aardpek voor hem aankocht, Naâman, hoofdman zijner lichte troepen, Jacim den Babyloniër.
Vitellius had Mannaeï opgemerkt.
"Wie is die man?"
De Viervorst gaf door een gebaar te kennen, dat het de beul was.
Toen stelde hij de Sadduceërs voor.
Jonathas, klein van gestalte en los van beweging, smeekte den meester, in 't Grieksch, hen in Jeruzalem met een bezoek te vereeren. Waarschijnlijk zou Vitellius aan die bede gehoor geven.
Eleazar met zijn krommen neus en zijn langen baard, eischte voor de Farizeërs den mantel van den Hoogepriester op, dien het burgerlijk bestuur binnen den toren Antonia in beslag hield.
Vervolgens klaagden de Galileërs Pontius-Pilatus aan. Om wille van een bezetene, die Davids gouden kannen zocht in een hol dicht bij Samaria, had hij verscheidene landslieden gedood. Ze spraken allen gelijk, Mannaeï nog heftiger dan de anderen. Vitellius verzekerde dat de misdadigers zouden gestraft worden.
Er ging geschreeuw op bij een poortnis, waar de soldaten hun schilden hadden opgehangen. De hoezen waren losgeraakt, en men zag op de schildknoppen Cesars beeltenis.
Voor de Joden was dit afgoderij.
Antipas sprak hun toe. En, van zijn verhoogden zetel tusschen de zuilen, zag Vitellius verwonderd hun gramstorigheid aan. Wel had Tiberius gelijk gehad, vierhonderd van dezen naar Sardinië te verbannen! Maar in hun eigen land waren ze machtig, en hij gaf bevel de schilden weg te nemen.
Toen drongen ze om den Proconsul heen, rechtvaardiging afsmeekend, privileges en giften. Dringend en duwend scheurden ze elkaar de kleederen van 't lijf, en om ruimte te maken, stonden slaven met hun stokken naar rechts en links te slaan. Zij, die het dichtst bij de poort stonden, werden langs het voetpad teruggedrongen, anderen kwamen dat pad opklimmen, en moesten wijken; twee stroomen stuwden tegen elkaar in, en die ontzaglijke menschenmenigte saamgehoopt binnen de omwalling, deinde als een woelige zee heen en weer.
Vitellius vroeg waarvandaan die toevloed van menschen.
Toen verklaarde Antipas hem de oorzaak: zijn geboortefeest. En hij wees de lieden aan, een groot aantal van zijn dienaren, die, over de borstwering heengebogen, reusachtige manden ophaalden, gevuld met vruchten en groenten, met antilopen, reigers en groote azuurkleurige visschen met druiven, meloenen en tot pyramiden opgetaste granaatappels.
Aulus kon het niet lijdelijk meer aanzien. Hij haastte zich naar de keukens, gedreven door die gulzigheid, waardoor hij eenmaal de wereld zou verbazen.
Langs een der kelders gaande zag hij vleeschketels, die wel pantsers geleken. Ook Vitellius kwam er naar kijken; en hij gebood, dat men hem de krochten van het fort zou ontsluiten.
Ze waren hoog gewelfd in de rots uitgehouwen, en werden van afstand tot afstand door pijlers geschraagd.
De eerste bevatte oude harnassen, maar de tweede was overvol van speren, die dreigend haar punt uit een bos van pluimen opstaken. De muren der derde schenen wel met rietmatten bedekt, zooveel pijlen hingen er loodrecht naast elkaar. Lemmers van kromzwaarden verborgen de wanden der vierde krocht. In het midden der vijfde leek een leger van roode slangen te kruipen: het waren lange rijen helmen met kammen van scharlaat.
In de zesde: niets dan pijlenkokers, in de zevende beenplaten, in de achtste armstukken, in de vele die nog volgden: gaffels, enterhaken, ladders en touwwerk, tot staken voor catapulten, tot rinkelbellen voor het borsttuig der dromedarissen toe.
Wijl de berg naar zijn voet zich steeds verbreedde, en in zijn binnenste uitgehold was als een bijenkorf, bevonden er zich onder deze vertrekken weer andere, talrijker en nog dieper.
Vitellius, Phineus zijn tolk, en Sisenna hoofd der tollenaars, doorschreden ze bij het licht der door eunuchen gedragen flambouwen. Uit het duister doemden de afgrijselijkste dingen op die de barbaren ooit uitvonden; knotsen met stekels van spijker-punten, werpschichten die vergift in de wonden brachten, tangen gruwbaar als de muil van krokodillen, kortom: de Viervorst bezat binnen Machaerous oorlogstuig voor wel veertig-duizend manschappen.
Hij had dat verzameld met het oog op een verbond tusschen zijn vijanden. Maar de Proconsul zou kunnen meenen, of zeggen, dat het dienen moest om de Romeinen te bestrijden, en daarom zocht Antipas verklaringen te geven:
Het behoorde hem niet toe; veel ervan diende tot verweer tegen de rooverbenden; daarenboven was er zoo iets noodig tegen de Arabieren, of wel: dit alles was het bezit geweest van zijn vader. En, in plaats van achter den Consul aan te schrijden, ging hij hem met haastige stappen voor. Toen bleef hij staan tegen een muur, wel zorgend ze te bedekken met zijn toga, de ellebogen ver van 't lichaam af. Maar de kroonlijst van een deur stak boven zijn hoofd uit. Vitellius werd dat gewaar en wilde weten wat die deur verborg.
Alleen de Babyloniër kon haar openen.
"Roep den Babyloniër."
Men wachtte.
Zijn vader was zich, met vijfhonderd ruiters, van den oever van den Euphraat, bij Herodes den Grooten komen aanbieden, om de oostergrenzen te verdedigen. Na de verdeeling van het rijk was Jacim bij Philippus gebleven, en thans diende hij Antipas, Hij trad voor met een boog over den schouder, een zweep in de hand. Bonte koorden waren vast om zijn verwrongen beenen gesnoerd. Zijn zware armen staken uit een overkleed zonder mouwen, een muts van dierenpels overschaduwde zijn gelaat met den in ringen gekrulden baard.
In 't begin veinsde hij den tolk niet te verstaan. Maar Vitellius wierp een scherpen blik op Antipas, die het bevel onmiddellijk herhaalde.
Toen duwde Jacim zijn beide handen tegen de deur, en ze gleed weg in den muur.
Een warme wadem sloeg hun uit de duisternissen tegen.
Met breede bochten daalde daar een weg omlaag. Ze volgden dien en kwamen op den drempel eener grot, die veel grooter was dan de andere krochten.
Achter de boog-opening in de verste diepte lag de afgrond, die aan deze zijde de citadel tot verdediging strekte. Een kamperfoeliestruik die zich vasthechtte aan het gewelf liet zijn bloemen in het volle licht neertrossen. Langs den grond liep een ijle water-ader, lichtend en murmelend.
Witte paarden stonden daar. Het waren er wel honderd. Ze aten gerst van een plank, die ter hoogte van hun bek was aangebracht. Hun manen waren blauw geschilderd, en de hoeven staken in wanten van fijn vlechtwerk. Tusschen de ooren bolde als een pruik een bos van hun blesharen op. Met den zeer langen staart sloegen ze zich streelerig langs de kniebogen.
De Proconsul was stil van bewondering.
Het waren wonderschoone dieren, lenig als slangen, licht als vogels. Ze vlogen weg met de pijlen van hun berijder, wierpen den vijand omver en beten hem in het onderlijf, vonden zonder struikelen een uitweg tusschen de rotsblokken, sprongen over afgronden heen, en hielden heel den dag hun dollen draf door de vlakten vol; één woord echter deed hen stilstaan. Toen Jacim binnentrad kwamen ze naar hem toe, als schapen naar hun herder; ze strekten den hals en zagen hem met hun kinderoogen onrustig aan. Uit gewoonte stiet hij diep uit zijn keel een rauwen schreeuw uit, die hen ineens opmonterde. Ze steigerden ongeduldig, hunkerend naar ruimte, en smachtend om weg te rennen.
Alleen uit vrees dat Vitellius hem er van berooven zou, had Antipas ze gevangen gezet in deze grot, die uitsluitend diende tot berging van dieren in tijd van oorlog.
"'t Is een slechte stalling hier," zei de Proconsul, "en ge loopt gevaar dat ze omkomen! Maak de schatting op, Sisenna".
De tollenaar haalde het schrijfplankje uit zijn gordel, telde de paarden en schreef ze in.
Het was de gewoonte der belastinggaarders de landvoogden ertoe te brengen hun gewesten uit te plunderen. Deze snuffelde overal met zijn wezel-snuit, en zijn oogleden knipten.
Eindelijk steeg men weer terug naar het binnenplein.
Ronde bronzen platen midden in het plaveisel bedekten van afstand tot afstand de putten. Sisenna bekeek een dezer deksels nauwlettender dan de andere, het was grooter en gaf een doffen klank onder zijn voeten. Nog eens ging hij de overige bekloppen één voor één, en toen schreeuwde hij, trappelend van blijdschap:
"Gevonden! Hier zit hij, de schat van Herodes!"
Het zoeken naar dien schat was een dwaze hartstocht onder de Romeinen.
De Viervorst zwoer, dat er geen schatten bestonden.
"Ondertusschen, wat zit hier dan verborgen?"
"Niemendal! een man, een gevangene."
"Laat zien!" zei Vitellius.
De Viervorst gehoorzaamde niet. De Joden behoefden zijn geheim niet te weten. Zijn weerzinnig gedraai om dat deksel te openen, deed Vitellius ongeduldig worden.
"Sla het in!" riep hij den bijldragers toe.
Mannaeï had geraden waarover ze 't hadden. Toen hij een bijl zag, meende hij dat ze Jaokanann gingen onthoofden; en hij weerhield den lictor bij den eersten slag op de plaat, stak behoedzaam een soort van haak tusschen haar rand en het plaveisel, en zijn lange magere armen strammend lichtte hij haar langzaam op. Ze wentelde weg; allen bewonderden de kracht van dien grijsaard.
Onder dat met hout betimmerd deksel was een valluik van gelijke afmetingen. Een vuistslag deed het openklappen; toen zag men een reusachtigen hollen koker, waarin zich een trap zonder leuning wentelde. Zij, die zich over den rand heenbogen, onderscheidden in de diepte iets vaags en verschrikkelijks.
Een menschelijk wezen lag op den grond uitgestrekt, geheel verborgen in zijn eigen lang haar, dat zich warde in de harige dierenvacht die zijn lenden dekte. Hij richtte zich op, en zijn voorhoofd stootte tegen den rooster die daar plat lag ingemetseld. Van tijd tot tijd verdween hij weer in de diepte van zijn hol.
De zon weerglansde in de punten der tiara's, in de gevesten der zwaarden, en gloeide over de vloertegels. Van de dakranden vlogen duiven op die dansten en duizelden boven het binnenplein, 't Was het uur waarin Mannaeï gewoon was graankorrels voor haar te strooien. Hij zat neergehurkt voor den Viervorst, die naast Vitellius stond. De Galileërs, de priesters, de soldaten vormden een kring achter hen; allen zwegen in angstige afwachting van wat komen zou.
Eerst was het een diepe zucht, door een holle stem uitgestooten.
Herodias hoorde dat zuchten aan het ander einde van het paleis. Aangetrokken door een macht sterker dan zij-zelve, drong ze door de menigte heen, en voorovergebogen, met de hand op Mannaeï's schouder, luisterde ze toe.
De stem verhief zich:
"Vloek over u, Farizeërs en Sadduceërs, gij, adderengebroed, gezwollen wijnzakken, holklinkende cymbalen!"
Men had Jaokanann herkend. Zijn naam ging van mond tot mond. Vele anderen kwamen toeloopen.
"Vloek over U, o volk! en over de verraders van Judea, over de dronkenen van Ephraïm, over hen die in het vette dal wonen en die waggelen door den geest van den wijn! "Dat ze verspreid worden als stroomend water, als de slak die smelt waar ze kruipt, als de misgeboorte eener vrouw die geen daglicht ziet.
"Gij, Moab, ge zult u moeten verschuilen in de cypressen als de trekvogels, als de springmuizen in de holen. Lichter dan notenschalen zullen de poorten der sterkten verbrijzeld worden, de muren zullen instorten, de steden in vlammen opgaan, en de geeselroede van den Eeuwige zal niet ophouden. Als de wol in de kuip van den verver, zoo zal Hij uwe ledematen spoelen in uw bloed. Als een nieuwe egge zal Hij u verscheuren; over de bergen zal Hij de flarden van uw vleesch uitstrooien!"
Van welken veroveraar sprak hij? Was het Vitellius? De Romeinen alleen konden zulk eene verdelging aanrichten. Klachten werden geslaakt:--"Genoeg! genoeg! doe hem ophouden!"
Maar nog luider ging hij voort:
"Naast het lijk hunner moeders zullen de kleine kinderen door de asch kruipen. In den nacht zal men brood gaan zoeken tusschen de puinen, zich blootgevend aan de dolken.
"Jakhalzen zullen elkaar de doodsknekels betwisten op de pleinen waar de grijsaards saamkwamen tot den avondkout. Aan der vreemdelingen gastmaal zullen uwe dochters op de luit spelen, en haar tranen drinken. De kloeksten uwer zonen zullen den rug bukken, gekneusd onder al te zware vrachten!"
Voor de oogen van het volk doemden de dagen der ballingschap weer op, alle rampen hunner geschiedenis.