Dramatische Werken: De comedie der liefde; Brand; Peer Gynt
Part 2
Goed; 'k ga heen,... laat niemand weten, Wat tusschen jou en mij en háár moet blijven. Dank dat je luisteren wou naar mijn geheim. Begraaf het in je hart, hoû 't veilig daar...
(af naar den achtergrond hij de anderen).
(Valk kijkt hem een oogenblik na en loopt een paar maal den tuin op en neer, zichtbaar strijdende tegen zijn aandoeningen. Even later komt Zwaanhilde uit het huis met een doek op den arm; wil naar den achtergrond gaan; Valk nadert haar en kijkt haar onafgewend aan. Zwaanhilde blijft staan).
ZWAANHILDE (na een kleine pauze).
U kijkt mij zoo vreemd aan...?
VALK (half in zich zelf).
Ja, dáár is 't trekje, Diep in die oogen glijdt een vlucht'ge schaduw, Die om den mond verscholen speelt vol spotlust. Het is daar.
ZWAANHILDE.
Wat? U doet mij haast verschrikken.
VALK.
U heet Zwaanhilde?
ZWAANHILDE.
Ja, dat weet u wel.
VALK.
Maar weet u dat die naam belachlijk is? Doe mij 't genoegen... gooi hem over boord!
ZWAANHILDE.
O, dat zou eigenmachtig, ongepast zijn...
VALK.
Hm, "Zwaanhild"... "Zwaanhild"... (plotseling ernstig). Waarom kreeg u toch Al toen u klein was zoo'n memento mori?
ZWAANHILDE.
Klinkt 't leelijk dan?
VALK.
Neen, mooi als een gedicht, Maar veel te groot, te streng voor onze tijden. Hoe kan een meisje uit onze dagen nu Begrijpen wat de naam Zwaanhilde inhoudt? Neen, gooi hem weg, als een verouderd pak.
ZWAANHILDE.
U denkt vast aan het koningskind der sage?
VALK.
Dat schuldloos door de paarden werd vertrapt.
ZWAANHILDE.
Maar onze wet laat zoo iets niet meer toe. Neen, hoog in 't zadel! In mijn stille droomen Joeg 'k, voortgedragen op een vurig paard, Zoo vaak ver weg, de wereld in vol moed, Zijn manen als een vrijheidsvlag me omwapprend!
VALK.
Dat 's oude liedje. In die "stille droomen" Kent niemand van ons paal of perk of grenzen, Dan vreest geen mensch de sporen te gebruiken;... Bij daden blijven wij zoet hier beneden; Want 't leven heeft een ieder innig lief, En niemand wil een sprong ten doode wagen.
ZWAANHILDE (levendig).
Ja, wijs mij 't doel maar, en ik waag 't te springen. Maar dan zij 't doel den sprong ten doode ook waard. Een Californië na zandwoestijnen,... Zoo niet, dan is 't maar beter thuis te blijven.
VALK (spottend).
Och ja, "de tijd" is zeker daaraan schuld.
ZWAANHILDE (warm).
Ja, juist, dat is 't! Waarom als 't windstil is, De boot uitzetten en de zeilen hijschen?
VALK (ironisch).
Ja, waarom zweep of scherpe sporen slijten, Waar niet met gouden prijs hij wordt beloond Die moed heeft vrij de wereld in te gaan, En hoog in 't zadel, stout vooruit te streven? Zoo'n tocht, zoo zonder doel, is iets voor d'adel, Maar onze tijd lacht om wat aadlijk is; Dat wou u zeggen, niet?
ZWAANHILDE.
Ja, dat is waar; Zie naar dien pereboom die ginder staat,... Wat is die dor en bloesemloos van 't jaar. Verleden jaar, dat had u moeten zien, Boog heel de boom onder zijn vruchtenlast.
VALK (een beetje onzeker).
Ik g'loof het graag; maar wat moet 'k daaruit leeren?
ZWAANHILDE (fijntjes).
O, onder meer, dat 't voor een Zacharias Van ónzen tijd, te veel verlangd is, peren Te oogsten waar een vorig jaar de boom Te veel gedragen heeft aan bloem en vrucht.
VALK.
Ik wist het wel. U zou wel 't spoor weer vinden In oud-romantische geschiedenissen.
ZWAANHILDE.
Ja, onze deugd is van een ander slag. Wie komt er op en strijdt voor waarheid nog, Wie waagt zijn huid en zijn persoonlijkheid? Waar vindt men helden?
VALK (kijkt haar scherp aan).
En waar zijn Walkuren?
ZWAANHILDE (schudt het hoofd).
Walkuren zijn niet noodig in dit land! Toen 't g'loof onlangs in Syrië werd bedreigd Trok u toen als verdediger daarheen? Neen, op papier ging u de zaak ter harte. En voor het goede doel zond u wat geld af.
(Pauze. Valk schijnt te willen antwoorden, maar houdt zich in en gaat den tuin in).
ZWAANHILDE (kijkt hem een oogenblik aan, nadert dan en vraagt zacht).
Valk ben je boos?
VALK.
Welneen, ik sta te peinzen;... En anders niets.
ZWAANHILDE (nadenkend en meewarig).
Je hebt als twee karakters... Geheel verschillend...
VALK.
Ja, dat weet ik wel.
ZWAANHILDE (driftig).
Maar waarom toch?
VALK (uitbarstend).
Omdat ik 't niet kan dulden Voor Jan-en-alleman mijn naakte ziel Ten toon te stellen... als 't profane menschdom, Dat op de straat te koop loopt met zijn liefde... Als jonge vrouwen met hun bloote armen! Jij was de eenige,... jij Zwaanhild, jij... Dat dacht ik... maar dat is nu ook voorbij...
(wendt zich tot haar terwijl zij naar het prieël gaat en uitkijkt).
Je luistert...
ZWAANHILDE.
Naar een andre stem, die 's avonds... Sst! Hoor je wel?... spreekt als de zon gaat dalen. Een kleine vogel, kijk, verschuilt zich daar In 't loof,... daar komt hij net weer voor den dag... En weet je wat ik vast geloof? Haar, wie Geen dichterziel, geen zangstem werd gegeven Die kreeg van God een vogeltje tot vriend... Voor haar alleen en voor haar tuin geschapen.
VALK (neemt een steen van den grond op).
Dan moeten mensch en dier elkaar ontmoeten, Zal niet zijn zang te loor gaan bij een vreemde.
ZWAANHILDE.
Ja, dat is waar; maar 't mijne vond ik al. 'k Kreeg niet de gaaf van 't woord en ook geen zangstem; Daar kweelt mijn vogeltje in zijn groene schuilplaats, Daar voel 'k als zangen dalen in mijn ziel... Nu ja... ze blijven niet... ze vliegen weg...
(Valk gooit driftig met den steen; Zwaanhilde uit een kreet).
O God! je raakte hem! Hoe kon je 't doen!
(loopt naar rechts en komt weer dadelijk terug).
O dat was slecht, heel slecht!
VALK (hartstochtelijk opgewonden).
Neen... oog om oog En tand om tand, Zwaanhilde, meer was 't niet! Nu krijg je dan geen groet meer uit de hoogte, Uit 't land der zangen geen geschenken meer. Dat is mijn wraak nu over wat je deedt!
ZWAANHILDE.
Wat 'k deed?
VALK.
Ja, jij! Tot op dit oogenblik Zong in mijn borst een vogel stout en sterk. Nu kan de doodsklok voor hen beiden luiden,... Jij doodde hém!
ZWAANHILDE.
Ik?
VALK.
Ja, toen jij versloeg Mijn g'loof, zoo jong, zoo blij en zegevierend...! (verachtelijk). Toen jij je hebt verloofd!
ZWAANHILDE.
Wat meen je toch?
VALK.
O ja, dat 's stellig wel een heel best zaakje; Hij doet examen, wordt wel gauw beroepen,... Hij wenscht toch naar Amerika te gaan...
ZWAANHILDE (op denzelfden toon).
En heeft een aardig duitje nog te wachten;... Want je zult zeker Lind bedoelen?
VALK.
Dat Zal jij wel weten...
ZWAANHILDE (met ingehouden lach).
Ja, als bruidjes' zuster Dient dat wel...
VALK.
God! Ben jij 't dan niet...?
ZWAANHILDE.
Die oogstte Zoo'n overgroot geluk? Ach neen, eilacy!
VALK (bijna kinderlijk blij).
Jij bent het niet! O nu zij God geloofd! Och, Onze Lieve Heer is goed en mild toch! Niet met een ander zal 'k gearmd je zien... Hij wilde alleen het licht der smart ontsteken...
(wil haar hand vatten).
O Zwaanhild, hoor eens, luister...
ZWAANHILDE (wijst snel naar den achtergrond).
Kijk eens daarheen!
(Zij gaat naar het huis. Van den achtergrond komen op dat oogenblik mevr. Halm, Anna, juffr. Ekster, Goudstad, Stuiver en Lind. Gedurende het voorgaande is de zon ondergegaan; het landschap ligt in schemerdonker).
MEVR. HALM (tegen Zwaanhilde).
Nu zal de dominee aanstonds wel komen. Waar bleef je toch?
JUFFR. EKSTER (met een blik op Valk).
Je staat daar als beteuterd.
ZWAANHILDE.
Ik heb wat hoofdpijn; 't zal wel overgaan.
MEVR. HALM.
En loop je dan hier met je bloote hoofd? Zet nu vast thee en maak de kamer netjes; 't Moet in de puntjes zijn; ik ken mevrouw wel.
(Zwaanhilde gaat het huis binnen).
STUIVER (tegen Valk).
Weet jij wat Strooman in de Kamer wil?
VALK.
Ik denk niet dat hij voor verhooging stemt.
STUIVER.
Maar als een zachte wenk hij nu eens kreeg Dat 'k verzen in mijn schrijfmap houd verborgen?
VALK.
Misschien dat 't hielp.
STUIVER.
Och was 't maar waar... want heusch Het spant er, nu 't tot trouwen dan zal komen. De liefdezorgen zijn niet licht te tellen!
VALK.
Net goed: wat doe je in zoo'n wespennest!
STUIVER.
Dus liefde noem je zóó?
VALK.
Dat niet, maar 't huwlijk, Met banden, vrijheidsroof en slavenleven.
STUIVER (ziende dat Juffr. Ekster naderbij komt).
Je weet niet wat een heerlijk kapitaal Er ligt in 't woord der vrouw en in haar geest.
JUFFR. EKSTER (zachtjes).
Denk je dat Goudstad wil een voorschot geven?
STUIVER (knorrig).
Ik weet niet zeker nog; ik zal 't probeeren.
LIND (gedempt tegen Valk terwijl hij met Anna nader komt).
Ik hoû 't niet langer uit; ik moet terstond Aan allen 't zeggen nu...
VALK.
In plaats te zwijgen, En geen oningewijde te vertellen, Wat jou alleen aangaat...
LIND.
Dat 's ook wat moois;... Voor jou, mijn vriend, ook hier in huis logeergast, Moest ik verstoppen dan mijn jong geluk! Neen, nu mijn hoofd van jubel staat in brand...
VALK.
Nu wil je je ook maar nijdig laten maken? Ja, goede lieve vriend, als dat je opinie is, Ga dan maar gauw je engagement vertellen!
LIND.
Dat dacht ik ook, om meer dan ééne reden, En één daarvan lijkt mij wel van gewicht; Stel eens dat onder ons zich zou bevinden Een stille aanbidder, sluipend om haar heen; Stel dat hij dan op-eens met huwelijksplannen kwam En aanzoek om haar hand... wat dat gênant zou zijn...!
VALK.
Je hebt gelijk; ja, ik vergat geheel Dat tot wat hoogers jij je voelt bestemd. Van liefde's vrije priester die je nú bent, Moet vroeg of laat je nog promotie maken; Maar het is zelfs in strijd met alle vormen Je nu al voor te doen als hoog-gewijde.
LIND.
Ja, zie je, als niet Goudstad...
VALK.
Wat van hem?
ANNA (verlegen).
Och, dat is iets dat Lind zich in zijn hoofd zet.
LIND.
Zeg dat nu niet; ik voel dat hij treedt tusschen Mijn nieuw geluk en mij, waar hij maar kan. Die kwast komt immers daaglijks hier naar buiten, Is rijk en vrijgezel, steeds om je heen; In 't kort, mijn liefste, er is nog zooveel Dat niets dan onheil voor ons kan voorspellen.
ANNA (met een zucht).
Hè dat is jammer, 't was zoo mooi vandaag!
VALK (deelnemend tegen Lind).
Laat niet 't geluk je ontgaan door sombre grillen, Wacht nog wat... geef niet noodeloos je bloot.
ANNA.
O! Juffrouw Ekster kijkt naar ons; zeg niets meer!
(Zij en Lind af, ieder naar een anderen kant)
VALK (kijkt Lind na).
Daar gaat hij heen en doodt zijn eigen jeugd.
GOUDSTAD (die intusschen bij de trap heeft gestaan in gesprek met mevr. Halm en Juffr. Ekster, komt nu naderbij en klopt hem op den schouder).
Wel, staat u hier te broeden op een lied?
VALK.
Neen, op een drama.
GOUDSTAD.
Zoo? Wel nu nog mooier!... Ik dacht niet dat u daaraan ook al deed.
VALK.
Neen, dit is eigenlijk ook voor een ander, Een vriend van mij, ja, van ons allebei;... Een schrijver van bizondre handigheid, Want tusschen middaguur en avondstond Heeft hij al afgemaakt een heele idylle.
GOUDSTAD (sluw).
Blij-eindigend, niet waar?
VALK.
U weet toch wel Dat 't scherm pas valt als zij elkander krijgen. Maar dat is nog maar één van zijn drie stukken: Daarnà eerst komen nog de schrijversweeën, Als nummer twee, de klucht van de verloving, Door vijf bedrijven heen behandeld wordt. En hieruit spint hij dan op nieuw de stof Voor 't huwelijksdrama, dat is dan het derde.
GOUDSTAD (glimlachend).
De schrijflust schijnt aanstekelijk te werken.
VALK.
Zoo? Hoe dan wel?
GOUDSTAD.
Ik meen alleen in zóóver Als 'k ook te broeden rondloop op een dichtstuk,...
(geheimzinnig).
Maar heel reëel en uitermate praktisch.
VALK.
Wie is de held, als ik zoo vrij mag zijn?
GOUDSTAD.
Dat zeg ik morgen wel, maar eerder niet.
VALK.
Dan is u 't zelf!
GOUDSTAD.
Zou 'k daarvoor deugen, denkt u?
VALK.
Een beetre held waar' waarlijk niet te vinden. Maar de heldin dan? Zij woont zeker buiten Op 't vrije land, niet in bedompte stad?
GOUDSTAD (dreigt met den vinger).
Daar zit de knoop... dat mag ik niet verklappen!...
(verandert van toon).
Zeg eens, wat dunkt u wel van juffrouw Halm?
VALK.
O, u moet stellig haar veel beter kennen; Mijn oordeel kan noch kwaad noch goed beduiden...
(glimlachend).
Doch pas maar op, dat 't niet in 't honderd loopt Met dat gedicht waarvan u heeft verteld. Stel dat ik uw vertrouwen zou misbruiken, En uitkomst en intrige ging bederven.
GOUDSTAD (gemoedelijk).
Nu ja, dan zou ik ook wel amen zeggen.
VALK.
Is dat gemeend?
GOUDSTAD.
U is toch man van 't vak; En 't waar' te gek, werd uwe hulp versmaad Door wie, als ik, maar is een dilettant (gaat naar den achtergrond).
VALK (in 't voorbijgaan tegen Lind).
Je hadt gelijk; die rijke heer loopt rond Met moordnaarsplannen tegen je geluk, hoor. (verwijdert zich).
LIND (zacht tegen Anna).
Nu zie je 't eens, 'k was niet voor niets zoo bang; Wij moeten heusch terstond je moeder spreken.
(Zij gaan naar mevr. Halm toe, die met juffr. Ekster bij het huis staat).
GOUDSTAD (pratend met Stuiver).
Wat prachtig mooie avond.
STUIVER.
O zeker, ja, Als er maar stemming is...
GOUDSTAD (schertsend).
Iets niet in orde Met uw liefde soms?
STUIVER.
Niet juist dáármee...
VALK (die er bij gekomen is).
Maar met 't engagement?
STUIVER.
Misschien is 't dát wel.
VALK.
Hoera, dan ben je niet geheel ontbloot nog Van ieder sprankje poëzie, gelukkig.
STUIVER (beleedigd).
'k Begrijp niet wat met mijn engagement Of ook met mij, de poëzie te doen heeft.
VALK.
Dat moet je ook niet begrijpen; als de liefde Haar eigen wezen kent, dan moet zij sterven.
GOUDSTAD (tegen Stuiver).
Maar is er iets waar 'k u mee helpen kan Dan zeg het maar.
STUIVER.
Ja, ik heb heel den dag al Bedacht hoe 'k u de zaak zou kunnen zeggen, Maar 'k kon niet komen tot een goed besluit.
VALK.
Ik zal je helpen en ik maak het kort: Sinds jij tot een "aanstaande" bent bevorderd, Gevoel jij je gedrukt en steeds gedrukter...
STUIVER.
Ja, dat was wel bij tijden nog al erg...
VALK (voortgaand).
En ging zoo waar gebukt onder verplichtingen Die je ter helle joeg, als je maar kon; Dat is de zaak.
STUIVER.
Wat zijn dat voor verdichtingen! Ik heb geprolongeerd, als eerlijk man. (tegen Goudstad). Maar 't wordt met iedre maand al meer en erger. En men krijgt toch een vrouw als men gaat trouwen...
VALK (vroolijk).
Nu is de hemel van je jeugd weer helder, Dit was een echo uit je dichtertijden! Zoo moet 't ook zijn; 'k begreep het wel terstond; 'n Paar vleugels had je noodig en een schaar!
STUIVER.
Een schaar?
VALK.
Een wil-schaar, ja, om alle banden Weer los te knippen, dat je uit kon vliegen Weer vrank en vrij...
STUIVER (boos).
Neen, dat wordt ál te grof! Dat ik beschuldigd word van zoo'n vergrijp Aan het gezag, dat 'k stil maar heengaan zou? Zoo iets is een bekladden van mijn eer En lasterlijke praat!
VALK.
Mensch, ben je dwaas! Wat wil je dan toch zeggen? Spreek toch... spreek!
GOUDSTAD (lachend tegen Stuiver).
Ja, tracht de zaak eens helder in te denken. Wat wou u dan?
STUIVER (bedaart weer).
Een leening bij de spaarbank.
VALK.
Een leening!
STUIVER (snel tegen Goudstad).
'k Meen een endossement Voor honderd thaler of zoo daaromtrent.
JUFFR. EKSTER (die inmiddels bij mevr. Halm, Lind en Anna heeft gestaan).
Hoe aardig! Och! Nu veel geluk, hoor kindren!
GOUDSTAD.
Wat is dat nu? (gaat naar de dames).
STUIVER.
Dat kwam daar ongelegen.
VALK (slaat uitgelaten zijn armen om zijn hals).
Hoera, trompetgeschal verkondigt luid Dat Amor je een broertje heeft gebracht.
(trekt hem mee naar de anderen).
JUFFR. EKSTER (overweldigd tegen de heeren).
Och, Lind en Anna,... Lind heeft haar gekregen! Zij zijn geëngageerd!
MEVR. HALM (met tranen van ontroering, terwijl het paar gelukgewenscht wordt).
Dat 's al de achtste, Die welverzorgd en blij dit huis verlaat;... (tot Valk gewend). Al zeven nichtjes... allemaal met gasten... (haar aandoening wordt haar te machtig; zij houdt haar zakdoek voor de oogen).
JUFFR. EKSTER (tegen Anna).
Nu zullen er heel wat bezoeken komen.
(liefkoost haar zeer aangedaan).
LIND (grijpt Valk's handen).
O vriend, ik leef als in een zwijmelroes!
VALK.
Stil;... als verloofde ben je lid geworden Van 't geestelijke matigheidsgenootschap; Je kent 't gebod:... geen slemppartijen hier!
(keert zich tot Goudstad met een beetje boosaardige deelneming).
Nu mijnheer Goudstad?
GOUDSTAD (vergenoegd).
Wel, ik zou durven denken Dat voor hen beiden dit geluk belooft.
VALK (kijkt hem verwonderd aan).
U draagt uw leed met wel te prijzen rust. 't Doet mij genoegen.
GOUDSTAD.
Wat meent u toch, mijn waarde?
VALK.
'k Bedoel dat aangezien u zelf toch voedde Een zoete hoop...
GOUDSTAD.
Deed ik dat? Inderdaad?
VALK.
U was ten minste goed daartoe op weg; U noemde juffrouw Halm; u stond toch hier En vroeg mij...
GOUDSTAD (glimlachend).
Ja, maar zijn er dan geen twee?
VALK.
Dus 't is de andre, die u meent... haar zuster?
GOUDSTAD.
Haar zuster, ja, de andre,... juist, die is 't. Leer eerst die zuster maar wat nader kennen, En oordeel zelf of zij niet zou verdienen Dat er wat meer werk van haar werd gemaakt Dan hier in huis gewoonlijk wordt gedaan.
VALK (koel).
Zij heeft wel alle goede eigenschappen.
GOUDSTAD.
Niet alle nog: den conversatietoon Kan zij niet vatten; daar legt zij het af...
VALK.
Ja, dat is erg.
GOUDSTAD.
Maar als mevrouw haar maar Eén winter uitbrengt, wed ik dat voor niemand Zij onderdoet.
VALK.
Ja, dat zal wel zoo zijn.
GOUDSTAD.
Ja, dat is wonderlijk met jonge meisjes!
VALK (vroolijk).
Zij zijn als winterrogge op het land; Zij kiemen ongemerkt in vorst en sneeuw.
GOUDSTAD.
De balzaal is hun thuis van 't kerstfeest af...
VALK.
Daar komt de mest er op... schandalen, praatjes...
GOUDSTAD.
En als de warme lentelucht dan komt...
VALK.
Dan komen groene dametjes te voorschijn!
LIND (komt bij hen en grijpt Valk's handen).
Wel was 't verstandig dat ik deed dien stap... Ik voel mij zoo gelukkig en zoo rustig!
GOUDSTAD.
Ziedaar den bruidegom; vertel nu eens Hoe men zoo doet als pas verloofde minnaar!
LIND (onaangenaam aangedaan).
Daarover spreekt men met een derde niet.
GOUDSTAD (schertsend).
Slecht gehumeurd? Dat zal ik Anna klikken. (gaat naar de dames toe).
LIND (kijkt hem na).
Is dat een vraag, die man is onverdraaglijk!
VALK.
Je hebt je toch in hem vergist,...
LIND.
Och kom?
VALK.
Het was niet Anna die hij had op 't oog.
LIND.
Wat! Was het Zwaanhild?
VALK.
Ja, dàt kan 'k niet zeggen. (luimig) Vergeef mij, voor een ander leedt je pijn!
LIND.
Hoe meen je dat?
VALK.
Zeg, heb je de courant Gelezen?
LIND.
Neen.
VALK.
Ik zal je 't dagblad zenden; Daar staat iets in, van iemand wien het lot Zijn goede, gave oogtand trekken deed, Omdat een neefje van hem leed aan tandpijn.
JUFFR. EKSTER (kijkt uit het raam).
O daar komt dominee!
MEVR. HALM.
Met hoeveel zijn ze?
STUIVER.
Vijf, zes... acht kinderen.
VALK.
Dat 's buitensporig!
JUFFR. EKSTER.
Hè, zoo iets is toch bijna onfatsoenlijk!
(Intusschen heeft men een rijtuig hooren stilhouden links buiten. De dominee, zijn vrouw en acht kleine meisjes, allen in reistoilet, komen één voor één binnen).
MEVR. HALM (ijlt de nieuw aangekomenen te gemoet).
Welkom hier, hartelijk welkom hier!
STROOMAN.
Dank u.
MEVR. STROOMAN.
O, u heeft zeker gasten...
MEVR. HALM.
Och, wel neen!
MEVR. STROOMAN.
Want komen we ongelegen...
MEVR. HALM.
Neen... integendeel; U komt juist goed van pas, want denk eens aan, Mijn dochter Anna is daar net verloofd.
STROOMAN (schudt Anna de hand met zalving).
Laat mij getuigen;... liefde,... zielsgemeenschap... Dat is een schat, die motten niet of roest Verteren kunnen... zoo zij althans echt is.
MEVR. HALM.
Hoe aardig dat u al de kleintjes mee Gebracht heeft naar de stad.
STROOMAN.
Er zijn er nóg vier Die buiten zijn gebleven.
MEVR. HALM.
Och kom, ja?
STROOMAN.
Drie daarvan zijn te klein om te beseffen Wat 't is een liefdrijk vaderhart te missen Voor 's rijks belang.
JUFFR. EKSTER (tegen mevr. Halm terwijl zij afscheid neemt).
Nu ga ik u verlaten.
MEVR. HALM.
Och, waarom gaat u al zoo gauw weer weg?
JUFFR. EKSTER.
Ik moet nog in de stad het nieuws vertellen; Bij Jensen, weet ik, gaan ze laat naar bed; De tantes zullen blij zijn, nu dat spreekt. Mijn lieve Anna, wees niet meer verlegen... Want morgen is het Zondag; met visites Wordt je overstroomd, daar kan je vast op reeknen!
MEVR. HALM.
Nu, wèl thuis dan! (tegen de anderen). En u wil zeker wel Een kopje thee? Mevrouw wees dan zoo goed!
(Mevr. Halm, Strooman, zijn vrouw en kinderen met Goudstad, Lind en Anna gaan het huis in).
JUFFR. EKSTER (terwijl zij Stuivers arm neemt).
Nu gaan wij dwepen! Stuiver kijk eens hier, Hoe Luna zwevend rust tusschen de wolken! Maar neen, je kijkt niet eens!
STUIVER.
O ja, jawel! Ik dacht alleen maar even aan ons debet.
(Zij gaan weg naar links. Valk die onder het voorgaande onafgewend Strooman en zijn vrouw beschouwd heeft, blijft alleen in den tuin achter. Het is nu heelemaal avond; in huis is het licht opgestoken).
VALK.
Het àl verbrand en dood;... troostlooze jammer! Zoo gaan zij door het leven, twee aan twee, Te zamen staan zij als de zwarte stammen, Die 'n boschbrand naliet op de dorre hei;... Zoo ver het oog maar reikt is 't kale vlakte... O brengt dan niemand 's levens frissche groen!
(Zwaanhilde komt op de veranda met een bloeienden rozenstruik dien zij op de balustrade zet).
Die ééne... ja...!
ZWAANHILDE.
Valk, sta jij daar in 't donker?
VALK.
En ben niet bang? Neen, 't donker is juist mooi. Maar zeg eens, ben jij dan niet bang daarbinnen, Waar 't lamplicht op de vale lijken valt...
ZWAANHILDE.
O foei!
VALK (kijkt naar Strooman, die zich aan het raam vertoont).
Wat was hij vroeger hoog van moed; Vocht voor zijn liefde tegen heel de wereld, Trok tegen zede en gebruik te veld. Zijn liefde uitte hij in blijde zangen...! Zie hem nu aan! In lange jas... zijn beste... Het wandlend drama van zijn diepen val! En dan die vrouw, met haar verlepte jurk, Met scheefgeloopen schoenen, los en klapperend, Zij is de fee, die hem tot schoonheidsleven De groote wereld binnen leiden zou. Wat bleef er van die vlam? Niet eens de rook meer! Sic transit gloria Amoris, zie je!
ZWAANHILDE.
Och ja, 't is jammerlijk ellendig, alles. Ik weet geen mensch wiens lot 'k zou willen deelen.
VALK (snel).
Welnu, wij twee staan op tegen een orde Indruischend tegen de natuur, onwaar!
ZWAANHILDE (schudt het hoofd).
Dan was voorzeker 't mis met ons verbond, Zoo stellig als wij staan hier op den grond.
VALK.
Neen, 't wordt triomf waar streven twee vereend. Wij willen langer niet van de gemeente Der platte alledaagschheid leden zijn! Zelfstandig, waar en vrij zich te ontwikk'len Moet toch het doel zijn van een ernstig mensch. Dat heb jij ingezien zoo goed als ik. Er klopt een zieleleven in je polsen Dat warme woorden vindt voor krachtig denken. Jij duldt het keurslijf niet der vormlijkheid Gesnoerd om 't hart, dat vrij en ruim wil kloppen; Je stem is niet geschikt om mee te zingen In het gewoonte-koor, naar zede-maat.
ZWAANHILDE.
En denk je niet dat menigmaal de smart Mijn oog versomberd heeft, mijn borst benauwd? Ik had mijn eigen weg mij willen maken...
VALK.
Ja, in gedachte, stil?
ZWAANHILDE.
Neen, met der daad. Toen kwamen tantes met haar goeden raad,... Zij moesten overleggen, wikken, wegen... (dichterbij). Maar in gedachte, zeg je; neen ik waagde Een stoute poging zelfs... 'k ging leeren schildren.
VALK.
En toen?
ZWAANHILDE.
't Liep mis, omdat ik geen talent had; Maar toch mijn vrijheidsdrang liet zich niet binden; En 'k zocht daarna de planken van 't theater...
VALK.
Dat plan moest ook wel tegenkanting vinden?
ZWAANHILDE.
Ja, 't was voornamelijk mijn oudste tante; Zij zag mij liever gaan als gouvernante...
VALK.
Maar van dat alles heb ik nooit gehoord!
ZWAANHILDE.
Natuurlijk niet; daar pasten zij wel op. (met een glimlach). Zij waren bang, 't zou slecht zijn voor mijn toekomst, Als jonge heeren het te weten kwamen.
VALK (kijkt haar een oogenblik deelnemend aan).