Door Noorwegen De Aarde en haar Volken, 1908
Chapter 1
Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/
Door Noorwegen.
door G. Bosch.
Naar Noorwegen! Zoo klonk het besluit, na het lezen van eene reisbeschrijving door dat land.
Zooveel moois was wel nergens ter wereld te zien, en schijnbaar in een niet te groot bestek.
En de reis werd ondernomen; het vele schoons werd gezien--maar dat niet te groote bestek bleek wel eene te vluchtige gevolgtrekking te zijn geweest. Voor velen misschien volkomen juist, n.l. voor hen die over zee in Bergen aankomen, slechts een klein deel van het land doorkruisen, en dan overstelpt werden door 't vele moois dat ze zien.
Maar ik wilde wat meer; ik wilde zoo mogelijk van mijne reis een indruk van het geheele Noorwegen mede thuis brengen, en begon met het oog daarop een reisplan te ontwerpen--maar ziet dat ging niet in den beperkten beschikbaren tijd. Het land is groot, zeer groot! Neem eens eene kaart van Europa, zeide mij later eens een Noor, en vouw haar om het zuiden van ons land om, dan zult ge zien dat het noorden tot ver in Italië reikt. En inderdaad Noorwegen is zóó groot, en bezit zoovele ver, zeer ver uiteenliggende punten, die men dan toch er eenmaal zijnde, ook bezoeken wil--dat reizigers die over niet meer dan 15 tot 20 dagen te beschikken hebben, eigenlijk verstandiger doen, met er niet heen te gaan. Ik was zoo verstandig niet en moest al dadelijk besluiten om het noordelijkste deel met Trondhjem, en van het westelijk deel waarschijnlijk ook de stad Bergen onbezocht te laten; en voor het overige was.... Maar ik hoop dat het u niet vervelen zal mij van dag tot dag te volgen.
Ten 10 uur 's morgens verliet ik Amsterdam; gebruikte te Osnabrück het middagmaal en kwam ten 9.40 uur 's avonds te Hamburg; had daar weder den tijd tot 11 uur 30 om via Warnemunde naar Kopenhagen te trekken. Deze trein heeft slaaprijtuigen, die men niet verlaat vóór de aankomst te Kopenhagen. Intusschen de zeetocht van Warnemunde tot Gredser was zeer stormachtig; 't verblijf in het slaaprijtuig werd daardoor onderbroken en een kijkje op de boot genomen. 't Was er vol en de reizigers waren allen in opgewekte, eenigszins luidruchtige stemming. Het personeel der Deensche Staatsspoorwegen bood den volgenden dag een feest aan, aan dat van de Mecklenburgsche spoorwegen. De boot was daardoor stampvol met heeren en dames van de spoor; overal vond men menschen, alléén de slaaprijtuigen en de slaapplaatsen aan boord bleven onbezet, jammer voor hen die, als ik, hunne nachtrust wilden genieten, want het inschepen der spoorwegrijtuigen was zoo kalm gegaan, dat men er zoo midden in den nacht maar weinig van merkte. Gelukkig was er tusschen Gedser en Kopenhagen nog een rustig uiltje te knappen. We werden nog eens met den geheelen trein over een zeearm gezet, en eerst te Roskilde kwam er zooveel beweging aan de stations, dat het slapen er bij inschoot. Het eiland Seeland is lief en blijkbaar zeer welvarend, maar niet zóó mooi, dat het alle aandacht vordert. Ten 9 uur 43 precies stoomden we het hoofdstation te Kopenhagen binnen; men moet dan voor de reis naar Noorwegen van dit station naar het Havenstation; men geeft zijn bagage aan een kruier en laat zich den weg wijzen; heel gemakkelijk, men houdt altijd links en loopt zoodoende om het hoofdstation heen. De terreinen van de beide stations liggen met den rug tegen elkaar aan, maar de rechte lijn kan niet gevolgd worden, men moet den omtrek eener ellips half afloopen om bij het havenstation te komen. Tijd is er in overvloed, daar voor behoeft geen enkel reiziger bezorgd te zijn--maar er is toch iets anders dat vreemd is. Vraagt men den kruier om een rijtuig naar het havenstation, dan wil hij daar niets van weten. De man weet hoe kort de afstand en hoe eenvoudig de weg is en vindt het niet eerlijk om u daarvoor een rijtuig te laten betalen; hij gaat mede buiten het station, wijst u den weg en zegt dat hij met de bagage na komt. Ik onderging die belangstellende behandeling en volgde de andere reizigers; zoo liepen in Kopenhagen vreemdelingen elkander na, vertrouwende de een op den anderen, niet wetende of misschien allen voor 't eerst van hun leven daar waren.
De man met de bagage komt nog al laat achterna, maar toch in tijds; hij helpt u zeer dienstvaardig met het uitzoeken eener plaats en wanneer er een politieman dicht bij is, of een conducteur, geeft hij u zelfs geld terug, als ge hem boven het tarief betaald hebt.
De lijn naar Helsingör gaat nu langs de kust van Seeland. Het landschap wordt spoedig na het verlaten van Kopenhagen veel belangwekkender; men heeft er hier en daar heerlijke kijkjes op de zee; spoort langs fraaie landgoederen en door prachtige beukenbosschen tot men te Helsingör aankomende weêr met eene stoompont overgezet wordt naar Helsingbörg in Zweden. Die te Kopenhagen plaats nam in het doorgaand rijtuig naar Kristiania kan rustig blijven zitten: 't overstappen naar en van boord heeft trouwens niets geen bezwaar.
De route door Zweden is niet fraai. Van tijd tot tijd als men de kust wat meer nadert, heeft men wel eens fraaie kijkjes, maar over 't geheel is het landschap eentonig, heuvelachtig, met veel waterplassen terwijl de rotskammen, die hier en daar uit den grond opsteken, het niet beter maken. Dan weêr eens bosch en dan weêr minderwaardig bouw- en weiland: weer plassen enz. Aangenaam is het dat de conducteur de reizigers komt waarschuwen als aan 't eerst volgende station avondtafel is. Men doet dit overal in Zweden en Noorwegen op de treinen. Die eetgelegenheden zijn zeer goed; maar aangezien men zich zelf bedienen moet van eene groote tafel, waar alle eetgereedschap en eene goede verscheidenheid van wel bereide spijzen gereed staan, om dan aan eene der kleinere tafels zijn buit te gaan nuttigen, zoo is bescheidenheid hier niet al te zeer aan te prijzen.
In den avond komt men te Göteborg aan, en een ieder betrekt zijn slaapcoupé. Deze zijn op de noorsche spoorwegen zeer aangenaam ingericht; eene slaapcoupé is een ruime halve coupé, van hare wederhelft gescheiden door eene schuifdeur, die aan beide zijden afgesloten kan worden. Is de eene helft niet bezet, dan kan men die ook gebruiken als zitplaats, en beschikt dan zoodoende over een ruim slaapvertrek. De bedden en het verdere waren uitstekend in orde. Ik had me reeds in de dubbele ruimte zeer gezellig ingericht, toen ik opgejaagd werd door twee japanners die ter elfder uur de slaapplaatsen in mijne zitkamer nog afhuurden. Onderweg had ik ze al een paar maal gesproken. Zij kwamen laatstelijk uit Berlijn en de oudste stelde zich met een hoogadelijken titel en onverstaanbaren naam voor; daar de vriend echter slecht verzorgde werkmanshanden had, kreeg ik den indruk met een aansteller te doen te hebben, en begon ik Japan al te beklagen, dat zijne zonen al last kregen van europeesche hebbelijkheden.
Hoe het landschap tusschen Göteborg en Kristiania is weet ik niet, want ik sliep er ongestoord doorheen, slechts even gewekt door eene bescheiden vraag van een noorsch grensbeambte of ik tolplichtige waar in mijn bagage had; hij nam genoegen met mijne eenvoudige ontkenning. Het aankomen bij Kristiania in den vroegen morgen was heerlijk. Een prachtig en steeds afwisselend uitzicht op de baai met hare talrijke begroeide eilandjes; hare liefelijke oevers bezaaid met zomer-verblijven en tal van uitspanningsplaatsen, hier allen als badplaats aangeduid. Langzaam begint de weg te dalen; een paar tunnels, dan een paar ravijnen en dan het overal en daar ook min smakelijke voorstads-gedoe, en ten kwart voor zes rolden wij het station binnen. Buiten het station gekomen herhaalde zich het dienstbetoon der kruiers te Kopenhagen. Ik vroeg zoo'n vriend mij een rijtuig te bezorgen, maar hij hield dat voor overbodig; ik moest met hem mede naar de tramhalte, aan de andere zijde van 't stationsplein; hij zette mijne handkoffer op een tram en zeide aan den conducteur waar ik heen moest. Dat kost u nog niet de helft, mijnheer! zeide hij, zonder een spier in zijn eenvoudig gelaat te vertrekken. Enfin! 't is precies uitgekomen, maar ik zoude andere reizigers toch raden op een rijtuig aan te dringen, al moet men dan soms ook nog 20 öre geven aan een jongen, om het te halen; de hotels zijn nog al ver af, en de tram loopt er niet altijd langs.
Voor 't gemak had ik ditmaal te Amsterdam bij Thomas Cook & Son hoteltickets gekocht, hoewel ik daarmede nog nooit gereisd had, maar er nu toe kwam omdat ik toch plaatskaarten moest koopen voor de rijtuigen waarmede ik reizen zoude en voor de boottrajekten. Men behoeft dan nooit naar prijzen te vragen; men heeft voor de geheele reis zijne biljetten in den zak, en recht om geholpen te worden. De tickets worden overal zonder tegenspraak en zelfs bij voorkeur aangenomen. De hotelcoupon noodzaakte mij in het hotel Continental te Kristiania te logeeren, waarvoor ik mij in geen opzicht te beklagen had, alleen is de ligging niet zoo fraai als die van de hotels op de Karl Johans-Gade.
't Gebruik van slaapcoupés heeft weleens kwaden invloed op de beurs. Zes gulden per nacht is niet goedkoop,--maar nu kan ik ook na twee nachten gereisd en na een goed ontbijt genuttigd te hebben, reeds omstreeks 9 uur mijne wandelingen door Kristiania beginnen, onder begunstiging van het heerlijkste zomerweder.
De Noorsche steden werden vroeger, en dat is nog zoo heel lang niet geleden, allen van hout gebouwd. Er kwamen herhaaldelijk groote branden voor en daar volgden dan wettelijke bepalingen op, waarbij herbouw in hout verboden werd. Kristiania trof dit ongeluk in 1686, 1708 en 1858; daardoor heeft het nu, al is het gedeeltelijk van ouderen datum, een zeer nieuw uiterlijk; rechte breede straten, groote pleinen, wandelingen en plantsoenen. De Karl Johans-Gade begint aan het station en loopt ongeveer een half uur recht door en omhoog tot aan het koninklijk slot. 't Is eene prachtige straat met vele monumentale gebouwen aan weerszijden, waaronder het parlementsgebouw met zijn strengen stijl bijzonder de aandacht trekt. Daar verbreedt zich de straat met flinke plantsoenen, die weêr afgewisseld worden door de statige lijnen van het nationaal theater en die van de eenvoudige universiteit. Het koninklijk paleis met zijne fraaie parken sluit de Karl Johans-Gade waardig af. Achter het nationaal theater ligt eene minder aanzienlijke stadswijk, "Piperviken" genaamd, waar veel neringdoenden wonen, en veel handelswerven en pakhuizen zijn; zij komt uit aan de Pipervikenbaai, waar het wemelt van grootere en kleinere stoombooten en waar op flinke ruimten eene aardige bedrijvigheid heerscht. Aan de oostzijde der baai vindt men de oude vesting Akershus, 't eenige oudere gebouw in Kristiania. Zij werd gebouwd in 1310 en dient nu als tuighuis en als gevangenis. Het is een aardige groep gebouwen. De kerken te Kristiania hadden voor mij geene aantrekkelijkheid; de museums heb ik ook niet bezocht, maar wel geruimen tijd doorgebracht in de houten loods achter het universiteitsterrein, waar een oud vikingerschip bezichtigd kan worden. Er zijn er eigenlijk twee, het schip dat in 1867 bij Thune in het ambt Smaalene opgegraven werd, is alleen dan te zien als de bewaarder (Vagtmester) zelf aanwezig is, en men hem een extra drinkgeld geeft. Ik trof hem niet en zag dus alleen het schip dat in 1880 bij Gogstad, niet ver van Sandefjord, uitgegraven werd. Het is ongeveer 1100 jaar geleden dat dit schip gebouwd is, en deskundigen die ik er juist aantrof, maakten mij de opmerking, dat de scheepsbouwkunst sinds dien maar weinig veranderd was. Het was een flink vaartuig, dat zijn tuig wel gedragen zal hebben, en stellig scherp bij den wind zeilde. Het is van zwaar gezond eikenhout gebouwd en vertoont hier en daar in de onderdeelen wijzen van werken, die nu nog in gebruik zijn. Die oude zeevaarders hebben ons ook nog eene uitdrukking nagelaten, die nog steeds in zwang is. Aan de rechterzijde van het schip werd als roer een waaiervormig getimmerte, dat om eene spil draaien kan, uitgebracht, en daar vandaan wordt die zijde van het schip nog altijd de stuurboordzijde genoemd.
De derde gang van boven af is doorboord met 16 gaten aan weêrszijde, en is daarom ook wat zwaarder dan de andere gangen. De gaten zijn rond, evenals de handvatten der roeispanen, maar er zijn kepen ingemaakt, zoodat de spanen van binnen af uitgestoken konden worden. De roeispanen zijn vrij kort voor zulk een groot vaartuig, en zijn van dennen hout.
Eene rij ronde houten schilden hing buiten tegen den bovengang, elkaar half bedekkend; zij zijn om het andere geel en zwart geverfd; zij dekken de openingen voor de roeispanen, en beschermden de roeiers.
Het roer hing tot beneden de kiel omlaag, maar kon bij ondiep water met eene lijn opgehaald worden; de diepgang van het schip was ongeveer 2 meter; de voor- en achtersteven loopen veel hooger op, en zijn zeker gebeeldhouwd en versierd geweest; maar deze deelen van het schip staken boven de aardlaag, waaronder het bedolven lag, uit, en zijn daarom vergaan.
Er zijn geen teekenen van verslijten of beschadiging aan het schip; alles is nog kantrecht en glad; de onderkant van de kiel en de voorsteven zijn nog volkomen gaaf. Het schip moet dus juist afgebouwd zijn geweest, toen de Viking stierf. Het is gekalefaterd met driedraads garen, uit koehaar gesponnen, de bedoeling was dus, dat het varen zoude, en het is blijkbaar niet gebouwd op de plaats waar men het vond als eene reuzenlijkkist.
De grafkamer is, in tegenstelling met het overige zeer ruw ineengezet met spaarzaam behakte zware balken en planken en gedekt met stukken berkenschors. In die grafkamer heeft de hoofdman gerust te midden van zijne wapens en kostbaarheden, maar voor tijden reeds heeft men in den grafheuvel eene loopgraaf ingebracht, door den wand van het oude schip heen. De roovers lieten alles in verwarring achter, en slechts eenige schamele overblijfselen van pauwenvederen, goudweefsels op donkere wollen stof, ornamenten van verguld brons en lood werden gevonden bij de beenderen van een krachtigen grijsaard van hooge gestalte.
De noorsche sagen omschrijven verscheiden dergelijke begrafenissen, en we kunnen ons inderdaad voorstellen, hoe dat nieuwe schip op het strand gehaald werd door de grimmige langharige krijgers; zij zongen onder het halen en bespraken de gevechten waarbij zij overwonnen; de veraf gelegen landen waar zij geroofd en geplunderd hadden, waar zij alles te vuur en te zwaard verwoestten onder aanvoering van den hoofdman, die daar nu levenloos op de baar uitgestrekt lag, gehuld in zijne rijkste gewaden. Lichte schoenen omsloten zijne voeten; wapens rustten aan zijn zijde en alle gareel was om hem heen verzameld; alles wat bij het schip behoorde, de loopplanken, de koperen ketel, platen en spaden en drie kleinere booten met roeispanen, roer en boomen. Het behoorde zoo, dat de held behoorlijk toegerust zijne reis naar Odin aanvaardde. Daarom werden dan ook al zijne paarden en honden geslacht en met hem, maar naast het schip, begraven. Daarna werd alles met aarde bedekt, en een heuvel ontstond op die plaats.
De overblijfselen van het Vikingenschip bevestigen de juistheid dier overleveringen.
Het woord Viking moet men vooral niet in verband brengen met het engelsche woord King. Het wordt uitgesproken als Wiking, en beteekent "iemand die aan eene wijk, aan een inham van het water woonde".
In den namiddag bracht ik een bezoek aan Holmenkollen, eene uitspanningsplaats in de omgeving van Kristiania. De stadstram bracht mij van 't hôtel naar het eindstation Majorstuen, waar men overstapt in de tram naar Holmenkollen; een fraaie rit langs eenige buitenplaatsen en ten laatste stijl berg aan door bosch met bij toeneming mooie uitzichten op de omgeving. Het eindstation ligt nog eene minuut of tien onder het hotel, dat op zich zelf een bezoek waard is; een fraai houten gebouw met terrassen en veranda's, van waar men een overheerlijk mooi uitzicht heeft op de stad Kristiania en de golf, een der prachtigste panorama's die ik ooit zag, niet alleen in Noorwegen, maar ook elders. Van Holmenkollen kan men langs een uitstekenden straatweg nog verder omhoog gaan naar eene tweede uitspanning Frogner Saeter. Deze straatweg is ter herinnering aan het bezoek van den duitschen keizer in 1890, de Keizer Wilhelmsweg genoemd. Een vreemden indruk maken hier en daar de Bauta-steenen (herinneringssteenen, bestaande uit lange smalle granietstukken) waarop naast den naam van Keizer Wilhelm, dien van Koning Oscar staat, sinds dien door de Noren van de betrekking tot hun land ontheven. De weg kronkelt langs de helling van den berg geheel door bosch omhoog; na ongeveer 10 minuten bereikt men een lief plekje, eene uitspanning met een waterplas, dan eene kerk, nog wat verder op een hotel, en dan de Frogner Saeter. Een Saeter is eigenlijk eene berghut, waar gedurende den zomer, herders en vee in huizen, overdrachtelijk wordt de naam toegepast op eene in landelijken stijl gebouwde zomerwoning. Deze saeter is dan ook van hout en in oud-Noorschen stijl gebouwd. Het uitzicht is hetzelfde als van Holmenkollen, maar nog vrijer. Een tweede, nog hooger gelegen uitzichtspunt bezocht ik niet, om voor de duisternis nog eens te genieten van het heerlijke uitzicht vanaf den weg. Dat was evenwel onnoodige haast, want zelfs ten 9 uur 's avonds kan men daar nog goed zien.
Na mijn terugkomst in de stad wandelde ik nog wat in de Shortingsgade en in de Karl Johannsgade, die mij van zelf bracht in het park in de omgeving van het koninklijke slot. Het was daar vol, en men zoude gaan denken dat er in Kristiania niets anders dan dames woonden, en dat die allen des avonds bij mooi weer en fraai uitgedost in dat park rondwandelden. Het was eene aardige vertooning, al die lichte zomertoiletjes in dat bleeke avondlicht, en daarbij de groote beweeglijkheid der wandelaarsters.
Den volgenden ochtend moest ik tijdig aan den trein zijn, want de reis ging tot Fagernaes als begin van de zoogenaamde Valdersroute, die in Noordwestelijke richting van Kristiania dwars door Noorwegen voert.
In den morgentrein is een doorgaand rijtuig tot Fagernaes, dat tevens een uitzichtsrijtuig is. De banken zijn allen in eene richting aangebracht, en de wanden zijn bijna geheel van glas. Ik was er al een half uur voor het vertrek, maar toen ik in dat rijtuig plaats wilde nemen, stonden er twee heeren met opgeheven armen gereed om te zeggen dat alles bezet was. Daar mede kwam ik al dadelijk in botsing, met 't geen het reizen in Noorwegen mogelijk maakt en het tevens belemmert. De beide heeren waren volgens de opschriften op hunne petten tolken van de firma Cook en van de firma Bennett. Aan deze beide kantoren komt de eer toe, Noorwegen voor de touristenwereld toegankelijk te hebben gemaakt. Zij hebben de tochten die men er maakt, georganiseerd; zij hebben de hotels, die men op de pleisterplaatsen aantreft, in het leven helpen roepen; zij frankeeren u van uw vertrek tot aan uwe thuiskomst. Met hunne tickets betaalt gij in de hotels, ook uwe morgen, middag en avondmalen, uwe postrijtuigen, uwe plaatsbiljetten op spoorwegen en stoombooten, uwe rijtuigen als ge in eene stad u verplaatsen moet tusschen een station en de aanlegplaats eener stoomboot. Die tickets zijn eer goedkooper dan duurder dan het betalen met klinkende munt; zij worden overal aangenomen en falen nooit. Als gij uwe Cooks of Bennetts biljetten in den zak hebt, is uwe reis reeds gemaakt, alles gaat als van een leien dakje en ge komt van zelf weêr thuis--althans zoolang ge blijft op de aangewezen route. Trouwens het is moeielijk daarvan af te wijken, want buiten de aangewezen wegen zijn er geene, en buiten de aangewezen hôtels zijn er geene, en dikwijls ook geene andere woningen. Dorpen zijn zeldzaamheden; de nachtverblijven zijn gebouwd op de plaatsen waar paarden en koetsiers moeten rusten; alleen ziet men hier en daar tegen de berghelling nog eene boerderij. Zonder die reisbureaux zoude er voor 't groote meerendeel der zomerreizigers geene gelegenheid zijn om Noorwegen te bezoeken; laten wij er hun dus dankbaar voor zijn dat zij Noorwegen exploreerden, en dat zij het zoo goed deden, al heeft men dan wel eens last van de vertegenwoordigers dier firma's.
Het uitzichtsrijtuig toch was in het geheel niet bezet, maar men wilde liefst ruim zitten, en de twee tolken wilden zich verdienstelijk maken tegenover de reizigers, die zij begeleidden. Grappig waren een drietal landgenooten, die vast overtuigd alléén onze nationaliteit te vertegenwoordigen, zich aardigheden veroorloofden over de wijze waarop ik weggezonden werd; 't kan toevalliger wijze voorkomen dat zij deze regelen lezen, en zij mogen dan nog eens bedenken welk eene dwaas figuur de hunne was, toen de stationschef zoo beleefd was eene zeer goede plaats te mijner beschikking te stellen.
De spoorweg voerde ons over bergen en dalen, door statige bosschen, langs groote rotspartijen; van tijd tot tijd uitzichten op bergmeren, zooals over Eina de Randsfjord, en te Eina zelf het fraaie Einameer.
Hier begint de eigenlijke Valders-lijn, eene particuliere spoorweg-maatschappij. Tot Eina was het Staatsspoorweg. Men spoort geruimen tijd langs de Randsfjord tot Odnaess aan het uiteinde van het meer gelegen. Nu langs een flinken bergstroom, de Etna-elv, (Elv = rivier) omhoog tot Dokka. Het landschap wordt nu eentonig: van tijd tot tijd nog wel eens een mooi boschgezicht en een paar woeste bergkloven, maar 't geen men ziet boeit weinig. Tot overmaat van ramp begon het te regenen; gelukkig niet lang en met het wegtrekken der wolken bleken we ook in aardiger omgeving gekomen te zijn. Hier en daar een kerkje; eindelijk verlaten we het dal der Eina; de trein gaat zuchtend en steunend over een bergrug en dan komen we in het dal der Baegna, dat ruimer is en meer afwisseling biedt. Vooruit komen de sneeuwtoppen van Jotenheim vrij; links verwijdt de rivier zich meermalen tot een meer; aan elke halte wordt gestopt; de reizigers en de spoorwegbeambten hebben geen haast meer, men vertrekt als alles klaar en de laatstaankomende reiziger goed gezeten is.
Fagernaes is eene kleine verzameling huizen met twee hotels; nu er sedert een paar jaar een station is, komt er wat meer leven. Ik logeerde in het Fagernaeshotel, zeer aangenaam aan het meer gelegen, en kon dien namiddag nog een paar prettige wandelingen maken. Een voetpad rechts van den straatweg brengt u, tegen den berg op, aan eene belvedère met prachtig uitzicht op de Strandefjord. Na tafel was het buiten te koud en er werd nog een gezellig uurtje in de conversatiezaal doorgebracht; men hoort daar alle talen en 't scheen mij toe dat de Noren het op prijs stellen, als men tracht hunne taal te spreken. Voor 't naar bed gaan bestelde ik tegen den volgenden morgen negen uur een rijtuig en vond het ook precies klaar staan.
Eerst nog eens een luchtje geschept langs het meer, en toen besteeg ik mijne eerste stolkjaerre; een kariol zoude ik later nog wel krijgen.
Eene kariol heeft maar eene zitplaats, de stolkjaerre heeft er twee; heeft men grooter gezelschap, dan kan men ook vierwielige rijtuigen met twee paarden krijgen; die rijtuigen zijn allen oud en hebben allen den vorm van calèches.