Part 4
De kerkmeesters, de zangers, de kinderen schaarden zich aan de drie zijden van de plaats. De priester besteeg langzaam de altaartreden, en zette op de kanten dwale zijn monstrans, die straalde als een groote gouden zon. Allen knielden. Er zonk een diepe stilte. En de wierookvaten gleden in breeden uitzwaai op hun kettingen weg en weder.
Een azuren waas steeg naar de kamer van Félicité. Haar neusgaten zetten zich uit terwijl ze den wierook inademde met een mystiek welbehagen; dan sloot ze de oogen. Haar lippen glimlachten. De bewegingen van haar hart vertraagden een voor een, telkens flauwer, telkens zachter, zooals een fontein uitgeput neerruischt, zooals een echo wegsterft; en terwijl ze den laatsten adem uitblies, waande ze in de open hemelen een reusachtigen papegaai te zien, zwevend boven haar hoofd.
DE LEGENDE VAN SINT-JULIAAN DEN GASTVRIJE
I
De vader en de moeder van Juliaan bewoonden een kasteel midden in bosschen op de helling van een heuvel.
De spitsen van de vier hoektorens waren met looden schubben bedekt, en de voet der muren steunde op rotsen, die steil neerhelden naar de grachtdiepte.
Het plaveisel van het binnenplein was gaaf als dat van een kerkvloer. Draken met den gapenden muil nederwaarts, spuwden het regenwater uit de dakgoten naar den put, en op ieder vensterkozijn, alle verdiepingen langs, bloeide in een beschilderden aarden pot, een bos balsemkruid of heliotroop.
Een tweede omheining van steenen palen omsloot vooreerst een boomgaard en een tuin, waar de bloemen in bonte schikking naamletters teekenden op de perken; verder een wijngaard met lustpriëelen, en een kolfbaan voor de pages. Aan de andere zijde bevonden zich de hondenhokken en de stallen, bakkerij en druivenpers, en de schuren. Het geheel was omgeven door groene weiden, die op hare beurt omsloten werden door een zware haag van meidoorns.
De vrede duurde reeds zooveel jaren door, dat de valpoort tot vaste brug diende; de grachten waren vol water; de zwaluwen bouwden haar nest in de kanteelen, en de boogschutter die den lieven langen dag op den middenwal heen-en-weer moest wandelen, dook weg in het wachttorentje, zoodra de zon te fel begon te branden, en lag er met een gerust gemoed, uren lang ongestoord te slapen. Binnenshuis schitterde het beslag van hengsels en sloten overal als zilver; kostbare wandtapijten beschutten de kamers tegen de koude; de kasten waren overvuld van het fijnste lijnwaad; in de kelders lagen de tonnen met wijn hoog opgestapeld, en de eikenhouten koffers kraakten onder het gewicht der geldzakken.
In de wapenzaal, waren tusschen ruitervanen en roofdierkoppen, wapenen uit alle tijden en van alle volken te vinden: van de slingers der Amalekieten en de werpspiesen der Garamantijnen, tot de kromzwaarden der Saracenen en de maliënkolders der Normandiërs.
Aan het groote braadspit in de keuken kon wel een os geroosterd worden. De huiskapel was weidsch en rijk als die van een koning. In een achterafhoek van het kasteel was zelfs een romeinsch bad, maar de burchtheer maakte er nooit gebruik van, wijl hij dit een heidensche zede achtte.
In een pelsmantel van vossevel wandelde hij door zijn huis; hij sprak recht onder zijn vazallen, en legde de twisten van zijn naburen bij.
's Winters keek hij naar de dwarrelende sneeuwvlokken, of hij liet zich verhalen voorlezen. Maar zoodra het mooie weer begon, reed hij op zijn muilezel langs de wegjes door het groene koren, praatte met de dorpers en gaf hun goeden raad.
Na een zeer avontuurlijk leven had hij een jonkvrouw van hooge geboorte tot gemalin genomen. Ze was zeer blank, en wat trotsch en ernstig. De punten van haar huive raakten den bovenbalk der deurposten; de plooien van haar lakensch gewaad sleepten drie schreden achter haar aan. Haar huishouding was regelmatig als die in een klooster; iederen morgen verdeelde ze het werk onder haar dienstboden; ze hield het oog over den vruchten-inmaak en de zalven-bereiding; zat achter het spinnewiel of borduurde dwalen voor het altaar. Op haar aanhoudend bidden werd haar een zoon geboren.
Toen heerschte er groote vreugde, en er werd een feestmaal aangericht. Dit duurde drie dagen en vier nachten bij toortslicht en harpspel, op strooisel van lenteloovers. Men at er de zeldzaamste specerijen, en hoenders zoo groot als schapen; ter opluistering kwam er een dwerg uit een pastei. Toen er geen bekers genoeg meer waren, wijl de menigte der gasten steeds aangroeide, was men genoodzaakt uit horens en helmen te drinken.
De jonge moeder woonde deze feesten niet bij. Ze lag rustig op haar legerstede. Toen, in een avonduur,--ze had gesluimerd en sloeg zacht de oogen op,--zag ze in een manestraal, die door het venster gleed, iets bewegen. Schaduw of schimme? Het was een grijsaard in haren pij, een rozenkrans aan den gordel, den bedelzak op den schouder. Een kluizenaar. Hij naderde het hoofdeinde van haar bed, en zei zonder de lippen te ontsluiten: "Verheug u, o moeder! Uw zoon zal een heilige worden!"
Bijna schreide ze het uit van schrik, maar de schimme gleed heen langs den manestraal, steeg zachtjes omhoog en verdween in het ijle licht. De zangen van het festijn klonken helderder op. Zij echter hoorde engelenstemmen. Haar hoofd viel terug in het kussen, waarboven, tegen den muur, een martelaarsreliek hing, gevat in een lijst van karbonkels.
Den volgenden dag werd heel de dienaarschap ondervraagd. Allen verklaarden eenstemmig, geen kluizenaar gezien te hebben. Maar--droom of werkelijkheid--kon het anders dan een hemelboodschap zijn? De burchtvrouw wachtte zich echter wel, die overtuiging uit te spreken. Ze vreesde dat men haar van hoovaardij betichten zou.
De gasten vertrokken bij het krieken van den morgen. Toen Juliaans vader den laatsten uitgeleide gedaan had, en eenzaam bij de burchtpoort achterbleef, zag hij ineens in den nevel een bedelaar voor zich staan. Het was een zigeuner. Hij droeg den baard gevlochten en had zilveren ringen aan beide armen. Zijn oogen flonkerden. En, als bij ingeving, mompelde hij deze onsamenhangende woorden:
"Welzoo! uw zoon!... veel bloed!... veel roem!... altijd gelukkig! in de maagschap van een keizer!"
Hij bukte naar de hem toegeworpen aalmoes, en zonder een spoor achter te laten, was hij tusschen het gras verdwenen.
De burchtheer keek naar links en rechts, riep zoo luid hij kon.
Niemand! De wind blies, de uchtendnevels verwoeien.
Hij weet dit droomgezicht aan de vermoeienis van zijn hoofd, na den slapeloozen nacht.
"Wat zouden ze lachen, zoo ik er van gewaagde!"
En toch--hoe vaag de voorzegging ook scheen, en droom of waarheid?--ondanks zijn twijfel bleef hij almaar uitturen in de glanzende toekomst die zijn zoon beloofd was. Ze verblindde hem.
De vader en de moeder hielden ieder voor zich hun geheim in het hart verborgen. Beiden droegen ze het kind een even groote liefde toe. Ieder voor zich beschouwden ze het als een geroepene Gods. Ze hadden er de vroomste zorgen voor. Zijn bedje was met het zachtste dons gevuld. Een lamp in den vorm eener duif brandde voortdurend er boven, drie voedsters moesten over hem waken. En zoo: vast in zijn doeken gewikkeld, met zijn roze-blozend gezichtje en zijn blauwe oogen, met zijn brokaten mantel en zijn kapertje vol parels, geleek hij wel het kindje-Jezus zelve. Hij kreeg tanden zonder een enkelen keer te schreien.
Toen hij zeven jaar was, leerde zijn moeder hem zingen.
Om hem dapper te maken tilde zijn vader hem op een groot paard. Het kind glimlachte van voldoening, en het duurde niet lang, of hij wist alles van ros en tuig.
Een zeer wijze, oude monnik onderrichtte hem in de heilige Schrift, leerde hem de arabische cijfers en de latijnsche letters en liet hem aardige miniaturen schilderen op perkament. Ze werkten samen hoog in een toren, waar geen geluid hen kon hinderen. Na de les daalden ze af in den hof, waar ze voet voor voet omwandelden en de bloemen bestudeerden.
Het gebeurde soms dat men diep uit het dal een rij lastdieren zag naderen, gedreven door een op oostersche wijze uitgedosten voetganger, in wien de burchtheer een koopman herkende. Hij liet hem door een dienaar ontbieden, en de vreemdeling richtte dan in goed vertrouwen zijn schreden burchtwaarts. In de halle binnengeleid, haalde hij stukken sameet en zijde uit zijn koffers, cantille-goud en reukwerken, en allerlei andere vreemdsoortige zaken waarvan men het gebruik niet kende. Ten laatste ging de man weer heen, met goede winst, en zonder het minste geweld verduurd te hebben. Een andermaal klopte er een troep pelgrims aan de poort. Hun natte kleeren dampten voor den haard. Wanneer hun honger gestild was, begonnen ze te verhalen van hun tochten, hoe ze op de schuimende zee hadden gezwalkt en te voet door het brandende zand der woestijnen getogen waren. Ze hadden het over de wreedheid der heidenen, over de Kribbe en het Heilig Graf, en gaven den kleinen jonker schelpen van hun mantel.
Dikwijls onthaalde de burchtheer zijn oude wapenmakkers. En altijd weer onder het drinken, kwamen ze los over hun oorlogen, over den stormloop op de vestingen, als de werptuigen om hen henen raasden, over hun wonden zonder weerga. En Juliaan, die niet moede werd te luisteren, begon krijgskreten uit te stooten. School er niet een groot veroveraar in dien knaap? Zijn vader was er van overtuigd. Maar 's avonds, na de vespers, als Juliaan tusschen de eerbiedig nijgende armelieden de kerk uitschreed, kon hij zoo deemoedig en met een gebaar zoo edel in zijn gordelbeurs tasten, dat zijn moeder vast geloofde hem mettertijd aartsbisschop te zien.
Zijn plaats in de kapel was tusschen zijn ouders in. De diensten duurden soms lang, maar hij bleef geknield, de baret voor de bidbank op den grond, de handen gevouwen.
Op zekeren dag, toen hij onder de Mis even opkeek, zag hij een wit muisje uit een gat in den muur komen. Het trippelde over de eerste altaar-trede, en na twee of drie malen over-en-weer wippen, vluchtte het terug naar den kant vanwaar het geslopen kwam. Den volgenden Zondag moest Juliaan onder het bidden telkens denken, dat het muisje wel eens weerom kon komen. En waarlijk, het kwam.
Nu wachtte hij er voortaan iederen Zondag op. Het begon hem zelf te vervelen. Hij vatte een haat op tegen het muisje en besloot er zich van te ontdoen.
Op een Zondag-middag sloop hij alzoo alleen de kapel binnen, en na de deur behoedzaam gesloten te hebben, strooide hij zoete kruimels op de altaartreden, en stelde zich toen op voor het muizengat, met een stokje in de hand.
Na heel lang wachten kwam er een roze snuitje te voorschijn, toen de heele muis.
Hij raakte haar met een lichten slag, en bleef verstomd staan voor dat kleine roerlooze lichaampje.
Een druppel bloed vlekte op den vloersteen. Hij wischte het schielijk af met de mouw, wierp de muis weg, en sprak er met niemand over. Korten tijd later bemerkte hij dat allerlei vogels de zaden uit den tuin wegpikten. Toen zocht hij een hol riet, en stopte het vol erwten. Wanneer hij nu voortaan piepen of kweelen hoorde in een boom, naderde hij heel zoetjes, richtte zijn schietbuis, blies de wangen op, en de diertjes regenden hem zoo overvloedig op de schouders, dat hij zich niet weerhouden kon te lachen om zijn sluwheid.
Eens op een morgen, toen hij over den middenwal uit den hof terugkeerde, zag hij op de kap der borstwering een groote duif zitten, die zich borstte in de zon. Juliaan bleef staan om er naar te kijken. Er was een bres in den wal op die plaats en vlak voor de hand vond hij een diggel van het metselwerk. Hij hief den arm op, en de steen raakte den vogel, die in de gracht neerviel. Hij haastte zich naar de diepte, scheurde handen en kleeren in de struiken en snuffelde overal, rapper dan een jonge hond.
De duif hing met gebroken vleugels te beven in de takken van een haagheester.
Het ergerde den knaap, dat ze nog leefde. Hij neep haar de keel toe. De stuiptrekkingen van zijn gewurgde prooi deden zijn hart bonzen, ze riepen er een wilden en onstuimigen wellust wakker. Bij haar laatste doodskramp stokte zijn adem.
Onder het avondeten beweerde zijn vader toevallig, dat een knaap op zijn leeftijd moest leeren jagen, en hij ging een oud schrijfboek halen, dat in vragen en antwoorden, de geheele uiteenzetting der jacht bevatte. Een meester onderwees er zijn leerling in de kunst der honden-dressuur en in het africhten van valken, hoe strikken te leggen en hoe een hert aan zijn lucht, een vos aan zijn spoor, een wolf aan zijn voetstap te onderkennen; het beste middel om hun gangen te weten; op welke manier men ze moet opjagen; waar zich gewoonlijk hun schuilplaatsen bevinden; welke de gunstigste wind is; met de opsomming der verschillende geluiden en de regels der buitverdeeling.
Toen Juliaan al deze dingen uit het hoofd kon opzeggen, bracht zijn vader een troep jachthonden voor hem samen.
Daar waren vooreerst vier-en-twintig barbarijsche hazewinden onder, vlugger dan gazellen, soms niet te weerhouden; ook zeventien koppels bretonsche honden, wit gevlekt op rosse huid, zeker van hun doel, sterk van borst en sterke blaffers. Voor de wilde-zwijnenjacht en de gevaarlijke achtervolging waren er veertig brakken, harig als beren.
Tartaarsche bulhonden, bijna zoo hoog als ezels, vuurkleurig, breed gerugd en recht van knie, waren bestemd om den oeros te jagen. De zwarte vacht der poedels glom als satijn. Op een afzonderlijke binnenplaats gromden acht vlaamsche doggen, rukkend aan hun ketting en met de oogen rollend, ontzaglijke dieren, die paard en ruiter bespringen en voor een leeuw niet terugdeinzen.
Allen aten weitebrood, dronken uit steenen troggen en ieder droeg een klinkenden naam. Zoo mogelijk was de valkerij nog volmaakter in haar samenstelling dan dit leger van honden. Door geen kosten te ontzien had de burchtheer zich kaukasische valken weten te verschaffen, sacervalken uit Babylonië, duitsche valkgieren, en rotsvalken, gevangen op de steile kusten aan verre koude zeeën; ze hadden hun verblijf in een huis met strooien dak, en zaten in volgorde van hun grootte naast elkaar op stok, met een graszode vóór zich, waarop ze nu en dan werden neergezet, om ze lenig te houden.
Weitasschen, angels, klemmen, allerlei jachttuig werd er gereed gemaakt.
* * * * *
Toen begon men de op vogelvangst afgerichte honden naar het veld te brengen. Ze roken daar al spoedig buit en stonden stil.
Dan kwamen de jagermeesters voet voor voet nader, en spreidden over hun onbeweeglijke lichamen een reusachtig net uit.
Een bevelend woord deed hen blaffen; de kwartels vlogen op; en de edelvrouwen uit de omgeving, die met hun ridders waren uitgenoodigd, de kinderen, de hofdames, allen vielen er op aan, en maakten ze gemakkelijk buit.
Een andermaal sloeg men den roffel om de hazen uit hun leger op te jagen; vossen vielen in hinderlagen, of wel een losspringende klemveer vatte een wolf bij den poot.
Maar Juliaan minachtte die gemakkelijke kunstjes. Hij verkoos ver buiten de menschen-wereld te jagen, alleen met zijn paard en zijn valk. Het was bijna altijd een groote Scythische jachtvalk, zoo wit als sneeuw. Zijn lederen kapje was met een pluim versierd, en gouden belletjes rinkelden aan zijn blauwe pooten; hij zat stil en recht op zijns meesters arm, terwijl het paard draafde, en de landschappen wisselden.
Juliaan maakte dan zijn lussen los en liet hem ineens vrij; recht als een pijl uit den boog steeg het stoutmoedige dier de lucht in, en men zag dan twee ongelijke stippen wenden en wentelen, saamkomen en verdwijnen in de diepten van het hemelblauw. De valk daalde weldra neer, met een of anderen vogel tot prooi, en kwam zich opnieuw maar met trillende vleugels, op den handschoen neerzetten. Juliaan maakte zoo jacht op reiger en wouw, op kraaien en gieren. Hij hield er van, in den horen te stooten en zijn honden te volgen, die de heuvels op renden, over beken sprongen, van bosch naar bosch draafden; als het hert begon te sterven onder de wreede beten, sloeg hij het behendig neer. Dan was het hem een wellust toe te zien, hoe de woedende buldoggen hun prooi verscheurden en bloed-rookend verslonden.
Op nevelachtige dagen ging hij diep het moeras in, en lag in lage naar ganzen, otters en wilde eenden.
In den vroegsten uchtend reeds wachtten hem drie stalknechten aan den voet van het bordes: en of de oude monnik zich ook-al uit zijn torenvenster boog en gebaarde om hem terug te roepen, Juliaan zag niet om. Hij ging dwars door de brandende zon, door regen en storm, dronk bronwater uit de holle handen; deed voortdravend zijn maal aan wilde appels, en als hij vermoeid was, legde hij zich onder een eik te rusten. In 't midden van den nacht kwam hij thuis met bloed en slijk bedekt, dorens in het haar en de kleeren doortrokken van de lucht der wilde dieren. Hij werd aan hen gelijk. Wanneer zijn moeder hem omhelsde, liet hij haar onverschillig begaan, alsof hij over verre en diepzinnige dingen mijmerde.
Hij doodde beren met messteken, stieren met den bijl, everzwijnen met de werpspies, en eenmaal zelfs heeft hij met een stok, zijn laatstovergebleven wapen, een grooten troep wolven van zich afgeslagen, die lijken verslonden aan den voet van een galg.
Zoo dan trok hij op zekeren wintermorgen uit. De dag was nog niet aangebroken. Hij was goed toegerust, droeg den boog over den schouder, den pijlenkoker aan den zadel-knop.
Zijn deensche hengst, gevolgd door twee dashonden, deed den grond onder zijn gelijkmatigen draf opklinken.
IJzeldruppels kleefden aan zijn mantel; er woei een snerpende Noordenwind.
Langzaam werd de oosterkimme lichter.
Toen zag Juliaan in den witten uchtend-schemer konijnen heen en weer springen bij den rand van hun hol. De twee dassen stortten er zich dadelijk op, beten in het wilde weg, en vermorzelden hun de ruggegraat.
Weldra kwam hij dan in een bosch. Op het uiteinde van een tak sliep een korhaan met den kop onder de vleugels, versteven van kou. Juliaan sloeg hem met een zwaardslag de beide pooten af, en zonder hem op te rapen, vervolgde hij zijn weg.
Drie uur later stond hij op een bergspits, zóó hoog, dat ze de wolken raakte. Vóór hem, boven een afgrond, helde een rots neer, smal en kantig als een uitspringende muur; op haar uiteinde bevonden zich twee wilde bokken, die in de diepte tuurden.
Daar hij geen pijlen had (zijn paard was achtergebleven) besloot hij na eenig bezinnen langs den rotskam af te dalen en hen zoo te naderen; gedoken en blootsvoets kwam hij ten slotte bij den eersten der twee bokken en stiet hem een dolk in de flanken. Opgejaagd door den schrik, sprong de tweede de leege diepte in. Juliaan schoot toe om hem nog te raken, maar zijn rechtervoet gleed uit, en hij viel voorover op het lijk van den eersten, het gelaat boven den afgrond en de beide armen wijd uit.
In de vlakte reed hij langs een rij wilgen, die een rivier bezoomde. Van tijd tot tijd kwamen hem laag-vliegende kraanvogels boven het hoofd gestreken. Juliaan sloeg ze alle dood met zijn zweep, en miste er geen enkele.
Intusschen had de luwte den rijm doen dooien. Breede nevelsluiers zweefden om, en de zon brak door. Heel in de verte zag hij het loodkleurige vlak van een bevroren meer blinken. Midden op dat ijsveld stond een dier, dat hij niet kende, een bever met zwarten snuit. Ondanks den afstand velde de eerste pijl het neer. Juliaan had grooten spijt de vacht niet te kunnen meenemen.
Toen kwam hij door een dreef van groote boomen, wier kruinen aan den woud-ingang een eereboog leken te vormen.
Een ree sprong uit het kreupelhout, een damhert bleef staan op een viersprong, een das kwam uit een hol, op een grasvlak pronkte een pauw met zijn staart;--en toen hij ze alle gedood had, kwamen er andere reeën, andere damherten, andere dassen, andere pauwen, merels en meerkollen, bunzings, vossen, egels, lynxen, almaar-door nieuwe dieren, ontelbaar en bij iedere schrede talrijker. Ze wendden en keerden om hem heen en zagen hem aan met zachtaardigen, smeekenden blik. Maar Juliaan werd het niet moe ze alle te dooden, nu eens zijn boog spannend, dan zijn zwaard trekkend, of stekend met zijn knijf, en hij had heugenis of nagedachte over niets ter wereld. Hij was op jacht in een of ander land, sinds onbestemden tijd, en hij jaagde omdat hij leefde, leefde omdat hij jaagde, alles voltrok zich zoo licht en gemakkelijk als in een droom. Een buitengewoon schouwspel hield hem echter staande. Een vallei, die den vorm had van een renperk, stond vol herten; dicht saamgedrongen verwarmden ze elkaar met hun adem, die men in den nevel zag om-wademen. Het vooruitzicht van zoo'n slachting versmachtte hem van lust, oogenblikken lang. Toen sprong hij van zijn paard, stroopte de mouwen op en begon aan te leggen. Bij het fluiten van den eersten pijl wendden alle herten tegelijk hem den kop toe. Er kwamen bressen in hun massa; klagende stemmen kermden, en een groote beweging ontrustte de kudde.
De hellingen der vallei waren te hoog; ingesloten sprongen de dieren om, en zochten een uitweg. Juliaan mikte en schoot, de pijlen vielen als regenstralen bij een onweer. De getergde herten weerden zich, steigerden, sprongen op elkander, en hun lichamen met hun verwarde geweien vormden een breeden heuvel, die zich verplaatste en ineenstortte. Ten laatste stierven ze, uitgestrekt op het zand, het schuim op den bek en met uitpuilende ingewanden. Het zwoegen van hun lichaam werd zwakker en zwakker. Toen was alles stil.
De nacht begon te duisteren, en achter het bosch, tusschen de takken door, was de hemel rood als een bloed-doordrenkte dwale.
Juliaan leunde met den rug tegen een boom. Met wijd-gesperde oogen stond hij naar het monsterachtige bloedbad te staren, niet begrijpend, hoe hij het had kunnen aanrichten.
Aan de andere zijde van het dal, bij den boschrand, werd hij toen ineens een ander hert gewaar, met een hinde en haar jong.
Het hert dat zwart was en reusachtig van gestalte, droeg zestien takken in zijn gewei en een witte sik. De hinde, blondbruin zooals dorre bladers zijn, graasde, en het gevlekte reebokje volgde zijn moeder.
Toen snorde de boog nogmaals. Het reetje was dadelijk dood. De moeder sloeg den blik omhoog en huilde met een diepe, menschelijke, hartverscheurende stem. Dit tergde Juliaan, en hij velde haar met een pijl in de borst. Het groote hert had dit gezien, het deed een zijsprong, en Juliaan schoot zijn laatsten pijl er op af. Die raakte het in 't voorhoofd, en bleef daar steken.
Het groote hert scheen dit niet te voelen; het stapte over de doode hinde en het bokje heen en naderde hem steeds dichter met gebukt gewei, om zich op hem te werpen en hem het lichaam open te rijten.
Door angst bevangen deinsde Juliaan terug. Het wonderbare dier stond stil; en met vlammende oogen, plechtig als een patriarch en een richter, herhaalde het tot driemaal toe, terwijl er een klok luidde in de verte:
"Vervloekt! vervloekt! vervloekt! De dag zal komen, wreedaardig hart, dat ge uw vader en moeder vermoorden zult."
Het boog de knieën, sloot zacht de oogen en stierf.
Juliaan was verstomd blijven staan; toen deed een plotselinge vermoeienis hem ineen-zinken, en een weerzin, een eindelooze droefenis overstelpten hem. Met het hoofd in de handen bleef hij schreien. Hij was zijn paard verloren, zijn honden hadden hem verlaten, de eenzaamheid die hem omgaf, voelde hij dreigen met onbestemde gevaren. En eensklaps vluchtte hij verschrikt weg, dwars de velden door, over het eerste het beste voetpad, en zonder te weten hoe, stond hij ineens voor de burchtpoort.
's Nachts sliep hij niet. Bij het weifelig schijnsel der hanglamp zag hij voortdurend het donkere reuzenhert, wiens vloek hem kwellen bleef. Hij vocht er tegenin. "Neen! neen! neen! ik kan ze niet dooden, nooit of nimmer!" maar even later: "En zoo ik er toch, ondanks alles, toe komen zou?" Steeds grooter werd zijn angst, dat de Booze hem zou aandrijven.