# Drie Vertellingen

## Part 3

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/drie-vertellingen-8804/index.md

Wanneer ze in de straat de trommen hoorde van een langsrukkend regiment, ging ze met een kruik appelwijn aan de deur staan en bood den soldaten te drinken. Ze verpleegde choleralijders. Ze nam de Polen onder haar bescherming, en een hunner verklaarde zelfs, haar te willen trouwen. Maar ze kregen oneenigheid, want op een morgen na het angelus uit de kerk terugkomend, vond ze hem in de keuken: hij was er binnen geslopen, had er zich een azijnsausje toebereid en zat daar rustig van te smullen.

Na de Polen, kwam de oude Colmiche aan de beurt, een grijsaard, die den naam had in 93 leelijke dingen te hebben uitgevoerd. Hij leefde aan den rivierkant in den bouwval van een varkenskot. De straatjongens gluurden hem af door de spleten van den muur, en gooiden naar hem met steenen, die op de brits vielen waar hij neerlag, aanhoudend heen en weer geschud door een zwaren hoest; zijn haar was heel lang gegroeid, zijn oogleden waren ontstoken, en op den arm had hij een gezwel nog grooter dan zijn hoofd. Ze verschafte hem linnengoed, trachtte zijn krot schoon te maken, en het werd haar droom, hem in hun wasch-huis onderdak te brengen, zonder dat hij mevrouw zou hinderen. Toen de kankerbuil was opengebroken, verbond ze hem alle dagen, soms bracht ze hem eigengebakken koekjes mee, of ze zette hem in de zon op een stroobos; zeeverend en bevend dankte de arme oude-man haar met zijn klanklooze stem, was bang haar te moeten missen, strekte de handen uit zoo gauw ze een beweging maakte om heen te gaan. Hij stierf; ze liet een mis lezen voor de rust zijner ziel.

Dienzelfden dag viel haar een groot geluk te beurt: op 't oogenblik dat het diner was opgediend, stond de neger van mevrouw de Larsonnière aan de bel, met den papegaai in zijn kooi, den stok, den ketting en het hangslot. De barones deelde mevrouw Aubain per briefje mede, dat ze dien avond nog gingen vertrekken, daar haar man tot prefect benoemd was; en ze verzocht haar dien vogel aan te nemen ter gedachtenis en als een bewijs harer hoogachting.

Hij hield sinds langen tijd Félicité's verbeelding bezig, omdat hij uit Amerika kwam; dit woord deed haar aan Victor denken, zóó zelfs dat ze den neger had aangesproken om er het hare van te weten. Eens zelfs had ze gezegd: "Wat zou mevrouw gelukkig zijn met dien vogel!"

De neger had die uitlating aan zijn meesteres oververteld, en daar ze den papegaai niet kon meenemen, ontdeed ze er zich op deze wijze van.

IV

Hij heette Loulou. Zijn romp was groen, de punt van zijn vleugels roset, zijn kop blauw en zijn borst goudkleurig.

Maar hij had de onhebbelijke gewoonte in zijn stok te bijten, trok zich de veeren uit, maakte de kamer vuil, morste het water uit zijn bad; hij verveelde mevrouw Aubain, en ze gaf hem voorgoed aan Félicité.

Deze poogde hem praten te leeren; algauw zei hij haar na: "Lieve jongen! Uw dienaar, mijnheer! Weesgegroet, Maria!" Hij stond dicht bij de voordeur, en menigeen was verwonderd dat hij niet luisterde naar den naam Jacquot, daar alle papegaaien toch Jacquot heeten. Men zei, dat hij een gans was, een domkop; het waren evenveel dolksteken door Félicité's hart! En die vreemde stijfhoofdigheid van Loulou, nooit te willen praten, als iemand naar hem keek!

Toch hield hij van gezelligheid, want Zondags, als de dames Rochefeuille, mijnheer de Houppeville er waren en nieuwe kennissen: Onfroy, de apotheker, mijnheer Varin en kapitein Mathieu, om hun partijtje kaart te spelen, vloog hij tegen de ruiten op, en ging met zoo'n geweld te keer, dat men elkaar onmogelijk kon verstaan.

Het gelaat van Bourais leek hem zeker heel zot toe. Zoogauw hij hem zag, begon hij uit alle macht te lachen. Het geschater van zijn stem kaatste over de plaats, de echo herhaalde het, de buren kwamen aan 't venster en lachten ook. Om niet gezien te worden, sloop mijnheer Bourais den muur langs, en zijn profiel verbergend achter zijn hoed, ging hij tot bij de rivier, om dan door de tuindeur weer binnen te komen, en de blikken die hij den papegaai toezond, waren allesbehalve liefelijk.

Loulou had van den slagersknecht een knip voor den neus gekregen, omdat hij zich veroorloofd had den kop in diens korf te steken; sedert trachtte hij altijd hem te pikken door zijn hemdsmouwen heen. Fabu dreigde hem den hals om te draaien, en toch was hij, ondanks zijn getatoueerde armen en zijn groote bakkebaarden, niet wreed van aard. Integendeel! hij mocht den papegaai wel, zoo zelfs, dat hij, in goede luim, hem vloeken leerde zeggen. Félicité, wie zulke manieren niet aanstonden, zette hem in de keuken. Zijn ketting werd weggenomen, en hij zat het heele huis door.

Wanneer hij de trap af moest, stutte hij met de kromming van zijn snavel op de treden, hief den rechterpoot op, dan den linker, en zij was bang dat dergelijke gymnastische toeren hem duizelig zouden maken. Hij werd ziek, kon niet meer praten of eten. Er zat hem een dikte onder de tong, zooals kippen dit soms hebben. Ze genas hem door dat vlies met haar nagels los te trekken. Mijnheer Paul was eens zoo onvoorzichtig, hem den rook van z'n sigaar in den neus te blazen, een anderen keer toen mevrouw Lormeau hem plaagde met den punt van haar parasol, hapte hij er het ijzeren dopje af, en ten slotte vloog hij kwijt.

Ze had hem op het gras gezet om hem een luchtje te laten scheppen, en ging even weg; toen ze terugkwam, geen papegaai meer! Eerst zocht ze hem in de struiken, aan den waterkant, op de daken, zonder te luisteren naar mevrouw, die haar toeriep:--"Wees toch voorzichtig! ge zijt dwaas!" Toen doorspeurde ze alle tuinen van Pont-l'Évêque, en ze hield de voorbijgangers staande:--"Hebt u somwijlen toevallig mijn papegaai gezien?" Wanneer ze hem niet kenden, gaf ze hun een beschrijving van zijn uiterlijk. Ineens meende ze achter den molen, laag tegen den wal iets groens te zien rondfladderen. Maar toen ze op den kant kwam, was er niets! Een sjouwer beweerde, dat hij hem zooeven gezien had te Saint-Melaine in den winkel van vrouw Simon. Ze liep er heen. Men begreep daar niet wat ze bedoelde. Eindelijk kwam ze weer thuis, uitgeput, de sloffen vol gaten, den dood in het hart; en, juist zat ze midden op de bank, naast mevrouw, heel haar wedervaren te vertellen, toen een lichte last haar op den schouder viel. Loulou! Wat drommel had hij uitgevoerd? Misschien was hij een uitstapje gaan doen in den omtrek.

Ze kon er moeilijk bovenop komen, of liever ze kwam er nooit meer bovenop.

Ze had kou gevat en kreeg dientengevolge een keelontsteking; kort daarna een oorziekte. Drie jaar later was ze doof, en ze sprak heel luid, zelfs in de kerk. Hoewel haar zonden gerust zonder schande voor haar, of zonder schade voor den evenmensch, naar alle kanten van het bisdom mochten rondverteld, oordeelde mijnheer pastoor het gepast, haar niet anders meer dan in de sacristie de biecht te hooren.

Een denkbeeldig, telkens weerkeerend gesuizel bracht haar voorgoed van de wijs. 't Gebeurde meer dan eens, dat mevrouw zei:--"Mijn hemel! wat ben je toch dom!" en dat zij daarop met een:--"Ja, mevrouw," iets zoeken ging in de kamer.

Haar kleine gedachten-kring werd nog enger, en het gebeier der klokken, het geloei der runderen zelfs, bestond niet meer voor haar. Alle wezens bewogen zich als schimmen zoo stil. Slechts een enkel gerucht nog drong tot haar door, de stem van den papegaai.

Als om haar wat afleiding te bezorgen, bootste hij het getiktak van het braadspit na, den schellen roep van een vischventer, de zaag van den schrijnwerker aan den overkant, en als 't belde, riep hij met mevrouw Aubain's stem: "Félicité! open doen! open doen!"

Ze hielden samenspraken, hij tot vervelens toe de zinnen van zijn repertoire herhalend, en zij er op antwoordend met woorden zonder veel meer samenhang, maar waarin ze haar hart uitstortte. Loulou was haar, in haar afzondering, bijna een zoon, een geliefde. Hij klom langs haar vingers op, knabbelde op haar lippen, klauwde zich vast in haar omslagdoek, en wanneer ze dan het bevend hoofd voorover boog, werden de groote vleugels van de muts en de vleugels van den vogel door eenzelfde trilling bewogen.

Wanneer de wolken zich opstapelden en de donder rommelde, begon hij te krijschen, misschien zich de stortvlagen herinnerend van de bosschen waar hij geboren werd. Het geruisch van het water maakte hem razend; hij fladderde om, buiten zich zelf van angst, klampte zich tegen de zoldering, gooide alles omver, en ging door het venster, in den tuin rondploeteren; maar al gauw kwam hij weer op een der haardijzers neergestreken, en heen-en-weer wippend om zijn veeren te laten drogen, liet hij nu eens zijn staart, dan zijn bek zien.

Op een morgen in den strengen winter van 1837, toen ze hem wegens de koude voor den schoorsteen had gezet, vond ze hem dood midden in zijn kooi, de kop omlaag, de nagels in het ijzerdraad. Hij had zeker een congestie gehad. Zij dacht aan een vergiftiging met peterselie, en ondanks alle gebrek aan bewijs, vatte ze kwade vermoedens op tegen Fabu.

Zòò schreide ze, dat mevrouw zei:--"Kom, kom! laat hem dan opzetten!"

Ze ging raad vragen aan den apotheker, die altijd goed was geweest voor Loulou.

Hij schreef naar Havre. Een zekere Fellacher nam het werk op zich. Per diligence raakten de pakgoederen soms kwijt, en daarom besloot ze haar armen Loulou zelf tot Honfleur weg te brengen.

De appelboomen stonden bladerloos langs den weg. IJs dekte de slooten. Honden blaften bij de hoeven; ze hield de handen onder haar schoudermantel, en met haar zwarte klompjes en haar karbies, spoedde ze zich voort, midden over de keien.

Ze ging dwars door het bosch, kwam Haut-Chêne voorbij, en bereikte Saint-Gatien.

Achter haar kwam in een dichte stofwolk een postdiligence met dolle vaart als een windhoos de helling afrollen. Toen hij daar een vrouw gewaar werd, die rustig bleef loopen waar ze liep, bukte de conducteur zich voorover uit de kap, en ook de postiljon schreeuwde, terwijl zijn vier paarden, die hij niet kon inhouden, hun draf versnelden; de twee voorste waren zoo nabij, dat ze haar raakten; met een schok van de teugels rukte hij het vierspan den berm op, maar woedend hief hij den arm, en uit alle macht striemde hij Félicité met zijn lange zweep zóó fel langs borst en aangezicht, dat ze achterover viel.

Toen ze weer bijkwam, was het haar eerste werk, de mand te openen. Gelukkig, Loulou was ongedeerd! Zij voelde een brandende pijn aan de rechterwang; toen ze met de handen er langs streek, werden die rood. Er liep bloed uit.

Ze ging op een kiezelhoop zitten, bette zich het gelaat met den zakdoek, at toen een korst brood, die ze uit voorzorg in haar mand had gestopt, en troostte zich over haar wonde door den vogel te bekijken.

Op den heuvel van Ecquemauville gekomen, zag ze de lichten van Honfleur, die in den nacht tintelden, als even zooveel sterren; verder nog schemerde het vage vlak der zee. Toen voelde ze zich wee worden van uitputting. Ze moest stilstaan, en de ellende van haar kinderjaren, de teleurstelling harer eerste liefde, het heengaan van haar neefje, Virginie's dood, het kwam alles tegelijk weer op in haar hart, zooals bij vloed de golven opkomen, het steeg haar naar de keel en verstikte haar den adem.

Toen wilde ze den kapitein der boot spreken, en zonder te zeggen wat er in de mand verpakt was, vroeg ze hem er vooral goed voor te zorgen.

Fellacher hield den papegaai lang. Hij beloofde hem telkens voor de volgende week.

Na verloop van zes maanden berichtte hij, dat er een kist afgezonden was; toen hoorde ze er verder niets van. Het scheen wel dat Loulou nooit meer zou terugkomen. "Ze hebben hem gestolen!" dacht ze.

Eindelijk kwam hij,--prachtig, recht-zittend op een tak die in een mahoniehouten voet stond geschroefd, één poot in de lucht, den kop schuin, en knabbelend op een noot, door den vogelopzetter, uit liefhebberij voor 't indrukwekkende, verguld!

Ze borg hem in haar kamer.

Dit plekje van het huis, waar ze bijna niemand toeliet, leek evenveel op een kapelletje als op een bazaar, zooveel devotie-dingen en zooveel rommel waren er bijeen.

De deur ging moeielijk open, omdat er een groote kast in den weg stond. Tegenover het venster aan de tuinzijde was een zolderraampje dat uitzag op de plaats vóór het huis. Op een tafel naast het veldbed lagen, bij een lampetkan, twee kammen en een stuk blauwe zeep op de scherf van een schoteltje. Tegen de muren hingen: rozenkransen, medailles, verschillende Lieve-Vrouwtjes, een wijwaterbakje van een kokosnoot; op de latafel als een altaar met een witten doek bedekt, stond de schelpendoos die Victor haar had gegeven, en ook een gieter en een bolle flesch; schrijfboeken lagen er, de aardrijkskundige prenten, een paar schoenen, en aan den spijker van den spiegel, hing, aan zijn linten, het pluchen hoedje! Zóó ver dreef Félicité deze soort van vereering, dat ze zelfs een der pandjassen van mijnheer bewaarde. Alle oude prullen waar mevrouw Aubain genoeg van had, nam ze mee voor haar kamer. Zoo kwam het, dat er opgemaakte bloemen langs den rand der latafel stonden, en dat het portret van den graaf van Artois er in de nis van het zoldervenstertje hing.

Bij middel van een plankje werd Loulou tegen een uitspringende schouwgang geplaatst. Iederen morgen bij haar ontwaken zag ze hem in het licht van den aanbrekenden dag, en zonder hartzeer, heel rustig, dacht ze dan aan de vervlogen jaren, en aan de onbeduidendste voorvallen tot in hun minste bijzonderheden.

Daar ze met geen mensch meer gemeenschap kon hebben, leefde ze, als een slaapwandelaarster, in een durende verdooving. De processies van Sacramentsdag deden haar weer opleven. Ze ging bij de buren kaarsen en matten vragen om er het rustaltaar mee te sieren, dat in de straat werd opgericht.

In de kerk schouwde ze altijd naar de duif, die den Heiligen Geest voorstelde, en vond dat ze wat geleek op haar papegaai. Die gelijkenis scheen haar nog treffender op een plaat van Epinal, den doop Onzes Heeren weergevend. Die duif met haar purperen vleugels en haar romp van smaragd, ze leek wezenlijk het portret van Loulou.

Ze kocht die plaat en hing ze waar de graaf van Artois gehangen had;--zoo zag ze hen in éénen oogopslag. In haar gedachten werden ze één, de papegaai als gewijd door zijn overeenkomst met die duif. En ze bad met de oogen naar de plaat, maar een klein weinigje wendde ze zich nu-en-dan toch naar hààr vogel toe.

Ze wilde zich in de Maria-congregatie laten opnemen, doch mevrouw Aubain praatte haar dit uit 't hoofd.

Ineens was er iets heel buitengewoons: het huwelijk van Paul.

Na eerst notarisklerk te zijn geweest, was hij achtereenvolgens in den handel, bij de invoerrechten en bij de belastingen gegaan, en zelfs had hij gepoogd bij de jacht en visscherij te komen, toen, zes en dertig jaar oud, had hij ineens, als door een ingeving van den hemel, zijn weg gevonden: de registratie! een zoo grooten aanleg toonde hij ervoor, dat een verificateur hem zijn dochter ten huwelijk bood en hem zijn protectie beloofde.

Paul, die 't nu ernstig meende, bracht haar bij zijn moeder. Ze smaalde op de gewoonten van Pont-l'Évêque, speelde de prinses, beleedigde Félicité. Het was mevrouw Aubain een heele verlichting toen ze vertrok.

De week daarop kwam de tijding dat mijnheer Bourais in Neder-Bretagne in een herberg was dood gebleven. Het gerucht van een zelfmoord werd bevestigd; er rees twijfel aan zijn eerlijkheid. Mevrouw Aubain zag nauwkeurig haar rekeningen na, en vond al spoedig een lange reeks van ongerechtigheden, verduistering van achterstallige schulden, verdonkermaande houtverkoopen, valsche kwitanties, enz.

Die schelmerijen deden haar veel verdriet. In Maart 1853 werd ze aangetast door een longziekte; haar tong scheen bewasemd; de bloedzuigers bedaarden de benauwdheid niet, en den negenden avond stierf ze, juist twee en zeventig jaar oud.

Niemand had haar voor zóó bejaard aangezien, omdat ze nog niets grijs was. Ze droeg het bruine haar in platte banden tegen het bleeke, door de pokken geschonden gezicht. Ze liet niet veel vrinden na, die leed hadden over haar heengaan. Ze had iets hooghartigs over zich, dat de menschen op een afstand hield.

Félicité treurde over haar zooals geen dienstbaren over hun meesters treuren. Dat mevrouw eerder stierf dan zij, bracht haar geest in de war, scheen haar in te druischen tegen den gewonen loop der dingen, het leek haar onaannemelijk en al te wreed.

Tien dagen later (juist de tijd die er noodig was voor de reis van Besançon) kwamen ineens de erfgenamen. De schoondochter doorzocht de laden, koos meubels uit, verkocht de overige, daarna keerden ze samen naar Paul's registratie-bureau terug.

Mevrouws fauteuil, haar tafeltje, haar stoof, de acht stoelen waren weg. De plaatsen waar de gravures hadden gehangen, teekenden zich als vierkante gele plekken af midden op de wanden. Ze hadden de twee ledikantjes meegenomen, ook de matrassen, en in de muurkast was niets meer te vinden van Virginie's kleinooden! Félicité klom van de eene verdieping naar de andere, buiten zich zelve van verdriet.

Den volgenden dag zat er een plakkaat op de deur; de apotheker schreeuwde haar in 't oor, dat het huis te koop stond.

Ze wankelde en moest gaan zitten.

Het zolderkamertje te moeten verlaten, waar die arme Loulou zoo'n goed plaatsje had, dit was wel haar grootste verdriet. Met een angstigen blik op haar vogel, bad ze of de Heilige Geest hem wilde beschermen, en zóó vernevelden haar zinnen, dat ze langzamerhand de afgodische gewoonte aannam, haar gebeden te prevelen neergeknield voor den papegaai. Soms raakte de zon, die door het zoldervenstertje viel, juist zijn glazen oog, en deed er een grooten glanzenden lichtstraal uitschieten, die haar in vervoering bracht.

Ze had een inkomen van driehonderdtachtig franken 's jaars, een legaat van mevrouw. De tuin leverde haar groenten op. Kleeren had ze voor levenslang genoeg, en door te gaan slapen, zoo gauw de avond viel, spaarde ze het licht uit.

Ze zette nooit meer een voet op straat, om den uitdragerswinkel te mijden, waar eenige van de oude meubels te koop stonden. Sinds haar geest zoo begon te verzwakken, sleepte ze het ééne been, en omdat haar krachten afnamen, kwam vrouw Simon, die in haar kruidenierszaakje alles verloren had, iederen morgen haar hout klooven en water pompen.

Haar oogen werden steeds zwakker. De zonneblinden gingen niet meer open. Veel jaren verliepen er. En er kwamen noch huurders, noch koopers voor het huis.

Vreezende dat men haar zou aanzeggen het huis te verlaten, vroeg Félicité om geen enkele reparatie. De binten van het dak waren aan 't rotten; een winterlang was haar peluw doortrokken van 't nat. Na Paschen gaf ze bloed op. Toen ging vrouw Simon een dokter roepen. Félicité wilde weten, wat haar scheelde. Maar ze was te doof om het te kunnen verstaan, een enkel woord slechts drong tot haar door: "Longontsteking." Ze kende dit woord, en zei zachtjes:--"O, juist als mevrouw," ze vond het heel natuurlijk hetzelfde te hebben als haar meesteres.

De dag van de rustaltaartjes naderde.

Het eerste stond altijd aan 't einde van den oeverwal, het tweede voor de post, het derde zoowat halfweg de straat. Er ontstond een wedijver over de plaats van dit laatste, en de vrouwen der parochie kozen ten slotte de voorplaats van mevrouw Aubain.

De benauwdheden en de koorts namen toe. Félicité trok het zich erg aan, niets te kunnen doen voor het altaartje. Kon ze er tenminste nog iets op neerzetten! Ze dacht toen aan den pagegaai. Dat voegde niet, wierpen de buurvrouwen tegen. Maar de pastoor gaf toch wel toestemming. Ze was daar zoo gelukkig mee, dat ze hem vroeg Loulou van haar te willen aannemen na haar dood, Loulou haar eenigen rijkdom.

Van Dinsdag tot Zaterdag vóór Sacramentsdag hoestte ze veel meer. 's Avonds was haar gezicht vertrokken, haar lippen kleefden aan het tandvleesch, ze begon brakingen te krijgen, en den volgenden morgen, in de vroegte, voelde ze zich heel minnetjes en liet een priester roepen.

Drie buurvrouwen waren bij haar, toen ze het heilig oliesel ontving. Daarop zei ze, noodig met Fabu te moeten spreken.

Hij kwam in z'n zondagsche kleeren, slecht op zijn gemak in al die narigheid.

--"Vergeef me," zei ze met een poging om den arm uit te strekken, "ik heb altijd gemeend, dat gij hem hadt dood gemaakt."

Wat was dat voor lasterpraat? Hem verdacht te hebben van een moord, een man als hij! Hij maakte zich boos, begon te razen en te tieren.

--"Ge ziet toch wel, dat ze niet meer bij zinnen is!"

Nu en dan was Félicité met schimmen aan 't praten. De drie buurvrouwen gingen heen. Vrouw Simon dronk koffie.

Een oogenblik later nam ze Loulou, en hem Félicité voorhoudend:

--"Kom! zeg hem vaarwel!"

De wormen knaagden aan hem, al was hij dan ook opgezet, een van zijn vleugels hing gebroken, het vulsel puilde hem uit den buik. Maar ze was nu blind, ze kuste hem op den kop en hield hem tegen haar wang. Toen nam vrouw Simon hem weer terug, om hem op 't altaartje te zetten.

V

Uit de weien woei de zomergeur aan; vliegen gonsden; de zon overglansde de rivier en blakerde de leien. Vrouw Simon was teruggekomen en viel zachtjes in slaap.

Klokgelui maakte haar wakker; de vespers waren uit. Félicité kwam weer bij. Ze dacht aan de processie en zag die voor haar oogen, alsof ze er in meeging.

Alle schoolkinderen, de zangers en de brandweergasten liepen over de stoepen, terwijl midden in de straat de hondenslager met zijn hellebaard, de onderkoster met den kruisstaf voorttogen, ook de onderwijzer, die een waakzaam oog hield op de schooljongens, en de zuster vol zorg voor haar kleine meisjes; drie van de allerliefste, met krullekopjes als engelen, wierpen rozeblaadjes in de lucht; de diaken temperde, met uitgebreide armen, de muziek, en twee knapen met wierookvaten keerden zich bij iedere schrede naar het Heilig Sacrament, dat onder een hel-rooden troonhemel, dien vier kerkmeesters torsten, gedragen werd door mijnheer Pastoor in zijn prachtige kazuifel. Een stroom van menschen volgde, tusschen het witte doek, dat de muur der huizen bedekte; en men kwam aan 't eind van den oeverwal.

Félicité's slapen waren klam van 't koude zweet. Vrouw Simon bette ze met een stuk linnen, peinzend hoe ook zij eenmaal dit alles zou moeten doorstaan.

Het gegons der menigte nam toe, was een oogenblik zeer luid, en verwijderde zich.

Een losbarsting van geweerschoten deed de ruiten trillen. Het waren de postiljons die het Allerheiligste groetten. Félicité rolde met de oogen, en zei, zoo duidelijk ze vermocht, vol zorg voor den papegaai: "Staat hij goed?"

Haar doodsstrijd begon. Een gereutel, dat steeds sneller werd, deed haar zijden schokken, 't Schuim blies tot bellen op in haar mondhoeken, en heel haar lichaam beefde.

Niet lang, of men hoorde het geschal der koperen bashoorns, de heldere kinderstemmen, de zware stem der mannen. Bij tusschen-poozen was alles stil, en het treden der voetstappen, gedempt door het bloemen-strooisel, geleek op het geschuifel van een kudde, die voorttrekt over het gras.

De schaar van priesters verscheen op de voorplaats. Vrouw Simon klauterde op een stoel om bij het zolderraampje te komen, en zag zoo vlak neer op het altaartje.

Groene guirlanden hingen er over en het was versierd met een strook van Engelsche kant. Middenop stond een schilderijtje met relikwieën, twee oranjeboompjes op de hoeken, en in het rond zilveren luchters en porseleinen vazen, waaruit zonnebloemen oprankten, lelies, pioenen, campanula's, bossen hortensia's. Dit kleurgewemel daalde schuin omlaag van de eerste verdieping tot op het vloerkleed, dat tot ver over de straatsteenen lag uitgespreid; en vreemdsoortige voorwerpen trokken het oog. Een verguld zilveren suikerpot droeg een kroon van viooltjes, hangers van Alençonschen steen schitterden op een laagje mos, twee Chineesche horretjes stalden hun landschappen ten toon. Loulou stond onder rozen verborgen, en van hem was niets te bespeuren dan 't bovenste van zijn blauwen kop, en dit blonk als een plakje lazuursteen.

