Door Noorwegen De Aarde en haar Volken, 1908

Chapter 2

Chapter 23,775 wordsPublic domain

Stel u voor een gewonen marktwagen, een lagen eikenhouten bak op veeren, van 't zelfde soort als hier gebruikt worden om groenten of visch langs de straten te verkoopen, waarop ook zooals hier voor verdere ritten een ijzeren stoel wordt aangebracht, waarop weder eene bank met lederen kussen; het voertuig heeft ook een lederen schoot, dien men bij regen of koude over zijne knieën op kan trekken. De koetsier zit achter den reiziger of reizigers op een krukje dat aan den ijzeren stoel is aangebracht, zooals ook bij arrensleden gebruikelijk is. Zijt gij alleen dan komt de koetsier dikwijls naast u zitten, zit hij achter u, dan houdt hij de teugels rechts van u. Uit den aard der zaak is in den bak weinig plaats voor bagage; de koetsier heeft ook een regenmantel, een paardendeken en een haverzak bij zich, zoodat men ook om de zwaarte, niet meer dan eene gewonen handkoffer kan mede nemen.

De kariol staat op hetzelfde onderstel, maar heeft den vorm van een schulp, naar voren spits toeloopende, inderdaad veel overeenkomende met den vorm van sommige onzer oude sjeezen; vroeger heeft de schulp ook in riemen gehangen. Als men zich met de beenen lang uit in zoo'n kariol plaatst, dan is het rijden er mede lang geene onaangename beweging, die men goed kan verdragen zonder vermoeienis. De stolkjaerre stoot weleens als ze niet goed op de as staat. Bij de kariol zit de koetsier natuurlijk altijd op het achterbankje. De koetsiers zijn gewoonlijk gedienstige, bedaarde lui, dikwijls zijn 't ook maar jongens, ik heb eens op een rit een menner van dertien jaar gehad, een vlug kereltje met eene grappige vrijmoedigheid, maar hij was lang de slechtste niet, van de vrienden die ik al zoo naast mij heb gehad; hun rijtuigen behooren alle tot een soort van postrijtuigen verband, skyds genaamd. De koetsiers en reizigers zijn allen aan bepaalde reglementen onderworpen, waarvan men echter weinig bemerkt en niets geen last heeft. Heeft men een skyds genomen bijv. van A naar B en komt men onderweg een skyds tegen, vol of ledig, van B naar A, dan verwisselt men van rijtuig, en elk rijtuig keert weêr op zijn weg terug; of wel men spant alleen de paarden om; voor den reiziger een gering bezwaar, voor de koetsiers en de paarden natuurlijk besparing van den halven weg en tijd. Het is mij herhaalde malen gebeurd als ik me eens door eene wandeling had verpoosd, of eene boerderij had bezocht, of wat verder van den weg iets van meer nabij had op willen nemen, dat ik dan ter afgesproken plaats wel een rijtuig, paard en koetsier vond, maar geheel andere dan die ik verlaten had. De bagage, jas of mantel, verrekijker of wat dan ook, waren altijd met zorg overgebracht.

Men kan die koetsiers in alles vertrouwen, al begint hun eenvoud al sterk te ontaarden onder den invloed van het vreemdelingenverkeer; wanneer men aan 't einde van zijn rit den koetsier ontslaat, betaalt men hem volgens tarief of met het Cooks-ticket, en geeft hem een fooitje in verhouding tot het aantal afgelegde kilometers.

De wegen in Noorwegen zijn in perfekte orde; alleen treft men hier en daar nog zoogenaamde oude wegen, die aangelegd zijn, altijd volgend de golvingen van het terrein, zoodat men bij korte tusschenpoozen steeds stijgt en daalt. In het noorsch heet zoo'n oude weg "bakket", dat is bultig, en dien naam draagt hij met eere. Voorbij rijden doet men zelden, en wisselen geschiedt niet anders dan in den stad; is de weg langs een bergstroom of langs eene diepte, dan houdt het rijtuig aan dien kant stil, terwijl het andere voorbij stapt.

Zoo vertrok ik dan van Fagernaes met het plan om tot Grindaheim door te gaan. Een heerlijke zonnige morgen; even voorbij het hotel over eene brug over de Naes, die stroomopwaarts aardige kijkjes gaf op stroomversnellingen, afgesloten door een kleinen waterval, waarbij een schilderachtig groepje van houten gebouwen, een houtzaagmolen met houtwerf. Links had ik al dadelijk de Strandefjord aan weêrszijden tusschen lage oevers, heerlijke groene weiden; vooral het punt waar men het kerkdorp Vennaes nadert, is zeer lief. De kerk is van hout en witgeverfd, dat is een vast model voor de nieuwere kerken; alle komen zij zoo naar vaste maten uit de timmerfabrieken; men vindt ze overal. Goedkoop waarschijnlijk; leelijk stellig! Een uur verder krijgt men de kerk van Ulnaes. De fjord wordt hier smaller, en er is eene houten brug over geslagen; links vooruit ziet men de sneeuwtoppen nabij het Vangsmjösen, dat we straks bereiken, en die van Jotunheim, die steeds in het verschiet blijven. Te Fosheim is weder een poststation; de Strandefjord die nu van naam verandert, en Graneimfjord heet, wordt steeds nauwer en eindelijk weer rivier, de Baegna; we komen nu te Vestre Slidre, dat eene fraaie oudere steenen kerk heeft, mooi op eene hoogte aan 't water gelegen; die kerk past in hare omgeving en versiert het landschap; de Baegna is weer een meer geworden, de Slidrefjord, en vormt fraaie landschappen. 't Kwam zoo met de dagverdeeling uit, dat ik te Löken stil hield voor het middagmaal. Behalve de nieuwe houten kerken, zijn ook de kleinere hotels op de poststations overal van denzelfden bouw, ook zij werden kant en klaar uit de timmerfabrieken afgeleverd. Is de plaats wat meer bezocht, dan wordt de eetzaal van het hotel tot gezelschapszaal ingericht, en eene eetzaal naast het hoofdgebouw gesticht. De eenvormigheid van die hotels werkt wel eens op de lachspieren, maar heeft vóór, dat men zich spoedig thuis gevoelt; men verplaatst zich wel, maar komt telkens weêr in eenzelfde huis terecht. Na het eten was het mij te warm om dadelijk verder te gaan. Ik bestelde later, toen de zon achter de bergen was, mijn rijtuig aan den Lo-foss (foss beteekent waterval) en wandelde langzaam op. Die waterval was een geweldig natuurtooneel; bij een kronkeling in de rivier had een rotsbrok, ongeveer in het midden van den stroom, tot nu toe aan den drang van het water weêrstand kunnen bieden, maar vormde juist daardoor bij een val van 20 en 25 meter een waren heksenketel. De zon scheen helder op de bruisende watermassa, die na den val als damp weder omhoog stoof en een heerlijk kleurenspel veroorzaakte. De oude vervallen gebouwen van een zaagmolen droegen het hunne bij tot versiering van het geheel en eenige mannen, die aan de overzijde op den hoogen kant stonden te werken, deden de verbazende afmetingen nog te sterker uitkomen. We kruisen een paar wilde bergbeken, die zich in de Baegna uitstorten; rijden door het gehucht Oilo en naderen Vangsmjösen, een der schoonste bergmeren van Noorwegen. De straatweg loopt aan de zuidzijde in de lengte langs het meer; eene reeks van vriendelijke uitzichten over de kalme watervlakte, voor 't meerendeel donker gekleurd door de spiegeling der dichtbegroeide berghellingen langs zijne oevers; in de verte kan men dikwijls niet zien waar het water eindigt en de helling begint. De weg is gedeeltelijk in de rotsen uitgekapt, die vooral bij Kvamsklev een geweldig aanzien verkrijgen. Aardig zijn de drinkbakken, die overal langs den weg staan, en den paarden steeds stroomend versch drinkwater aanbieden. Die zorg voor de paarden vindt ook nog hare uitdrukking in velerlei opschriften, bijv. "Wees goed voor uw paard", "Trek uw paard niet in den bek", en bij het opgaan van eenigszins belangrijke hoogten in een bord met uitnoodiging tot den reiziger, om de steilte te voet te beklimmen. Aanvankelijk heb ik aan die uitnoodiging eerlijk gevolg gegeven, maar spoedig zag ik hoe de koetsiers, die geen reizigers bij zich hadden, doodbedaard bleven zitten als er zulk eene klauterpartij kwam; na die ervaring heb ik de koetsiers maar voorgesteld, dat zij zouden wandelen en ik blijven zitten. Ze gaven er altijd lachend gevolg aan. Overigens moet ik erkennen dat de koetsiers, oud en jong, veel zorg voor hunne paarden hebben. De paarden zijn eene soort van dubbele hitten, gewoonlijk isabelkleurig met zwarte manen en staarten; de manen kort afgeknipt, zoo dat ze als een borstel op den nek staan, en op het hoofd in een paar flinke blessen uitloopen. 't Zijn driftige beestjes; men noemt ze daar Fjord-paarden; ontmoet men eens een grooter paard, dan weet de koetsier u te vertellen, dat 't een deensch paard is, maar voor de wegen daar niet half zoo geschikt als zijn beestje.

Het uitzicht op het meer blijft prachtig; rechts en links vooruit zijn de bergruggen bedekt met sneeuw. Dit was nu het eerste echte noorsche berglandschap dat ik zag; het gaf mij een zeer bijzonderen indruk; reusachtige afmetingen, frisch groen daar waar de berghelling wat terug trad en uiterwaarden gevormd waren; sterk begroeide berghellingen, krachtige rotspartijen met statige lijnen; veel zon en licht met sterke tegenstelling in het donker loof; warme kleuren. Men noemt het noorsche landschap somber; dat kan ik niet beamen; maar er is toch iets bijzonders aan; iets dat geene hoogere bekoring geeft en dat ik tot nu toe geen naam kan geven.

Aan de zijde van het meer, waarlangs de straatweg loopt, wijken de rotsen meer en meer terug; we rijden wat lager langs den waterspiegel, aan weêrszijden weiden, met hier en daar vee, en ook een akkertje; enkele huizen beginnen zich te vertoonen, nog over een heuvelrug heen en daar in eens ligt het vriendelijke kerkdorp Grindaheim voor ons; eerst weder de witte, houten kerk en pastorie en dan een dertigtal woningen, twee hotels, waarvan een zich Sanatorium noemt. Ik koos veiligheidshalve maar het tweede, het Grindaheim hotel, dat tevens poststation is.

Des avonds na het eten, ('t was negen uur en nog goed dag) maakten de gezamenlijke gasten nog eene wandeling; onder tafel hadden we in de verte onweer gehoord en 't had wat geregend. Opmerkelijk was de verbazende afkoeling; 't was bepaald koud geworden en de bedienende juffrouw in het hotel voorspelde ons voor den volgenden dag een kouden noordenwind, tevens de voorbode van daaropvolgend aangenaam helder weder. Zoo'n wandeling heeft daar een eigenaardige beteekenis, men kuiert er namelijk den straatweg op en neer, want van zijwegen, van landwegen, is geen sprake, van bergpaden is ook geen spoor te zien; te Grindaheim waren ook de boerenhoeven aan de overzijde, de noordzijde van het meer gelegen, dat is aan den zonnekant. Het gure winter- en voorjaarsklimaat noodzaakt de menschen, daar nauwkeurig op te letten; men bouwt altijd aan den noordkant.

Vindt men aangenaam gezelschap in de hotels, dan gaat men laat naar bed; 't blijft te lang licht, en men raakt daardoor de rekening kwijt. Dien ten gevolge is ook niemand 's morgens vroeg bij de hand en men kan zelden voor 's morgens acht uur zijn ontbijt krijgen.

De landelijke hotels in Noorwegen zijn hier en daar wel eens weelderiger ingericht, maar overal zijn ze zindelijk en eenvoudig. De bediening geschiedt door meisjes, die bijna overal de hardanger dracht dragen, die zeer flatteert. Een hotelier heb ik alleen maar in de grootere hotels ontmoet; gewoonlijk wordt men ontvangen door een huisknecht, die tevens zoowat voor portier speelt, 't is de "borstaren", misschien wel de hotelhouder zelf en na het toewijzen der kamer heeft men verder alleen met die dametjes in het hardanger costuum te doen. Treedt men de eetkamer binnen, dan maakt de kellnerin eene aardige buiging voor u, of liever 't is geen buiging maar een soort van danspas, die allerbevalligst is. De bediening is kalm en gewoonlijk goed; slechts bij uitzondering treft men "fröken" (kellnerinnen) aan, die trachten de aandacht op zich zelf te vestigen.

Grindaheim verliet ik 's morgens ongeveer 10 uur weder. De weêrsvoorspelling was uitgekomen. Het was helder weêr zonder zon; er woei een ijskoude noordenwind. Er waren nog al reizigers, en als men dan niet 't eerste klaar kan zijn en weg kan komen, dan is het verkieslijk, dat men wat langer wacht en bijv. een half uur nadat het laatste rijtuig vertrekt, anders heeft men gedurende den geheelen rit last van het stof der voorrijdenden.

Na anderhalf uur rijden en loopen, want er was een stuk oude weg in, dat bij niets anders te vergelijken was dan bij eene rutschbaan, bereikten wij het einde van Vangsmjösen bij het kerkdorpje Oije, waar de Baegna zich met een grooten mooien waterval in het meer uitstort. Nu gaat het met een grooten boog in het dal omhoog; straks nog steiler; gelukkig dat de wind nu wat meer van achter is, want hij is snijdend koud; de streek wordt eenzaam, woningen ontbreken, vee of menschen zijn nergens meer te zien; eindelijk iets omlaag en men bereikt Skogstadt, een tegen de helling van een berg aanleunend gehucht, waar men weder van paard en rijtuig verwisselt. Maar dit is ten minste weêr een ruim dal, waar wat groen te zien is; waar zelfs dicht bij de rivier struiken groeien en waar menschen en vee zijn. Hier en daar gaat men over de rivier en over woeste bergbeken, men ziet nog al veel watervallen van de bergen afstorten; ze zijn als zilveren banden, die er langs afhangen, want door den afstand ziet men geen beweging in het water. Een bergmeertje, het Sutrovand, geeft eene prettige afwisseling, en men komt te Nystuen, de plaats waar gemiddagmaald zal worden. Het hotel Nystuen was vroeger eene door de regeering ondersteunde zoogenaamde Fjeldstue. Fjeld is eene berghoogvlakte, en stue beteekent houten huis. Toen er nog weinig gereisd werd onderhield de regeering hier en daar op die kale, verlaten hoogvlakten herbergen voor de zeldzame reizigers. Nystue was de stue op het Fillefjeld. Het hotel kwam achter aan het meer uit, en men had van uit de veranda's aardige kijkjes op dat watervlak, wat verder op stonden een paar visschershutten aan den oever, en dan was er nog een post-, telegraaf- en telefoonkantoor, verder zoo ver 't oog reikte niets.

Geen wonder dat de fröken aan mijne uitspraak merkte dat ik geen Noor was, en dat gaf haar aanleiding tot het uitpakken van een flink engelsch. Zij was, en velen van hare soort waren in gelijk geval, als kind met hare ouders, naar Amerika getrokken, en konden nu teruggekeerd wat meer verdienen omdat zij engelsch sprak. De juf was verder ook nog mededeelzaam en vertelde me dat ze naar Noorwegen teruggekomen was, in de hoop te zullen trouwen en dan met haren man terug te gaan naar Amerika, waar men volgens haar beter leven kon. 't Gesprek was nog niet uit, want ziende dat ik vrij wat moeite had om mijn vleesch te snijden, en nog meer om het in den mond fijn te krijgen, terwijl ik waarschijnlijk ook wel een zuur gezicht trok over den flauwen zoeten smaak, vertelde ze al verder, dat ze mij op rendiervleesch onthaalde. Men had op die afgelegen plaatsen maar een beperkten voorraad van versch rund- en kalfsvleesch, en kwamen er dan meer gasten, dan waarop gerekend was, dan schoot dat vleesch te kort en dan werd maar een rendier geslacht. Maar uit economie werden daar altijd de oudste dieren voor genomen, en dus kregen de gasten onuitsprekelijk taai vleesch van minder aangenamen smaak. Een rendier wordt wel meer dan twintig jaar oud! We doen dat allemaal, zeide mijne praatzieke fröken, u moet maar eens opletten als u bij een hôtel komt, daar hangen dikwijls rendiergewijen ten toon aan de schuttingen, ter verkoop, maar bij nader toezien ziet ge het bloederige vleesch der pas geslachte dieren er nog aanzitten. Nu--deze waarschuwing heeft me goede diensten bewezen, want als ik voortaan bij een hotel die koppen zag tentoongesteld, dan heb ik maar liever eene dubbele portie visch genomen. Visch is toch daar overal het hoofdgerecht; de tallooze rivieren, beken en meren zijn zeer rijk aan heerlijke visch, en zoo krijgt men 's morgens aan zijn ontbijt al dadelijk eene forel uit 't water of eene portie zalm; dan volgt ham en eieren of een schamel stukje vleesch en verder staan er op tafel een aantal schotels met bereide vleeschspijzen, koude ham, worst, enz. en met visch in allerlei gedaante, gerookt, gedroogd, gezouten, in het zuur. Die vischspijzen zijn allen voortreffelijk; slechts voor eene soort moet ik mijne medemenschen waarschuwen. 't Ziet er uit als kleine gebakjes, bleek gebakken, en 't bestaat uit fijngemaakte gekookte visch met een meelkorstje er om heen. Zelfs met behulp van alle beschikbare specerijen en met kracht van zout, heb ik dat nooit tot een smakelijk gerecht kunnen maken. Verder vindt men er gewoonlijk een puik edammer kaasje, en noorsche kaas; de gewone kaas--Myse ost--zijn flinke vierkante blokken, die een gewoon bord geheel vullen en er uitzien als een licht gekleurd blok mahoniehout. Deze kaas heeft een zuiveren vetten smaak, maar is zoet. Daarnaast hebben de Noren nog eene soort kaas, die zij "gammle Ost" of oude kaas noemen; zij staat nooit op tafel, en wordt slechts op verzoek aangeboden. Als ik u mededeel dat hij van dezelfde eigenaardige soort is, maar in overtreffenden trap den smaak en reuk heeft van Limburgsche kaas, dan zal wel iedereen begrijpen, waarom hij nooit op tafel staat.

Bij het ontbijt wordt in Noorwegen ook een smakelijk wittebrood aangeboden, soms ook roggenbrood, en de boter is overal zeer goed. Behalve dat alles kan men zich te goed doen aan beschuitjes met allerlei soort van uitstekende compôtes, alles inlandsch en dikwijls huis-fabrikaat. Verder maakt het "knikkebrod" eene delicatesse uit; het is ongerezen meelkoek, juist als het Jodenpaaschbrood, ook in vorm, maar er is bovendien anijszaad in gebakken. De middagtafels zijn gelijksoortig, maar hebben ook nog soep, en tweemaal vleesch, of eens vleesch en eens gevogelte. Ook worden er veel eieren gegeten, die zeer smakelijk zijn, al zijn het wel eens zeevogeleieren. Men geeft dat niet gaarne toe; ik vroeg wel eens aan de fröken: waar krijgt gij toch al die eieren vandaan, want ik zie hier nooit kippen, en kreeg dan altijd eene eenigszins verwarde verklaring van bij de boeren in het gebergte. Maar op die boerderijen vond ik wel eieren van kippen tot huishoudelijk gebruik, maar niet voor verzending! Bij 't ontbijt drinkt men koffie, thee of melk, alles van goede kwaliteit; aan tafel en door den dag bier; wijn wordt hoogst zelden gebruikt. Het bier is bereid op duitsche wijze en zeer smakelijk. Spiritualiën kan men nergens krijgen; enkele reizigers hebben hunnen cognac of whisky in den koffer. 't Is ontwijfelbaar zeker dat men door de strenge maatregelen tegen den verkoop van sterken drank het gebruik in het openbaar en de openbare dronkenschap zeer tegengegaan heeft--maar er wordt veel gezondigd, en dan in diep geheim. Intusschen, dronkenschap is iets waarover men zich in Noorwegen schaamt.

Mist men hier of daar zijn maaltijd, dan neemt men smörbrod, d. w. z. gesmeerde sneden brood met kaas of allerlei soorten van koud vleesch. Dit met een glas bier genoten, vervangt dikwijls op aangename wijze het driemaal daags wel goed bereide, maar toch eentonige menu der gemeenschappelijke maaltijden.

In den namiddag verliet ik Nystuen met zijne spraakgrage fröken; de weg liep steeds omhoog over de kale onherbergzame hoogvlakte, tot we na een paar uur rijdens de waterscheiding van oost- en west-Noorwegen bereikten. Na een nieuwe stijging kwamen we aan den Brusesaeter, eene armzalige woning met groote stalling en tal van geiten die daar graasden en rondsprongen. Niettegenstaande ik zooveel mogelijk in de achterhoede gebleven was, kwam ik daar toch ten slotte te gelijk met het groot gezelschap aan, en als een bewijs hoe allen onder den indruk waren van het troostelooze landschap, dat we gedurende den ganschen dag gezien hadden, dient wel dat al wat fotograferen kon onmiddellijk onder uitroepen van: "wat is dat hier lief!" zich haastte om die geiten, die stallen en een paar zeer vierkante noorsche boerenvrouwen, die aan 't melken waren, aan de vergetelheid te ontrukken.

Maar van nu aan werd het beter; al was het terrein nog hoog, we waren aan de wester helling, en onder den invloed der vochtige zeewinden kwamen we te midden van struiken en onder boomen; berkenhout vooral met zijn sierlijk loof. De weg begon snel te dalen, en spoedig waren we te Maristuen, waar 't eenig belangrijke gebouw een fraai hotel was, heerlijk aan de Laera, die daar woest en wild hare schuimende wateren omlaag stuwt, gelegen. Ter plaatse waar nu het hôtel staat, stond in 1300 een kerkelijk hospiz, dat later een Fjeldstue werd en nu een flink ingericht hotel is, waar Knut Maristuen als eigenaar op flinke wijze de honneurs waarneemt.

Den volgenden ochtend weder ten 9 uur op de stolkjaerre; ik had nog niet op een kariol gezeten! Een heerlijke weg in een tamelijk ruim en met veel berken en essen begroeid dal, waar de Laera maar steeds in woeste drift den reiziger vooruit snelt. Spoedig, te spoedig zelfs komt men te Hegg, een arm, maar zeer schilderachtig gelegen gehucht, een der hoofdplaatsen voor liefhebbers van forellenvisscherij. Men zag er hengelaars aan alle kanten langs de rivier en in de plassen. Na er een half uurtje rond gewandeld te hebben en hier en daar een gesprek met amateurhengelaars gehouden te hebben, liet ik weder een rijtuig komen, en kreeg ditmaal een kariol; maar o spot! dit antiek rijtuigje was splinternieuw, netjes gelakt en achterop prijkten in vergulde letters de woorden: Thos. Cook Sons London. De reisbureaux zorgen niet alleen voor goed vervoer, maar houden ook de oude gebruiken als sport in eere!

De weg blijft even mooi en het dal breed; er staan opmerkelijk veel boerderijen; een uurtje verder ligt het hotel Burgund, dat zijn naam draagt naar de in de nabijheid gelegen oude kerk. Ik zond mijn koetsier met koffer en kariol door naar Husum, om zelf den weg daarheen te voet af te leggen. De oude kerk van Burgund is waarschijnlijk omstreeks 1150 gebouwd; men leidt dit af uit den vorm van een runenopschrift, dat in een der portalen met het mes is ingesneden. Ze is geheel van hout, en maakt door haren grilligen vorm en met de heidensche versieringen, die er naast het kruis op de gevelpunten voorkomen, een vreemden indruk. Het is eene "Stavekerke" d. w. z. zij is, zooals oorspronkelijk ook voor alle woningen gebruikelijk was, van boomstammen gebouwd. De hoofdruimte heeft drie schepen met 12 kolommen; aan het koor bevindt zich een halfronde apsis, waarschijnlijk later aangebouwd. Er valt alleen licht in de kerk door kleine openingen boven in de wanden; vensterglas was toen in Noorwegen nog niet bekend, en de godsdienstoefening bestond alleen in het hooren van de mis, waarbij de gemeente in het duistere koor, of zelfs buiten voor de deur knielde. De klokketoren in ouden stijl en op de oorspronkelijke plaats hersteld, staat naast de kerk en een paar schreden verder een nieuwe kerk in ouden stijl, maar nu behoorlijk gemetseld en van vensterglas voorzien. Boven de overdekte portalen der oude kerk vindt men interessant snijwerk.