# Drie Vertellingen

## Part 5

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/drie-vertellingen-8804/index.md

Drie maanden lang bad Juliaans moeder in doodsangst aan zijn sponde; en zijn vader liep aanhoudend zuchtend heen en weer door de gangen. De meest beroemde geneesmeesters liet hij komen. Ze schreven groote hoeveelheden artsenijen voor en beweerden, dat Juliaans kwaal werd veroorzaakt, of door een kwaden luchtstroom, of door een verlangen naar liefde. Maar de jonker schudde op alle vragen het hoofd.

Eindelijk begon hij toch weer bij krachten te komen; en hij wandelde nu op het binnenplein, tusschen den ouden monnik en den burchtheer in, die hem ieder bij een arm ondersteunden.

Toen hij geheel hersteld was, wilde hij, in halsstarrig verzet, van geen jagen meer hooren.

Zijn vader wilde hem een genoegen doen en schonk hem een groot saraceensch zwaard. Het hing in een wapenrek, boven tegen een pijler. Er moest een ladder gehaald worden. Juliaan klom er op. Het al te zware zwaard viel hem uit de handen, en raakte in zijn val den burchtheer zoo dicht, dat het zijn mantel openscheurde. Juliaan meende, dat hij zijn vader had gedood en viel in onmacht.

Sedert had hij een afschrik van wapens. De aanblik van een blanke kling deed hem bleek worden. Deze blooheid van Juliaan werd zijn omgeving tot groot verdriet.

Ten laatste bezwoer de oude monnik hem, om Gods wil en der vaderen eer, ridderspel en wapenhandel weer op te vatten.

De schildknapen vermaakten zich toen juist iederen dag met het hanteeren van den werp-schicht. Juliaan muntte weldra uit in dat spel. Hij mikte zijn schicht in den hals eener flesch en trof de hoogste windwijzers, dat hun punten versplinterden. Op honderd passen afstand raakte hij de nagelkoppen in de deuren.

Op een zomeravond, in het uur dat de schemer de dingen doet vervagen, zag hij, terwijl hij in de wingerddreef aan 't wandelen was, heel in de verte daar twee witte vleugels fladderen, ter hoogte van het lat-werk. Hij meende niet anders, of 't was een ooievaar, en hij wierp zijn schicht.

Een schelle kreet klonk op. Het was zijn moeder, wier breed geslipte huive aan den muur bleef vastgespietst.

Juliaan vluchtte uit den burcht en keerde niet terug.

II

Hij sloot zich aan bij een voorbijtrekkenden troep avonturiers.

Hij leerde honger en dorst kennen, koortsen en ongedierte. Hij werd gewoon aan het geraas der vechtpartijen en den aanblik van den dood. De wind taande zijn huid. Zijn leden hardden onder de wapenrusting, en daar hij zeer sterk, moedig, matig en wakker was, stond hij reeds spoedig zelf aan het hoofd van een troep.

Wanneer de slag zou beginnen, bezielde hij zijn soldaten door een breeden zwaai met zijn zwaard.

Langs een knoopladder beklauterde hij 's nachts de fortmuren, terwijl de storm hem heen-en-weer slingerde, terwijl de vonken van het grieksch vuur aan zijn kuras kleefden, en ziedend hars en gesmolten lood uit de schietgaten stroomden. Dikwijls werd zijn schild door een steenworp verbrijzeld. Bruggen stortten in onder den al te zwaren last zijner benden. Met één zwaai van zijn knots ontdeed hij zich van veertien ruiters, en in het strijdperk versloeg hij allen, die zich met hem dorsten meten. Meer dan twintig keer waande men hem dood. Dank zij de Goddelijke genade ontkwam hij het telkens; want hij beschermde de kerken, weduwen en weezen, en vooral de oude lieden.

Wanneer er een grijsaard voor hem uitging, riep hij hem aan, om zijn gelaat te onderkennen, als in vreeze hem bij vergissing te dooden. Weggeloopen slaven, muitende boeren, verraders zonder goede kans, allerlei waaghalzen stroomden toe onder zijn vaandel, en hij vormde een steeds aangroeiend leger. Hij werd befaamd. Men dong om zijn hulp.

Om beurten stond hij den Franschen dauphijn bij en den koning van Engeland, de tempeliers van Jeruzalem, den surena der Parthen, den negus van Abbessynië en den keizer van Calicuta. Hij streed tegen de Scandinaviërs, die met vischschubben overdekt waren, tegen Negers op rosse muildieren en met rondassen van nijlpaardenleer; tegen koperkleurige Indianen, die boven hun veeren hoofdtooi breede spiegelblanke klingen zwaaiden. Hij verwon holbewoners en menschen-eters. Hij trok door zulke heete luchtstreken, dat de zonnehitte het haar van zijn soldaten verschroeide en vlam deed vatten als een fakkel. Elders heerschte zoo'n koude, dat de armen er van het lichaam losvroren en op den grond vielen.

In andere landen hingen de nevels zoo dicht, dat zijn troepen om hem heen verwaasden tot stoeten van schimmen.

Republieken, die in moeilijkheden waren, raadpleegden hem. Bij de samenkomst der afgezanten verkreeg hij onverhoopte voorwaarden. Wanneer een vorst zich misdroeg, verscheen hij ineens om hem te vermanen. Hij vocht volken vrij. Hij verloste koninginnen uit de torens, waar ze gekerkerd zaten. Hij, en niemand anders, doodde de slang van Milaan en den draak van Ober-birbach.

Welnu dan: de keizer van Occitanië, die de Spaansche Muzelmannen overwon, had de zuster van den kalief van Cordova getrouwd; ze schonk den keizer een dochter, die hij in den Christelijken godsdienst opvoedde. Maar de kalief wendde voor, dat hij zich bekeeren wilde en kwam hem zoo, met talrijk geleide, een bezoek brengen. Hij verdelgde toen de heele bezetting, en wierp den keizer zelf in een onderaardschen kerker, waar hij hem zeer hardvochtig behandelde, om schatten als losgeld te krijgen.

Juliaan snelde hem ter hulp, versloeg het leger van de verraders, belegerde de stad, doodde den kalief, hieuw hem het hoofd af, en rolde het als een bal over de wallen heen. Toen verloste hij den keizer uit den kerker en plaatste hem weer op den troon, in tegenwoordigheid van zijn geheele hof.

De keizer wilde hem, tot dank voor zulk een dienst, korven vol geld geven. Juliaan begeerde het niet. Meenend dat hij meer verlangde, bood de keizer hem toen drie-vierde-deel van zijn rijkdommen aan; nieuwe weigering. Ten einde raad stelde de keizer hem voor het rijk met hem te deelen, en nog bedankte Juliaan. Toen schreide de keizer van spijt en wist niets meer. Maar plotseling sloeg hij zich voor het voorhoofd. Hij fluisterde een hoveling iets toe; een wandtapijt werd opgelicht en daar trad een jonkvrouw te voorschijn.

Haar groote zwarte oogen blonken als twee heel stille lampen. Een lieve glimlach opende haar lippen. Heur lokken hechtten zich in de edelsteenen van haar los gewaad; de jeugd van haar gestalte lijnde teeder onder de luchte plooien van dat overkleed.

De liefde deed Juliaan duizelen, te eer hem, die immer zoo'n ingetogen leven had geleid.

Zoo werd hem de dochter van den keizer ten huwelijk gegeven, met een paleis van haar moeders erfdeel; en toen de bruiloft was afgeloopen, nam men afscheid met einde-looze plichtplegingen van weerszijden. Het was een wit-marmeren paleis, in moorschen stijl, op een voorgebergte en midden in een bosch van oranjeboomen. Bloemterrassen daalden af naar de kust van een zeegolf, waar rozige schelpen onder de voeten kraakten.

Achter het paleis strekte zich een waaier-vormig woud uit. De hemel was altijd blauw. De toppen der boomen wuifden zachtjes onder de luchtige zeebries, of onder den zefier, die aanwoei uit de bergen aan den horizon.

Het inlegwerk van de wanden scheen een lichtglans uit door de schemerige zalen. Tengere zuiltjes, rank als riethalmen, droegen het gewelf der koepels, die versierd waren met nagebootste grotstalactieten.

Er waren springbronnen in de zalen, mozaïekvloeren op de binnenpleinen. Er waren bebeeldhouwde beschotten met randen van looverwerk, en duizenderlei andere verfijningen van bouwkunst, en een zoo diepe stilte, dat het geritsel van een sjerp over de vloeren reeds groot gerucht was; een zucht deed zijn echo ademen.

Juliaan voerde geen oorlog meer. Hij rustte, omgeven door een vredig volk, dat dagelijks in stoeten aan hem voorbijtoog, met kniebuiging en handkus naar Oostersche zede.

In purper gehuld lag Juliaan in een vensternis te leunen, terwijl zijn gedachten aldoor bezig waren met zijn vroeger jagersleven. Het liefst zou hij, dwars de woestijn door, gazellen en struisvogels vervolgd hebben, of, tusschen het bamboe verborgen, luipaarden hebben belaagd, de wouden vol neushoorns doorkruist, of voor de arendjacht de moeilijkst bereikbare bergtoppen bestegen hebben, en in zee op ijsschotsen met de witte beren zijn gaan vechten.

Somwijlen zag hij zichzelf in een droom midden tusschen alle dieren, zooals Adam, onze vader, in het Paradijs. Met het strekken van zijn hand deed hij ze sterven. Of wel ze trokken paarsgewijze voorbij, volgens hun grootte, olifanten en leeuwen voorop, hermelijnen en eenden achteraan, zooals ten dage toen ze de arke Noachs binnentogen. Uit een grot, waar hij zich schuil hield, wierp hij naar hen met zijn nimmer-missende schichten; andere dieren doken op; het nam geen einde meer; en hij ontwaakte met woest-rollende oogen.

Bevriende vorsten noodigden hem ter jacht. Hij bedankte altijd, in de hoop, door deze versterving zijn ongeluk nog te kunnen afwenden; want het docht hem, dat van het al of niet vermoorden van dieren het lot zijner ouders afhing. Hen niet te mogen weerzien, en ook het ander verlangen, het werd hem ondragelijk.

Zijn vrouw deed goochelaars en danseressen komen, om hem wat verstrooiing te geven.

Ze liet zich met hem in een open draagkoets door de velden omvoeren; andere keeren lagen ze op de banken van een bark naar de visschen te zien die door het zilverklare water doolden. Dikwijls wierp ze hem spelend met bloemen in het gelaat en aan zijn voeten tokkelde zij liedjes op een drie-snarige mandoline; maar altijd weer, haar gevouwen handen op zijn schouder, vroeg ze ten laatste met bloode stem: "Wat houdt u toch bezig, mijn lieve gemaal?"

Hij antwoordde niet, of wel hij barstte in snikken uit; op zekeren dag echter bekende hij haar zijn afschuwelijke gedachte.

Ze streed er tegen, met drang van zeer goede redenen: hoogstwaarschijnlijk immers waren zijn vader en moeder dood, en mocht hij ze ook ooit weerzien bijgeval, hoe dan nog, door welk toeval, of met welke bedoeling zou hij tot zulk een zoo heilig-schennende misdaad kunnen komen? Zijn vrees was alzoo ongegrond, en hij moest maar gerust weer gaan jagen.

Juliaan hoorde haar aan met een mijmerenden glimlach, maar hij kon nimmer besluiten aan haar verlangen te voldoen.

Een avond in Augustus, toen ze op hun kamer waren--zij had zich juist ter ruste gelegd, en hij knielde neer om te bidden--hoorde hij het keffen van een vos, toen sluippassen onder het venster, en door het duister zag hij schimmen van dieren bewegen.

De bekoring was hem te sterk. Hij nam den pijlenkoker van den wand. Zijn vrouw scheen verrast.

"Eindelijk dan zal ik doen wat ge altijd verlangd hebt", sprak hij, "bij zonsopgang ben ik terug."

Maar ze was bang, als voor dreigend kwaad.

Hij stelde haar gerust, en ging heen, verwonderd over haar wisselvallige stemmingen.

Even later kwam een page haar kond doen, dat twee onbekenden, daar de slotheer afwezig was, oorlof vroegen onmiddellijk tot de vrouwe te worden toegelaten.

En weldra traden een oude man en een oude vrouw de kamer binnen, diep gebogen, met stof bedekt, in linnen gekleed, en ieder steunend op een stok.

Ze vatten moed, en zeiden dat ze Juliaan tijding van zijn ouders kwamen brengen. De vrouwe neeg voorover om hen beter te verstaan.

De twee oudelieden wisselden een raadplegenden blik, en begonnen haar toen te vragen of hij zijn ouders nog liefhad, of hij wel eens over zijn ouders sprak.

"O, zeker!" was het antwoord. Toen konden zij zich niet langer inhouden:

"We zijn het zelve, wij!".--en ze zonken in hun zetels, afgemat van vermoeienis.

Wat evenwel kon de jonge vrouwe zekerheid geven, dat haar gemaal hun zoon zou zijn?

Maar ze bewezen het, door de bijzondere teekenen te beschrijven, die hij op de huid had. Toen stond ze op van haar legerstee, riep den page, en liet hun een maal opdienen.

Hoewel ze grooten honger hadden, konden ze niet eten; en van terzijde zag ze, hoe hun dorre handen beefden wanneer ze den beker opnamen. Ze vroegen duizend uit over Juliaan. Ze beantwoordde al die vragen één voor één, maar vermeed angstvallig over de doodsgedachte te spreken, die hen zelve betrof.

Ze waren van hun kasteel weggetrokken, toen ze hem niet terug zagen keeren en sedert vele jaren zwierven ze om, vage aanduidingen volgend, maar zonder de hoop te verliezen. Ze hadden zooveel geld noodig gehad aan veerpenningen bij de rivieren, aan verblijfkosten in de logementen, aan schatting voor de landsvorsten en aan losprijs voor de roovers, dat hun beurs tot op den bodem leeg was, zoodat ze nu moesten bedelen. Maar wat hinderde dat, nu ze welhaast hun zoon aan het hart konden drukken? En ze prezen hem gelukkig met een zoo aanminnige vrouwe, werden niet moe haar aan te zien en te liefkoozen.

De weelde van het slaapvertrek verbaasde hen uitermate; en de oude man, die zijn blik langs de wanden had laten weiden, vroeg waarom er het blazoen des keizers van Occitanië was aangebracht. Juliaans vrouwe antwoordde:

"Dat is mijn vader!"

Het deed den grijsaard huiveren van ontroering, want hij herinnerde zich de voorspelling van den zigeuner; en de oude moeder mijmerde over de woorden van den heremiet, overtuigd, dat deze aardsche glorie van haar zoon slechts een opgang was naar eeuwige heerlijkheden; beiden bleven ze star van verwondering daar zitten in den schijn van den luchter, die de tafel verlichtte.

Ze moesten wel heel mooie menschen geweest zijn in hun jeugd. De moeder had heur volle haar nog, ze droeg het in twee gladde strooken, fijn en wit als bladen van sneeuw langs slapen en wangen; en de vader, met zijn hooge gestalte en zijn langen baard geleek op een heiligebeeld uit de kerk.

Juliaans vrouwe echter sprak, dat ze niet zoo wakend zijn thuiskomst moesten verbeiden, en met lieven dwang deed zij hen in haar eigen sponde slapen gaan; toen sloot ze het raam; ze sluimerden in. Het werd zacht-aan morgen, en achter het vensterglas begonnen de vogels te zingen.

Juliaan was dwars door het park gegaan; en hij liep met krachtigen tred het bosch door, genietend van de milde lucht en van het dauwige gras, koel en zacht onder zijn voeten.

De slagschaduwen der boomen lagen over het mos. Over de open plekken deed de maan wel hier en daar blanke lichtglimpen glanzen; dan bleef hij aarzelend talmen, in de meening dat er een vijverspiegel lag; elders weer ging de kleur van een stil watervlak onmerkbaar over in die van het gras der oeverranden. Er heerschte alom een diepe rust, en hij vond nergens een der dieren, die voor eenige oogenblikken nog het kasteel omdwaalden.

Het bosch werd dichter, de duisternis steeds dieper. Warme windzwoelten woeien om, loom en zwaar van geuren. Zijn voeten zonken weg in lagen dorre bladers, en hij ging tegen een eikestam leunen om wat te verademen.

Eensklaps sprong er achter hem een logge schaduw op, duisterder uit het duister, een everzwijn. Juliaan had den tijd niet zijn boog te grijpen, en hij bejammerde dit als een ongeluk.

Kort daarna, toen hij buiten het bosch was gekomen, zag hij een wolf langs een hegge sluipen.

Juliaan schoot een pijl op hem af. De wolf stond stil, wendde het hoofd even om en liep toen door. Hij draafde voort, maar bleef altijd op denzelfden afstand, hield van tijd tot tijd in, en zoogauw Juliaan op hem aanlegde, vluchtte hij weer verder.

Juliaan liep op deze wijze een eindelooze vlakte door, kwam toen over lage zandheuvels en ten laatste stond hij op een hoogte, die uitzag over een wijde landstreek. Platte zerksteenen lagen hierboven verstrooid tusschen bouwvallige gewelven; men struikelde er over doodsbeenderen; vermolmde graf-kruisen hingen klaaglijk omgevallen. Maar er bewogen gedaanten in de onwezenlijke schaduw tusschen de graven, en hyena's kwamen er uit opgedoken, rillend van angst. Hun nagels schraafden over de zerken, nu ze snuffelend op hem afkwamen met een grijns, die hun tandvleesch ontblootte. Hij trok zijn zwaard. Ze stoven ineens uit elkaar, naar alle windstreken heen, almaar voort in overijlden en struikeligen draf, tot ze ver-weg in een stofwolk verdwenen.

Een uur later vond hij in een ravijn een dollen stier, die, met dreigende horens, den hoef in het zand schraapte. Juliaan wierp hem de speer in de halskwab. De speer versplinterde, alsof het dier van brons was. Juliaan sloot de oogen, en wachtte op den dood. Toen hij weer opzag was de stier verdwenen.

Zijn ziel verkromp van schaamte. Een bovennatuurlijke wil verwoestte zijn kracht; en hij ging terug door het bosch om zich thuis te verschuilen.

De boschwegen waren overward door slingerplanten; en toen hij zich met zijn zwaard een doortocht baande, kwam er ineens een steenmarter tusschen zijn beenen doorglijden; een panter sprong hem over den schouder, een slang kronkelde zich om een esschestam. In het loover zat een monsterachtige kraai naar Juliaan te staroogen; en hier en daar flonkerden er groote vonken tusschen de takken, alsof het uitspansel al zijn sterren in het bosch had laten neerregenen. Het waren dieren-oogen, oogen van boschkatten, van eekhorens en uilen, van papegaaien en apen.

Juliaan schoot almaar pijlen; de pijlen bleven met hun veders als witte vlinders tusschen de bladeren zitten. Hij wierp met steenen; de steenen vielen neer zonder iets te raken; hij verwenschte zich zelven, en had zich wel willen geeselen, hij brieschte vervloekingen en verstikte in zijn razernij.

En alle dieren, die hij vervolgd had, daagden weer op en kwamen hem in een nauwen kring omsluiten. Sommige zaten neergehurkt, andere stonden recht. Hij bleef in het midden, verstard van angst en onbekwaam tot de minste beweging. Door uiterste wilsinspanning verzette hij een voet; die in de boomen openden hun vleugels, die langs den grond deden een schrede, en alle vergezelden ze hem. De hyena's voor hem uit; de wolf en het everzwijn achter hem aan. De stier aan zijn rechterzijde schudde den kop; links kronkelde de slang door het boschkruid, terwijl de panter met opgezetten rug voorging, met wijde fluweel-zachte gluip-passen. Juliaan liep zoo langzaam mogelijk om ze niet op te hitsen; en hij zag uit de diepten van het kreupelhout egels opduiken, vossen, adders, jakhalzen en beren. Juliaan begon hard te loopen, alle liepen ze hard. De slang sijfelde, de viervoeters kwijlden, de ever schraafde hem de hielen met zijn slagtanden; de wolf wreef zijn snorharen in den palm van zijn handen. Grimmend en grijnzend kwamen de apen hem knijpen; de egel rolde over zijn voeten; een beer sloeg hem de muts af met een zwaai van zijn poot; en de panter liet voor evenveel een pijl neervallen, dien hij meedroeg in zijn bek.

Er gluurde spotzucht achter hun heimelijk doen. En terwijl ze hem uit hun ooghoeken bespiedden, leken ze wraakplannen te overwegen. Juliaan liep voort met uitgebreide armen, de oogleden neer als een blinde, verdoofd door het gegons der insecten, gezweept door de staartpennen van de vogels, verstikt door al die adems, zonder zelfs de kracht te hebben om "genade" te roepen.

Het gekraai van een haan schrilde door de lucht. Andere hanen gaven daar antwoord op; het was de morgen, en achter de oranje-boomen daagden de tinnen van zijn paleis.

Maar voortschrijdend hier langs den akker-kant zag hij op drie schreden afstand roode patrijzen fladderen in de stoppels. Hij gespte zijn mantel los en wierp dien op de vogels als een net.

Toen hij naar zijn buit tastte, vond hij slechts één enkelen patrijs, die daar sedert langen tijd moest dood gelegen hebben, een rottend aas.

Deze teleurstelling verbitterde hem nog meer dan alle overige. Zijn bloeddorst werd hem meester, zóó zelfs dat hij menschen zou gemoord hebben, als er geen dieren meer waren. Hij klom de drie terrassen op, beukte de deur open met een vuistslag; maar aan den voet van de trap deed de gedachte aan zijn geliefde vrouw hem het hart week worden. Ze sliep nu zeker en ze zou verrast ontwaken. Nadat hij zich van zijn sandalen had ontdaan, draaide hij zachtjes het slot open en schreed binnen.

De met lood dooraderde vensters verduisterden den bleeken uchtend. Juliaans voeten verwarden zich in kleeren, die over den grond lagen; wat verder stootte hij tegen een credens-tafel vol vaatwerk. "Ze zal zeker gegeten hebben," dacht hij, en trad op het bed toe, dat verschaduwd stond in de kamerdiepte.

Toen hij den spondekant genaderd was, boog hij zich, om zijn vrouwe te omhelzen, over de peluw neer, waar de twee hoofden rustten dicht nevens een. Daar raakten zijn lippen de ruwheid van een baard. Hij week ontzet terug, en geloofde waanzinnig te zijn; maar hij wendde zich opnieuw naar het bed, en zijn tastende vingers nu raakten de zeer lange haren. Om zich te overtuigen, dat hij ijlde, streek hij langzaam met de hand de peluw over. En het was wel wezenlijk een baard, dien hij voelde ditmaal, en een man! een man met zijn vrouw!...

Uitbarstend in matelooze woede stortte hij zich met dolksteken op hen; en hij trapte en brieschte, brullend als een wild dier. Toen hield hij in. De dooden, die recht in het hart getroffen waren, hadden zich zelfs niet meer verroerd. Hij luisterde oplettend naar hun beider bijna gelijkmatig doodsgereutel, en naar gelang dit zwakker en zwakker werd, begon een ander gekreun meer hoorbaar te worden. Het lang-aanhoudende geluid van die klaaglijke stem, onduidelijk eerst, kwam nader en nader, zette zich uit, werd hard en wreed, en ontzet herkende Juliaan den schreeuw van het groote zwarte hert.

En toen hij zich omwendde om te weten, meende hij in het open deurvak de schaduw van zijn vrouwe te zien, die daar stond met een licht in de hand. Het geraas van den moord had haar doen naderen. Met één blik begreep ze alles. In afgrijzen vluchtte ze weg, en liet de toorts vallen. Hij raapte die op.

Zijn vader en zijn moeder lagen daar voor hem, recht uitgestrekt, met een gapende wonde in de borst, en hun beider aangezicht geleek in verheven zachtmoedigheid een eeuwig geheim te zwijgen. Droppels en sprenkels bloed lagen over hun blanke huid gespat, over de lakens en het bed, over den grond, en langs het ivoren kruisbeeld dat in de bedstede hing. De vuurroode weerschijn der zon-doorstraalde vensterruiten kwam die bloedige sprenkels nu verlichten en wierp er zelve steeds nog meerdere door geheel het vertrek. En Juliaan liep weer op de twee dooden toe, meenend en zich diets makend, dat het een onmogelijkheid was, dat hij verkeerd had gezien, dat er somwijlen onverklaarbare gelijkenissen zijn. Ten laatste boog hij angstvallig voorover om den grijsaard van nabij te beschouwen; en hij zag, tusschen die halfopen wimpers, een uitgedoofden oogappel, die hem als vuur pijnde. Toen wendde hij zich naar den anderen spondekant, waar het tweede lichaam lag; de witte haren verborgen gedeeltelijk het gelaat. Juliaan streek die lokken weg en lichtte dat hoofd op; en hij staarde haar aan, ze steunend met zijn krampachtig gestrekten arm, terwijl hij in de andere hand de toorts hield om zich bij te lichten.

Bloeddruppels sijpelden van de matras en vielen één voor één op den vloer neer.

Aan den avond van dien dag stond hij voor zijn vrouwe, en met een stem, die zijn eigene niet was, gebood hij haar vooreerst hem niet te antwoorden, hem niet te naderen, en zelfs hem niet meer aan te zien, en dat ze, onder straffe van eeuwige verdoemenis, al zijn bevelen had uit te voeren, die onherroepelijk waren.

De begrafenis moest geregeld worden naar voorschriften die hij op een bidstoel in de dooden-kamer had achtergelaten. Hij stond zijn vrouwe het paleis af, zijn vazallen, al zijn have en goed, zonder zelfs zijns lijfs-kleeren te behouden, noch zijn sandalen; men zou die boven op de trappen weervinden. Zij was het werktuig geweest van Gods wil, onschuldige oorzaak van zijn misdaad, en ze had te bidden voor zijn ziel, want voortaan bestond hij niet meer.

De dooden werden met groote praal begraven in de kerk van een klooster, dat op drie dagreizen afstand lag van het kasteel. Een monnik met neergeslagen boetekap volgde den stoet, afgescheiden van alle overigen en zonder dat iemand hem dorst aanspreken.

