Part 20
„Het poeder rookt door de hitte van zijn eigen bestanddeelen,” riep Torres uit, tegelijkertijd in den zak van zijn jas voelend. Hij haalde er enkele stukjes tabak uit, splintertjes van lucifers en vezels van de stof. „Dit zal niet branden,” beweerde hij, een invitatie uitlokkend, door het beetje vuil boven den bokaal te houden, alsof hij het er in wilde laten vallen.
De Koningin knikte toestemmend en allen zagen het vuil op de vloeibare metalen oppervlakte vallen. De stofdeeltjes maakten geen indruk op die oppervlakte. Ze veranderden alleen in rook, die luchtig omhoog steeg en verdwenen was. Er bleef geen spoor van asch over.
„En toch is het koud,” sprak Torres, het voorbeeld van Francis volgend en aan de buitenzijde van den bokaal voelend.
„Steek je vinger in den inhoud,” stelde de Koningin aan Torres voor.
„Neen,” zei hij.
„Gij hebt gelijk,” stemde ze toe. „Hadt gij het gedaan, dan zoudt gij nu een vinger minder hebben, dan het getal, waarmee gij geboren zijt.” Zij wierp er weer poeder in. „Nu zal ieder zien, wat hij alleen zien zal.”
En het was zoo.
Leoncia zag een zee, die haar en Francis scheidde. Henry zag hoe de Koningin en Francis trouwden onder zulke vreemde ceremoniën, dat hij eerst heel op het eind begreep, dat het een huwelijksplechtigheid was, die voltrokken werd. De Koningin keek van een hooge galerij in een groot huis, neer in een schitterende ontvangkamer, die Francis herkend zou hebben als die, welke door zijn vader ingericht was, wanneer haar visioen het zijne geweest was. En naast haar, zijn arm om haar heen geslagen, zag zij Francis. Francis zag slechts één ding, zeer onrustbarend: het gelaat van Leoncia, onbeweeglijk als van een doode, waarin, juist tusschen de oogen, een lange ponjaard gestoken was. Toch zag hij geen bloed vloeien uit de, door den ponjaard veroorzaakte, wonde. Torres zag het begin van wat hij wist, dat zijn einde moest zijn, bekruiste zich en was de eenige die terugdeinsde en weigerde om meer te zien. Terwijl de Zonnepriester het visioen zag van zijn heimelijke zonde, het gelaat en de gedaante der vrouw, voor wie hij de Aanbidding der Zon verloochend had, en het gelaat en de gedaante van het meisje in het dorp bij het Lange Huis. En allen trokken zich, als één man, terug, toen de visioenen verbleekten, terwijl Leoncia zich met vlammende oogen, als een tijgerin, tot de Koningin keerde en uitriep:
„Uw spiegel liegt! Uw Spiegel der Wereld liegt!”
Francis en Henry, die nog diep onder den indruk waren van hetgeen zij zelf gezien hadden, schrikten op en verwonderden zich over Leoncia’s uitbarsting. Maar de Koningin antwoordde op zachten toon:
„Mijn Spiegel der Wereld heeft nog nooit gelogen. Ik weet niet, wat gij gezien hebt. Maar wel weet ik, dat, wat het ook geweest is, het waar is.”
„Gij zijt een monster!” riep Leoncia weer. „Gij zijt een leelijke tooverheks, die liegt!”
„Gij en ik zijn vrouwen,” verweet de Koningin zacht en vriendelijk, „en kunnen niet over elkander oordeelen, daar wij vrouwen zijn. Mannen zullen beslissen, of ik al dan niet een tooverheks ben, die liegt of een vrouw met een liefhebbend vrouwelijk hart. Maar laat ons, daar wij vrouwen en dus zwak zijn, ondertusschen vriendelijk jegens elkander zijn.”
„... En nu, Priester der Zon, het oordeel. Gij, als priester van den Zonnegod, weet meer van de oude voorschriften en gebruiken dan ik. Gij weet ook meer over mij en hoe ik hier kwam, dan ik zelf. Gij weet dat altijd, van moeder op dochter, en van moeder op dochter, de stam een Geheimzinnige Koningin, een Dame Die Droomt, gehad heeft. De tijd is gekomen, dat we moeten denken aan toekomstige geslachten. De vreemdelingen zijn gekomen en zij zijn ongehuwd. Dit moet de vastgestelde trouwdag zijn, wanneer de latere generaties van den stam een Koningin willen bezitten, die voor hen droomt. Het zij zoo, en tijd, benoodigdheden en plaats worden vastgesteld. Ik heb het oordeel gedroomd. En het oordeel is, dat ik zal trouwen met diengenen onder deze vreemdelingen, die van voor de grondleggingen der wereld voor mij bestemd was. Dit is de proef: Als geen dezer wil trouwen, dan zullen zij sterven en hun warm bloed zal door u geofferd worden voor het altaar der Zon. Als er een is, die mij trouwen wil, dan zullen zij allen leven, en de Tijd zal beslissen over onze toekomst.”
De Zonnepriester, die beefde van woede, trachtte te protesteeren, maar zij beval:
„Zwijg, priester! Alleen door mij regeert gij het volk. Eén woord van mij tot het volk—welnu, gij begrijpt. Het is geen gemakkelijke wijze van sterven.”
Zij wendde zich tot de drie mannen, zeggend:
„En wie uwer wil mij trouwen?”
Zij keken elkander verlegen en ontzet aan, maar niemand sprak.
„Ik ben een vrouw,” ging de Koningin plagend voort. „En ben ik daarom niet begeerenswaardig voor de mannen? Ben ik niet jong? Of ben ik misschien niet mooi? Zijn de smaken der mannen zoo vreemd, dat geen enkele man mij in zijn armen wil nemen en zijn lippen op de mijne drukken, zooals Francis hier op mijn hand gedaan heeft?”
Zij vestigde haar oogen op Leoncia.
„Gij zult oordeelen. Gij zijt een vrouw, die zeer bemind wordt door de mannen. Ben ik niet een vrouw als gij en zou ik niet bemind worden?”
„Gij zult altijd vriendelijker tegen mannen zijn dan tegen vrouwen,” antwoordde Leoncia—onbegrijpelijk voor de drie mannen, die deze woorden hoorden, maar volkomen duidelijk voor het vrouwelijk verstand der Koningin. „En als vrouw,” vervolgde Leoncia, „zijt ge buitengewoon schoon en verlokkelijk; en er zijn mannen in deze wereld, vele mannen, die gek zouden worden van verlangen om u in de armen te sluiten. Maar ik waarschuw u, Koningin, dat er in deze wereld mannen zijn en mannen.”
Toen zij dit gehoord en overlegd had, wendde de Koningin zich plotseling tot den priester:
„Gij hebt het gehoord, priester. Vandaag zal een der mannen mij trouwen. Als geen der mannen mij trouwt, zullen ze alle drie geofferd worden op uw altaar. Eveneens zal dan deze vrouw geofferd worden, die, naar het schijnt, mij wil onteeren, door mij minderwaardiger te vinden dan zich zelf.”
Nog richtte zij het woord tot den priester, ofschoon hetgeen zij sprak voor de anderen bestemd was.
„Er zijn hier drie mannen, waarvan er een, lange jaren vóór hij geboren werd, bestemd was om met mij te trouwen. Dus, priester, ik beveel, dat de gevangenen weggeleid worden naar een ander vertrek, en laat hen onder elkander uitmaken, wie die man is.”
„Wanneer het reeds zoo lang van te voren uitgemaakt is,” vervolgde Leoncia woedend, „waarom dan de beslissing aan hen overgelaten? Gij kent den man? Waarom het dan er op gewaagd? Noem de man, Koningin, en noem hem nu.”
„De man zal gekozen worden op de wijze, als ik bepaald heb,” antwoordde de Koningin, terwijl zij tegelijkertijd afgetrokken een beetje poeder in den grooten bokaal wierp en afgetrokken erin keek. „Ga dus nu heen, en laat de onvermijdelijke keuze plaats hebben.”
Zij gingen reeds de kamer uit, toen een uitroep van de Koningin hen tegenhield.
„Wacht!” beval ze. „Kom hier, Francis. Ik heb iets gezien, wat u aangaat. Kom, en kijk met mij in den Spiegel der Wereld.”
En terwijl de anderen stilstonden, keek Francis met haar neer op de vreemde oppervlakte van vloeibaar metaal. Hij zag zich zelf in de bibliotheek van zijn huis in New-York en hij zag naast zich de Dame Die Droomt, terwijl zijn arm om haar heen geslagen was. Vervolgens zag hij hoe nieuwsgierig zij den koersaanwijzer bekeek. Toen hij haar dit uit wilde leggen, keek hij op de smalle strook en las daarop zoo’n ontstellend bericht, dat hij naar de dichtstbijzijnde telefoon sprong en zag hoe hij, terwijl het visioen verbleekte, zijn makelaar opbelde.
„Wat zag je?” vroeg Leoncia, toen ze de kamer uitgingen.
En Francis loog. Hij zei er niets van, dat hij de Dame Die Droomt in zijn bibliotheek te New-York gezien had. In plaats daarvan, antwoordde hij:
„Ik zag een koersaanwijzer en een effectenbeurs in Wall Street, die in een paniek overging. Hoe kan ze nu weten, dat ik iets uit te staan heb met Wall Street en koersaanwijzers?”
HOOFDSTUK XIX.
„Iemand moet dat gekke mensch trouwen,” sprak Leoncia, toen zij zich neerzetten op de matten der kamer, waarheen de priester hen gebracht had. „Niet alleen zal hij een held zijn, die ons leven redt, maar hij redt even goed zijn eigen leven. Nu, Senor Torres, u bent in de gelegenheid om ons aller leven en het uwe te redden.”
„Br-r-r!” huiverde Torres. „Ik zou haar nog voor geen tien millioen aan goud trouwen. Ze is te wijs. Ze is verschrikkelijk. Zij—hoe zal ik het zeggen—zij, zooals jelui Amerikanen zeggen, ze bezorgt mij kippenvel. Ik ben een dapper man. Maar tegenover haar ben ik niet dapper meer. Het angstzweet breekt mij uit. Voor geen tien millioen zou ik moeite willen doen om mijn vrees te overwinnen. Maar Henry en Francis zijn dapperder dan ik. Laat een hunner haar trouwen.”
„Maar ik ben verloofd met Leoncia,” zei Henry dadelijk. „Daarom kan ik de Koningin niet trouwen.”
Aller oogen vestigden zich nu op Francis, maar eer hij iets kon antwoorden, nam Leoncia het woord.
„Dat is niet eerlijk,” zei ze. „Geen uwer heeft zin haar te trouwen. De eenige billijke manier om het uit te maken is er om loten.” Onder het spreken trok ze drie stroospieren uit de mat, waarop ze zat en brak er een heel kort af. „De man, die het korte strootje trekt, zal het slachtoffer zijn. Gij, Senor Torres, trek het eerst.”
„De huwelijksklokken luiden voor het kortste strootje,” grinnikte Henry.
Torres bekruiste zich, huiverde en trok. Zijn stroospier was zóó lang, dat hij een serie danspassen uitvoerde, zingend:
„Voor mij geen trouw, ’k Verlang geen vrouw...”
Francis trok vervolgens en een even lange stroospier was zijn deel. Voor Henry bleef geen keus over. De overblijvende stroospier in Leoncia’s hand was het onheilsteeken. Zijn gelaat had een in-tragische uitdrukking, toen hij Leoncia onafgebroken aankeek. En zij vloeide, dit merkend, over van medelijden, terwijl Francis haar medelijden zag en de gedachten in hem zich vermenigvuldigden. Dit was de redding. De heele verschrikkelijke situatie kon zoo gemakkelijk opgelost worden. Hoe groot zijn liefde voor Leoncia ook was, nog grooter was zijn mannelijk loyaliteitsgevoel jegens Henry. Francis aarzelde geen oogenblik. Met een vroolijken klap op Henry’s schouder, riep hij uit:
„Welnu, hier is de eenige ongebonden vrijgezel, die niet bang is voor het huwelijk. Ik zal haar trouwen.”
Het was voor Henry’s gevoel, of hij van een dreigenden dood gered was. Zijn hand schoot uit naar die van Francis en, terwijl zij elkander de hand drukten, keken zij elkander met een oprechten blik aan, zooals alleen fatsoenlijke, eerlijke mannen kunnen kijken. Ook zag geen van beiden den misnoegden trek op Leoncia’s gelaat bij deze onverwachte ontknooping. De Dame Die Droomt had gelijk gehad. Leoncia, als vrouw, was niet loyaal, daar ze twee mannen liefhad en de Dame haar eerlijk aandeel betwistte.
Maar elk gesprek hierover werd belet door het kleine meisje uit het dorp, dat met de vrouwen binnentrad om hun middagmaal op te dienen. Torres’ scherpe oogen merkten het eerst het snoer edelsteenen op, dat om den hals van het meisje hing. Het waren robijnen en prachtige ook.
„De Dame Die Droomt heeft ze mij zooeven gegeven,” zei het meisje, dat verrukt was, dat haar nieuwe bezitting zoo bewonderd werd.
„Heeft ze er nog meer?” vroeg Torres.
„Natuurlijk,” was het antwoord. „Ze liet er mij net nog een groote kist van zien. En het waren er van allerlei soort en veel grooter, maar ze waren niet aangeregen. Het waren net gepelde graankorrels.”
Terwijl de anderen aten en praatten, rookte Torres zenuwachtig een cigaret. Daarna stond hij op en wendde een voorbijgaande ongesteldheid voor, die hem belette te eten.
„Luister,” sprak hij met nadruk. „Ik spreek beter Spaansch dan een van jelui Morgans. Ook geloof ik, dat ik het karakter der Spaansche vrouwen beter ken. Om u te laten zien, dat ik het hart op de rechte plaats draag, zal ik nu naar haar toegaan en zien of ik haar dit huwelijksplan niet uit het hoofd kan praten.”
Een der speerdragers versperde Torres den weg, maar, nadat hij naar binnen gegaan was, keerde hij terug en verzocht hem binnen te komen. De Koningin rustte op de divan en wenkte hem minzaam tot zich.
„Gij eet niet?” vroeg ze belangstellend en voegde er aan toe, nadat hij zijn gebrek aan honger toegestemd had: „Wilt gij dan drinken?”
Torres’ oogen glinsterden. Tusschen de opwinding door, waarin hij de laatste dagen verkeerd had en de onwetendheid hoe dit nieuwe avontuur, waartoe hij besloten was, zou eindigen, voelde hij een ontzettende behoefte aan een dronk. De Koningin klapte in haar handen en gaf bevelen aan de vrouwelijke bediende, die binnenkwam.
„Dit is zeer oud, eeuwenoud, zooals gij zult merken, Da Vasco, die het zelf vier eeuwen geleden hierheen bracht,” zei ze toen een man een klein houten tonnetje binnenbracht en openstak.
Aan den ouderdom van het vaatje kon niet getwijfeld worden en Torres, die wist, dat het twaalf generaties geleden den Atlantischen Oceaan overgestoken had, voelde hoe zijn keel begon te prikkelen van verlangen naar den inhoud. De dronk, die door de kamervrouw ingeschonken werd, was groot, maar toch verbaasde Torres zich over de zachtheid er van. Maar spoedig begon de tooverkracht van den vier eeuwen ouden drank haar spel in zijn aderen en maakte zijn hersenen van streek. De Koningin verzocht hem om aan haar voeten op den rand van de divan te gaan zitten, waar zij hem goed kon opnemen, en zei:
„Gij kwaamt ongeroepen. Wat hebt gij mij te zeggen of te vragen?”
„Ik ben de uitverkorene,” antwoordde hij, aan zijn knevel draaiend en pogingen aanwendend om een gezicht te trekken als een man, die op liefdesavonturen uitgaat.
„Vreemd,” sprak ze. „Ik heb uw gelaat niet gezien in den Spiegel der Wereld. Er is... een vergissing, is het niet?”
„Een vergissing,” bekende hij gereedelijk, daar hij in haar oogen las, dat ze zeker wist. „Het was de drank. Er schuilt een tooverkracht in, die mij u deed zeggen, wat mijn hart voor u voelt, want ik verlang zoo naar u.”
Met lachende oogen riep ze de kamervrouw weer en zijn aarden kroes werd opnieuw gevuld.
„Een tweede vergissing is hiervan misschien het gevolg, is het niet?” plaagde zij, toen hij den dronk naar binnen geslagen had.
„Neen, o Koningin,” antwoordde hij. „Nu is alles duidelijk. Nu kan ik mijn trouw hart beheerschen. Francis Morgan, de man, die uw hand kuste, is de man, die uitverkoren is om uw echtgenoot te worden.”
„Het is waar,” zei ze plechtig. „Zijn gezicht was het, wat ik zag en ik herkende het van het eerste oogenblik af.”
Aldus aangemoedigd, vervolgde Torres:
„Ik ben zijn vriend, zijn allerbeste vriend. Gij, die alle dingen weet, kent ook de gewoonte der bruidsschat. Hij heeft mij, zijn besten vriend, gezonden, om daarnaar te informeeren en den bruidsschat van zijn aanstaande te zien. Gij moet weten, dat hij tot de rijksten van zijn eigen land gerekend wordt, en de mannen daar zijn zeer rijk.”
Zoo plotseling stond zij van de divan op, dat Torres ineenkromp en half terugdeinsde, in den angst, dat hem een mes tusschen de schouderbladen gestoken zou worden. In plaats daarvan liep, of beter gezegd, zweefde de Koningin naar den ingang van een diepergelegen vertrek.
„Kom!” sprak ze gebiedend.
Eenmaal daarbinnen, herkende Torres, zoodra hij een blik in het rond geworpen had, de kamer voor wat zij was, haar slaapkamer. Maar zijn oogen hadden niet veel tijd voor zulke details. Den deksel van een zwaren ijzerhouten, met koper beslagen koffer oplichtend, zei ze hem erin te kijken. Hij gehoorzaamde en zag het wonder der wereld. Het kleine meisje had waarheid gesproken. Als even zooveel gepelde graankorrels, lag daar in de kist een onschatbare waarde aan juweelen—diamanten, robijnen, smaragden, saffieren, de kostbaarste, zuiverste en grootste van hun soort.
„Steek uw armen tot aan de schouders er in,” sprak ze, „en overtuig u, dat dit speelgoed echt is en van edelsteen, meer dan illusies en reflecties van een droombeeld, dat alleen in den droom werkelijkheid is. Dan kan je een juist rapport uitbrengen aan je zeer rijken vriend, die met mij zal gaan trouwen.”
En Torres, wiens brandende hersenen als krankzinnig waren door den ouden drank, deed als hem gezegd was.
„Zijn deze stukjes glas zoo’n wonderlijk iets?” plaagde zij. „Je oogen zien er uit, alsof zij groote wonderen aanschouwden.”
„Ik had nooit kunnen droomen, dat er ergens in de wereld zoo’n schat bestond,” mompelde hij in zijn dronkenschap.
„Ze zijn niet te taxeeren?”
„Ze zijn niet te taxeeren.”
„Ze hebben meer waarde dan rijkdom, liefde en eer?”
„Ze zijn meer waard dan iets ter wereld. Zij zouden iemand krankzinnig maken.”
„Kan men er de oprechte liefde van een man of een vrouw voor koopen?”
„Men zou er alles in de wereld voor kunnen koopen.”
„Kom,” zei de Koningin. „Gij zijt een man. Gij hebt vrouwen in uw armen gehad. Zou men er vrouwen voor kunnen koopen?”
„Van den oorsprong der tijden af heeft men daarvoor vrouwen gekocht en verkocht en vrouwen hebben er zich zelf voor verkocht.”
„Zal ik er het hart van uw besten vriend, Francis, voor kunnen koopen?”
Voor de eerste maal keek Torres haar aan en knikte en mompelde, terwijl zijn oogen waterig stonden van den drank en woest door het zien van zoo’n verzameling juweelen.
„Zal de goede Francis er zoo’n waarde aan hechten?”
Torres knikte sprakeloos.
„Hecht iedereen er zoo’n waarde aan?”
Weer knikte hij nadrukkelijk.
Zij uitte een zilveren spotlach. Zich vooroverbuigend, greep ze op goed geluk af een handvol der kostbaarheden.
„Kom,” beval zij. „Ik zal je laten zien, hoeveel waarde ik er aan hecht.”
Zij leidde hem door de kamer naar een platform, dat aan drie zijden omgeven was door een watervlakte en aan de vierde door een loodrechte rots. Aan den voet der rots vormde het water een draaikolk, die de opening verried voor den afvoer van het water uit het meer, waarover Torres de Morgans had hooren redeneeren. Met nog een zilverhelder, plagend lachje, wierp de Koningin de handvol kostelijke juweelen in het hartje van den draaikolk.
„Zooveel hecht ik er aan,” sprak ze.
Torres was ontzet en het opzettelijke dezer handeling ontnuchterde hem nagenoeg.
„En zij komen nooit terug,” lachte ze verder. „Niets komt ooit weer terug. Kijk maar!”
Zij wierp er een handvol bloemen in, die verscheidene keeren ronddraaiden in den draaikolk en snel in het middelpunt ervan naar beneden gezogen werden.
„Als niets terugkomt, waar gaat dan alles heen?” vroeg Torres met dikke tong.
De Koningin trok haar schouders op, ofschoon hij wist, dat ze de geheimen van het water kende.
„Meer dan één mensch is dien weg gegaan,” sprak ze droomerig. „Geen enkele hunner is ooit teruggekomen. Mijn moeder ging ook dien weg, toen ze dood was. Ik was toen nog een meisje.” Zij ontwaakte uit haar droomerijen. „Maar gij, gehelmde, ga nu heen. Breng rapport uit aan uw meester—uw vriend, bedoel ik. Zeg hem, hoe groot mijn bruidsschat is. En, als hij maar half zoo verzot is op die stukjes glas als gij, zullen zijn armen spoedig om mij heen geslagen zijn. Ik zal hier blijven droomen totdat hij komt. Het spel van het water boeit mij.”
Aldus weggezonden, betrad Torres de slaapkamer, kroop terug om heimelijk een blik te werpen op de Koningin en zag haar, op het platform zitten, met haar hoofd op haar hand rustend en in den draaikolk starend. Snel liep hij naar de kist, lichtte het deksel op en stopte een groote handvol in den zak van zijn broek. Voor hij een tweede handvol kon nemen, weerklonk achter zijn rug het spottend gelach der Koningin.
Vrees en woede overweldigden hem zoo zeer, dat hij op haar toesprong en haar vervolgde op het platform, waar hij alleen door den ponjaard, dien zij hem dreigend voorhield, teruggehouden werd van haar te grijpen.
„Dief,” zei ze kalm. „Gij zijt een man zonder eer. En het lot van alle dieven in dit dal is de dood. Ik zal mijn speerdragers roepen en je in den draaikolk laten werpen.”
En de doodsangst maakte Torres listig. Aandachtig kijkend naar het water, dat hem bedreigde, stiet hij een kreet van schrik uit alsof hij iets vreemds gezien had, zonk op één knie neer en begroef zijn, van gesimuleerden schrik vertrokken gelaat in zijn handen. De Koningin keek terzijde, om ook te zien, wat hij gezien had. Dit was zijn kans. Hij vloog overeind en op haar af als een tijger, die zijn prooi bespringt, haar bij de polsen grijpend en den ponjaard uit haar handen wringend. Hij veegde het zweet van zijn gelaat en sidderde, terwijl hij zich langzaam herstelde. Ondertusschen keek zij hem verwonderd, maar onbevreesd aan.
„Gij zijt een slechte vrouw,” snauwde hij haar toe, nog altijd trillend van woede, „een tooverheks, die zich bedient van de machten der duisternis en allerlei duivelsche zaken. Toch zijt gij een vrouw, uit een vrouw geboren, en daarom sterfelijk. De zwakheid der sterfelijkheid en der vrouw zijn uw eigendom, waarom ik u nu uit twee dingen laat kiezen. Òf gij zult in den draaikolk geworpen worden en sterven, òf...”
„Of?” herhaalde zij.
„Of...” Hij pauseerde, bevochtigde zijn droge lippen en barstte los. „Neen! Bij de Heilige Moeder Gods, ik ben niet bang! Of mij dezen dag trouwen, wat de andere keuze is.”
„Wil je mij om mijzelf trouwen? Of om den schat?”
„Om den schat,” stemde hij onbeschaamd toe.
„Maar in het Boek des Levens staat geschreven, dat ik met Francis zal trouwen,” weerlegde zij.
„Dan zullen we die bladzijde van het Boek des Levens overschrijven.”
„Alsof dat zou kunnen!” lachte zij.
„Dan zal ik je sterfelijkheid bewijzen daar in dien draaikolk, waarin ik je zal werpen, zooals jij er de bloemen in geworpen hebt.”
Op dit oogenblik was Torres werkelijk onversaagd—onversaagd door den ouden drank, die zijn bloed en hersenen in vuur zette, en omdat hij den toestand meester was. Bovendien hield hij, als echt Latijnsch-Amerikaan van een scène, waarin hij kon pronken en geuren.
Toch maakte zij hem aan het schrikken, door een sissend geluid uit te stooten, gelijkend op de Latijnsche manier om een bediende te roepen. Hij keek haar achterdochtig aan, toen naar de ingang van het slaapvertrek en richtte vervolgens den blik weer op haar.
Als een spook, zag hij slechts vaag met een zijdelingschen blik den grooten witten hond door den ingang springen. Opnieuw schrikkend, deed Torres onwillekeurig een stap terzijde. Maar zijn voet vond geen steun in de ijle lucht en de zwaarte van zijn lichaam deed hem van het platform in het water vallen. Juist toen hij viel en het uitgilde van wanhoop, zag hij de hond met een luchtsprong achter zich aankomen.
Hoewel een goed zwemmer, geleek Torres op een stroohalm in den greep van den draaikolk; en de Dame Die Droomt, die van den rand van het platform den blik niet van hem afwendde, zag hem verdwijnen en den hond na hem, in het hartje van den maalstroom, waaruit niets terugkeert.
HOOFDSTUK XX.
Langen tijd bleef de Dame Die Droomt staren op het spel der wateren. Ten slotte stond ze op, zuchtend: „Mijn arme hond.” Het heengaan van Torres beteekende niets voor haar. Van haar meisjesjaren af gewoon om de beschikking te hebben over leven en dood van haar half-wild en gedegenereerd volk, was het menschelijk leven haar, bijgevolg, niet heilig. Wanneer het leven goed en lief was, dan was het natuurlijk juist om het te laten leven. Maar wanneer het leven boos was en leelijk en gevaarlijk voor andere levens, dan was het juist om het te laten dooden of te dooden. Zoodoende was Torres voor haar slechts een episode geweest—onaangenaam, maar snel voorbijgaande. Maar van dien hond was het jammer.
Luid in de handen klappend, toen ze haar kamer binnentrad, om een van haar vrouwen te roepen, overtuigde zij zich, dat de deksel van de juweelenkist openstond. Zij gaf de vrouw een bevel en keerde zelf terug naar het platform, vanwaar ze onopgemerkt in de kamer kon kijken.