Drie Vertellingen

Part 2

Chapter 2 4,021 words Public domain Markdown

Van de leerstellingen begreep ze niets, deed er zelfs geen moeite toe te begrijpen. De pastoor sprak, de kinderen zeiden hun les op. Zij viel ten laatste in slaap, en werd eensklaps wakker, als, bij het uitgaan der leering, de klompen over de vloersteenen klapperden.

Zoo, door almaar toe te luisteren, leerde ze den catechismus, dien ze niet kende, omdat in haar jeugd haar godsdienstige opvoeding verwaarloosd was, en van toen-af deed ze Virginie in alle vrome gewoonten na, vastte als zij, biechtte wanneer zij biechtte. Op Sacramentsdag maakten ze samen een rustaltaartje.

De eerste communie gaf haar van te voren veel zorg. Ze maakte zich druk over de schoentjes, den rozenkrans, het kerkboek, over de handschoenen. Met wat een ontroering hielp ze de moeder het kind kleeden!

Heel de mis door voelde ze een beklemming van angst. Aan de ééne zijde benam mijnheer Bourais haar het gezicht op het altaar, maar recht tegenover haar scheen de groep der bruidjes, die witte kransen droegen op de neergeslagen sluiers, een sneeuwveld te vormen; en ze herkende van ver haar kleine lieveling aan haar fijner halsje en haar ingetogen houding. De bel klonk. De hoofden bogen; het werd stil. Bij 't galmen van het orgel zetten de koorzangers en het volk het Agnus Dei in; toen begonnen de jongens in rijen naar de communiebank te gaan, en na hen stonden de meisjes op. Met langzame schreden, de handen gevouwen, gingen ze naar het altaar, dat in licht baadde, knielden op de eerste trede, ontvingen een voor een de hostie, en keerden in dezelfde volgorde naar haar bidbank terug. Toen het Virginie's beurt was, boog Félicité zich voorover om haar te kunnen zien; en door de verbeeldingskracht die echte liefde ons geeft, waande ze zelf dat kind te zijn, het gelaat van het kind werd het hare, dat communiekleedje droeg zij, het hart van het kind klopte haar in den boezem, en toen het kind den mond moest openen, look zij de oogen en was een bezwijming nabij.

Den volgenden morgen vroeg meldde ze zich in de sacristie aan, opdat mijnheer pastoor haar de communie zou uitreiken. Godvruchtig ontving ze die, maar niet met dezelfde zielsvervoering.

Mevrouw Aubain wilde van haar dochter een echte dame maken, en daar Guyot haar noch Engelsch, noch muziek kon leeren, besloot ze haar op kostschool te doen bij de Ursulinen van Honfleur.

Het kind had er niets op tegen.

Félicité zuchtte over mevrouws ongevoelig hart.

Maar ze bedacht, dat haar meesteres misschien gelijk kon hebben. Die dingen gingen haar verstand te boven.

Eindelijk reed er op zekeren dag een oud tentwagentje voor, en er stapte een kloosterzuster uit, die de jongejuffrouw kwam halen. Félicité zette het reisgoed op de imperiaal, drukte den koetsier op het hart goed voor alles te zorgen, en borg zes potten gelei onder de rijtuigbank, ook een dozijn peren en een tuiltje viooltjes.

Een diepe snik benam Virginie op 't laatste oogenblik den adem; ze omhelsde haar moeder, die haar op 't voorhoofd kuste, telkens zeggend:--"Komaan, moed houden, moed houden!" De tree werd opgeslagen, het rijtuig reed weg.

Toen kreeg mevrouw Aubain een flauwte, en 's avonds kwamen al haar vrinden, de Lormeau's, mevrouw Lechaptois, de dames Rochefeuille, mijnheer de Houppeville en Bourais, om haar te troosten.

In 't begin viel haar 't gemis van haar dochtertje heel smartelijk. Doch driemaal per week kreeg ze een brief, de andere dagen schreef zij zelf; ze wandelde in den tuin, las wat, en vulde zoo de leege uren.

Iederen morgen ging Félicité oudergewoonte Virginie's kamer binnen, en staarde er naar de muren. Het verdroot haar, dat ze het kind niet meer de haren kon kammen, haar niet meer de schoenen kon dichtrijgen, haar niet meer warm kon toestoppen 's avonds, dat ze niet meer voortdurend haar lief gezichtje kon zien, dat ze niet meer met het kind aan een hand kon uitgaan. Daar ze van dit alles niets meer te doen had, trachtte ze zich op kantwerken toe te leggen. Haar grove vingers braken de draden; ze had oor naar niets, sliep niet meer, en was, zooals ze 't noemde "ondermijnd".

"Om haar zinnen wat te verzetten", vroeg ze, of haar neef Victor nu en dan eens op bezoek mocht komen.

Sinds kwam hij Zondags na de mis, met rozen op de wangen, de borst bloot, en om hem heen de geur nog der velden waardoor zijn weg hem geleid had. Dadelijk zette ze een bord voor hem bij. Als ze dan samen ontbeten, zaten ze tegenover elkaar, en terwijl ze zelf zoo min mogelijk at om de onkosten weer uit te sparen, stopte ze hem zóó vol dat hij ten slotte in slaap viel. Bij 't eerste luiden der vesperklok maakte ze hem wakker, borstelde zijn broek af, strikte zijn das en ging kerkwaarts, met moederlijken trots op zijn arm leunend.

Hij moest, op aansporing van zijn ouders, elken keer probeeren iets van haar los te krijgen, hetzij een buil bruine suiker, zeep, brandewijn, soms zelfs geld. Hij bracht zijn goed mee om te doen verstellen, en ze nam dit werk op zich, blij dat er een reden was die hem tot terugkomen noopte.

In Augustus nam zijn vader hem mee op de kustvaart.

't Was vacantietijd. De komst van de kinderen troostte haar. Maar Paul kreeg nukken, en Virginie was over den leeftijd heen dat ze met "je en jou" mocht aangesproken worden, dit kwam hun omgang bemoeilijken, werd een hinderpaal tusschen haar beiden.

Victor voer achtereenvolgens naar Morlaix. naar Duinkerken en naar Brighton, en kwam haar na iedere reis een geschenk brengen. Den eersten keer was 't een schelpendoos; toen een koffiekop; den derden keer een groote peperkoekenman. De jongen knapte op, was welgebouwd, er kwam wat dons op z'n bovenlip, hij had een goedigen, vranken oogopslag, en droeg een leeren hoedje, achterover geschoven als dat van een loods. Ze had altijd plezier in zijn vertelsels doorspekt met zeemanstermen.

Op een Maandag, 14 Juli 1819 (ze vergat dien datum niet), kwam Victor haar zeggen, dat hij voor de groote vaart was aangemonsterd, en dat de paketboot hem overmorgen-nacht van Honfleur tot bij den schoener zou brengen, die binnenkort van Havre uitzeilde. Misschien zou hij twee jaar wegblijven.

Het vooruitzicht van een zoo lange afwezigheid was een groot verdriet voor Félicité; en om hem nog eens vaarwel te zeggen, trok ze, Woensdag-avond, toen mevrouw gegeten had, haar klompschoenen aan, en legde ze in minder dan geen tijd, de vier mijlen af die Pont-l'Évêque van Honfleur scheiden.

Toen ze bij den Calvarieberg kwam, sloeg ze, in plaats van links, rechts af, verdwaalde tusschen de scheepswerven, liep terug; de menschen, die ze aanklampte, zeiden dat ze zich moest haasten. Ze liep de heele havenkom langs, die vol schepen lag, struikelde over de trossen; dan helde het terrein laag af, de lichten stonden schots en scheef door elkaar, en ze meende van de wijs te zijn, toen ze paarden zag in de lucht.

Langs den kaderand stonden er andere te hinniken, verschrikt door de zee. Een takel hief hen op en liet ze neer op een boot, waar reizigers zich verdrongen tusschen de ciderfusten, de kaasmanden, de zakken met graan; men hoorde kippen kakelen; de kapitein vloekte, en een scheepsjongen stond, onverschillig voor dit alles, met de ellebogen op den ankerbalk te leunen. Félicité, die hem eerst niet herkend had, riep: "Victor!", hij zag op, ze wilde op hem toesnellen, toen eensklaps de treeplank werd ingehaald.

Vrouwen trokken al zingend de paketboot de haven uit. De spanten kraakten, zware golven sloegen tegen den voorsteven. Het zeil was gekeerd, men zag niemand meer;--en op de zee in den zilverschijn der maan, was ze een zwarte vlek, die aldoor bleeker werd, wegdook en verdween.

Toen Félicité langs den Calvarieberg terugging, wilde ze wat haar 't liefste was God aanbevelen, en ze bad langen tijd, recht staande, het gezicht nat van tranen, de oogen naar de wolken. De stad sliep, douanen wandelden op en neer, en zonder ophouden viel het water, ruischend als een stortvloed, door de sluisgaten. 't Sloeg twee uur.

Vóór het dag was, zou ze in het klooster niet terecht kunnen, 't Zou zeker erg lastig voor mevrouw zijn, wanneer ze te laat thuiskwam, en ondanks haar verlangen het andere kind aan 't hart te drukken, liet ze Honfleur achter zich. De meiden van het logement werden juist wakker, toen ze Pont-l'Évêque inkwam.

De arme jongen zou dus maandenlang over de golven moeten zwalken! Zijn vorige reizen hadden haar niet ongerust gemaakt. Van Engeland en Bretagne kwam men weer terug; maar Amerika, de koloniën, de eilanden, dat lag verloren ergens in een geheimzinnige hemelstreek aan 't ander einde der wereld.

Van toen af dacht Félicité uitsluitend aan haar neef. Op dagen dat de zon scheen, maakte ze zich bezorgd over den dorst, bij onweer was ze bang, dat de bliksem hem zou treffen. Als ze den wind hoorde die in den schoorsteen loeide en de leien van het dak rukte, zag ze hem door dien zelfden storm aangegrepen, zich vastklampend aan den top van een verbrijzelden mast, achterover uitgestrekt onder een wade van schuim, of wel,--herinneringen aan de aardrijkskundige prenten,--hij was opgegeten door de wilden, in een bosch door apen meegenomen, of liep te verhongeren langs een onbewoonde kust. En nooit sprak ze van haar angsten.

Mevrouw Aubain had er andere over haar dochter.

De zusters vonden haar heel lief, maar al te teer. De minste aandoening maakte haar zenuwachtig. Met de piano moest ze ophouden.

Haar moeder wilde, dat er van 't klooster uit geregeld zou geschreven worden. Op een morgen toen de besteller niet was gekomen, had ze geen rust, en ze liep in de zaal op en neer, van haar leunstoel naar het venster. 't Was werkelijk iets ongewoons! in vier dagen geen tijding!

Om ze te troosten door háár voorbeeld, zei Félicité:--"En ik mevrouw, ik hoorde in geen zes maanden iets!"

--"Van wie dan toch?"

De meid antwoordde zachtjes:

--"Maar... van mijn neef!"

--"O! je neef!" En schouderophalend begon mevrouw Aubain weer op en neer te wandelen, wat beteekende: "Dáár dacht ik niet aan!--en daarenboven, 't kan me niemendal schelen! een scheepsjongen, een schooier, de moeite waard!... en dat terwijl mijn dochter... Verbeeld je toch!"...

Hoewel met slaag en grove woorden grootgebracht, was Félicité verontwaardigd over mevrouws doen, doch ze vergat spoedig.

Ze kon immers best begrijpen, dat men 't hoofd kwijt raakte, nu het zoo met het kleine meisje stond.

De twee kinderen hadden evenveel te beduiden; ze waren één voor haar hart, en hun beider lot zou hetzelfde zijn.

De apotheker vertelde haar, dat Victors schip te Havanna was aangekomen. Hij had de tijding in een krant gelezen.

Ze verbeeldde zich, door de sigaren, dat Havanna een land was, waar men niets deed dan rooken, en Victor wandelde onder de negers in tabakswolken gehuld. Zou men, zoo noodig, ook over land daar vandaan kunnen terugkeeren? Hoe ver was 't van Pont-l'Évêque? Om er beter van op de hoogte te komen, sprak ze mijnheer Bourais aan.

Hij zocht en vond zijn atlas, begon te praten over lengte- en breedtecirkels, en glimlachte echt schoolmeesterachtig bij Félicité's verbouwereerdheid.

Op 't laatst wees hij haar met zijn potloodhouder tusschen de insnijdingen van een ovale vlek een bijna onzichtbare zwarte stip aan, er bijvoegend: "Ziehier". Ze boog zich over de kaart, het net van gekleurde lijnen vermoeide haar de oogen, zonder dat ze er wijzer door werd; en daar mijnheer Bourais haar aanmoedigde te vragen, wat ze op 't hart had, verzocht ze hem haar het huis te wijzen waar Victor woonde. Bourais sloeg de armen in de lucht, hij nieste, hij schaterde het uit, en had dolle pret over een zoo groote onnoozelheid. Félicité begreep niet waarover hij zich zoo vroolijk maakte,--zij, die misschien verwachtte alles te zien van haar neef, tot het portret toe. Zoo eng van begrip was ze!

Veertien dagen later kwam Liébard, zooals naar gewoonte op het marktuur, de keuken binnen, en stelde haar een brief van haar zwager ter hand. Daar ze geen van beiden lezen konden, riep ze de hulp in van mevrouw.

Mevrouw Aubain, die de steken van een breiwerk zat te tellen, legde dit naast zich neer, brak den brief open, ontstelde, en zei fluisterend, met een diepen blik:

--"'t Is een ongeluk... dat ze je berichten. Je neef..."

Hij was dood. Er stond verder niets.

Félicité viel op een stoel neer, het hoofd tegen het muurbeschot, en sloot de oogleden die ineens rood werden. Toen, met gebukt hoofd en neerhangende handen, herhaalde ze bij tusschenpoozen, en star voor zich uit blikkend:

"Arm ventje! arm ventje!"

Liébard stond al zuchtend naar haar te kijken. Mevrouw Aubain beefde wat.

Ze stelde Félicité voor, haar zuster in Trouville eens te gaan opzoeken. Félicité antwoordde, met een handbeweging,

dat ze daar geen behoefte aan had.

Er volgde een stilte. De goede Liébard vond het gepast zich terug te trekken.

Toen zei ze:

--"Ze geven er niets om, die!"

Haar hoofd zonk weer neer, en bijwijlen lichtte haar hand, werktuiglijk, van het werktafeltje de lange breinaalden op.

Langs de voorplaats gingen vrouwen met een berrie vol druipend waschgoed.

Ze zag het door de ruiten, en dacht aan haar eigen wasch, die ze gisteren had ingezet en vandaag moest spoelen. Toen ging ze de kamer uit. Haar kuip en haar waschplank stonden aan den rand van de Toucques. Ze wierp een hoop hemden op den steilen kant, stroopte de mouwen op, nam den stamper, en zóó hard stampte ze, dat het in de aangrenzende tuinen te hooren was. De weien waren leeg, de wind rimpelde de rivier; ginder hing er lang gras over neer, als 't haar van drijvende lijken. Tot 's avonds bedwong ze zich heel moedig, maar eenmaal in haar kamer, wierp ze zich plat voorover met het gezicht in het kussen, de vuisten tegen de slapen, en liet ze haar smart den vrijen loop.

Heel lang naderhand, hoorde ze van Victors kapitein zelf de bijzonderheden over zijn dood. Men had hem, tegen de gele koorts, een te groote aderlating gegeven. Vier dokters tegelijk hielden hem vast. Hij was dadelijk dood, en de gezagvoerder had gezegd:

--"Mooi zoo! alweer een!"

Zijn ouders hadden hem altijd barbaarsch behandeld. Ze wilde die liever niet meer zien; zij zelf deden geen enkele toenadering, door verzuim, of door harteloosheid, verstompt als ze waren door hun ellende.

Virginie werd almaar zwakker.

Benauwdheden, een hoest, aanhoudende koorts, 't blauwachtig blosje op haar koonen, verrieden een of andere ernstige ziekte-aandoening. Mijnheer Poupart had een verblijf in Provence aangeraden. Mevrouw Aubain wilde er wel toe overgaan, en als de lucht van Pont-l'Évêque beter was geweest, zou ze haar dochtertje dadelijk hebben thuisgehaald. Ze maakte beding met een rijtuigverhuurder, die haar voortaan iederen Dinsdag naar het klooster bracht. In den kloostertuin is een terras, vanwaar men de Seine kan zien. Steunend op haar moeders arm wandelde

Virginie er over de afgevallen wingerdbladeren. Als ze uitzag naar de zeilen in de verte, of de heele kim, vanaf het kasteel van Tancarville tot de vuurtorens van Havre, met haar blik omvatte, deed de doorbrekende zon haar soms met de oogen knippen. Moe gewandeld gingen ze rusten in het priëel. Haar moeder had een klein fust malaga-wijn aangeschaft, en lachend dat ze misschien dronken zou worden, nam Virginie er twee teugjes van, meer niet.

Ze kwam weer wat op krachten. De herfst vlood vreedzaam heen. Félicité stelde mevrouw Aubain gerust. Maar op een avond, na een boodschap in de buurt, zag ze de sjees van mijnheer Poupart voor de deur, hij zelf stond in de vestibuul. Mevrouw Aubain strikte haar hoed vast.

--"Geef me mijn stoof, mijn beurs, mijn handschoenen; wat gauwer, toe!" Virginie had een bezetting op de borst; misschien was het hopeloos.

--"Nog niet!" zei de dokter, en ze stegen beiden in het rijtuig, terwijl de sneeuwvlokken om hen heen dwarrelden, 't Begon nacht te worden. Het was heel koud.

Félicité spoedde zich de kerk in, om een kaars aan te steken. Toen liep ze de sjees na, die ze een uur later inhaalde, wipte er achter op, en hield zich aan de riemen vast. Maar ineens schoot haar de gedachte door het hoofd: "De plaats is niet gesloten! als er eens dieven binnenkwamen!" En ze sprong weer op den grond.

Toen het den volgenden ochtend evenmaar begon te schemeren, meldde ze zich bij den dokter aan. Hij was wel teruggekomen, maar opnieuw uitgereden naar buiten. Toen bleef ze in het logement talmen, meenend dat vreemde menschen een brief zouden brengen. Eindelijk, bij 't eerste licht van den dag, nam ze de diligence naar Lisieux.

Het klooster lag aan 't eind van een steil straatje. Halverwegen dit straatje gekomen hoorde ze een vreemd geluid, het geklep van een doodsklok, "'t Is voor iemand anders," dacht ze, en hard liet ze den klopper neervallen.

Na verloop van meerdere minuten, kwam er iemand aansloffen, de deur week op een kier. Het was een der zusters. Het nonnetje zei met een godzaligen blik, dat "het kind juist overleden was." Meteen begon de doodsklok der Sint-Leonarduskerk met dubbele kracht te luiden.

Félicité kwam eindelijk op de tweede verdieping.

Reeds toen ze over den kamerdrempel trad, zag ze Virginie liggen, uitgestrekt op den rug, de handen gevouwen, den mond open, en het hoofd achterover onder een zwart kruis, dat tot haar overgebogen hing tusschen de roerlooze gordijnen, minder bleek dan haar gelaat. Mevrouw Aubain zat aan 't voeteneind van het bedje, dat ze met haar armen omklemde. Ze snikte als een zieltogende. Rechts stond de overste. Drie luchters brandden op de latafel, de kaarsevlammen schenen roode vlekken, wit wolkte de nevel voor de vensters. Een paar zusters voerden mevrouw Aubain weg.

Twee nachten lang verliet Félicité de doode niet. Ze herhaalde aldoor dezelfde gebeden, sprenkelde wijwater op de lakens, ging weer zitten, en schouwde naar haar. Op 't eind der eerste nachtwake bemerkte ze, dat het gelaat geel was geworden, de lippen werden blauw, de neus scherp, de oogen zonken in. Ze kuste die nog en weer, en groot zou haar verbazing niet geweest zijn, als Virginie weer had opgezien; voor dergelijke zielen is het bovennatuurlijke iets gewoons. Ze legde het kind af, hulde het in de lijkwa, kistte het, zette haar het kransje op het hoofd, en spreidde de haren breed uit. Deze waren blond en bijzonder lang voor zoo'n jong meisje. Félicité knipte er een lok af, waarvan ze de helft op haar hart verborg, vast besloten er nooit afstand van te doen.

Het lijk werd naar Pont-l'Évéque overgebracht, op verlangen van mevrouw Aubain, die den rouwwagen volgde in een gesloten koets.

Na de mis waren er nog drie kwartier noodig om het kerkhof te bereiken. Paul liep aan 't hoofd van den stoet en snikte. Hem volgde mijnheer Bourais, dan de voornaamste ingezetenen, de vrouwen, in zwarte mantels, en Félicité. Ze dacht aan haar neef, en hoe ze hem deze laatste eer niet had kunnen bewijzen, toen werd haar droefheid nog grooter, want het leek haar of men nu tegelijk hem met Virginie begraven ging.

De smart van mevrouw Aubain kende geen grenzen.

Eerst was ze in opstand tegen God, dien ze onrechtvaardig vond, haar dit kind te hebben ontnomen, dat toch nooit kwaad gedaan had en wier geweten zonder vlek was! Maar ach! ze had met Virginie naar 't Zuiden moeten gaan. Andere dokters zouden haar wel gered hebben. Ze beschuldigde zich zelf, wilde bij haar zijn, en 's nachts in haar droomen schreeuwde ze 't uit van wanhoop. Eén droom vooral kwelde haar telkens weer. Haar man kwam als matroos gekleed van een verren tocht terug, en zei haar schreiend, dat hij bevel ontvangen had Virginie mee te nemen. Ze besloten dan samen ergens een schuilhoek te zoeken.

Eens kwam ze heel ontdaan uit den tuin binnen. Zooeven (ze wees de plaats aan) waren vader en dochtertje haar verschenen, dicht naast elkaar, en ze deden niets, bleven haar aanzien.

Maandenlang zat ze willoos in haar kamer. Félicité sprak haar telkens toe met zacht vermaan. Ze moest voor zich zelve zorgen, om wille van haar zoon en de nagedachtenis van "haar".

--"Haar?" hernam mevrouw Aubain dan, alsof ze wakker werd. "Ach ja!... ja!... Ge vergeet het niet!" doelend op het kerkhof, waarvan men haar angstvallig verwijderd hield.

Félicité ging er iederen dag heen.

Klokslag vier schoof ze langs de huizen, klom de helling op, opende het hek en ging tot bij Virginie's grafteeken. Het was een zuiltje van rose marmer, rustend op een platten steen, en omgeven door kettingen die een tuintje insloten. De randen waren vol bloemen. Ze begoot de bladeren, ververschte het zand en ging op de knieën zitten om den grond beter te kunnen bewerken. Toen mevrouw Aubain er weer komen mocht, troostte haar de aanblik van dat wel-onderhouden graf, haar smart werd er door gelenigd.

Toen gingen er jaren voorbij die alle op elkaar geleken, met geen andere afwisseling dan de cirkelgang der hooge feesten, Paschen, Maria-Hemelvaart, Allerheiligen. Huiselijke gebeurtenissen stelden datums vast, waarop men zich naderhand beriep. Zoo geelden in 1825 twee glazenmakers de vestibuul; in 1827 had een stuk van het dak, dat op de voorplaats neerviel, bijna een man gedood. In den zomer van 1828, was 't mevrouw Aubain's beurt om het Sint-Hubertusbrood te geven; omstreeks denzelfden tijd ging mijnheer Bourais uit de stad, en niemand wist waarheen; en de oude kennissen vielen langzaam weg: Guyot, Liébard, Mevrouw Lechaptois, Robelin, oom Gremanville die sinds jaren verlamd was.

Op een nacht bracht de conducteur van de post-diligence in Pont-l'Évêque de tijding der Juli-omwenteling. Enkele dagen later werd er een nieuwe sous-prefect benoemd, baron de Larsonnière, die consul was geweest in Amerika, en die, behalve zijn vrouw, zijn schoonzuster meebracht met drie bijna volwassen freuletjes, welke in losse blouses gekleed, over 't gazon van haar open tuin drentelden. Ze hadden een neger en een papegaai. Ze legden een visite af bij mevrouw Aubain, die niet naliet haar een tegenbezoek te brengen. Zoo gauw Félicité haar in de verte zag aankomen, ging ze mevrouw haastig waarschuwen. Doch één ding slechts scheen deze maar ter harte te gaan: de brieven van haar zoon.

Hij bracht zijn tijd in herbergen zoek, deugde voor geen enkele loopbaan. Ze betaalde zijn schulden; hij raakte er opnieuw in; en de zuchten die mevrouw Aubain slaakte, terwijl ze te breien zat bij het venster, drongen door tot Félicité, die in de keuken haar spinnewiel deed snorren.

Ze drentelden samen langs de leiboomen en praatten aldoor over Virginie, zich afvragend, hoe dit of dat haar zou hebben aangestaan, wat ze bij deze of die gelegenheid waarschijnlijk zou gezegd hebben.

In de kamer met de twee ledikantjes waren al haar kleine schatten en benoodigdheden in een muurkast opgeborgen. Mevrouw Aubain zag die dingen zoo weinig mogelijk na. Op een zomerdag ging ze er eindelijk eens toe over, en er vlogen vlinders de kast uit.

Haar jurken hingen naast elkaar onder een plank, waarop drie poppen lagen, bij hoepels en een keukentje en de waschkom, die ze altijd gebruikt had. Ze haalden de onderrokken, zoowel als de kousen en de zakdoeken te voorschijn, en eer ze het opnieuw toevouwden, werd alles op de twee bedjes uitgespreid. De zon scheen over die arme dingen, deed de vlekken in 't oog vallen, en de kreuken die Virginie's bewegingen erin gelaten hadden. De lucht was blauw en warm, een merel kweelde, 't scheen alles te leven in een innige vreedzaamheid. Ze vonden een hoedje van langharig pluche terug, kastanjekleurig; maar 't was heelemaal door de mot opgegeten. Félicité vroeg of zij 't hebben mocht. Ze zagen elkander aan, haar starre oogen vulden zich met tranen; tot mevrouw de armen opende, de meid wierp zich aan haar hart, en ze hielden elkaar omstrengeld, leniging zoekend voor het bittere verdriet in een kus, die haar tot gelijken maakte.

Het was den eersten keer in haar leven. Mevrouw Aubain had een zeer gesloten karakter. Félicité was dankbaar voor die gevoelsuiting als voor een weldaad, en met vrome vereering had ze haar lief voortaan, trouw als een hond.

De goedheid van haar hart werd steeds ruimer.