Door Noorwegen De Aarde en haar Volken, 1908
Chapter 3
Van het hotel Burgund verder gaande, komt men langs den straatweg in enkele minuten in de schilderachtige Svartegjelkloof, ter plaatse waar de Laera zich een weg door de Vindhille-rotsen geboord heeft, eene stoute, woeste rots- en waterpartij; een paar prachtige watervallen ontbreken niet. Daar de weg spoedig het interessante verliest, slaat de wandelaar eene andere richting in en keert achter het hotel Burgund om langs een verwaarloosden weg terug, tusschen eenige daarbij passende armzalige woningen door; de telegraafpalen wijzen den weg. Zoodra men wat gestegen is, krijgt men een mooi uitzicht op de beide kerken, de oude kerk is zoo zwart van ouderdom geworden, dat men zou denken dat zij dik onder de koolteer zat. Eenmaal op het hoogste punt gekomen, gaat het met slingers omlaag en heeft men tusschen rotsen door eenige verrassende kijkjes in het dal. Te Husum vond ik mijnen koffer en vroeg om een rijtuig naar Laerdal; de kastelein, tevens postmeester, vroeg me beleefd en gemoedelijk of ik niet een uurtje wachten wilde, dan moest hij zelf naar Laerdal en zouden we te zamen rijden. De Laera maakt te Husum zulke aardige kronkels en vormt een paar prachtige watervallen, zoodat het uurtje om was eer ik het wist. 't Ging toen verder,--ditmaal weder eens in eene wezenlijk oude kariol. Een prachtige weg, langzaam langs de rivier omlaag, door eene enge rotskloof, de interessantste, dien ik nog op dezen rit aangetroffen had. Hoog van de rotsen stort een ontzettende waterval, de Store (groote) Soknefoss, omlaag. De weg gaat door een grooten gletscherketel, hier reuzenketels genoemd, en daarna verbreedt zich het dal; men ziet van alle kanten boerderijen; bij de huizen bebouwde akkers, vruchtboomen en veel menschen. Mijn kastelein-koetsier werd onderweg dikwijls aangeroepen over zaken, en vriendelijk klonk dan telkens bij 't afscheid, het "Fare well". Mijn reisgezel was een beschaafd man en een aangename prater. Hij vertelde mij veel van zijn land en het landsbestuur; van de zorg voor 't onderwijs en de hooge kosten daarvan. Hij was een erge Zwedenvijand; zijne motieven waren wel wat onbeduidend; men krijgt dikwijls den indruk of die scheiding tusschen Zweden en Noorwegen eigenlijk meer veroorzaakt is door halstarrigheden, dan door onoverkomelijk beginselverschil. Toen ik hem opmerkte, dat men in het buitenland eerder verwacht had, dat na de scheiding de Noren eene republiek gekozen zouden hebben, zeide hij mij: Ja, ziet u! we zijn hier nog banger voor de potentaten onzer eigen soort dan voor een koning; en met dezen jongen man, die een zeer fatsoenlijk mensch is, verzekeren wij ons den steun van half Europa. Meer positief en beter thuis was hij in zake het vrouwenkiesrecht. Iedere vrouw, zeide hij, die voor zichzelf, of weduwe zijnde voor hare kinderen het brood verdient en deze opvoedt, heeft onbetwistbaar recht op stemrecht. Zij doet meer voor de gemeenschap, dan menig man. Huwt de vrouw, of hertrouwt de weduwe, dan verliest ze haar stemrecht, maar zoolang ze zelfstandig is, komt het haar toe. Zoo al door pratende over de plaatselijke besturen en nog wat, over de bedrijven, over het armwezen en over het vele, dat de Noren nog moesten leeren, maar stellig leeren zouden, bereikten we spoedig Blaafaten. Het dal werd steeds ruimer en meer bebouwd en bewoond, het was er gezelliger dan ik ze tot nu in Noorwegen gezien had. Rondom verhieven zich hooge bergen op grooteren afstand, tot we op een rechten, vlakken weg kwamen en voor ons uit de open ruimte zagen. We naderden het dorp Laerdal aan de Laerdalsfjord.
Dit was het eindpunt van mijn eersten tocht door Noorwegen; het waren 151 K.M. in drie dagen per stolkjaerre en kariol.
Laerdal of Laerdalsören heeft maar 850 inwoners 't is eene opkomende plaats, gelegen aan de uitmonding der Laera en de fjord, een arm van de Sognefjord. Het dal der Laera is verbreed tot een ruime vlakte, bestaande uit zand en berggruis, door de Laera van de bergen afgevoerd en op de fjord veroverd. Er zijn enkele goede huizen in het dorp, dat overigens zeer onregelmatig gebouwd is; de kerk, weder eene nieuwe kerk met modern materiaal gebouwd in den ouden stijl, is minder gelukkig dan die te Burgund; ze is te bont en maakt geenszins den indruk van eene kerk.
Den volgenden ochtend had ik eerst eene wandeling van ongeveer een kwartier te maken van af het hotel Lindstrom tot aan de aanlegplaats der boot, en weder onder het aangenaamste zomerweêr voeren we de fjord af. Een vreemd gezicht die steile bergen, die zonder oever hunne steenmassa's uit het water doen oprijzen! Eén van vorm en ook meestal één van kleur, met prachtige spiegeling in het stille water. De fjord werd langzaam wijder, en gaf hier en daar aardige kijkjes, bijv. op de haven Haugene, met een vriendelijk uitzicht in het Eierdal. Daar waar de Laerdalfjord uitmondt in de Sognefjord heeft men een heerlijk bergpanorama over het ruime watervlak. Niet lang daarna, aan een paar huizengroepen voorbij, draait men, indien men met mij naar Gudvangen reist, de Aurlandsfjord in. Het tafereel wordt nu oneindig grootscher. De fjord is slechts 1/2 kilometer breed en aan weêrszijden gaan de rotsen in zware, strakke massa's 900 á 1200 M. omhoog. Stort zich soms een riviertje in de fjord uit, dan vormen zich aan die uitmondingen bezinkingen, waar men dan ook woningen en eenige kultuur vindt. Voor we de Aurlandsfjord invoeren, kwamen we een andere boot tegen en draaiden bij, om van haar een aantal passagiers over te nemen, allen mannen, waaronder militairen; dat was een vroolijk en druk gezelschap, dat me uitlokte om eens op het voorschip te gaan kijken. Het waren allen mannen, die de laatste, ik meen veertiendaagsche, periode van den algemeenen dienstplicht te Vossevangen gingen vervullen. Er waren verscheiden gehuwden onder; ze waren welgemoed en opgewekt. Onder het vijftigtal waren er twee die hunne opgewektheid wat te krachtig met bier steunden; voor ze ongeschikt werden voor het algemeen gezelschap, werden ze door kameraden achteraf gebracht en gehouden; natuurlijk was er onder dat gezelschap ook een met eene viool, die er dapper op losstreek; er werd ook gedanst; eerst heel aardig en kalm, toen het langzaam te wild en ongemanierd werd, was een enkel woord van den kapitein der stoomboot voldoende om er een eind aan te maken. De mannen in uniform waren onderofficieren; het dragen der uniform is een voorrecht voor hen die de onderofficiersschool doorloopen, maar men maakt geen gebruik van dat voorrecht. In die onderofficiersscholen wordt meer uitgebreid lager onderwijs gegeven en vooral veel werk gemaakt van het leeren spreken en verstaan van vreemde talen. Dat is het lokaas om onderofficieren te krijgen, want de Noren, zoowel vrouwen als mannen, zijn zeer tuk op het leeren van vreemde talen. De meerderheid der mannen maakt van de gelegenheid tot leeren in de onderofficiersschool gebruik, al is het dan ook niet om onderofficier te blijven.
Gedurende dien cursus op het voordek was de stoomboot verder gevaren. Er was niet veel te zien. Hier en daar een huis als een kraaiennest, tegen een rotswand geplakt, en tal van watervallen, die echter weinig indruk maken, omdat ze te ver af zijn.
Bij eene vooruitstekende rots, de Bejteln, vaart men de Naerofjord in. Die invaart is prachtig; het water is 8 à 900 meter breed; de rotsen aan weerszijden zijn even hoog en even steil, en naar voren is het uitzicht afgesloten door eene statige groep van sneeuwbergen. Denk eens hoe mooi dat was, toen de zon schel begon te schijnen en alles met gloed en licht overgoot, waardoor ook de donkere partijen in de rotsen meer tot haar recht kwamen. De watervallen zijn nog talrijker dan te voren, en worden levendiger en duidelijker, nu de fjord maar steeds door enger wordt. Op eene eeuwen geleden van de hooge wanden in het water gestorte rotsmassa ligt het kleine kerkje van Bakke, omgeven door eenige houten woningen; de achtergrond wordt gevormd door den steilen fjordwand, waarvan de rivier de Bakke, nu goed zichtbaar en hoorbaar, als waterval omlaag stort. Op het water hier en daar visschersvaartuigen in hun bedrijf; wat dichterbij Gudvangen ook pleiziervaartuigjes en een zeer fraai engelsch jacht; deze vormden eene alleraardigste stoffeering, alleen overtroffen door het fraaie gezicht op Gudvangen zelf. Eenige huizen, eenige hotels, alleraardigst door elkaar geworpen en vooral veel boomen, en als achtergrond het beroemde Naerodal met zijnen trouwen wachter de Sjaerpennut, eene reusachtige rots uit wit graniet.
Die aankomst te Vossevangen is eenig in haar soort. De landingsplaats is vol nieuwsgierigen en een aantal hotelbedienden, die in bedwang worden gehouden door een tweetal heeren, de vertegenwoordigers der reiskantoren! Deze heeren maakten groot lawaai, daarin gesteund en overtroffen door een aantal koetsiers, die met hunne rijtuigjes langs den weg gereed stonden. 't Scheen wel of die drukte gemaakt werd als imitatie van grootere plaatsen; ze is namelijk geheel overbodig. Die agenten der reiskantoren weten precies op welken dag en hoeveel reizigers zij krijgen, en welke rijtuigen die reizigers hebben moeten en waar heen. Zij weten ook welke reizigers in de hotels afstappen, want dat wordt hun alles van dag tot dag uit het hoofdbureau gemeld. Alléén die weinigen, die, zooals ik, met zoogenaamde vrije tickets reizen, moeten naar hunnen tot nu toe onbekenden wensch vervoerd worden.
Het was nog vroeg en mooi weer, zoodat ik veel lust had om dien avond wat later te Voss aan te komen, en stellig wenschte ik niet in den grooten sleep van rijtuigen opgenomen te worden; daarom bleef ik tot het laatst aan boord, gaf mijn koffer tot nader order aan den agent van "Cook" en liep Gudvangen in, om eens te zien wat daar te koop was. Het is niet veel meer dan eene groep boerderijen, waar hier en daar een hotel tusschen staat en eenige winkels met plaatselijke merkwaardigheden, meest handwerken, photo's en briefkaarten.
De rotsen die Gudvangen omgeven, gaan zoo steil omhoog, dat men er gedurende de wintermaanden de zon niet te zien krijgt. Een prachtige waterval, de Killefos, komt daar van eene hoogte van 560 M. omlaag met een vrijen val van 150 M. 't Was merkwaardig, maar te hoog om het mooie er van goed in oogenschouw te kunnen nemen.
Nadat mijne medereizigers een goed eind vooruit waren, nam ik ook een rijtuigje en reed het Naerodal in;--tot Voss is het een rit van 5 à 6 uur.
Gewoonlijk wordt gezegd dat het Naerodal, als voortzetting van de fjord, zijn zelfde woeste karakter behoudt. Het was echter zoo'n heerlijke zonnige dag, dat de woestheid tot lieflijkheid werd. 't Was er niet woest, evenmin als op de fjord; de landschappen waren trotsch, krachtig in lijnen en tinten; het groen hier en daar, op de bergen en beneden in het dal, de huizen die er in verscholen lagen, het lachende stille watervlak, alles zag er vriendelijk uit. Misschien was het te danken aan 't heerlijke heldere weder, maar mijne herinneringen aan de Naerofjord en aan het Naerodal zijn doorgaand vriendelijk en opgewekt.
Op ongeveer een kwartier rijdens van Gudvangen loopt de weg door eene groote "ur", eene opeenhooping van bergpuin; dat is werkelijk woest; men ziet echter spoedig eene fraaie boerderij tegen de berghelling; die hoeven hebben daar allen namen; deze heette Sjaerping. Een weinig verder vertoont zich de prachtige grauwe syenietkop van den Jordaelsnut, een heerlijke bergformatie, die het geheele enge dal blijft beheerschen. 't Gaat langzaam omhoog; men gaat over de rivier, dan langs een paar boerderijen en komt vervolgens aan den voet der ontzettende Stalheimsklev, die het dal geheel afsluit. Daar verkondigt u een groot bord, dat de reizigers worden verzocht den steilen weg naar boven te voet af te leggen, ter wille van de paarden. Dat is over tal van slingerwegen een klim van drie kwartier; voor zich uit en ten laatste aan weêrskanten heeft men echter twee zeer schilderachtige watervallen, de Silvlefoss en de Stalheimsfoss, zoo frisch en dartel, dat men de warme zon gaat vergeten. Bij het rusten van tijd tot tijd is vooral het uitzicht naar beneden in het dal wondermooi. Stellig een der heerlijkste punten in Noorwegen. Ook hier wordt steeds gesproken van het uitzicht in het donkere dal en in 't bijzonder aangeraden dit 's namiddags te nemen. Ik zag het onder vollen zonneschijn; vooral de prachtige Jordaelsnut op den voorgrond werd prachtig beschenen, zoodat ik van een donker dal niet spreken kan en zeer dankbaar ben het zóó getroffen te hebben.
Boven op de klev vindt men het ruime Stalheim's Hotel, een goede inrichting, met eene pretensie van voornaamheid, die het maar slecht afgaat. Er was eene uitgebreide toko in, waar men allerlei noorsche bijzonderheden kon koopen; het hotel ligt hoog en de prijzen der uitgestalde voorwerpen zijn nog hooger boven het niveau; er waren echter prachtige noorsche weefsels tentoongesteld, in patroon en vooral in kleuren zeldzaam fraai. De table d'hôte zoude juist beginnen, maar 't was mij nog te vroeg, en ik liet mijn rijtuigje voorkomen om in het Opheimdal af te dalen. Aanvankelijk geeft deze weg niet veel; de grond is slecht, zelfs elzenhout wil er niet behoorlijk groeien; het water is bruin en pappig van het veen. Gelukkig duurt dat niet lang en komt men door flinke bosschen en uitgestrekte weiden langzamerhand in eene meer bewoonde streek. Op eenmaal verandert het landschap van karakter; men ziet haast geen rotsformaties meer; de kultuur neemt de overhand, met vele boerderijen. Vooral is de rit lief langs het kalme meer van Opheim, waaraan het aardige kerkdorp van dien naam gelegen is; wanneer daar nu maar niet weêr zoo'n witte houten kerk van het algemeen model stond! Aan het einde van het meer een groote draai, en door een oprijlaan reden wij voor het Framnesshotel. Daar nam ik het middagmaal en zat er heel rustig in eene kalme omgeving, meest Noren, met wie spoedig een gezellig gesprek aangeknoopt werd; vooral de dames zijn gaarne bereid den vreemdeling zijne kreupele sprongen in de noorsche uitspraak te vergeven. Van uit den tuin van het hotel genoot ik nog van het schilderachtige, vreedzame uitzicht op het meer.
In den avond reed ik verder. Het landschap wordt hoe langer hoe vriendelijker, het dal wordt enger; hier en daar eene brug over de rivier. Voor het eerst zie ik hier rotsen van een anderen vorm; het is lei, tot nu toe was het altijd graniet, en die afwisseling doet aangenaam aan. Bij het gehucht Tvinde een prachtige bruisende waterval; men komt nu op vlakken bodem, de grond is keurig bebouwd; overal akkers tusschen de weiden, veel en weelderig hout en dan de stad Vossevangen (meestal Voss genaamd) aan uwe voeten in een dieper, ruimer dal. Men daalt langzaam neêr en verlustigt zich in het heerlijk uitzicht. De stad is om eene oude, fraaie steenen kerk gebouwd en heeft een prachtig, niet te groot meer tot achtergrond.
Men kan te Voss eene aardige wandeling maken naar een aan de overzijde van het meer op de bergen gelegen koffiehuis "Breidablik"; de uitzichten vanaf de stad, die men uit de meeste hôtels genieten kan, wedijveren met die van af Breidablik over het meer; Vangsvand is zijn naam; beiden zijn in hooge mate schilderachtig en komen overeen met de uitzichten op Opheimsvand; ze zijn onderscheiden van wat ik tot nu toe zag, evenals de geheele omtrek van Voss; daar is minder rots, al komen hier en daar nog wel eens grimmige partijen te voorschijn; meer bebouwd land en vooral prachtige weiden tegen de zachtere hellingen der bergen.
Het stadje zelf is zeer levendig; er zijn in 't oogvallend veel winkels, al staan ze niet gelijk met grootsteedsche magazijnen, maar onder meer zag men bijv. bananen uitgestald tegen lageren prijs dan te Amsterdam. Men kon aan de winkels zien, dat er meer welstand is in de omstreken van Vossevangen, dan in de streken waar ik tot nu toe geweest was. De stad ligt trouwens ook aan den spoorweg die vanaf Bergen, aangelegd wordt en gedeeltelijk dient, om over de Skandinavische Alpen verbinding te krijgen met de oostelijke lijnen en met Kristiania.
Buiten de stad wandelende, kwam ik aan het militaire kamp, waar ik ook weder de reisgenooten van de Naerofjord trof, ditmaal allen in hun pakje, dat zeer eenvoudig, maar opvallend onzindelijk was. Ze waren daar gehuisvest in kleine houten barakken, waarvan er een aantal in dubbele rijen op een middenpunt uitkwamen, waar de bevelhebber en de officieren hunne gelijksoortige barakken hadden. Dit kampement was gelegen op een ruime hoogvlakte; later heb ik er nog gezien, die geheel uit tenten bestonden.
In Noorwegen is elk welgeschapen, gezond man dienstplichtig, behalve wanneer hij loods of geestelijke is, en hij wordt aangewezen voor den dienst waarvoor hij het meest geschikt is. Zeelieden en visschers dienen op de vloot, handwerkslieden bij de genie en de artillerie; studenten in de medicijnen in de veldhospitalen; de landlieden gaan zooveel mogelijk bij de kavalerie. De dienstplicht begint op 22 jarigen leeftijd en duurt 10 jaar, met afloopende diensttijden en naar gelang het wapen waarbij men ingedeeld is.
Voorbij het Fleischer's Hotel te Voss brengt een zijweg, door wegwijzers voldoende aangeduid, u naar het Finneloftet, op de wegwijzers het oudste wereldsche gebouw in Noorwegen genoemd. Het is een oud boerenhuis; de naam der boerderij is Fin, en loftet beteekend een huis met eene verdieping, in tegenstelling met stue, dat een huis is zonder verdieping. In dergelijke huizen is de ruimte gelijkvloers tot berging en bediendenhuisvesting aangewezen, terwijl de in- en uitwendig met meer zorg gebouwde verdieping door den boer met zijn gezin bewoond wordt. Er is in dit gebouw eene verzameling van oudheden, of liever eene opeenhooping van oud huisraad en landbouwgereedschappen, waarvan ik geloof dat veel in de afgelegen boerderijen nog zoo heel lang niet geleden buiten gebruik is gesteld. Er zijn wel aardige dingen onder, en curieus was te zien hoe men zich bij het samenstellen van vele voorwerpen had moeten voegen naar het eenige beschikbare materiaal--hout. Als museum heeft Finneloftet maar eene zeer beperkte waarde; het was evenals de oude vrouwelijke conciërge, die mij rondleidde door de enkele kamers, erg primitief.
Het had mij bij het opmaken van mijn reisplan leed gedaan, dat ik het niet zóó had kunnen inrichten, om Zondags te Odda te zijn, waar men dan volgens de Baedekers en consorten de merkwaardige kleederdrachten van het Hardangerlandschap bewonderen kan bij het uitgaan der kerk; maar 't ongeluk werd prettig vergoed, doordat ik Zondagsmorgens te Voss was, en daar de bevolking uit den omtrek van alle kanten op hare stolkjaerre en cariolen naar de kerk zag komen. Dat was inderdaad in hooge mate schilderachtig. Veel wit, veel kleur en veel levendige gouden versieringen. Natuurlijk kan ik niet beoordeelen in hoeverre die kleederdracht al meer of min gemoderniseerd is, maar toch, naar de stoffen en den snit te oordeelen, geloof ik het niet. Ik geloof eerder dat de nieuwere modes veel van dat oude overnemen. De vrouwen en meisjes waren alleen in het costuum, dat zich nog wel lang zal handhaven, omdat het zoo uiterst kleedzaam is. De vrouwen op 't land zijn, evenals de mannen, van groote gestalte en daarbij niet bijzonder slank; zij hebben bijna zonder uitzondering een goed figuur en een statigen, sierlijken gang. De gelaatskleur is frisch, gezond en blank; handen en armen zijn daarentegen gewoonlijk verbrand en verweerd; de oogen zijn licht staalgrijs en het haar wit blond. Zooals gelukkig overal, zijn er ook daar veel bepaalde schoonheden onder de vrouwen; het is een bijzonder knap soort van menschen. Eene uitzondering maakten daarop de oude vrouwtjes, die men dikwijls de woningen ziet bewaken. Naar kleeding, meestal zwart, en naar uiterlijk, met hunne sterk gebogen gestalte, kwamen me die schepseltjes inderdaad voor als de juiste personificatie van 't woord "heks".
't Was een levendig tafereel daar op dien zonnigen Zondagmorgen tusschen half tien en tien uur te Voss. Die lange rijen van lichte wagentjes, getrokken door die lichtgekleurde driftige paardjes, beladen met twee en drie keurig uitgedoste personen. De mannen allen in het donker; de vrouwen met donkere rokken en wit bovenlijf en daarover een donker, met kleuren afgezet corsage; het front met bontgekleurde koralen geborduurd en behangen met goud. De mouwen en de groote, wijd uitstaande mutsen wit. Het deed me leed, dat ik niet wachten kon tot de kerk uitging, om die optochten nog eens te zien.
Dien voormiddag vertrok ik weer per stolkjaerre naar Eide, om van daar de Hardangerfjord te bereiken. Een bezoek aan Bergen moest ik, zooals reeds van te voren te voorzien was, uit gebrek aan tijd achterwege laten.
Men verlaat Voss over eene lange houten brug over de Rindal, en komt spoedig in boschrijke omgeving; ditmaal is alles loofhout, pijnbosschen ziet men alleen in de verte, keurige kijkjes vanaf den hoogen weg; langzaam hooger; de woningen worden zeldzamer en blijven spoedig achterwege; 't landschap verliest zijne bekoorlijkheid. Plotseling komt men aan eene diepte; het dal gaat hier loodrecht omlaag, en in dien steilen rotswand is met vele kronkels een weg uitgekapt. Wanneer men ongeveer halverwege beneden is, krijgt men het uitzicht op den prachtigen "Skjervetfoss", een der mooiste watervallen die ik zag. Hij bestaat uit twee deelen; 't bovenste valt loodrecht omlaag en de sluiervormen van het water teekenen zich keurig helder af tegen den donkeren achtergrond der rotsen. Dan stort de watermassa zich over eene hellende rotsbedding en onder eene brug in den straatweg door, verder in dichte massa's voort het dal in. In de nabijheid van den waterval heeft zich een frisschen levendigen plantengroei ontwikkeld, en de grasplekjes hier en daar waren vroolijk met kleurige bloemen bezaaid. Een verrukkelijk tafereel! Het is eene eigenaardigheid in Noorwegen, dat de enge dalen, de verlengden of voortzettingen der Fjorden, altijd met steile reuzentrappen omlaag gaan, in stede van meer glooiend af te loopen, zooals elders.
De straatweg volgt nu de rivier, die zorg draagt altijd uwe aandacht gaande te houden door het wilde bruisen en het donderend geweld, wanneer zij zich hier en daar door eene engere rotsbedding heen wringt. Het bovengedeelte van den Skjervetfoss kan men nog lang in al zijn glorie waarnemen. We rijden door een gehucht Ovre Vasenden, en bereiken den top van het Gravensvand; rondom verheffen zich vervaarlijke bergmassa's. Verder gaat het langs het Gravensvand, wel wat eentonig, en na 3 uur rijdens stapte ik uit te Eide voor het voortreffelijke Maeland's hotel. Daar werd het middagmaal gebruikt, daarna nog eene wandeling terug naar 't Gravensvand gemaakt, waar ik zeer opmerkelijke inrichtingen voor de zalmvangst vond, en eindelijk de aanlegplaats der stoomboot opgezocht, om de vaart op het Sörfjord te aanvaarden.
Een tegenslag met zeer onaangename gevolgen. De boot kwam twee uur te laat. Er waren bij het mooie weer en met den Zondag zooveel reizigers, dat men onderweg overal aanleggende, veel tijd verloren had; wachten was de boodschap, en ten laatste van wal, op eene stampvolle boot. Het begin der vaart op de Gravensfjord geeft hetzelfde te zien als bij 't verlaten van bijna alle fjorden, maar als men op de breede Utnefjord komt en deze overvaart, dan verandert het tafereel. De Utnefjord is ongeveer het middendeel van de Hardangerfjord; een breede waterplas, omgeven door steile en hoog uit het water oprijzende rotsgevaarten, met veel schakeering van licht tot donker. De avondzon werd nog niet geheel door de bergkammen onderschept, en stortte een gouden gloed over water en land; de tegenoverliggende sneeuwvelden werden helder en schitterend verlicht. 't Was boven alle beschrijving heerlijk mooi, levendig en toch majestueus. Alle reizigers waren onder den indruk van 't schoone tafereel.