# Drie Vertellingen

## Part 6

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/drie-vertellingen-8804/index.md

Gedurende de Mis bleef hij midden voor de poort plat-uitgestrekt ter aarde liggen, de armen gekruist en het voorhoofd in het stof. Na de begrafenis zag men hem den weg inslaan naar de bergen. Hij wendde zich herhaaldelijk om, en verdween ten laatste.

III

Hij toog heen, een zwerver, bedelend om zijn brood.

Hij hield de hand op voor de ruiters langs de wegen, naderde met een knieval de oogstende landlieden, of bleef roerloos wachten voor het hek van hun erf; zoo droef was zijn aangezicht, dat men hem nimmer een aalmoes weigerde.

In vermorzeling des harten deed hij dan zijn levensverhaal, en allen vluchtten ze heen en sloegen ze kruisteekens. In de dorpen, waar hij reeds eenmaal doorgetogen was, wierp men de deuren toe, zoodra men hem herkende, men riep hem bedreigingen na en gooide hem met steenen. Zij, die het liefdadigst waren, zetten eene nap op het vensterkozijn, maar sloten dan de luiken om hem niet te zien. Een verstooteling was hij overal, en hij begon de menschen te schuwen; hij voedde zich met wortels, met planten, met afgevallen vruchten, en met schelpdieren die hij zocht langs den zee-oever.

Somwijlen zag hij van een heuvelkant ineens een stapeling van daken onder zijn oogen, met steenen spitsen, met bruggen en torens, hars en dwars doorkruist met zwarte straten, waaruit een aanhoudend gegons tot hem opsteeg.

Een drang om met de anderen deel te hebben in het leven, deed hem naar de stad afdalen.

Maar de dierlijke uitdrukking der gezichten, het geraas van het werk, het leege gepraat, deden zijn hart verstarren. Op hoogtij-dagen, als de groote klokken van de kathedraal, van zonsopgang af, het geheele volk in feeststemming brachten, zag hij het aan, hoe de poorters uit hun deur kwamen; stond als toeschouwer bij den dans op de pleinen, liep te kijken naar de bier-fonteinen op den viersprong der straten, naar de behangsels van zijden damast voor der vorsten woonsteden, en als de avond gevallen was, gluurde hij door de ruitjes der onderhuizen over de gezellige feesttafels heen, waar grootouders mede aanzaten met kleine kinderen op hun knieën. Dan verstikte hij in zijn tranen, en hij zwierf weer henen, naar buiten, de velden door.

In opwellingen van verteedering kon hij ineens stilstaan, om te kijken naar veulens in een wei, naar vogels in hun nest, naar insecten op de bloemen; alle vluchtten ze weg, wanneer hij nabij was: verborgen zich angstig, of vlogen snel heen.

En weer zocht hij de eenzaamheid. Maar de wind kwam hem met doodsgereutel langs de ooren kreunen; dauwdroppels die neervielen, herinnerden hem aan andere droppels; die waren zwaarder. Iederen avond deed de zon rood bloed vlieten door de wolken; iederen nacht herbegon hij den oudermoord in zijn droomen.

Hij maakte zich een boetekleed met ijzeren stekels. Op zijn twee knieën kroop hij tegen alle heuvels op, waar een bedehuis waakte omhoog. Maar de onverbiddelijke gedachte verduisterde den glans der tabernakels, en bleef hem kwellen door zijn boeten en zelf-kastijden heen.

Hij toornde niet tegen God, die hem deze daad had opgelegd, maar was radeloos ze bedreven te hebben.

Hij had zoo'n afschuw van zichzelf, dat hij, om er los van te worden, zich in allerlei gevaren waagde. Hij redde verlamden uit huizen in lichter laaie, en kinderen uit de diepte van den afgrond. De afgrond wierp hem weer op, het vuur spaarde hem.

De tijd heelde zijn zielspijnen niet. Ze werden ondraaglijk. En hij wilde den dood zoeken. Eens stond hij aan een vijverkant; en boog over om de diepte van het water te peilen. Toen zag hij onder zijn oogen het ingevallen gelaat van een grijsaard met witten baard, zoo droef een gelaat, dat hij zijn tranen niet weerhouden kon. Ook de grijsaard weende. Juliaan herkende zijn eigen spiegelbeeld niet. Maar er leefde in hem een vage herinnering aan een gelaat, dat gelijkenis had met dit. Hij schreeuwde het uit; zijn vader was het! Toen dacht hij er niet meer over, zich den dood te doen.

Zoo doolde hij vele landen door, overal den last van het verledene meesleepend; en hij kwam bij een rivier, wier overtocht gevaarlijk was, door de onstuimigheid van den stroom en door het slib dat de vlakke oevers bedekte. Sedert lang durfde niemand hier meer oversteken.

Een oude bark, wier spiegel weggezonken zat in het slijk, hief haar steven op uit het riet.

Bij nader onderzoek vond Juliaan een paar roeiriemen; en de gedachte werd hem ingegeven zijn leven te wijden aan den dienst zijner medemenschen. Hij begon met over den oever een soort weg aan te leggen naar het vaarwater; en hij scheurde zich de nagels bij zijn pogingen om reusachtige steenbrokken los te woelen; hij droeg die tegen zijn lichaam gedrukt naar het pad, gleed uit in de slib, zonk er in weg, en meer-dan-eens dreigde hij om te komen.

Toen kalfaatte hij de boot met stukken wrakhout, en bouwde zich een hut van leem en boomstronken.

Weldra kwamen er reizigers, die van het veer gehoord hadden.

Met een vlag wenkten ze hem van den overkant. Juliaan sprong dan haastig in zijn boot. Ze was heel log, en men stapelde ze overvol met allerlei goederen en vrachten, zonder de lastdieren te rekenen, die achteruittrapten van angst en de lading nog verzwaarden. Hij vroeg niets voor zijn gezwoeg. Sommigen diepten overschot van eetwaren voor hem uit hun reiszak, of gaven hem versleten kleeren, die ze zelve niet meer wilden dragen. Er waren vlegels, die vloeken uitbraakten. Juliaan vermaande hen zachtzinnig; ze hoonden en verguisden hem tot antwoord. En zwijgend zegende hij hen.

Een kleine tafel, een bankje, een bed van dorre bladers en drie aarden kroezen,--ziedaar heel zijn have. Twee gaten in den muur dienden tot vensters. Aan de eene zijde strekten zich de eindelooze naakte vlakten, met hier en daar neveling van bleeke plassen; en vóór hem stuwde de groote stroom zijn groenige golven.

In het voorjaar sloeg er een vunze lucht van verrotting uit de vochtige aarde. Daarna deden wervelwinden het zand in hoozen omstuiven. Het drong overal door, verslijkte het water en kraakte tusschen de tanden. Wat later zwermden er wolken muskieten om, dag en nacht door, met gonzen en steken. Eindelijk kwam weer de bijtende koude, die alles tot steen deed verstarren en een fellen honger wekte naar vleeschspijze.

Maanden verliepen er, zonder dat Juliaan iemand zag. Dikwijls sloot hij de oogen opdat de herinnering hem terug mocht voeren naar zijn jeugd, en daar daagde het binnenhof van een kasteel. Hazewinden lagen er te rusten op een bordes. Dienaren gingen af en aan door de wapenzalen, en in de wingerddreef schreed een blonde knaap, tusschen een in bont gehulden grijsaard en een edelvrouwe met groote huive; eensklaps was daar niets meer, dan de twee lijken. Hij wierp zich plat voorover op zijn leger, en bleef schreien:

"Ach! arme vader! arme, arme moeder!" tot hij insliep. Maar de doodsvisioenen duurden.

In een nacht, toen hij zoo lag te slapen, meende hij iemand te hooren roepen. Hij luisterde scherp, maar vernam niets meer dan het geloei der golven. Maar dezelfde stem riep weer: "Juliaan!" Ze kwam van den anderen oever, en dit bevreemdde hem te meer, daar de stroom zeer breed was.

En ten derden male riep men: "Juliaan".

Het leek of er klokgelui doorklonk in die hooge stem.

Nadat Juliaan zijn lantaarn ontstoken had, trad hij buiten de hut. De nacht was één woedende orkaan. Zwaar hingen de duisternissen neer, hier en daar door de onstuimigheid der wilde golven in flarden verscheurd.

Even weifelde Juliaan, toen knoopte hij het meertouw los. Dadelijk werd het water rustig, de boot gleed er over en bereikte den anderen oever. Daar wachtte een mensch.

Hij was gehuld in een verrafeld linnen kleed. Zijn gelaat leek een pleisteren dooden-masker, zijn oogen rooder dan vurige kolen. Toen Juliaan de lantaarn naar hem ophief, zag hij dat een afzichtelijke melaatschheid hem overdekte; toch lag er in zijn houding iets van de waardigheid eens konings. Zoodra hij in de boot trad, zonk deze neer, zóó diep alsof ze bezweek onder zijn zwaarte; een schok wierp haar weer op, en Juliaan begon te roeien.

Bij iederen slag met de riemen lichtte de branding den boeg omhoog. Het inktzwarte water stuwde woest aan van beide oevers. Er groeven zich afgronden, er stapelden zich bergen op. De sloep sprong er overheen, en tuimelde dan weer weg in de diepten, waar ze, door den storm gestuwd en gestooten, bleef omwervelen.

Juliaan boog voorover, strekte de armen, en met de voeten zich schragend, wierp hij zijn wringend lijf achteruit om meer kracht te hebben. De hagel striemde hem de handen, de regen stroomde over zijn rug, de wilde storm verstikte hem, en hij hield in. Toen werd de sloep meegesleept door den stroom. Maar Juliaan begreep, dat het ging om iets zeer gewichtigs, om een gebod waaraan hij niet weerstaan mocht, en hij greep weer naar de riemen. Toen werd de groote stem van den storm onderbroken door het geklapper der roeipinnen. Daar vóór hem brandde het lantaarntje. Rondfladderende vogels deden het bijwijlen schuil gaan. Maar de oogen van den Melaatsche wendden zich niet van hem af, en hij zag hem staan, hoog opgericht bij den achtersteven, roerloos als een zuil.

En dit alles duurde zeer, zeer lang.

Toen ze in de hut gekomen waren, sloot Juliaan de deur, en hij zag den Melaatsche op het bankje zitten. De lijkwa die hem omhuld had, was neergezakt tot op de heupen; en zijn schouders, zijn borst, zijn magere armen waren overdekt met roven en zweren. Ontzaglijke rimpels doorgroefden zijn voorhoofd. Op de plaats van den neus was, als in een bekkeneel, een zwarte holte, en van zijn blauwige lippen ademde een zware wan-riekende walm.

"Ik heb honger", sprak hij.

Juliaan bood hem, wat hij bezat: een stuk ranzig spek en korsten roggebrood.

Toen hij ze verorberd had, droegen tafel, nap, en het heft van zijn mes, eendere plek-als zijn lichaam.

En hij sprak: "Ik heb dorst".

Juliaan haalde zijn kruik en toen hij ze opnam, steeg er een geur uit, die zijn reuk en zijn hart streelde. Het was wijn; wat een vondst! Maar de Melaatsche strekte den arm, en ledigde de kruik in één teug.

Toen sprak hij: "Ik heb het koud!"

Juliaan deed met zijn toorts, midden in de hut, een bos varens aanvlammen.

De Melaatsche kwam er zich bij warmen; en zooals hij daar zat, neergehurkt op de hielen, huiverde hij over al zijn leden en scheen zwakker en zwakker te worden. Zijn oogen schitterden niet meer, zijn wonden etterden, en met bijna klanklooze stem fluisterde hij; "Je bed". Hij sleepte zich er heen, Juliaan hielp hem zacht, en spreidde zelfs, om hem onder te dekken, het zeil van zijn bark over hem heen.

De Melaatsche steende. Zijn mondhoeken trokken weg en lieten de tanden bloot. Een heftig gehijg schokte zijn borst, en bij iederen ademtocht sloeg het onderlijf holler in, alsof het wegkromp naar de ruggegraat.

Toen sloot hij de oogen.

"Als ijs, als ijs zoo koud! Kom dichter bij me!"

En Juliaan schoof het zeil weg, en legde zich dicht naast hem op de dorre bladers, zijde aan zijde.

De Melaatsche wendde het hoofd naar hem toe: "Ik wil de warmte van je lichaam voelen,--trek je kleeren uit!"

Juliaan ontkleedde zich en legde zich zoo weer op het leger, hij voelde de huid van den Melaatsche tegen de zijne, killer dan die van een slang en ruw als een rasp.

Hij poogde hem moed in te spreken; en de andere antwoordde hijgend:--"O, ik ga sterven! kom dan toch dichter bij me, verwarm me dan toch. Neen, niet met je handen, met geheel je lichaam".--En Juliaan legde zich lijdzaam neer, borst tegen borst met den Melaatsche, aangezicht tegen aangezicht.

En dit was het oogenblik dat de Melaatsche hem in de armen sloot; dat zijn oogen plotseling begonnen te lichten als starren, dat zijn haren neergolfden als zonnestralen; en zijn adem kreeg een geur van rozen. Een wierookwolk wademde op uit den haard, de golven zongen, en een overmaat van geluk, een bovenaardsche zaligheid, daalde als een overvloeiende zegening in Juliaans zwijmelende ziel, en degene wiens armen hem omstrengelden, werd aldoor grooter en grooter, raakte met hoofd en voeten de beide wanden der hut. Het dak verzwond. Het uitspansel ontrolde zich als een tente; en Juliaan steeg de blauwe ruimten in, borst tegen borst, aangezicht tegen aangezicht met Jezus onzen Heer, Die hem ten hemel droeg.

En ziedaar de geschiedenis van Sint Juliaan den gastvrije, zooals men ze vindt tennaastenbij op een kerkraam in mijn land.

HERODIAS

I

De citadel van Machaerous verhief zich ten oosten van de Doode Zee op een kegelvormige bazalt-rots. Vier diepe dalen lagen er omheen, twee bezijden, een er tegenover, het vierde aan den achterkant. De huizen, opgestapeld aan haar voet, werden ingesloten door een ringmuur, die met de oneffenheden van den grond meegolfde.

Een weg, zig-zag uitgehouwen in de rots, verbond de stad met de sterkte, wier muren honderd-twintig elleboogslengten hoog waren en talrijke uitsprongen hadden, kanteelen langs hun rand, en hier en daar ook torens: het starre lofwerk aan die kroon van steenen hangend boven den afgrond.

Het binnenste der citadel was een met zuilengangen versierd paleis, bedekt met een platform, dat omgeven werd door een leuning van sycomore-hout, en waar staken stonden opgericht om een velarium uit te spannen.

Op zekeren uchtend--de zon was nog niet opgegaan--kwam de viervorst Hero-des-Antipas zich over de balustrade heenbuigen, en zag-uit.

De bergen aan zijn voeten begonnen hun kam op te heffen uit de schaduwen waarin hun logge gevaarten, tot in de diepte der afgronden die ze scheidden, nog verhuld lagen. Nevels zwierven om, scheurden open, en de omtrekken der Doode Zee werden zichtbaar. De dageraad die achter Machaerous rees, verspreidde een roodigen schijn. Deze verlichtte weldra den zandigen zeeoever, de heuvelen, de woestijn, en in verder verschiet, de bergen van Judea met hun grillige grijze glooiingen.

Engaddi trok door het midden zijn zware zwarte lijn; Hebron in de diepte rondde zich koepelvormig, Esquol droeg granaatboomen, Sorek wijnstokken, Karmel sesamkruid, en het reusachtig blok van den toren Antonia bestreek Jeruzalem. De Viervorst wendde den blik af om te rechterzijde de palmen van Jericho te beschouwen; en hij peinsde over de andere steden van Galilea: Capharnaüm, Endor, Nazareth, Tiberias--waar hij waarschijnlijk nimmer meer komen zou.

En almaar stroomde de Jordaan door de barre vlakte, die in haar witte dorheid verblindend was als een sneeuwveld. Het meer scheen, in deze stonde, van vloeiend lazuur; en aan zijn zuidelijke punt, naar de richting van Yemen, werd Antipas gewaar, wat hij vreesde te zien: Bruine tenten stonden daar verspreid, mannen met lansen schreden heen en weer tusschen de paarden, en smeulende vuren twinkelden als vonken laag tegen den grond.

Het waren de troepen van den Arabischen koning, wiens dochter hij verstooten had voor Herodias, de vrouw van een zijner broeders, die in Italië woonde zonder te streven naar macht.

Antipas wachtte hulp van de Romeinen, en hij werd door onrust verteerd, omdat Vitellius, stedehouder in Syrië, nog steeds niet kwam opdagen.

Agrippa zou hem ongetwijfeld bij den keizer in ongenade hebben gebracht. Philippus, zijn derde broeder, vorst van Batanéa, wapende zich zeker in 't geheim. De Joden hadden genoeg van zijn afgodische zeden, de anderen van zijn overheersching; zoodat hij weifelde tusschen twee plannen: of de Arabieren tot vrede te stemmen, of een verbond te sluiten met de Parthen; en, onder voorwendsel van zijn geboortefeest te vieren, had hij voor dezen zelfden dag nog, de aanvoerders van zijn troepen, al zijn rentmeesters en de oppersten van Galilea, op een groot gastmaal genoodigd.

Hij liet zijn blik spiedend weiden over de wegen: ze waren nog leeg. Arenden vlogen boven zijn hoofd om: de soldaten langs de wallen sliepen tegen den muur, en binnen het paleis bewoog niets.

Maar eensklaps deed een verre stem, die uit de diepten der aarde scheen te komen, den Viervorst verbleeken. Hij boog zich voorover om te luisteren. De stem zweeg.

Maar toen ze herbegon, klapte hij in de handen, en riep:

"Mannaëi! Mannaëi!"

Een man trad te voorschijn, naakt tot den gordel, zooals de masseurs bij de baden. Hij was zeer groot, oud, uitgemergeld, en droeg op de heup een korte kling in bronzen scheede. Zijn haardos door een kam opgehouden verhoogde nog de gerektheid van zijn voorhoofd. Slaperigheid verdoofde nu de kleur zijner oogen, maar zijn tanden glinsterden. Zijn geheele gestalte had een aapachtige lenigheid, en licht drukten zijn teenen den vloer. Zijn gelaat was ondoorgrondelijk als dat eener mummie.

--Waar is hij? vroeg de Viervorst.

Mannaëi antwoordde, terwijl hij met den duim iets achter hen aanwees: "Ginds! Altijd-door!"

"Ik meende hem te hooren".

En na een diepe ademhaling vroeg Antipas berichten over Jaokanann, denzelfden dien de Latijnen Sint Joannes den Dooper noemen. Had men de twee mannen nog weergezien, die men uit welwillendheid verleden maand had toegelaten in zijn kerker? en wist men nu ten laatste, waartoe ze gekomen waren?

Mannaëi antwoordde:

"Ze hebben geheimzinnige woorden gewisseld, zooals dieven doen, 's avonds op den viersprong der wegen. Daarna zijn ze heengetogen naar Noord-Galilea, aankondigend dat ze een groot nieuws zouden brengen."

Antipas boog het hoofd. Toen als in angst:

"Bewaak hem! bewaak hem! En laat niemand binnen. Sluit de deur goed! Bedek den put! Men mag niet vermoeden dat hij leeft!"

Zonder die bevelen ontvangen te hebben, had Mannaëi ze toch steeds uitgevoerd, want Jaokanann was een Jood, en, zooals alle Samaritanen, verfoeide hij de Joden. Hun tempel van Garizim door Mozes als hart en middelpunt van Israël aangewezen, bestond niet meer sinds koning Hyrcan, en die van Jeruzalem deed hen, als een blijvend en hoonend onrecht, in wrok en woede leven. Mannaëi was er binnengedrongen om er het outer met doodsbeenderen te schennen. Zijn gezellen, minder behendig dan hij, waren onthoofd geworden. Hij zag op dit oogenblik dien tempel, door de inzinking tusschen twee heuvels heen. De zon deed de wit-marmeren muren weerglanzen, en de gouden platen van het dakwerk schitterden. Het geleek een berg van licht, iets bovenaardsch, dat alles overheerschte door zijn rijkdom en zijn trots.

Toen strekte Mannaëi de armen uit naar Sion, en, hoog opgericht, het gelaat geheven, de vuisten gebald wierp hij zijn vervloeking naar die stad, wanend dat zijn woorden een werkelijke macht in zich hadden.

Antipas hoorde het aan, en leek in 't minst niet geërgerd.

Toen hervatte de Samaritaan: "Bij wijlen is hij onrustig. Hij zou dan 't liefst willen ontvluchten, en hoopt op verlossing. Andere keeren lijkt hij kalm als een ziek dier, en ook wel heb ik hem heen en weer zien loopen in het donker, voor-zich-heen herhalend: "Wat deert het? Hij moet grooter, maar ik kleiner worden."

Antipas en Mannaëi zagen elkander aan. Maar de Viervorst was het moe verder na te denken.

Al die bergen om hem heen, opstapelingen gelijk van versteende golven, de zwarte draaikolken langs de rotsige kusten, de eindeloosheid van den blauwen hemel, het schelle glanzen van den dag, de diepte der afgronden verbijsterden hem; en toen zijn oogen weiden gingen over de woestijn, werd hij nog mistroostiger, bij het zien van die woest doorwoelde gronden met hun bouwvallen van amphitheaters en paleizen.

Op de heete windademen dreef een zwavelreuk aan, als een uitwaseming van de vervloekte steden, die, dieper dan de oevervlakten, bedolven liggen onder de zware wateren.

Deze teekenen van een eeuwige gramschap joegen zijn gedachten verschrikt op, en hij bleef met de ellebogen op de balustrade, het hoofd in de handen, staroogend staan.

Iemand raakte hem aan.

Hij wendde zich om.

Herodias stond daar.

Een licht purperen samaar omhulde haar tot op de sandalen.

Ze was overhaast uit haar kamer getreden en droeg noch parelsnoeren, noch oorhangers; een vlecht van heur zwarte haren viel haar over den arm op den boezem. Haar hoog opgetrokken neusvleugels trilden; de vreugde van een triomf glansde over haar gelaat, en met forsche stem begon ze, terwijl ze den arm van den Viervorst schudde:

"Cesar is ons welgezind! Agrippa is gekerkerd!"

"Wie heeft het u gezegd?"

"Ik weet het!"

En ze voegde erbij:

"'t Is wijl hij het keizerschap wenschte voor Cajus."

Hij die van hun aalmoezen leefde, had gestaan naar den koningstitel, dien zij-zelve even begeerig najoegen als hij!

Maar voortaan geen vrees meer!

"De kerkers van Tiberius worden moeielijk ontsloten, en men is er niet altijd zeker van zijn leven!"

Antipas begreep haar, en hoewel zij Agrippa's zuster was, leek haar wreedaardige bedoeling hem gerechtvaardigd. Die moorden volgden uit den samenloop der dingen, en waren een noodlot van de Koningshuizen. In dat van Herodes was hun aantal niet te tellen.

Toen begon ze haar welgeslaagden toeleg uiteen te zetten; de omgekochte cliënten, de gevonden brieven, de verspieders aan alle deuren, en hoe ze erin geslaagd was Eutyches tot aanklacht te verleiden.

"Het viel me niet moeielijk, ik heb immers wel andere dingen gedaan voor U? Verliet ik zelfs mijn dochter niet?"

Na haar echtscheiding, hopend in haar huwelijk met den Viervorst wel moeder te worden van andere kinderen, had ze dat dochtertje in Rome gelaten. Ze sprak er nimmer over.

Daarom zocht de Viervorst nu naar de beweegreden van die opwelling van teederheid.

Men had het velarium ontplooid en, gedienstig, groote kussens bij gebracht. Herodias zonk er in neder, en weende met afgewend gelaat. Toen streek ze met de hand over de oogleden, en zeide dat ze verder niet meer eraan denken wilde; dat ze zich gelukkig voelde; en ze herinnerde hem hun gesprekken ginds in het atrium, hun ontmoetingen bij de baden, hun wandelingen langs den Via Sacra en in de groote villa's des avonds bij het murmelen der fonteinen, terwijl ze uitzagen onder de bloemenbogen door over de Romeinsche Campagna. En ze blikte naar hem op als toen ter tijd, met streelerige gebaren zich vlijend aan zijn borst. Hij stootte haar van zich af. De liefde, die zij wilde doen herleven, was zoo verre thans. Al zijn rampen waren er uit voortgekomen, want reeds twaalf jaar duurde de oorlog. De Viervorst was er door verouderd. Zijn rug was gedoken in de donkere, paarsom rande toga; zijn witte haren golfden samen met die van zijn grijzenden baard, en de zon, die door den baldakijn drong, stortte een stroom van licht over zijn wrevelend voorhoofd. Ook Herodias' voorhoofd zette rimpels. Aangezicht tegenover aangezicht stonden ze, en in wrokkende kwaadaardigheid maten ze elkander met den blik.

Er begon beweging te komen op de bergpaden. Herders dreven ossen voort, kinderen trokken ezels mee aan den toom, stalknechten leidden hun paarden. Zij die afdaalden van de hoogten voorbij Machaerous, verdwenen achter in den burcht, anderen togen door de rotsklove aan den voorkant verder, en in de stad gekomen zetten ze hun pakken en lasten op de binnenplaatsen neer. Dit waren de hofmeesters van den Viervorst en knechten die de gasten voorafgingen.

Doch daar trad plotseling aan den linkeropgang van het terras een Esseër te voorschijn, geheel in 't wit gekleed, blootsvoets, en met het uiterlijk van een Stoïcijn. Tegelijkertijd stortte Mannaëi, van tegenovergestelde zijde uitschietend, zich met getrokken zwaard op hem.

"Steek hem dood!" riep Herodias den beul toe.

"Houd in!" beval de Viervorst.

Manaëi bleef onbeweeglijk staan; de andere evenzoo.

Toen trokken ze zich terug, achteruittredend, ieder langs een andere trap, en zonder elkaar uit het oog te verliezen.

"Ik ken hem!" zei Herodias, "zijn naam is Phanuel, en hij tracht tot Jaokanann door te dringen, wiens leven door uw dwaasheid zoo veilig bewaard blijft".

Antipas wierp haar tegen, dat Jaokanann hun vandaag of morgen van dienst zou kunnen zijn. Zijn aanvallen tegen Jeruzalem zouden de rest der Joden tot hen doen overloopen.

