Door Noorwegen De Aarde en haar Volken, 1908
Chapter 4
Bij Utne voeren we de Sörfjord in, een vaarwater dat aanvankelijk nog 2 kilometer breed is, maar over eene lengte van 40 kilometer ten laatste maar enkele honderde meters tusschen de rotswanden meten kan. Langs de oostelijke oevers liggen vele dorpen en gehuchten. De bergstroomen hebben hier, nog meer dan elders, lagere landstrooken gevormd, die eene zeer beschutte ligging hebben en eene uitstekende vruchtenkultuur mogelijk maken. Langs het middengedeelte van de fjord, waar deze ook nooit bevriest vindt men tal van kersen en appelboomgaarden; de plantengroei is zeer weelderig en er heerscht groote welvaart. Aan de oostzijde openen zich ook verscheiden dalen, die fraaie uitzichten opleveren; aan de westzijde is de doorloopende bergrug getooid met tal van watervallen en op den top bedekt met eeuwigdurende sneeuw en hier en daar een gletscher. Natuurlijk was dit alles beschreven in verschillende reisboeken, en wij allen--ik was in nadere aanraking gekomen met eene duitsche en een noorsche familie--spitsten ons zeer op de heerlijkheid, die wij nog aanschouwen zouden. Maar 't was buiten het daglicht gerekend. De vertraging, die we reeds te Eide hadden, zette zich om dezelfde reden voort en nam toe, en weldra was van al de veelgeprezen schoonheden van de Sörfjord niets meer te zien dan donkere silhouetten. De sneeuw en de gletschers daar boven op het Folgefond kwamen er wel des te meer door uit, maar die gletschers waren op zich zelf niet zeer belangrijk.
We kwamen 's nachts om 12 uur te Odde aan. 't Was in dat enge dal zeer donker; de vele reizigers maakten ook, dat men moeite had om onder dak te komen.
Ik kan reizigers in Noorwegen niet genoeg aanbevelen, de fout die ik bij het bevaren der Sörfjord beging te vermijden. Toen te Eide de boot volle twee uur vertraging had, had ik daar tot den volgenden ochtend moeten blijven, en me de vaart op de Sörfjord niet door de duisternis moeten laten bederven.
Ik moest doorreizen, want anders kwam ik over den mij toegestanen dag thuis, maar juist daardoor kom ik tot de vernieuwde gevolgtrekking, dat Noorwegen geen land is, om in een kort zomerverlof te bereizen. Die minder dan drie weken te zijner beschikking heeft, doet inderdaad beter niet naar Noorwegen te gaan.
Het Hardanger Hotel te Odde is eene uitstekende inrichting. Geheel van hout in noorschen stijl gebouwd, maakt het een aangenamen indruk, vooral omdat het zeer ruim is; gangen, trappen, kamers, eetzalen, alles is groot, en de hal is van buitengewone afmetingen en loopt tot in het dak door.
Odde is een zich sterk ontwikkelend kerkdorp; vele vreemdelingen kiezen het als zomerverblijf; 't is dan ook heerlijk gelegen en biedt, wat zeldzaam is, gelegenheid tot aangename wandelingen.
's Morgens bij tijds op, wandelde ik reeds vóór het ontbijt langs de fjord, om me eenigzins schadeloos te stellen voor 't geen ik den avond te voren door de duisternis gemist had. Na 't ontbijt ging ik de winkels in Odde eens bekijken, die zich hier onder den invloed van 't vreemdelingenverkeer gevestigd hadden. Verbazende keus van photo's en briefkaarten was er, en noorsche handwerken waren in overdaad vertegenwoordigd. Aquarellen waren ook druk geëtaleerd. Ik veronderstel dat de mooie en goede reeds verkocht waren, want wat ik er nog zag, was bitter treurig. Aquarelleeren schijnt daar onder de reizigers epidemisch te heerschen, te oordeelen naar de twee uitgebreide magazijnen van teekenbehoeften die er waren; en dan was er, wat ik sedert Kristiania niet meer gezien had, een kapperswinkel; maar dien dag was de kunstenaar met zijn gezin eens voor een dagje uit, en de bediende hield nu ook maar vacantie!
Al verder in het dal opgaande, begon ik last van de warmte te krijgen; de zon scheen onbarmhartig; gelukkig kwam ik weer spoedig voor een meer te staan, het Sandvenvand, en trof daar juist een man met een bootje, bereid om mij een watertochtje te doen maken; eene heerlijke verfrissching! Na een half uur varen kwamen we tegenover den ingang van het Jordal. Eenige woningen liggen daar aan den oever, en verder gaat het wild in het dal op, dat afgesloten wordt door den gletscher Buarbrae. Ik liet me aan land zetten, en trof daar eenige mannen, die bleken tot de boerderij te behooren; we raakten aan het praten en ik werd door hen binnengenoodigd.
De boerderij was betrekkelijk nieuw gebouwd, dus zag ik geene oud-noorsche inrichting, waarop ik gehoopt had. Toch was het aardig om te zien; welstand heerschte er, een zeker soort van comfort, maar met vermijding van alle overdaad. Een boer in Noorwegen, of wat de Noren zelf onder dien naam verstaan, is eerder een grondeigenaar en dikwijls een groot grondeigenaar; maar zijne gronden, die voor 't meerendeel uit uitgestrekte bosschen bestaan, leveren hem niet veel op. Hij bezit dikwijls een zeer grooten veestapel, maar ook die werpt hem niet zooveel af als wij daarbij gewoon zijn te denken. Het vee is onaanzienlijk, klein van gestalte en niet sterk melkgevend; de hoedanigheid der melk is voortreffelijk; de melk kan de boer ook weer niet verkoopen; boter in de meeste gevallen ook niet, om de groote afstanden naar de plaatsen van uitvoer. Het plaatselijk verbruik is gering tengevolge van de uiterst spaarzame bevolking. Behalve rundvee worden ook varkens en schapen, maar vooral veel geiten gehouden. De groote bron van inkomst op de landgoederen is het vellen van bosschen, waarbij dan dikwijls niet aan gelijken tred houdend inplanten gedacht wordt.
Het volkskarakter der Noren heeft zich niet in de steden ontwikkeld. Die zijn meest allen van veel lateren datum, althans in den tegenwoordigen vorm; de Noren zijn een boerenvolk; op het platteland ziet men het type van den Noor. Dorpen zijn er niet veel, men woont er op zeer verspreide groote hoeven, en vele van die hoeven bleven, door vererving op het oudste mannelijke lid, gedurende eeuwen in dezelfde familie; dikwijls komen de zeer algemeen verspreide democratische opvattingen in strijd met de persoonlijke opvatting van zoo'n landheer, die u zijn stamboom kan toonen van eeuwen her. De afgelegenheid der hoeven, waar men gedurende een groot deel van den langen wintertijd niet op of af kan, is oorzaak dat men in allerlei opzichten zichzelf heeft leeren redden; men is er zijn eigen smid, zijn eigen timmerman, wever of kleermaker. De vrouwen evenaren daarin de mannen, ze zijn ervaren in velerlei handwerken: de kleeden, tapijten en sierbanden, die uit eigen gesponnen en geverfde wol vervaardigd worden, zijn karakteristiek en dikwijls buitengewoon smaakvol, ook kantwerk wordt veel aangetroffen. Voorts wordt er veel werk gemaakt van versiering van het huis- en landbouwgereedschap; men snijdt er figuren in en kleurt die zoo sprekend mogelijk. Ik heb hooi- en mestvorken gezien, hooiharken, schopstelen, ploegstaarten, die op deze wijze met zorg versierd waren. Men maakt, herstelt en versiert zijn dagelijksch gereedschap in den langen wintertijd. Daartoe was ook bij elke hoeve een magazijn noodig, waar alle hulpmiddelen en grondstoffen en ook eetwaren bijeen geborgen werden; want alles moet in voorraad zijn eer de winter komt, die alle verkeer stremt. Maar die menschen, die daar zoo stil en eenzaam leven, doen nog meer. Ze zijn zeer weetgierig en zetten het onderwijs, dat zij als kinderen en jongelieden genoten hebben, voort door eigen studie.
Het noorsche volk is bij nadere kennismaking zeer sympathiek; men krijgt zelfs bij eene vluchtige aanraking op de reis den indruk van betrouwbaarheid en eerlijkheid. Het ruwe klimaat staalt het karakter. Daarbij zijn de menschen zacht van aard, beleefd en bescheiden. De harde strijd om het bestaan, en de groote moeite om vooruit te komen geven hun echter, bij al dat goede, ook andere eigenaardigheden. Als men met een Noor eerlijk deelen moet, dan krijgt men altijd van vier twee, maar als men vijf met hem deelen moet, dan krijgt hij gewoonlijk drie.
Dat alles heb ik niet bij de vrienden aan het Sandvenvand kunnen opmerken, maar het onderhoud met hen herdenkende, gaf mij dit aanleiding tot deze verdere mededeelingen. Na een glas melk en een stuk knikkebrod, mij vriendelijk door de huisvrouw aangeboden, gebruikt te hebben, bracht de landheer mij een eind op weg in het Jordal; hij wilde mij zijne boomgaarden nog toonen, die er inderdaad zeer goed uitzagen en ditmaal veel beloofden. Men had in dezen zomer in het gure Noorwegen meer zomer dan wij in Nederland. Eerst liep de weg, die behoorlijk afgebakend is, nog langs een paar gerstenakkers, toen flink hout, berken en voornamelijk iepen; dan verder tusschen rotswanden en rotspuin omhoog; nog eene hoeve, de Buar, eene weiderij, steeds met den gletscher en het Folgefond voor zich; eindelijk staat men voor den gletscher de Buarbrae, te midden van eene verbazende massa bergpuin. Het is een zeer aangename en niet te vermoeiende bestijging, waarbij men duidelijk iets opmerkt, waarvan men zich aanvankelijk in de noorsche bergen niet goed rekenschap geeft, namenlijk hoe dichtbij de sneeuwgrens en het ijs het groen is. Hier was het verschil niet meer dan 100 meter. Er zullen hoogerop in 't noorden van het land wel grootere gletschers zijn en ook veel massaler sneeuwvelden, maar eerlijk gezegd, wat ik tot nu toe gezien heb, en later zag, is tegenover de gletschers en de sneeuwvelden der Zwitsersche alpen slechts een mislukte namaak.
De wandeling naar den Buarbrae en terug (brae is gletscher), duurde ongeveer 4 uur; daarbij had ik een goed half uur bij de hoeve getoefd, zoodat ik eerst tegen twaalf uur te Odde terug was. Nu had ik op den terugweg de zon achter mij, en kon volop genieten van het heerlijke uitzicht op het plaatsje en de Sörfjord met zijne trotsche omgeving. Ik rekende af in het hotel en bestelde een rijtuig naar 't Breifondhotel aan den grooten straatweg in Telemarken; dit was het begin van de thuisreis, die nu in zuid-oostelijke richting weêr dwars door Noorwegen ging. Men vroeg mij of ik doorreisde naar Dalen, en ik kreeg toen een koetsier en stolkjaerre, die mede doorgingen tot die plaats. Die koetsier was een gezellige prater, en zijn paard was uitstekend; de dames en heeren met wie ik sedert twee dagen gereisd had, waren reeds vertrokken, zoodat ik, in de hoop hen in te halen, in mijn schik was met dit flink span. De weg ging eerst langs Sandvenvand; ik had dus nog eens het mooie uitzicht op den Buarbrae, en daarna, aan het einde van het meer de fraaie Espelandfoss en Lotefoss, naast vele kleinen; toen langs een wilden bergstroom in een eng dal het "Seljestadtjuvet", een prachtig begroeid dal, dat naar mijne schatting het Naerodal tusschen Stalheim en Gudvangen ver in schoonheid overtrof. Het was een heerlijke rit, onder de grilligste afwisseling van woeste rotspartijen en prachtig groen, steeds vergezeld door den dikwijls met donderend geweld voortstuwenden bergstroom. Men bereikt aan het einde van dit dal weder eene knappe stijging; de weg is wat minder fraai in de onmiddellijke omgeving, maar wint door de prachtige uitzichten, vooral stroomafwaarts in het pas verlaten Seljestadtjuvet. Verscheiden malen heb ik mijn rijtuig verlaten, om volop te kunnen genieten van al het schoone. Te Seljestadt, waar twee goede hotels zijn, en dan behalve het postkantoor ook niets anders, moest ik mijn middageten krijgen, maar mijne groote onafhankelijkheid werd gestraft. Door mij niet aan de gebruikelijke uren van den reizigersstroom te houden, kwam ik te laat. Er was bovendien eene Cookspartij en eene van Lissone geweest,--deze laatste had ik al opgemerkt bij den Lotefoss, door de luidruchtigheid waarmede zij genoot,--en al die reizigers hadden de beide hotels ledig gegeten; 't was alsof er een zwerm sprinkhanen over heen was gestreken. Ik dacht er al aan, mij maar met smörbrod tevreden te stellen, toen er drie jonge dames binnenstapten, die ook warm eten verlangden, en men zag toen de kans schoon, om vier personen voor hun diner te laten betalen. Betalen, want genieten deden wij het niet; 't was een mengelmoes van veel wat slecht en slecht bereid was. De fröken, eene juf in Hardanger kleederdracht, had ook de vrijmoedigheid van te verklaren, dat het bier op was en wij dus wijn zouden moeten drinken. Afgeschrikt door de kwaliteit der spijzen, verzochten wij echter van den wijn verschoond te mogen blijven en dronken water. Dit is de eenige keer in Noorwegen geweest, dat ik slecht eten kreeg en nog afgezet werd op den koop toe. Intusschen vloog de tijd om; mijn gezelschap bestond uit onderwijzeressen uit Kopenhagen, die een onderhoudend gesprek wisten te voeren.
Aan alle dingen komt een einde, ook aan 't geduld van mijn koetsier, en we moesten verder. De weg blijft mooi en daalt eindelijk met groote slingers naar het Röldalsvand neer. Daaraan is het Breifond Hotel gelegen; de koetsier had mij bepraat om niet daar te logeeren, maar door te rijden tot Röldal, waar men even goed logeeren kan. Röldal is een aardig kerkdorp, fraai aan het tegenovergestelde einde van het meer gelegen. We kwamen aan het Röldal-hotel, en ik kreeg het bescheid, dat er geen plaats meer was. De borstaren bracht mij echter naar een kleiner hotel, waar ik dan slapen zoude, terwijl ik het avondeten en het ontbijt in het Röldalhotel gebruiken zoude. Aan de avondtafel trof ik de kennissen weêr en werd braaf uitgelachen over mijn te laat komen en over de teleurstellingen te Seljestad en nu weder te Röldal, waar ook de tafel bijna was afgeloopen. Maar ik was op Buarbrae geweest, en dat genot was de verdere tegenvallers dubbel waard. Ik had een zeer eenvoudig maar bijzonder netjes en zindelijk nachtkwartier; toen ik den volgenden ochtend--de dochter des huizes had ook nog mijne kleêren gereinigd--de gevraagde kosten (ééne kroon of f 0.675) betaalde, wilde men niet eens een fooi aannemen.
Na een gezellig ontbijt togen de drie gezelschappen te zamen op reis. Drie stolkjaerres en eene calèche, deze met twee paarden. Mijn harddraver had de voorhoede en ik dus geen stof. En inderdaad de stof op de wegen in Noorwegen is een bezwaar.
Eerst een eind langs het meer en dan langs de bruisende Vasdal-elf al hooger en hooger op. Een flinke breede waterval, de Navlefoss; we verliezen de boomen; de weg kronkelt al maar omhoog. Hier en daar groote kudden vee, dat over niemandsland, dat is: over geen particulier bezit, maar over staatsgrond, naar de meer bevolkte omgeving van Kristiania gedreven wordt. Zoo'n tocht van dat vee duurt een geheel seizoen en is wel geen bijzonder goede, maar toch een soort van vetweiderij. Maar ook het gras houdt op en we komen in steeds woester wordende, rotsachtige omgeving, altijd naast de Vasdal-elf, die nog weinig in kracht verloren heeft. Nu weêr sterker in groote kronkels tegen de bergruggen op; we treffen nog een paar woningen, die daar in de eenzaamheid staan te vervallen, en eindelijk komen we op de pashoogte, de Dyreskard, te midden van sneeuw en ijs. 't Is wel eenzaam en woest, maar 't is een mooi berggezicht, zeer mooi vooral voor ons uit, waar wel veel sneeuw blijft, maar toch in de verte zich weder eenig groen vertoont. In een draai in den straatweg is een kleine sneeuwtunnel; onder de zonnewarmte was hij evenwel aan 't doorlekken gegaan, en ik riep de dames achter mij toe haar parapluiën op te zetten. Nu nog een uur omlaag, over bruggen, langs watervallen, altijd door een eenzaam berglandschap; geen mensch, geen vee, geen vogel; en ten laatste hielden we stil voor Haukelisaeter, aan het Staavand gelegen.
Haukelisaeter is een hotel in oud-Noorschen stijl gebouwd, en ook inwendig in dien stijl versierd, waardoor het zeer huiselijk is geworden; de eetzaal vooral is zeer aangenaam ingericht. Tegenover het hotel zijn de post-, telegraaf- en telefoonkantoren en een aardig gebouwd voorraadshuis of stabbur, ook ingericht voor het herbergen van reizigers. Dit hotel is nog een der weinige door den staat ondersteunde fjeldstuen, waartegenover de verplichting staat dat het 's winters open moet blijven. Het is dan ook in het hart van Telemarken op het onherbergzame Haukelifjeld gelegen, en de eenige plaats waar men des winters in die streek een onderkomen kan vinden. De eigenaar van het hotel is ook al een boer, die wat verderop nog een aardig gelegen zomerhotel Nystöl, aan het Arrebuvand gelegen, bezit. Ik vermeld dit overigens onbelangrijk feit, om er nog eens de aandacht op te vestigen, dat een boer in Noorwegen heel iets anders is dan overal elders. Er zijn veel hotels in het bezit van boeren, en zij exploiteeren die zelf, waardoor zij genoodzaakt zijn zich in vele, aan hun hoofdbedrijf geheel vreemde zaken in te werken, onder anderen zich ook weêr voor deze ondernemingen vertrouwd te maken met vreemde talen. Maar dat kunnen we hier wel, zeide mij een Noor. Onze tegenwoordige minister van buitenlandsche zaken is ook een boer; in zijne jonge jaren had hij veel leerlust en legde zich dan ook op de vreemde talen toe, en nu hij minister is, weet hij zelf niet meer hoeveel talen hij spreekt!
Dat de Haukelisaeter ook 's winters open blijft, heeft er wederom aanleiding toe gegeven, dat de groote sportclub te Christiania daar hare groote wedstrijden voor wintersport houdt, stellig een goed veld, want zelfs in den zomer verdwijnt de sneeuw er niet, en 's winters ligt hij er meters hoog.
Voorbij Haukelisaeter wordt het landschap nog eentoniger; het blijft geheel onbewoond; zelfs de boomen sterven er af, men ziet overal half vergane boomstruiken staan. Gelukkig komen we spoedig aan het schilderachtige Voxlivand, waar we even stilhouden in het Voxli-hotel, ook nog eene exploitatie van den eigenaar van Haukelisaeter. We rijden nog altijd langs hetzelfde meer, en naderen Botten, waar een zeer eenvoudig hotel staat, met een keurig gebouwden Stabbur, zoo iets als een oud kabinet in de open lucht; natuurlijk is dit een proefje van architectuur en geen ernstig gemeende ouderwetsche stabbur. Nu krijgen we weer een gezelligen bergstroom langs den straatweg, wat weer eenige levendigheid geeft; deze rivier vormt van tijd tot tijd meer of minder uitgebreide plassen, totdat het terrein wat ongelijker wordt en er hier en daar aardige rotsvormen opduiken; de plassen worden nu watervallen; de grootste daarvan is de Lille Rjukanfos, die evenals zijn beroemde naamgenoot, na zijnen val, een groote wolk van waterdamp omhoog stuwt, waar hij zijn naam "rokende waterval" aan ontleent. We rijden steeds omlaag en de stroom is krachtiger geworden; Flaathyl-elv is nu zijn naam; de verwachting dat we weer in mooier streek zouden komen wordt teleurgesteld, 't is weder troosteloos eenzaam. Arme, natte weiden, traag groeiende bosschen, nog een paar kleine watervallen en dan het Hotel Haukeli Graend.
Er waren weinig gasten in het hotel, en dientengevolge bleef ons clubje wat meer bijeen. Dat is trouwens eene eigenaardigheid van dat gelijkmatig voortbewegen op die afgeteekende banen zonder zijwegen; men vindt altijd de menschen weer terug, die men al eens ontmoet heeft. Voor mij was dit nu een genot, maar 't kan ook wel eens anders zijn. Dikwijls had ik op deze laatste tochten het oog op een eenvoudig echtpaar, blijkens hun dialekt uit Holstein afkomstig, en die maar niet vrij konden geraken van een heer, reizende met drie kinderen, een aankomenden jongen en meisje, beiden in de vlegeljaren, en een jonger meisje, dat de rol van enfant terrible vervulde. Het was een Semitisch veehandelaar uit Posen, een zeer luidruchtig heer. Hij had stellig het voornemen opgevat, zich op reis eens bijzonder netjes voor te doen, en droeg daarom van den morgen tot den avond een laag uitgesneden vest en een smoking. Mijne duitsche vrienden waren doodsbang om met hem in aanraking te komen. De Noren hadden altijd plezier in hem, en wisten hem door allerlei leuke zetten dikwijls tot nog grooter luidruchtigheid te prikkelen. Eens verzekerden zij hem, dat al waren zijne manieren onberispelijk, en al was zijn uiterlijk zóó, dat men hem ook in Noorwegen, waar weinig zijner stamgenooten voorkomen, niet licht zou onderkennen, niettemin zijn dieët hem moest verraden. Dat was aan geen doove gezegd! Een der volgende dagen op eene stoomboot, ging de fröken, zooals daar gebruikelijk is, rond om te vragen of men wat gebruiken wilde, en onze man uit Posen bestelde heel kalm voor zich en zijne kinderen broodjes, maar riep toen de fröken met verheffing van stem na: "maar alles met ham"! Deze ongelukkige manifestatie had tengevolge, dat ieder die misschien nog twijfelde, nu overtuigd was. Al de reizigers keken elkander glimlachend aan.
Des avonds in de veranda ontwikkelde zich in het clubje een eenigszins dieper gaand gesprek over de reis. 't Was vooral naar aanleiding van de belangstellende vragen der Noren, en curieus was het, dat de duitsche vrienden geheel mijne opvatting deelden. We hadden prachtige natuurtafereelen gezien; dat zij wat ver en dikwijls wat heel ver uit elkaar lagen was niet prettig, maar alléén aan de groote uitgestrektheid van het land te wijten. Somber vonden wij het geen van allen; en dat in tegenstelling met de litteratuur, ook in Duitschland, over het reizen in Noorwegen, dat meestal als somber, als melancholiek afgeschilderd wordt! Dat niet, wij hadden altijd zonnig weêr gehad, en men mag dan al eens bij het rondvaren op de fjorden stilstaan bij de bergvorming en haar statig noemen, somber vonden wij het nooit. Maar we vonden iets anders. Wij vonden over 't algemeen gesproken de lijnen van het landschap op de hoogvlakten en fjorden, die wij bezochten, eentonig. Ze waren allen dezelfden, en de coulissenvormige voorsprong, dien de eene rots op de andere had, was op de fjorden bijna altijd van dezelfde afmetingen. Op de hoogvlakten, waar in den grauwen voortijd niets dan ijs was, heeft het verplaatsen en kruien van het ijs, de rotsen glad geslepen en afgerond, en daardoor zijn de omtrekken eenvormig geworden. Dat alles geeft aan het landschap iets eentonigs en kan misschien voor reizigers, die het land met regenweêr doorkruisten tot somberheid geworden zijn. Deze Noren, die ook veel in het buitenland gereisd hadden spraken onze eenstemmige beweringen niet tegen, integendeel zij erkenden dat het noorsche landschap de bekoorlijkheid miste, die de zwitsersche Alpengroepen ontleenden aan de grootere afwisseling in de lijnen, ook veroorzaakt door meer verschil in geologische vormingen. Daarentegen waren de Duitschers het ook weder met mij eens, dat van de bescheidenheid en zachtheid van de bewoners niet genoeg goeds gezegd kan worden; opgemerkt werd daarbij hoe zij bij alle terughoudendheid toch zeer opgewekt waren, en overvloeiden van schalksche opmerkingen, die nooit nalieten sterk op de lachspieren te werken.