Part 1
Produced by Miranda, Marc D. and the Distributed Online Proofreading Team.
DRIE VERTELLINGEN DOOR GUSTAVE FLAUBERT
EEN EENVOUDIGE ZIEL
DE LEGENDE VAN SINT JULIAAN DEN GASTVRIJEN
HERODIAS
VERTAALD DOOR MARIE KOENEN
Gebaseerd op de editie gepubliceerd in 1917, te Bussum.
EEN EENVOUDIGE ZIEL
I
Een halve eeuw lang werd mevrouw Aubain door de dames van Pont-l'Évêque benijd om haar meid Félicité.
Voor honderd franken per jaar deed zij de keuken en het huishouden, naaide, waschte en streek ze, wist ze een paard op te tuigen, de hoenders vet te mesten, de melk te karnen, en bleef ze trouw aan haar meesteres, die toch geen aangename vrouw was.
Mevrouw Aubain had een knappen jongen getrouwd zonder geld, die in 't begin van 1809 stierf, haar twee heel jonge kinderen nalatend en veel schulden. Ze verkocht toen haar vaste goederen, op de hoeve van Toucques en de hoeve van Geffosses na, die hoogstens 5,000 franken rente opbrachten, en ze verliet haar huis te Saint-Melaine voor een voordeeliger, dat had toebehoord aan haar familie en gelegen was achter de hallen. Dit huis, met zijn leien dak, lag tusschen een open gang en een steegje, uitloopend op de rivier. Binnen struikelde men er over het hoog-en-laag der ongelijke vloeren. Een enge vestibuul scheidde de keuken van de zaal, waar mevrouw Aubain den dag lang in een rieten fauteuil bij het openslaand raam zat. Tegen het wit geverfde beschot stonden in een rij acht mahoniehouten stoelen. Een oude piano torste, onder een barometer, een pyramide van opeengestapelde bussen en kartonnen doozen. Twee trijpen armzetels stonden ter weerszijden van den geel marmeren schoorsteen in stijl Louis XV. De pendule, in het midden, stelde een vestaalschen tempel voor,--en heel het vertrek rook wat duf, daar de plankenvloer lager lag dan de tuin.
Op de eerste verdieping was, om te beginnen, de kamer van "mevrouw", zeer groot, met flets gebloemd papier behangen, en waarin zich het portret bevond van "mijnheer" in saletjonkersdos.
Ze stond in verbinding met een kleiner vertrek, waar men twee kinderledikantjes zag, zonder matras. Dan kwam het salon, altijd gesloten, en vol meubels onder lakens. Een gang leidde vervolgens naar een studeerkamertje; boeken en paperassen vulden de planken van een bibliotheek-kast, welke langs drie zijden een groote zwart-houten schrijftafel omgaf. De twee achterpaneelen waren bedekt met penteekeningen, landschappen in waterverf en platen van Audran, gedachtenissen aan betere tijden en aan een vergane weelde.
Een zoldervenstertje op de tweede verdieping verlichtte de kamer van Félicité, die uitzicht had op de weien.
Heel vroeg stond ze op, om de mis niet te verzuimen, en ze werkte tot 's avonds zonder ophouden; dan, als het maal was afgeloopen, het vaatwerk opgeruimd, de deur goed gesloten, dekte ze het houtvuur met asch en dutte ze in voor den haard, den rozenkrans in de hand. Niemand bij loven en bieden zoo koppig als zij. En wat zindelijkheid aangaat, zóó blankgeschuurd waren haar braadpannen, dat ze de andere meiden de oogen verblindden. Zuinig als ze was, had ze de gewoonte heel langzaam te eten, en met den vinger pikte ze de broodkruimels van de tafel,--een brood van twaalf pond werd opzettelijk voor haar gebakken, en ze deed het daar twintig dagen mee.
Winter en zomer droeg ze een katoenen halsdoek, met de punt in den rug vastgespeld, een muts die haar haren verborg, grijze kousen, een rooden onderrok, en over haar jak een boezelaar, zooals de ziekenzusters.
Haar gezicht was mager en haar stem schel. Toen ze vijf-en-twintig was, zag men haar voor veertig aan. Na haar vijftigste viel, op haar uiterlijk, haar leeftijd niet meer te bepalen,--en, stil, steil, met haar afgemeten gebaren, leek ze een houten vrouwtje, dat zich automatisch bewoog.
II
Ze had, zoo goed als een ander, haar liefdesgeschiedenis gehad.
Haar vader, een metselaar, was van een steiger doodgevallen. Daarna stierf haar moeder, haar zusters verspreidden zich, zij werd door een pachter opgenomen, voor wien ze, hoe klein ook, de koeien moest hoeden langs de wegen. Ze bibberde onder haar lompen, dronk plat voorover liggend het water uit de poelen, werd om een niemendal geslagen, en ten slotte joeg men haar weg om een diefstal van dertig stuivers, dien ze niet begaan had. Ze kwam op een andere hoeve, werd er stalmeid, en omdat ze in den smaak viel van haar meesters, waren haar kameraden jaloersch.
Op een Augustusavond (ze was toen achttien jaar) namen ze haar mee naar de kermis van Colleville. Bij den eersten aanblik stond ze stom van verbazing, overbluft door het geschetter der dorpsmuzikanten, door de lichten in de boomen, de bonte kleeren, de kanten, de gouden borstkruisen, al dat hossende volk. Ze hield zich bloode achteraf, maar een jonkman, die er welgesteld uitzag, en die zijn pijp rookte met de twee ellebogen op den disselboom van een ladderwagen, kwam haar ten dans nooden. Hij trakteerde haar op cider, koffie en koek, kocht haar een zijden halsdoek, en vroeg of hij haar naar huis zou brengen. Onderweg greep hij haar vast. Ze werd bang en begon te roepen. Hij ging.
Een anderen avond, wilde ze, op den weg naar Beaumont, een groote hooikar voorbij stappen, die langzaam voortschokte, en langs de raders schuivend herkende ze Theodore.
Kalmpjes sprak hij haar aan, zeggend dat ze hem vergeven moest, het was door "den drank" gekomen.
Ze wist niet, wat te antwoorden en had zin om weg te loopen.
Dadelijk begon hij over den oogst en over de notabelen van de gemeente, want zijn vader had Colleville verlaten om de hoeve van Ecocs te betrekken, zoodat ze nu buren waren.
--"Hé!" zei ze.
Hij voegde er aan toe, dat men hem graag gevestigd zou zien. Maar overigens, haast had hij niet, en hij zou wachten tot hij een vrouw vond naar zijn keus. Ze boog het hoofd. Toen vroeg hij haar of ze dacht te trouwen. Ze antwoordde, met een glimlach, dat het niet mooi was, met iemand den spot te drijven.
--"Wel neen, ik denk er niet aan!"
En hij sloeg haar den linkerarm om het middel. Ze liep zoo voort gesteund door zijn arm; hun stap vertraagde. De wind was zwoel, de sterren schitterden, vóór hen wankelde de reusachtige kar met hooi; de vier paarden begonnen te sleepvoeten en joegen het stof op. Toen, uit eigen beweging, wendden ze zich rechtsaf. Hij omhelsde haar nog eens. Ze verdween in het duister. De volgende week wist Theodore haar tot samenkomsten over te halen. Ze ontmoetten elkaar achter een erf, bij een muur, onder een eenzamen boom. Ze was niet onnoozel als een jongejuffrouw, maar haar gezond verstand en de haar ingeschapen eerbaarheid behoedden haar voor misstappen.
Die weerstand wakkerde Theodore's liefde aan, zoodat hij om er aan te voldoen (of onnoozel-weg misschien) voorsloeg haar te trouwen. Ze kon het niet gelooven. Hij zwoer dure eeden. Weldra echter kwam hij met slecht nieuws voor den dag: zijn ouders hadden verleden jaar een remplaçant voor hem genomen, maar elken dag kon hij worden opgeroepen, en de gedachte onder dienst te moeten, joeg hem schrik aan. Die lafhartigheid was voor Félicité een bewijs van liefde, en de hare werd er dubbel zoo groot door. Bij hun samenkomsten kwelde Theodore haar met zijn onrust en zijn gedwing.
Eindelijk vertelde hij haar, dat hij zelf naar de prefectuur zou gaan om inlichtingen, die hij haar aanstaanden Zondag zou meedeelen tusschen elf uur en middernacht.
Toen het tijd was, liep ze Theodore tegemoet.
In zijn plaats vond ze een zijner vrinden, die haar zei dat ze Theodore niet zou weerzien.
Om zich aan de lichting te onttrekken had hij een oude, heel rijke vrouw gehuwd, Madame Lehoussais, uit Toucques.
Het was een al te groot verdriet. Ze wierp zich op den grond, stootte kreten uit, riep den goeden God aan, klaagde en jammerde heel alleen in het veld, totdat de zon opging. Dan kwam ze terug op de hoeve, zei haar dienst op, en toen de maand om was en ze haar loon had ontvangen, knoopte ze al haar hebben en houden in een zakdoek, en begaf ze zich naar Pont-l'Évêque.
Vóór het logement vroeg ze om inlichtingen aan een burgerdame met een weduwkap, en juist had deze een keukenmeid van noode. Het meisje kende niet veel, maar ze leek zooveel goeden wil te hebben en zoo weinig eischen, dat mevrouw Aubain eindigde met te zeggen:
--"Goed, ik huur je."
Een kwartier later was Félicité in haar huis opgenomen.
In 't begin leefde ze er in een bevend ontzag voor "den trant van het huis", en de herinnering aan "mijnheer", die zweefde over alles! Paul en Virginie, de een zeven jaar, de andere nauwelijks vier, schenen haar van een kostbare materie geschapen; ze liet hen paardrijden op haar rug, en mevrouw Aubain zei haar, hen niet elk oogenblik te zoenen, hetgeen haar diep bedroefde. Toch voelde ze zich gelukkig. De vrindelijkheid der omgeving had haar alle verdriet doen vergeten.
Alle donderdagen trouw kwamen kennissen een partij bostonneeren. Félicité maakte tevoren de kaarten en de stoven in orde. Klokke-acht kwamen ze, en op slag van elf gingen ze heen.
Iederen maandagmorgen stalde de uitdrager, die in de steeg woonde, langs den grond zijn oud-roest uit. Dan kwam de stad vol gegons van stemmen, vermengd met paarden-gehinnik, schapengeblaat, varkensgeknor en het geratel der boerenwagentjes over de straat.
Tegen twaalf uur als de marktdrukte in vollen gang was, zag men een ouden boer op den drempel verschijnen, een langen man met een krommen neus, de pet achterover, Robelin de pachter van Geffosses.
Kort daarna was er Liébard, de pachter van Toucques, klein, blozig, zwaarlijvig, die een grijs vest droeg en slobkousen van sporen voorzien.
Beiden kwamen ze hun eigenares kippen of kaas te koop aanbieden. Félicité was hun altijd weer te slim af, maar vol achting voor haar gingen ze heen.
Op ongeregelde tijden ontving mevrouw Aubain bezoek van den markies de Gremanville, een harer ooms, berooid door zijn liederlijk leven, en die te Falaise op het laatste lapje van zijn grond woonde. Altijd kwam hij op het uur van het tweede ontbijt, vergezeld van een afschuwlijken poedel, die met zijn pooten alle meubels vuil maakte.
Hoewel hij zijn pogingen een heer te schijnen zóó ver doordreef, dat hij bij ieder: "wijlen mijn vader", den hoed lichtte, toch was de slechte gewoonte hem te machtig, telkens vulde hij zijn glas, telkens liet hij gewaagde aardigheden los.
Félicité zette hem met een zoet lijntje het huis uit: "U hebt genoeg voor vandaag, mijnheer de Gremanville! Tot later!" En ze sloot de deur achter hem.
Met genoegen opende ze die voor mijnheer Bourais, oud-procureur. Zijn witte das en zijn kaal hoofd, de jabot van zijn overhemd, zijn wijde bruine pandjas, de armronding waarmee hij zijn snuifje nam, geheel zijn persoon maakte een verwarrenden indruk op haar, zooals de aanblik van buitengewone mannen dit doet.
Daar hij de eigendommen van "mevrouw" beheerde, sloot hij zich urenlang met haar op in het kabinet van "mijnheer", was altijd bang voor opspraak, had een grenzenloozen eerbied voor de rechterlijke macht, en liet er zich op voorstaan Latijn te kennen.
Om de kinderen spelend te doen leeren, gaf hij hun een serie aardrijkskundige prenten ten geschenke.
Ze stelden verschillende tafereelen van het wereldrond voor, menscheneters met veeren gekroond, een aap die een juffrouw ontvoerde, Bedouïnen in de woestijn, een walvisch dien men harpoeneerde, enz.
Paul gaf aan Félicité den uitleg van die platen. Dit was al geletterde opvoeding, die ze kreeg.
Die der kinderen was aan Guyot toevertrouwd, een armen drommel, klerk op het stadhuis, befaamd om zijn mooie hand van schrijven, en die zijn pennemes aanzette op z'n laars.
Wanneer het helder weer was, begaf men zich reeds vroegtijdig naar de hoeve van Geffosses.
Het erf helt af, het woonhuis staat in 't midden, en de zee is zichtbaar in de verte als een grijze vlek.
Félicité haalde plakken koud vleesch uit haar karbies, en er werd ontbeten in een vertrek aansluitend aan de melkerij. Dit was het laatste overschot van een nu verdwenen zomerverblijf. Het in flarden gescheurd behang trilde in den tocht. Mevrouw Aubain boog het hoofd, overstelpt door herinneringen; de kinderen durfden niet meer te praten. "Ga toch spelen", zei ze; ze maakten dat ze wegkwamen.
Paul klom op den hooizolder, ging vogels vangen, keilde steenen over den poel, of sloeg met een stok op de groote vaten, die hol opklonken als trommen.
Virginie voerde de konijnen, vloog vooruit om korenbloemen te plukken, en om haar rappe beenen wipten de geborduurde strooken van haar broekje.
Op een herfstavond keerden ze gevieren door de weilanden huiswaarts.
De wassende maan verlichtte een stuk van den hemel, en een nevelstreep dreef als een sluier over de bochten van de Toucques. Runderen, die midden in het gras lagen uitgestrekt, zagen kalm die vier menschen voorbijgaan. In de derde wei hieven er eenige zich op, die kwamen in een halven kring hun den weg versperren.--"Wees maar niet bang!" zei Félicité, en met klagend geprevel streelde ze het dier, dat dichtstbij stond, over den rug; het draaide zich half om, de andere deden dit na.
Maar den volgenden beemd doortrekkend, hoorden ze een ontzettend gebrul opgaan. Het was een stier, door den nevel onzichtbaar. Hij kwam de twee vrouwen al nader. Mevrouw Aubain wilde hard wegloopen. "Neen! neen! niet zoo vlug!" Toch versnelden ze den pas, en ze hoorden achter zich een steeds duidelijker ademgesnuif. De hoeven sloegen als hamers over het weigras; daar had hij 't, zoowaar, ook nog op een draf gezet!
Félicité keerde zich om, en met beide handen rukte ze aardkluiten los, die ze hem in de oogen gooide. Hij dook den snuit, schudde de horens, rillend van woede onder afgrijselijk geloei.
Mevrouw Aubain was met haar twee kinderen aan 't eind van de wei, en zocht, buiten zichzelf van angst, hoe over den hoogen kant te komen. Félicité week aldoor achterwaarts met den stier vóór zich, en wierp almaar met graskluiten die hem blind maakten, terwijl ze bleef roepen: "Haast u dan toch! Haast u dan toch!"
Madame Aubain stapte in de droge sloot, duwde Virginie en dan Paul voor zich uit, struikelde telkens terwijl ze tegen den glooienden wegboord trachtte op te klimmen, wat haar door moedig voltehouden ten laatste toch gelukte.
De stier had Félicité tegen een haag geduwd; zijn kwijl spatte haar in 't gezicht, nog één seconde en zijn horens gingen haar het lichaam openrijten. Juist nog had ze den tijd tusschen twee palen door te glippen, en het zware dier bleef verbluft staan.
Deze gebeurtenis was jarenlang een onderwerp van gesprek in Pont-l'Évêque. Félicité liet er zich heelemaal niets op voorstaan, giste zelfs niet iets heldhaftigs te hebben verricht.
Virginie alleen hield haar gedachten bezig; want ten gevolge van den schrik had deze een zenuwaandoening gekregen, en mijnheer Poupart, de dokter, ried de zeebaden van Trouville aan.
Ze werden nog niet bezocht in dien tijd. Mevrouw Aubain vroeg inlichtingen, raadpleegde Bourais, en maakte toebereidselen als voor een langdurige reis.
Haar koffers gingen daags te voren weg, op de kar van Liébard. Den volgenden dag bracht hij twee paarden voor, het eene met een dameszadel dat een fluweelen rugleuning had; een opgerolde mantel vormde een zitting op het kruis van het tweede. Mevrouw Aubain steeg daar op, achter Liébard. Félicité nam Virginie onder haar hoede, en Paul zette zich schrijlings op den ezel door mijnheer Lechaptois afgestaan, mits men er uiterst voorzichtig mee zou zijn.
De weg was zóó slecht, dat men over zijn acht kilometer twee uren moest doen. De paarden zakten tot over de enkels in de modder en schokten met de dijen om er uit te raken; ofwel ze struikelden in de karresporen; een andermaal weer moesten ze een sprong nemen. De merrie van Liébard bleef hier en daar plotseling stilstaan. Geduldig wachtte hij tot ze weer verder ging, en hij praatte over de menschen wier eigendommen langs den weg lagen, moreele beschouwingen vastknoopend aan hun levensgeschiedenis. Toen ze midden in Toucques, onder met Oost-Indische kers omrankte vensters doorreden, zei hij schouderophalend:--"Zoo woont hier een madame Lehoussais, die in plaats van een jongen man te trouwen..." Félicité verstond de rest niet; de paarden draafden, de ezel liep in galop; in een rij togen ze een voetpad langs, een hek week open, twee jongens traden te voorschijn, en er werd afgestegen, vóór de mestvaalt, vlak bij den deurdrempel. Toen vrouw Liébard haar meesteres voor zich zag, kwam er geen eind aan haar vreugdbetuigingen. Ze zette haar een ontbijt voor bestaande uit runderharst, rolpens, bloedworst, gestoofde kip, schuimenden cider, vruchtentaart, en pruimen op brandewijn, dit alles kruidend met beleefdheden aan mevrouw, die er zooveel beter uitzag, aan de jongejuffrouw, die "allerliefst" was geworden, aan mijnheer Paul die zoo buitengewoon was aangesterkt, zonder hun overleden grootouders te vergeten, die de Liébards gekend hadden, daar ze van ouder tot ouder aan de familie verbonden waren. De hoeve had, zooals zij zelve, iets ouderwetsch over zich. De balken waren vermolmd, de muren zwart van rook, de vensterruiten grijs bestoven. Een eikenhouten aanrecht was beladen met allerlei gerief, groote kannen, schotels, tinnen kommen, wolfsklemmen, scharen om de schapen te scheren, een reusachtige klisteerspuit, waar de kinderen om lachen moesten. Niet één boom in de drie hoven, die geen paddenstoelen aan zijn voet had of in zijn kruin een bos mistel. De wind had er verschillende omgeworpen. Ze schoten in 't midden opnieuw uit; en alle bogen ze onder den last hunner appels. De stroodaken die van bruin fluweel leken en ongelijk van zwaarte waren, weerstonden de hevigste rukwinden. Het wagenhuis echter was bouwvallig. Mevrouw Aubain beloofde dit in gedachte te houden, en gaf bevel de rijdieren weer op te tuigen. Nog een half uur zou er noodig zijn om Trouville te bereiken. De kleine karavaan steeg af om de Écores over te gaan, een overhangende rots waaronder schepen lagen; en na drie minuten kwam men, aan 't eind der kade, op de binnenplaats van "het gouden Lam", bij vrouw David.
Vanaf de eerste dagen voelde Virginie zich minder zwak, dank zij de verandering van lucht en de werking der baden. Ze had geen badkostuum en ging in haar hemdje de zee in; Félicité kleedde haar weer aan in een tolhuisje, dat de baders gebruiken mochten.
's Namiddags ging men met den ezel de "Zwarte Rotsen" over, den kant uit van Hennequeville. Eerst steeg het voetpad tusschen weilanden die glooiden als het gazon van een park, en 't liep uit op een heuvelvlak waar grasvelden en bouwgrond elkaar afwisselden. Langs den wegrand groeiden hulstboompjes uit de warrende dorenranken op; hier en daar, trok een groote doode boom met zijn takken zigzag-lijnen tegen de blauwe lucht.
Iederen keer bijna rustten ze uit in een kleine wei, aan wier linkerkant Deauville lag, Hâvre rechts, en die uitzag op de volle zee. Ze schitterde in de zon, lag effen als een spiegel, zóó kalm dat men nauwelijks haar ruischen hoorde; musschen piepten ergens, en het wijde hemelgewelf overdekte dit alles. Mevrouw Aubain zat neer, bezig met haar naaiwerk; naast haar was Virginie biezen aan 't vlechten; Félicité trok lavendelbloemen uit; Paul, die zich verveelde, wilde weg.
Andere keeren voeren ze de Toucques voorbij, en gingen schelpen zoeken, 't Laag getij had zee-egels en kwallen op 't droge gelaten, en de kinderen liepen schuimvlokken na, die de wind meenam. De sluimerende golven, deinend over de zandbedding, bestreken het strand, dat zich uitstrekte zoo ver het oog reikte, maar dat aan de landzijde werd begrensd door de duinen, die het scheidden van de mars, een groot weiland rond als een renperk.
Wanneer ze langsdaar terugkeerden, werd Trouville, ginds tegen de heuvelhelling, bij iederen voetstap grooter, en met zijn onregelmatigen huizenbouw scheen het, in een vroolijke wanordelijkheid, als open te luiken. Op dagen dat het te warm was, bleven ze in hun kamer. De verblindende klaarte daarbuiten schoof staven van licht tusschen de latten der zonneblinden. Niet het minste gerucht in het dorp. Beneden, op de stoep, niemand. Deze wijde stilte verinnigde de rust der dingen. In de verte klopten de breeuw-hamers op de scheepskielen, en een zwoele bries woei teerlucht aan.
De voornaamste vermakelijkheid was de weerkomst der visscherspinken. Zoo gauw ze de bakens voorbij waren, begonnen ze te laveeren. Hun zeilen streken neer tot op twee-derde der masthoogte; en met de fok opgezwollen als een ballon dreven ze aan, gleden ze door het gekabbel der golven, tot in 't midden der haven, waar het anker ineens neerplonste. Dan meerde de boot aan de kade. De matrozen wierpen lillende visschen over de reeling; een rij wagentjes wachtte hen op, en vrouwen met katoenen mutsen snelden toe om de korven aan te nemen en hun mannen te omhelzen.
Een harer sprak op zekeren dag Félicité aan, die even later heel blij de kamer binnenkwam. Ze had een zuster weergevonden; en daar verscheen Nastasie Barette, huisvrouw Leroux, met een zuigeling aan de borst, een ander kind aan de rechterhand, en aan haar linkerzij een scheepsjongetje met de handen in de zij en de platte pet op één oor.
Na een kwartier zei mevrouw Aubain, dat ze moesten gaan.
Sedert liep men dat groepje altijd tegen 't lijf, in de buurt van de keuken, of op wandeling. De man liet zich niet zien.
Félicité begon van hen te houden. Ze kocht hun een deken, hemden, een fornuis, 't was duidelijk dat ze haar uitbuitten. Deze zwakhartigheid ergerde mevrouw Aubain, wie daarenboven de gemeenzaamheid van het neefje niet aanstond,--dat "je" en "jou" speelde tegen haar zoontje,--en daar Virginie hoestte en het mooie weer voorbij was, kwam ze in Pont-l'Évêque terug.
Mijnheer Bourais hielp haar bij de keuze van een Latijnsche school.
Die van Caen gold als de beste.
Paul werd er heen gezonden, en met goeden moed nam hij afscheid, blij in een huis te gaan wonen, waar hij makkers zou vinden.
Mevrouw Aubain berustte in de afwezigheid van haar zoon, daar die noodzakelijk was. Virginie dacht minder en minder aan hem. Félicité miste zijn levenmakerij. Maar een bezigheid kwam haar verstrooiing geven; van Kerstmis af begeleidde ze iederen dag het kleine meisje naar den catechismus.
III
Nadat ze bij de deur een kniebuiging had gemaakt, ging ze door de middenbeuk tusschen de dubbele rij stoelen door, opende mevrouw Aubains bank, ging daar zitten, en liet den blik rondwaren.
De jongens zaten rechts, de meisjes links in de kanunnikenbanken. De pastoor bleef staan bij den koorlezenaar; in een venster van de absis zweefde de Heilige Geest boven de Maagd Maria; een ander toonde haar geknield voor het kindje Jezus, en achter het tabernakel stelde een houten groep Sint Michaël voor die den draak verslaat. Eerst behandelde de priester in 't kort de bijbelsche geschiedenis. Ze waande het paradijs te zien, den zondvloed, den toren van Babel, steden die in vlammen opgingen, stervende volken, omgestorte afgodsbeelden; het ontzag voor den Allerhoogste bleef haar bij uit deze zinsbegoocheling, de vreeze voor Zijn gramschap. Daarna zat ze te schreien, luisterend naar het lijdensverhaal. Waarom hadden ze Hem gekruisigd, Hem, die de kinderen liefhad, de scharen voedde, de blinden genas en die uit ootmoedigheid wilde geboren worden, tusschen de armelieden, op het meststroo van een stal? De zaaitijd, de oogst, de wijnpersen, al die welbekende dingen, waarover het Evangelie spreekt, waren in haar leven ook; langs hen schrijdend had God ze geheiligd; en ze hield met meer verteedering van de lammeren uit liefde tot het Lam, van de duiven om den Heiligen Geest.
Het kostte haar moeite zich Zijn wezen voor te stellen; want niet alleen was Hij een vogel, maar ook een vuur, en soms de voorbijgaande wind. Misschien is het Zijn licht dat 's nachts dwaalt langs de oevers der moerassen, Zijn adem die de wolken voortdrijft, Zijn stem die de klokken welluidend maakt, en ze bleef in aanbidding, genietend van de koelte der muren en de stilte der kerk.