Chapter 32
MEVR. STOCKMANN. Maar, Thomas-lief, je hebt nu gezien welk nut dat preeken heeft, dunkt mij.
DR. STOCKMANN. Je bent heusch komiek, Katrine. Moest ik mij misschien uit het veld laten slaan door de publieke opinie en de compacte meerderheid en dergelijk duivelstuig? Neen, dank je wel! En dat wat ik wil is immers zoo eenvoudig en helder en zoo klaar als de dag. Ik wil die straathonden alleen maar inpompen dat de liberalen de gemeenste vijanden zijn van de vrijheidsmannen ... dat partijleuzen alle jonge levensvatbare waarheden den nek omdraaien, dat utiliteits-overwegingen alle moraal en rechtschapenheid onderste boven keeren, zoodat het leven hier ten slotte een gruwel wordt. Gelooft u niet, kapitein, dat ik dat de menschen nog wel begrijpelijk zal kunnen maken?
HORSTER. Misschien wel; ik heb er niet veel verstand van.
DR. STOCKMANN. Ja, ziet u,... let nu eens op! Het zijn de hoofden der partijen die uitgeroeid moeten worden. Want een partijhoofd is net als een wolf, ziet u,... als een hongerige izegrim ... hij heeft ieder jaar zoo-en-zooveel stuks klein vee noodig om te kunnen bestaan. Kijk nu maar eens naar Hovstad en Aslaksen! Hoeveel klein vee maken alleen die twee al niet dood; of ze verminken het en bederven het zóó, dat ze nooit meer iets anders kunnen worden dan abonné's op de "Volksbode"! (_gaat op den rand van de tafel zitten_). Zeg, Katrine, kom eens hier,... kijk eens hoe mooi de zon hier in schijnt van daag. En die heerlijke lentelucht die naar binnen stroomt!
MEVR. STOCKMANN. Ja, als we maar van zonneschijn en lentelucht konden leven, Thomas!
DR. STOCKMANN. Nou, je moet maar zuinig zijn en sparen, dan gaat het wel. Dat is mijn minste zorg. Neen, wat erger is, dat is dat ik geen enkel man ken, vrij en voornaam genoeg, om den moed te hebben na mijn dood mijn werk voort te zetten.
PETRA. O vader, daar mag je niet aan denken! Je hebt nog tijd genoeg vóór je.... Kijk, daar zijn de jongens ook al.
(_Ejlif en Morten komen uit de huiskamer_).
MEVR. STOCKMANN. Heb je vrijaf gekregen van daag?
MORTEN. Neen; maar we hebben gevochten met de anderen in den vrijen tijd....
EJLIF. Dat is niet waar; het waren de anderen die met ons begonnen te vechten.
MORTEN. Ja, en toen zei mijnheer Rörlund dat wij beter deden eenige dagen thuis te blijven.
DR. STOCKMANN (_knipt met de vingers en springt van de tafel af_). Nu heb ik het! Nu heb ik het, bij mijn ziel! Jullie zult nooit weer een voet in de school zetten!
De jongens. Niet meer naar school?
MEVR. STOCKMANN. Neen maar, Thomas....
DR. STOCKMANN. Nooit meer, zeg ik je! Ik zelf zal jullie onderwijzen ... dat is te zeggen jullie zult niet zoo maar gewone dingen leeren....
MORTEN. Hoera!
DR. STOCKMANN. ... maar ik zal jullie tot vrije voorname mannen maken.... En jij, Petra, jij moet mij daarbij helpen.
PETRA. Ja vader, daarop kan je rekenen.
DR. STOCKMANN. En wij zullen school houden in de zaal, waar zij mij voor een volksvijand hebben uitgescholden. Maar er moeten er nog meer zijn. Ik moet ten minste twaalf jongens hebben om mee te beginnen.
MEVR. STOCKMANN. Die krijg je hier in de stad stellig niet bij elkaar.
DR. STOCKMANN. Dat zullen wij eens zien (_tegen de jongens_). Kennen jullie niet een paar straatjongens?... zoo'n paar echte schooiers?...
MORTEN. Jawel, vader, ik ken er een heeleboel.
DR. STOCKMANN. Mooi zoo; breng er mij dan maar een stuk of wat hier. Ik zal eens eenige proeven nemen op straathonden ... soms zijn er merkwaardige koppen onder.
MORTEN. Maar wat moeten wij dan doen als wij eenmaal vrije en voorname mannen zijn geworden?
DR. STOCKMANN. Dan moeten jullie alle izegrims naar het verre Westen jagen, jongens!
(_Ejlif kijkt een beetje bedenkelijk; Morten springt in de rondte en roept hoera_).
MEVR. STOCKMANN. Och, als het de izegrims maar niet zijn die jou wegjagen, Thomas!
DR. STOCKMANN. _Mij wegjagen_! Nù, nu ik de sterkste man van de heele stad ben!
MEVR. STOCKMANN. De sterkste ... nù?
DR. STOCKMANN. Ja, dat groote woord durf ik nu uit te spreken, dat ik nù een van de sterkste mannen van de wereld ben.
MORTEN. Neen toch?
DR. STOCKMANN (_spreekt zachter_). Stil; je moet er nog niet over spreken; maar ik heb een groote ontdekking gedaan.
MEVR. STOCKMANN. Alweer een?
DR. STOCKMANN. Zeker, zeker! (_haalt hen dicht om zich heen en zegt vertrouwelijk_). De zaak is, zie je, dat hij de sterkste man ter wereld is, die alleen staat.
MEVR. STOCKMANN (_glimlacht en schudt 't hoofd_). Och, Thomas-lief...!
PETRA (_troostend, vat zijn hand_). Vader!
EINDE VAN HET VIJFDE OF LAATSTE BEDRIJF.
* * * * *